David Nicholls, Lee Klein, Adeline Yen Mah, Reinier de Rooie

De Engelse schrijver David Nicholls werd geboren op 30 november 1966 in Eastleigh, Hampshire. Zie ook mijn blog van 30 november 2008 en ook mijn blog van 30 november 2009.


Uit: One Day


„Friday 15TH July 1988
Rankeillor Street, Edinburgh
‘I suppose the important thing is to make some sort of difference,’ she said. ‘You know, actually change something.’
‘What, like “change the world”, you mean?’
‘Not the whole entire world. Just the little bit around you.’
They lay in silence for a moment, bodies curled around each other in the single bed, then both began to laugh in low, pre-dawn voices. ‘Can’t believe I just said that,’ she groaned. ‘Sounds a bit corny, doesn’t it?’
A bit corny.’
‘I’m trying to be inspiring! I’m trying to lift your grubby soul for the great adventure that lies ahead of you.’ She turned to face him. ‘Not that you need it. I expect you’ve got your future nicely mapped out, ta very much. Probably got a little flow-chart somewhere or something.’
‘So what’re you going to do then? What’s the great plan?’
‘Well, my parents are going to pick up my stuff, dump it at theirs, then I’ll spend a couple of days in their flat in London, see some friends. Then France-‘
Very nice-‘
‘Then China maybe, see what that’s all about, then maybe onto India, travel around there for a bit-‘
‘Traveling,’ she sighed. ‘So predictable.’
‘What’s wrong with travelling?’
‘Avoiding reality more like.’
‘I think reality is over-rated,’ he said in the hope that this might come across as dark and charismatic.
She sniffed. ‘S’alright, I suppose, for those who can afford it. Why not just say “I’m going on holiday for two years”? It’s the same thing.’
‘Because travel broadens the mind,’ he said, rising onto one elbow and kissing her.
‘Oh I think you’re probably a bit too broad-minded as it is,’ she said, turning her face away, for the moment at least. They settled again on the pillow. ‘Anyway, I didn’t mean what are you doing next month, I meant the future-future, when you’re, I don’t know…’ She paused, as if conjuring up some fantastical idea, like a fifth dimension. ‘…Forty or something. What do you want to be when you’re forty?’
‘Forty?’ He too seemed to be struggling with the concept. ‘Don’t know. Am I allowed to say “rich”?’
‘Just so, so shallow.’
‘Alright then, “famous”.’ He began to nuzzle at her neck. ‘Bit morbid, this, isn’t it?’
‘It’s not morbid, it’s…exciting.’



David Nicholls (Hampshire, 30 november 1966)


Doorgaan met het lezen van “David Nicholls, Lee Klein, Adeline Yen Mah, Reinier de Rooie”

Jan G. Elburg, Mark Twain, Jonathan Swift

De Nederlandse dichter en schrijver Jan G. Elburg werd geboren op 30 november 1919 te Wemeldinge. Zie ook mijn blog van 30 november 2006 en ook mijn blog van 30 november 2007 en ook mijn blog van 30 november 2008 en ook mijn blog van 30 november 2009.


Niets van dat alles

Zoals matrozen zingen…
maar matrozen zingen niet:
zij spugen in de zee,
zij kennen de achterkanten van steden
en de voorkant van de koude wind;
matrozen zingen niet.

zoals de vogels vrolijk…
maar hun vrolijkheid is vluchten:
zij zijn beschoten,
hun jong is dood.
(zij kennen geen droefheid ook).

zoals de zon…
maar zie het rode stof rond boekarest.
wolken? zijn koude mist.
de klaproos? onkruid.
zand: zand.
water: water.

een mens weet nauwlijks wat de mens is.
de dichter weet alles van niets. 



Ik neem mijn buik op en wandel,
ik heb mijn ogen open,
ik heb mijn borst als kennisgeving aangeslagen,
ik zou die punboomhouten paal in mij
vertikaal willen treffen met licht:
een lang lemmet licht om de dagen te turven.
Ik zou een rood totem willen snijden
waarom mijn hartstocht zich als wingerd slingert,
een beeld voor alledag, waaraan de vingers leven.
Ik heb te nemen.

Ik zou een mens willen maken uit wrok
en afgeslagen splinters: een winterman
met een gezicht van louter ellebogen.
En bomen zouden stampen bij zijn langsgaan
en had hij één minuut te leven,
rood zou hij zijn en rood van kindertranen
en rood.

Ik pak mijzelf als altijd weer tezamen,
ik zie het water aan,
ik neem mijn hongerige maag en wandel,
ik zie een eetsalon voor twintig standen:
wanden zijn er genoeg; hij vloekt
van een doorvoeld gemis aan ramen.

Jan G. Elburg (30 november 1919 – 13 augustus 1992)


Doorgaan met het lezen van “Jan G. Elburg, Mark Twain, Jonathan Swift”

Philip Sidney, John McCrae, Winston Churchill, Lucy Maud Montgomery, Rudolf Lavant, John Bunyan,Sergio Badilla Castillo, David Mamet, Wil Mara

De Engelse schrijver Sir Philip Sidney werd geboren op 30 november 1554 in het  kasteel van Penshurst in het graafschap Kent. Zie ook mijn blog van 30 november 2006 en ook mijn blog van 30 november 2008 en ook mijn blog van 30 november 2009.


The Bargain


My true love hath my heart, and I have his,

By just exchange one for another given:

I hold his dear, and mine he cannot miss,

There never was a better bargain driven:

My true love hath my heart, and I have his.


His heart in me keeps him and me in one,

My heart in him his thoughts and senses guides:

He loves my heart, for once it was his own,

I cherish his because in me it bides:

My true love hath my heart, and I have his.


Sir Philip Sidney (30 november 1554 – 17 oktober 1586)

Standbeeld in Shrewsbury


Doorgaan met het lezen van “Philip Sidney, John McCrae, Winston Churchill, Lucy Maud Montgomery, Rudolf Lavant, John Bunyan,Sergio Badilla Castillo, David Mamet, Wil Mara”

Mario Petrucci, Carlo Levi, Jean-Philippe Toussaint, C.S. Lewis, Silvio Rodríguez

De Engelse dichter en schrijver Mario Petrucci werd geboren op 29 november 1958 in Londen. Zie ook mijn blog van 29 november 2008 en ook mijn blog van 29 november 2009.




How easy for me, your son,

youthful lungs trawling in one sweep –


cigar smoke, omelette, the girl

next door. One day I told you


how in physics we’d calculated

each lungful held billions of atoms Galileo’d inhaled.


It took a full week

for you retort – as always


off the nail. Must be I’ve used it all then –

from Siberia to Antarctica,


slack-pit to spire.

That’s why each draw’s so bloody hard.


Left me speechless.

Till, catching you that night at the foot


of your Jacob’s Ladder, ascending

to the one bulb of the landing toilet,


I told you how I’d checked with sir:

You can’t use it all, I piped


not in a hundred million years.

You’ll get better dad, just wait and see.


Your mouth a slur, suspended

over your chest. Fist


white on the rail.

Don’t hold your breath son, you said.



Feeling For Eggs


You have given, and given, until giving has grown

into habit – so that you move to the stove

without thought, without word, the moment

the green of my jacket stipples your window:

ladle the soup that is always ready, rearrange

the condiments, or slop eggs for the beaten track

of an omelette. Sometimes, I can almost believe

you pass the day moving from stove to telly and back

again; or taking the one leather bag to the shops

for the loaf, the eggs you stow as though they might

ignite, two words with the butcher: was tender; was tough.

The odd hour spent in the husbandry of bills.

You hoard your knowledge of the man who died, left you

with sons: onion skin copies with their own

lives. You keep that knowledge safe, as though telling

might erase it. The pruning of decades takes your words

beyond the graft of mine. So, you listen, tolerate

the electric hotplate, the central heating;

were happier with the sooted cauldron twenty of you

could have your fill from, the firewood chopped

by your father, brought by donkey. You grew

maize from seed, knew how to feel

for an egg in the chicken. We sit in silence now,

with English tea to sip, some soup, until I have

to go. You follow as far as the empty drive, wave

as you stoop for a windfall branch,

add it to the wood pile you keep in the garage

that year by year inches towards the eaves.



Mario Petrucci (Londen, 29 november 1958)



Doorgaan met het lezen van “Mario Petrucci, Carlo Levi, Jean-Philippe Toussaint, C.S. Lewis, Silvio Rodríguez”

Louisa May Alcott, Wilhelm Hauff, Ludwig Anzengruber, Madeleine L’Engle

De Amerikaanse schrijfster Louisa May Alcott werd geboren op 29 november 1832 in Germantown, Pennylvania. Zie ook mijn blog van 29 november 2006  en ook mijn blog van 29 november 2008 en ook mijn blog van 29 november 2009. 


Uit: Little women (Onder moedervleugels, vertaling door Almine, Amsterdam 1876)


“Als je “dédain” bedoelt, dan moest je dat zeggen en niet over “étain” praten, alsof Vader een tinnen peperbus was,” spotte Jo lachend.

“Ik weet heel goed, wat ik zeggen wil, en je hoeft er niet zoo “satiriek” over te zijn. Het is heel goed om juiste uitdrukkingen te gebruiken en zoo je “vocabulaire” te verrijken,” zeide Amy deftig.

“Nu, vlieg elkaar maar niet aan, kinderen! Zou jij niet willen, Jo, dat we al het geld nog hadden, dat Vader verloor, toen we nog klein waren? Hè, wat zouden we gelukkig en goed zijn, als we niets hadden, wat ons hinderde,” zei Meta, die zich betere dagen herinnerde.

“En gisteren heb je nog gezegd, dat je ons veel gelukkiger vond dan de kinderen King, omdat die altijd vochten en kibbelden, niettegenstaande ze zooveel geld hebben.”

“Dat heb ik ook gezegd, Bets; en ik geloof ook wel, dat het waar is, want al moeten wij ook werken, we hebben toch pret onder elkaar, en zijn een “moppig” troepje, zou Jo zeggen.”

“Jo gebruikt ook zulke platte uitdrukkingen,” zei Amy en zag afkeurend naar de lange gestalte op het haardkleed. Jo ging dadelijk rechtop zitten, stak de handen in de zakken van haar schort en begon te


“Doe het toch niet, Jo, ’t is zoo jongensachtig.”

“Daarom doe ik het juist.”

“Ik heb het land aan ruwe, onbeschaafde meisjes.”

“En ik aan gemaakte, opgeprikte nuffen.”

“Ieder vogeltje zingt, zooals het gebekt is,” zei Bets, de vredestichtster, met zulk een grappig gezichtje, dat de beide scherpe stemmen zich in lachen oplosten en het “aanvliegen” voor ’t oogenblik

gedaan was.

“Kinderen, jullie hebt beiden schuld,” zei Meta, en begon als oudste zuster de les te lezen. “Jo, je bent nu oud genoeg om die jongensmanieren af te schaffen en je verstandig te gedragen. Het kwam

er niet zooveel op aan, toen je nog een klein meisje was, maar nu je zoo lang bent geworden en je haar opgestoken draagt, moet je bedenken dat je langzamerhand een dame wordt.”



Louisa May Alcott (29 november 1832 – 6 maart 1888)



Doorgaan met het lezen van “Louisa May Alcott, Wilhelm Hauff, Ludwig Anzengruber, Madeleine L’Engle”

Franz Stelzhamer, Antanas Škėma, Andrés Bello, Maurice Genevoix

De Oostenrijkse dichter en schrijver Franz Stelzhamer werd geboren in Großpiesenham op 29 november 1802. Zie ook mijn blog van 29 november 2008 en ook mijn blog van 29 november 2009.




Da liegt sie, die große Pastete,

Die weite Landschaft vor mir,

Herr Winter, der wack’re Konditor,

Versah sie mit Schmuck und Zier.


Daß er so viel Zucker streute,

Geschah den Kindern zulieb,

Doch was er mit glitzernder Reimschrift

Darauf und darüber schrieb –


Das ist für den Wanderer,

Das ist für mich, für mich,

Und ich deut’ und entziff’re

Die Schrift auch Strich für Strich.


Das nichtigste Ding erglänzet

Im Strahl des Sonnenlichts,

Was macht nach diesem Exempel

Manch Einer aus seinem Nichts!


Drauf krächzt die heisere Dohle,

Ich nick’ und lache dazu,

Im Thale wirds trüb und neblig,

Es ballt sich der Schnee am Schuh –


Und gleich kommt ein and’rer Gnome

Mit melancholischem Gesicht,

Behaucht sich mit warmen Athem

Die frierenden Hände und spricht:


Du mußt dich begraben lan,

Ein in’s Leichentuch dreh’n,

Auf daß neugeboren dann

Du wieder magst aufersteh’n!


Doch kaum ist der Fröstler verschwunden

Im grauen Nebelduft,

Erschüttert Schellengeklingel

Und schallendes Schäckern die Luft.


Gottlob, die »Dreikönig« vorüber,

Es winkt schon der Karneval,

Fünf Schlitten mit munterem Völklern

Kutschieren in’s Städtchen zum Ball.


Mag sein, auch Hochzeitleute,

Wer weiß das so genau,

Es spielen ja Kinder schon gerne

Das Spiel von »Herr und Frau«.


Doch sieh, hintenauf was hockt doch?

Das Mäulchen zum Spotte gespitzt,

Ein kicherndes, zappelndes Gnömchen

Und horch, was singt es itzt?


Allimmer und ewig auf Fasching

Fiel Fasten, auf Freude folgt Leid,

Doch glaubt mir, ihr glücklichen Thoren,

Ihr bleibt stets so froh wie ihr seid.


D’rauf huscht das Fuhrwerk von dannen,

Geklingel und Knallen verhallt,

Ein leises eisiges Lüftchen

Durchschauert Feld und Wald.


Ei Winter, ei Winter, wie lehrreich

Wie lustig und launig du bist,

Wer aus deinen nur scheinbar blanken,

Blühweißn Blättern liest.



Franz Stelzhamer (29 november 1802 – 14 juni 1874)

Standbeeld in Ried im Innkreis


Doorgaan met het lezen van “Franz Stelzhamer, Antanas Škėma, Andrés Bello, Maurice Genevoix”

Erwin Mortier, Sherko Fatah, Alberto Moravia, Rita Mae Brown, Julian Randolph Stow

De Vlaamse dichter en schrijver Erwin Mortier werd geboren in Nevele op 28 november 1965. Zie ook mijn blog van 28 november 2006 en ook mijn blog van 28 november 2007 en ook mijn blog van 28 november 2008 en ook mijn blog van 28 november 2009.


Uit: Godenslaap


“Natuurlijk was ik jaloers, en ik ben het nog steeds. Jaloers op de schilders, op hun woordenschat van coloriet. Jaloers omdat ik de taal niet kan fijnstampen in een mortier en naar goeddunken vloeiend of pasteus kan maken door er olie doorheen te mengen, noch een nieuwe kleur kan scheppen door wat poeder van het ene woord aan wat poeder van het andere toe te voegen. Jaloers ook, omdat er geen taal bestaat waarmee je eerst een ondergrond kunt aanbrengen, die door het kleurenweefsel dat je erbovenop legt heen blijft schemeren. Jaloers omdat ik een taal zou willen die geen betekenis draagt, maar bovenal intensiteit, een betekenis die aan de betekenis ontstijgt, en die je niet zozeer zou moeten lezen, als wel bezien, met de geletterdheid van het oog, de eruditie van het netvlies.”



Het was zonder meer een vredig tafereel, en een even vredige, melancholieke septemberochtend, en voor de zoveelste keer verwonderde ik me erover hoe snel we, na slechts enkele uren voordien voor de vleugels van het noodlot te hebben geschuild de alledaagsheid als een taai kleed over de kraters en de doden wierpen- en ik weet nog steeds niet of ik zulks een vorm van genade vond, een teken van onverzettelijkheid, of een soort zelfverdoving, de kalmte van een schaap dat in de nabijheid van een roedel wolven te dichtbij om ze te kunnen ontvluchten, een glorieus fatalisme over zich afroept en zijn fatum kalm in de ogen blikt. “



“We hebben zerken nodig, iets tastbaars dat de dode toedekt, ons de toegang tot de Hades verspert, een offertafel of een wierookschaal waarin we het gevoelen van schuld kunnen verbranden nadat we de doden, die al een keer gestorven zij n, in de spelonken van onze geest nog een tweede keer in de rug hebben geschoten, om ver de kunnen. “(Dit is een metaforische manier van aanduiden hoe we met de doden uit een oorlog moeten omgaan.)



Erwin Mortier (Nevele, 28 november 1965)


Doorgaan met het lezen van “Erwin Mortier, Sherko Fatah, Alberto Moravia, Rita Mae Brown, Julian Randolph Stow”