Doeschka Meijsing, Martin Bril, Tariq Ali, Mehdi Charef, Allen Hoey, Nikos Engonopoulos, Patrick Kavanagh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge, Martin Roda Becher

De Nederlandse schrijfster Doeschka Meijsing werd geboren in Eindhoven op 21 oktober 1947. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2007 en ook mijn blog van 21 oktober 2008 en ook mijn blog van 21 oktober 2009.

Uit: Over de liefde

In een cel
Dit verhaal begint met een dvd die op een dag in mijn brievenbus werd gegooid. Hoewel ik de eerste weken vergat hem te bekijken, zou de inhoud ervan mijn gedachten weer lange tijd door elkaar schudden, alsof er al niet genoeg met mij was gebeurd.

De dvd behelsde een documentaire en werd me door een zekere ‘Jan’ bezorgd, die via een in het cellofaan gestoken kaartje, dat me verhinderde met één oogopslag kennis te nemen van de inhoud, liet weten dat hij het belangrijk vond dat ik ernaar keek. Toevallig kende ik maar twee Jannen op deze wereld, nog uit mijn studententijd, en ik wist zeker dat het handschrift op het kaartje van geen van beiden was.
Ik besteedde er verder geen aandacht aan, want ze konden wel zoveel in je brievenbus gooien waar je niet om had gevraagd, en de wereld probeerde al zo opdringerig van alle kanten je aandacht te vangen dat je je het beste van tijd tot tijd als een leeuw in de woestijn kon terugtrekken. De afgelopen jaren was ik genoeg door elkaar geschud en nu ik eindelijk de vlakte had bereikt, moest ik eerst maar eens mijn wonden likken. Die waren diep en stinkend.“

(…)

 „Ik had geen rekening gehouden met de buitenwereld, de wijnranken van roddels en geruchten die om me heen aan het zoemen waren, de vrienden en kennissen die schichtig tegenover me begonnen te doen, heel het netwerk van de stad met boodschappen vol leedvermaak of medelijden dat zich om me heen spande. Ik kon geen vriendin raadplegen over de nieuw ontstane situatie of ik kreeg ten antwoord dat ze het allang wist, dat ze niet had geweten hoe het mij te vertellen, dat ze op het punt had gestaan mij in te lichten, dat de hele stad het wist. „

meijsing

Doeschka Meijsing (Eindhoven, 21 oktober 1947)

 

De Nederlandse dichter, columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2008 en ook mijn blog van 23 april 2009 en ook mijn blog van 21 oktober 2009.

De poes die alles ziet

Een slap zonnetje, en de wind steekt op.
Wat te doen? De poes zit roerloos op de
Schutting van de buren niks te denken

Of misschien iets heel dieps, wij zullen
Het nooit weten. Intussen is het wel zo
Dat de poes kan praten, dat wil zeggen
Als ze binnen is, steekt ze hele verhalen
Af in een prachtige taal die niemand
Verstaat maar die we allemaal begrijpen,

Wij hier in huis bedoel ik, anderen niet.

De ene keer vertelt ze over haar avonturen
In de tuin, de andere keer informeert
Ze naar wat wij zoal hebben meegemaakt.

Als alles dan in balans is, zoekt ze ergens
In huis een hoek om te dutten, of een
Plek die uitzicht biedt over alles, want
Graag houdt ze het gezin in de gaten.

En dat doet ze met haar ogen toe
Of soms op een luie kier.

 

Trotse tomaten

De tomatenplant die ik voor de
Zomer kocht, heeft inmiddels
Vijf perfecte tomaten opgeleverd

Zwaar en vlezig en zoet

Een laatste, nummer zes, hangt
Zich nu te haasten – van slap
Oranje naar morgen rood en
Zelfverzekerd, want zo zien
Rijpe tomaten er toch wel uit:

Trots.

 bril

Martin Bril (Utrecht, 21 oktober 1959 – 22 april 2009)

 

De Pakistaanse auteur, journalist en filmmaker Tariq Ali werd geboren in Lahore op 21 oktober 1943. . Zie ook mijn blog van 21 oktober 2008 en ook mijn blog van 21 oktober 2009.

Uit: Remembering Edward Said

„Edward Said was a longstanding friend and comrade. We first met in 1972, at a seminar in New York. Even in those turbulent times, one of the features that distinguished him from the rest of us was his immaculate dress sense: everything was meticulously chosen, down to the socks. It is almost impossible to visualize him any other way. At a conference in his honour in Beirut in 1997, Edward insisted on accompanying Elias Khoury and myself for a swim. As he walked out in his swimming trunks, I asked why the towel did not match. ‘When in Rome’, he replied, airily; but that evening, as he read an extract from the Arabic manuscript of his memoir Out of Place, his attire was faultless. It remained so till the end, throughout his long battle with leukaemia.

Over the last eleven years one had become so used to his illness—the regular hospital stays, the willingness to undergo trials with the latest drugs, the refusal to accept defeat—that one began to think him indestructible. Last year, purely by chance, I met Said’s doctor in New York. In response to my questions, he replied that there was no medical explanation for Edward’s survival. It was his indomitable spirit as a fighter, his will to live, that had preserved him for so long. Said travelled everywhere. He spoke, as always, of Palestine, but also of the unifying capacities of the three cultures, which he would insist had a great deal in common. The monster was devouring his insides but those who came to hear him could not see the process, and we who knew preferred to forget. When the cursed cancer finally took him the shock was intense.“

ali

Tariq Ali (Lahore,  21 oktober 1943)

 

De Frans-Algerijnse schrijver en regisseur Mehdi Charef werd geboren op 21 oktober 1952 in Maghnia in Algerije. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2008 en ook mijn blog van 21 oktober 2009.

Uit: A bras le coeur

„Une odeur d’encens âcre et brûlante s’échappe de l’antre du marabout. Derrière le rideau qui nous sépare de son cabinet, j’entends deux familles qui pleurent, et parfois hurlent. Le marabout tente de les calmer. D’après ce que je crois comprendre, il s’agit d’une histoire de lesbiennes. J’écarte discrètement l’épais rideau, taillé dans une couverture militaire récupérée on ne sait où, et je découvre le large visage hâlé de Mbami, qui est un homme rempli de certitudes et de curiosités. Autour du front, il porte un foulard. Avec un éventail en feuilles de bambou, il disperse les volutes de fumée qui montent de deux kanouns. De dos, je distingue deux femmes voilées assises jambes croisées sur la natte ; à côté d’elles, deux jeunes filles de profil ; ce sont elles qui pleurent et qui sanglotent. Elles ont les yeux rouges, le nez qui coule. Elles répondent aux questions indiscrètes, tranquillement. La première, qui porte des lunettes de vue, récapitule pour sa mère :

   – C’est plus fort que moi ! J’ai beau essayer de me retenir, de me raisonner, rien n’y fait. Une force supérieure me pousse. Je succombe, désespérée et en larmes, dans les bras de Farida!

   Farida, l’autre jeune fille, qui n’est pas voilée, elle aussi est effondrée, à côté de sa mère. Les deux adolescentes se prennent les mains et implorent en choeur le marabout :

   – Guéris-nous, Si Mbami!

   II essaie de les calmer en levant les mains.

   – Et toi?

   Farida baisse les yeux, elle met ses mains sur sa tête.

   – Je ne pense qu’à elle, nuit et jour, je ne sais pas pourquoi. Maman, j’ai peur ! C’est seulement quand je sens son corps contre moi que mes angoisses s’apaisent…“

charef

Mehdi Charef (Maghnia, 21 oktober 1952)

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en criticus Allen Hoey werd geboren op 21 oktober 1952 in Kingston, New York. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2008. Allen Hoey overleed op 16 juni van dit jaar op de leeftijd van 58 jaar. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2009.

Glory
               and the firmament sheweth his handywork.
               —Psalms 19:1

Sometimes, late night, the middle of January
maybe, I get home, everything’s quiet, the cows
aren’t in the pasture out back, all the lights
turned off as far as I can see, the packed snow
crunches underfoot as I step away from the car
and slam the door, but not quite a crunch, almost
a kind of squeak, it’s that cold, and then, cold
as it is, I stand beside the car and lift my head
to look up at the sky, not a cloud, a high wind’s
blown the heavens clear, and all the stars are weaving
the way I’d weave heading across the yard
and up the stairs, the warm air, the faint trace of
heating oil, the rumpled bed at the end of the hall,
but now the stars dance their little dance and,
my God, it’s cold, and I’m here, and that’s
just about the best a man could ever care about.

 

Country Music

Mothers and dogs die, and fathers too; in the fullness of time
they all do. Wives and husbands, boyfriends, girlfriends, and lovers
run away or break your heart. Someday, someone will smash
your car, your truck, whether it’s some dumb-ass in an SUV
or only a deer whose trajectory through life has the misfortune
of intersecting yours a few feet this side of the shoulder—
crumpled fender, bent frame, or just a broken headlight, your baby
ain’t the same, and, even apart from the increase you know
your premium will reflect the next time the bill comes due,
it hurts. At some point in your life, unless you’re someone
I’d never want to sit next to and sip a beer, you’ve felt
a little sad and maybe lonely when you’ve heard a train whistle
keening through the trees on a dark October night. At three o’clock
the wind batters rain against the bedroom window, debris
from the porch roof clatters on the pane, and you lie awake
thinking about how years ago you might have done something
different than the way you did it and rehearsing the many ways
your life might’ve changed. But would you give up the feeling
you get listening to the slow breath beside you, reassuring,
keeping you in bed when part of you wants to get up, get
the bottle and sit at the kitchen table with only a smudge of light
coming in from the one lamp you’ve switched on in the living room,
listening to that wind, those twigs and branches racketing
against the glass and clapboard—would you, could you
be any happier, really? A piece of pie, maybe, some stale
remnants of a birthday cake. Instead, you lie in bed, hear
the faint strains of a fiddle, the twang of a Telecaster,
and in the wind the wailing sound of a pedal steel guitar,
all of this put to music—this life you’ve maybe lived.

hoey

 Allen Hoey (21 oktober 1952 – 16 juni 2010)

 

De Ierse dichter Patrick Kavanagh werd geboren op 21 oktober 1904 in County Monaghan. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2006 en ook mijn blog van 21 oktober 2008 en ook mijn blog van 21 oktober 2009.

In Memory Of My Mother

We have tested and tasted too much, lover-
Through a chink too wide there comes in no wonder.
But here in the Advent-darkened room
Where the dry black bread and the sugarless tea
Of penance will charm back the luxury
Of a child’s soul, we’ll return to Doom
The knowledge we stole but could not use.

And the newness that was in every stale thing
When we looked at it as children: the spirit-shocking
Wonder in a black slanting Ulster hill
Or the prophetic astonishment in the tedious talking
Of an old fool will awake for us and bring
You and me to the yard gate to watch
the whins
And the bog-holes, cart-tracks, old stables where Time begins.

O after Christmas we’ll have no need to go searching
For the difference that sets an old phrase burning-
We’ll hear it in the whispered argument of a churning
Or in the streets where the village boys are lurching.
And we’ll hear it among decent men too
Who barrow dung in gardens under trees,
Wherever life pours ordinary plenty.
Won’t we be rich, my love and I, and
God we shall not ask for reason’s payment,
The why of heart-breaking strangeness in dreeping hedges
Nor analyse God’s breath in common statement.
We have thrown into the dust-bin the clay-minted wages
Of pleasure, knowledge and the conscious hour-
And Christ comes with a January flower.

 

Primrose

Upon a bank I sat, a child made seer
Of one small primrose flowering in my mind.
Better than wealth it is, I said, to find
One small page of Truth’s manuscript made clear.
I looked at Christ transfigured without fear–
The light was very beautiful and kind,
And where the Holy Ghost in flame had signed
I read it through the lenses of a tear.
And then my sight grew dim, I could not see
The primrose that had lighted me to Heaven,
And there was but the shadow of a tree
Ghostly among the stars. The years that pass
Like tired soldiers nevermore have given
Moments to see wonders in the grass.

 kavanagh

Patrick Kavanagh (21 oktober 1904 – 30 november 1967)
Portret door William Mulhall

 

De Griekse dichter en schilder Nikos Engonopoulos werd geboren op 21 oktober 1907 in Athene. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2008 en ook mijn blog van 21 oktober 2009.

BOLIVÁR   (Fragment)

A Greek Poem

And shall I now despair that to this very day no one has
understood, has wanted, has been able to understand
what I say?
Shall the fate then be the same for what I say now of Bolivar,
that I’ll say tomorrow of Androutsos?
Besides, it’s no easy thing for figures of the importance of
Androutsos and Bolivar to be so quickly understood,
Symbols of a like.
But let’s move on quickly: for Heaven’s sake, no emotion,
exaggeration or despair.
Of no concern, my voice was destined for the ages alone.
(In the future, the near, the distant, in years to come, a few,
many, perhaps from the day after tomorrow or the day
after that,
Until the time that, empty and useless and dead, the Earth
begins to drift in the firmament,
The young, with mathematical precision, will awake in their
beds on wild nights,
Moistening their pillows with tears, wondering at who I was,
reflecting
That once I existed, what words I said, what songs I sang.
And the gigantic waves that every evening break on Hydra’s
seven shores,
And the savage rocks, and the high mountain that brings down
the blizzards,
Will eternally and untiringly thunder my name.)

But let’s get back to Simon Bolivar.

Bolivar! A name of metal and wood, you were a flower in
the gardens of South America.
You had all the gentleness of flowers in your heart, in your
hair, in your gaze.
Your hand was huge like your heart, and scattered both good
and evil.
You swept through the mountains and the stars trembled, you
came down to the plains, with your gold finery, your
epaulets, all the insignia of your rank,
With a rifle hanging on your shoulder, with chest bared, with
your body covered in wounds,
And stark naked you sat on a low rock, at the sea’s edge,
And they came and painted you in the ways of Indian braves,
With wash, half white, half blue, so you’d appear like a lonely
chapel on one of Attica’s shores,
Like a church in the districts of Tatavla, like a palace in a
deserted Macedonian town.

 

Vertaald door David Connolly

 Engonopoulos

Nikos Engonopoulos (21 oktober 1907 – 31 oktober 1985)
Athene

 

De Franse dichter en schrijver Alphonse de Lamartine werd geboren op 21 oktober 1790 in Mâcon. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2006 en ook mijn blog van 21 oktober 2008 en ook mijn blog van 21 oktober 2009.

Le papillon

Naître avec le printemps, mourir avec les roses,
Sur l’aile du zéphyr nager dans un ciel pur,
Balancé sur le sein des fleurs à peine écloses,
S’enivrer de parfums, de lumière et d’azur,
Secouant, jeune encor, la poudre de ses ailes,
S’envoler comme un souffle aux voûtes éternelles,
Voilà du papillon le destin enchanté!
Il ressemble au désir, qui jamais ne se pose,
Et sans se satisfaire, effleurant toute chose,
Retourne enfin au ciel chercher la volupté!

 

Les voiles

Quand j’étais jeune et fier et que j’ouvrais mes ailes,
Les ailes de mon âme à tous les vents des mers,
Les voiles emportaient ma pensée avec elles,
Et mes rêves flottaient sur tous les flots amers.

Je voyais dans ce vague où l’horizon se noie
Surgir tout verdoyants de pampre et de jasmin
Des continents de vie et des îles de joie
Où la gloire et l’amour m’appelaient de la main.

J’enviais chaque nef qui blanchissait l’écume,
Heureuse d’aspirer au rivage inconnu,
Et maintenant, assis au bord du cap qui fume,
J’ai traversé ces flots et j’en suis revenu.

Et j’aime encor ces mers autrefois tant aimées,
Non plus comme le champ de mes rêves chéris,
Mais comme un champ de mort où mes ailes semées
De moi-même partout me montrent les débris.

Cet écueil me brisa, ce bord surgit funeste,
Ma fortune sombra dans ce calme trompeur ;
La foudre ici sur moi tomba de l’arc céleste
Et chacun de ces flots roule un peu de mon coeur.

 lamartine

Alphonse de Lamartine (21 oktober 1790 – 28 februari 1869)
Foto, vergroot door Nadar, ca 1865

 

De Engels dichter en criticus Samuel Taylor Coleridge werd geboren op 21 oktober 1772 in Ottery St. Mary, Devonshire. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2006 en ook mijn blog van 21 oktober 2008 en ook mijn blog van 21 oktober 2009.

The Rose

As late each flower that sweetest blows
I pluck’d, the Garden’s pride!
Within the petals of a Rose
A sleeping Love I ‘spied.

Around his brows a beamy wreath
Of many a lucent hue;
All purple glow’d his cheek, beneath,
Inebriate with the dew.

I softly seiz’d th’ unguarded Power,
Nor scar’d his balmy rest:
And plac’d him, cag’d within the flower,
On spotless Sara’s breast.

But when unweeting of the guile
Awoke the pris’ner sweet,
He struggled to escape awhile
And stamp’d his faery feet.

Ah! soon the soul entrancing sight
Subdued th’ impatient boy!
He gaz’d! he thrill’d with deep delight!
Then clapp’d his wings for joy.

‘And O!’ he cried — ‘Of magic kind
What charms this Throne endear!
Some other Love let Venus find
I’ll fix my empire here.’

 

Child’s Evening Prayer

Ere on my bed my limbs I lay,
God grant me grace my prayers to say:
O God! preserve my mother dear
In strength and health for many a year;
And, O! preserve my father too,
And may I pay him reverence due;
And may I my best thoughts employ
To be my parents’ hope and joy;
And, O! preserve my brothers both
From evil doings and from sloth,
And may we always love each other,
Our friends, our father, and our mother,
And still, O Lord, to me impart
An innocent and grateful heart,
That after my last steep I may
Awake to thy eternal day! Amen.

co;eridge

Samuel T. Coleridge (21 oktober 1772 – 25 juli 1834)

 

De Duitse schrijver en criticus Martin Roda Becher werd geboren in New York op 21 oktober 1944. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2008.

Uit: Dauergäste )

„Der Umgang mit Grosz beschränkte sich in New York zu Ulis heimlichem Ärger hauptsächlich auf den Austausch von Briefen, was ihrem zeitgeschichtlich höchst interessanten Briefwechsel sehr bekam, Ulis Hunger nach den gesellschaftlichen Kontakten von Grosz in der New Yorker Kunst- und Literaturszene aber weitgehend ungestillt ließ. Bei der Taufe, sie fand in den Privaträumen eines lutheranischen Pastors statt, ließ sich Grosz durch seine Frau vertreten; er hatte sich angeblich bei einer Party den Fuß verstaucht.
Meine Mutter hatte beschlossen, daß ich Martin Roda heißen sollte. Daß Roda aber in Wirklichkeit mehr war als nur ein zweiter Vorname, begriff ich früh. Roda war mein eigentlicher Name, das Becher bloß Anhängsel. Ich hatte die blauen Augen der Rodas, die Stupsnase – durch und durch ein Roda, übernahm ich mit der Muttermilch die latente Gegnerschaft gegen die Bechers. Dana war eine überzeugte, ja glühende Roda, während die Becher-Seite in Uli nur einen sehr lauen Vertreter hatte. Im Grunde mochte Uli seine Eltern nicht, und sie wiederum hatten ein ziemlich reserviertes Verhältnis zu ihm. In meinem zweiten Vornamen war also schon die Kampfansage an die Bechers enthalten: Mit mir setze sich keineswegs die Bechersche Linie fort, nein, ich sei vielmehr der natürliche Roda-Statthalter.“

 becher

 Martin Roda Becher (New York, 21 oktober 1944)