Herman Franke, Colin Channer, Edwina Currie, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2006 en ook mijn blog van 13 oktober 2007 en ook mijn blog van 13 oktober 2008 en ook mijn blog van 13 oktober 2009. Herman Frank overleed op 14 augustus van dit jaar. Zie ook mijn blog van 16 augustus 2010.

Uit: De verbeelding

Het oog van de liefde
Het daglicht in zijn atelier is genadeloos, maar hij ziet niets dat afbreuk doet aan haar rijpe, venusachtige schoonheid. Zelfs de opvallend grote moedervlek op haar buik siert haar. Ze ligt als een kostbaar juweel op het zwartfluwelen, met zilverdraad bestikte divankleed. Voor het eerst in zijn lange kunstenaarsleven voelt hij, kijkend naar een model, de miezerige opwinding van een voyeur. Haar hoofd steunt op de gebogen hand van haar linkerarm. Van haar gezicht straalt de gracieuze blijheid van Euphrosyne. Ze is zo onmenselijk mooi dat hij haar onwillekeurig behandelt als een stilleven van vrouwelijke schoonheden dat je vrijelijk kunt hergroeperen. Hij schuifelt met samengeknepen ogen naar haar toe en vouwt haar rechterarm als een krans rond haar hoofd waarbij de rug van zijn hand langs een van haar borsten strijkt. Nog voordat hij zich kan excuseren, schenkt ze hem de vrijgevochten lach van een bacchante die hij op tientallen schetsen en schilderijen van haar heeft vastgelegd toen ze nog Emma Hart heette. Terwijl hij verlegen teruglacht, verschijnen als bij toverslag de trekken van een meisjesachtige onschuld op haar gezicht.
‘Je bent een godin,’ zegt hij en reikt naar haar benen.
`Mag ik?’
Ze knikt traag zonder haar ogen van hem af te houden. Aarzelend legt hij haar linkerbeen over haar rechter en tilt haar heup iets op zodat de volle ronding van haar bil zichtbaar wordt. Hij doet enkele stappen achteruit en neemt haar keurend op.
`De mooiste godin,’ zegt hij.
Ze werpt spottend een vrome blik naar de hemel voordat ze hem onweerstaanbaar verleidelijk aankijkt. Meer dan ooit voelt hij zich een oude man. De voorbije jaren drukken verwijtend op zijn schouders. Zijn zucht naar roem dreef hem in 1762 van het provinciale Kendal in Westmorland naar het wereldse Londen. Zijn vrouw Mary en zijn zoontje John zouden hem later volgen maar daar kwam het nooit van. Eerst had hij geen geld en later was hij aan de vrijheid gewend. Getrouwde kunstenaars waren geen echte kunstenaars. Ze moesten groots en meeslepend willen leven. Maar als het er bij hem op aankwam won zijn moraal het altijd van zijn hartstocht. Nu is het te laat. Een zuur gevoel van spijt speelt op in zijn maag.”

franke

Herman Franke (13 oktober 1946 – 14 augustus 2010)
Getekend door Peter van Dongen

 

De Jamaicaanse schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2008 en ook mijn blog van 13 oktober 2009.

Uit: The Girl with the Golden Shoes

„They were sitting on old buckets, scaling fish beneath an almond tree, when someone pointed to the water and they all began to shout.

They were hardy children who’d been raised in isolation on a crescent beach below a cliff, and had experienced many horrors-drownings, stabbings, births, and storms. But when they saw a one-eyed monster rising from the deep, they dropped their tools and dashed off in a blur of skirts and faded tunics to the clump of shacks in which they lived, raising clouds of sand as white as salt.

The eldest girl, Estrella Thompson, would be fifteen soon, and thought herself mature. She’d recently begun to read, which had created an awareness of a universe beyond San Carlos. So, unlike her friends, she was interested in the war.

The war was taking place in Europe, a place she’d only heard about the year before. Poland. Antwerp. Riga. Spain. The names were sparkling gems of sound that shimmered with a range of possibilities that went beyond the dreams of all her neighbors in the cove. So on the rare occasions that she’d had the chance to travel into town, she’d steal away to loiter in the little shops in Woodley, the district of the artisans adjacent to the port. There, she’d listen to the intonations of the BBC announcer on the redifusion box and be transported like a person who’d gone to see a medium for a glimpse of life across the void into the other world.

On these nights more than others, as she curled up in the hammock she shared with other girls beneath a shed beside her old grandmother’s hut, Estrella would gaze outside the window as she fingered old newspapers and her cache of stolen books, dreaming of the day when she’d be rescued from this place where nothing happened.“

channer

Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)

 

De Britse romanschrijfster en gewezen politica Edwina Currie werd geboren in Liverpool op 13 oktober 1946. Currie is afkomstig uit een gelovig joods gezin in Liverpool, maar beschouwt zichzelf als enkel cultureel Joods; ze houdt zich naar eigen zeggen niet met „religieuze onzin“ bezig. Aan de Universiteit van Oxford studeerde ze politiek, filosofie en economie, en vervolgens specialiseerde ze zich in de economische geschiedenis aan de London School of Economics. Ze werd in 1975 gemeenteraadslid in Birmingham, waar ze het district Northfield vertegenwoordigde. Deze functie bekleedde ze tot 1986, toen ze Minister van Gezondheid werd. Currie schreef zes romans, die vaak over politieke intriges gaan. In haar dagboeken van de jaren 1987 tot 1992, gepubliceerd in 2002, kwam aan het licht dat ze tussen 1984 en 1988 een affaire met John Major had gehad. Toen Major tot Chief Secretary of the Treasury bevorderd werd, werd de liefdesrelatie te gevaarlijk, al bleef ze, zoals ze zelf zei, nog jarenlang verliefd op hem. Enkele weken na de publicatie van haar dagboeken omschreef ze Major als „een der minder bekwame premiers“, die ze tevens van seksisme en racisme betichtte. Voordien had ze de affaire echter jarenlang ontkend.

Uit: Diaries

20 March 1987:

“The real reason I wanted to write tonight was to record the end of something very special.

 “I wrote to B on Thursday night saying that’s it, no more; posted it Friday morning, so he won’t have seen it yet, maybe not till Tuesday.

“Because it isn’t quite the fun it was – he has changed.

 “It was best when he was restless, hiding himself, lacked confidence; he told me about his family; his early background, about being out of work, nearly being killed in an accident, all the deep things you only tell your soul …

 “He wrote only once, back in 1984 before we started, apologising for something he’d said thoughtlessly, ‘I wouldn’t hurt you for the world’. Once, unguarded, he answered when prodded, ‘I think you’re lovely,’ but that was it …

 “So why did it start? Because I was unhappy with a husband forever slumped snoring in front of the television, not helpful or interested in what I was trying to do.

 “I needed a friend. The first one turned out to be a right slob, with some kinky preferences and a selfishness of such magnitude as I’ve never met before.

 “I needed help and advice to get up from the backbenches, but the slob made it harder. ‘I love you,’ he said, but his real idea of women was to keep them in their place and not upstage him.

 “Then B came along, and he was so nice and so attractive, and so quiet in public that it was a challenge to unearth the real person, and to seduce him – easy!

“And it was unexpectedly, spectacularly good, for such a long time.”

currie

Edwina Currie (Liverpool, 13 oktober 1946)

 

De Albanese dichter Migjeni (eigen. Millosh Gjergj Nikolla) werd geboren op 13 oktober 1911 in Shkodra. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2008 en ook mijn blog van 13 oktober 2009.

Blasphemy

The mosques and churches float through our memories,
Prayers devoid of sense or taste echo from their walls.
Never has the heart of god been touched by them,
And yet it beats on amidst the sounds of drums and bells.

Majestic mosques and churches throughout our wretched land,
Spires and minarets towering over lowly homes,
The voice of the hodja and priest in one degenerate chant,
Oh, ideal vision, a thousand years old!

The mosques and churches float through memories of the pious,
The chiming of the bell mingles with the muezzin’s call,
Sanctity shines from cowls and from the beards of hodjas.
Oh, so many fair angels at the gates of hell!

On ancient citadels perch carrion ravens,
Their dejected wings drooping – the symbols of lost hopes,
In despair do they croak of an age gone by
When the ancient citadels once gleamed with hallowed joy.

 

Song of noble grief

Oh, noble grief of the suffering soul
That into free verse bursts out…
Would you perchance take comfort
In adorning the world with jewels?

Oh, noble grief in free verse,
Which sincerely sounds and resounds,
Will you ever move the feelings of men,
Or wither and die like the autumn leaves?

Oh, song worthy of noble grief…
Never rest! But with your twin,
Lamentation, sing out your suffering,
For time will be your consolation.

 

Vertaald door Robert Elsie

 migjeni

Migjeni (13 oktober 1911 – 26 augustus 1938)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Arna Wendell Bontemps werd geboren op 13 oktober 1902 in Alexandria in Louisiana. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2008 en ook mijn blog van 13 oktober 2009.

A Black Man Talks of Reaping

I have sown beside all waters in my day.
I planted deep, within my heart the fear
that wind or fowl would take the grain away.
I planted safe against this stark, lean year.

I scattered seed enough to plant the land
in rows from Canada to Mexico
but for my reaping only what the hand
can hold at once is all that I can show.

Yet what I sowed and what the orchard yields
my brother’s sons are gathering stalk and root;
small wonder then my children glean in fields
they have not sown, and feed on bitter fruit.

 

The Day-Breakers

We are not come to wage a strife
With swords upon this hill,
It is not wise to waste the life
Against a stubborn will.
Yet would we die as some have done.
Beating a way for the rising sun.

bontemps

Arna Wendell Bontemps (13 oktober 1902 – 4 juni 1973)

 

De Amerikaanse schrijver Conrad Richter werd geboren op 13 oktober 1890 in Pine Grove, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2008 en ook mijn blog van 13 oktober 2009.

 Uit: The Light in the Forest

 All morning on the path with his father, crazy thoughts ran like squirrels in the boy’s head. Never before had he know his father to be in the wrong. Could it be that he was in the right now? Had he unknowingly left a little white blood in the boy’s veins and was it for this that he must be returned? Then they came in sight of the ugly log redoubts and pale tents of the white army, and the boy felt sure there was in his body not a drop of blood that knew these things. At the sight and smells of the white man, strong aversion and loathing came over him. He tried with all his young strength to get away. His father had to hold him hard. In the end he dragged him twisting and yelling over the ground to the council house of the whites and threw him on the leaves that had been spread around.
“I gave talking paper that I bring him,” he told the white guards. “Now he belong to you.”
It was all over then, the boy knew. He was as good as dead and lay among the other captives with his face down. He was sure that his father had stayed. He could feel his presence and smell the sweet inner bark of the red willow mixed with the dried sumach leaves of his pipe. When dusk fell, a white guard came up. The other soldiers called him Del, perhaps because he could talk Delaware, the strange name the whites gave the Lenni Lenape and their languages. True Son heard Del tell his father that all Indians must be out of the camp by nightfall. From the sounds the boy guessed his father was knocking out his pipe and putting it away. Then he knew he had risen and was standing over him.“

 richter

 Conrad Richter (13 oktober 1890 – 30 oktober 1968)

Booker Prize voor Howard Jacobson

Booker Prize voor Howard Jacobson

 

De Britse schrijver Howard Jacobson heeft dinsdag de Man Booker Prize 2010 gekregen voor zijn roman The Finkler Question. De uitreiking werd rechtstreeks uitgezonden door de omroep BBC. Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van 50.000 pond (ruim 56.000 euro).

 

Howard Jacobson werd geboren op 25 augustus 1942 in Manchester. Hij is opgegroeid in Prestwich en werd opgeleid aan Stand Grammar School in Whitefield, alvorens Engels te gaan studeren op Downing College, Cambridge. Hij doceerde gedurende drie jaar aan de Universiteit van Sydney voordat hij terugkeerde naar Engeland om les te geven aan Selwyn College in Cambridge.

Zijn fictie, met name de vijf romans die hij heeft gepubliceerd sinds 1998, wordt vooral gekenmerkt door een discursieve en humoristische stijl. Terugkerende onderwerpen in zijn werk zijn man-vrouw verhoudingen en de Joodse ervaring in Groot-Brittannië in de midden-tot laat-20e eeuw. Jacobson is wel vergeleken met vooraanstaande Joods-Amerikaanse schrijvers als Philip Roth. 

Zijn roman The Mighty Walzer uit 1999 over een tiener tafeltenniskampioen, won de Bollinger Everyman Wodehouse Prize for comic writing. Hij speelt in het Manchester van de jaren 1950 en Jacobson, zelf als tiener een ping pong fan, geeft toe dat er meer dan een autobiografisch element in zit. Zijn romans Who’s Sorry Now uit 2002  en Kalooki Nights uit 2006 kwamen al eerder op de long list van de Man Booker Prize. Jacobson werkte ook als columnist voor The Independent en voor de televisie. Twee tv-programma’s waren Channel 4’s Howard Jacobson Takes on the Turner uit 2000 Why the Novel Matters uit 2002.

 

Uit: The Finkler Question

 

„He should have seen it coming.

His life had been one mishap after another. So he should have been prepared for this one.

He was a man who saw things coming. Not shadowy premonitions before and after sleep, but real and present dangers in the daylit world. Lamp posts and trees reared up at him, splintering his shins. Speeding cars lost control and rode on to the footpath leaving him lying in a pile of torn tissue and mangled bones. Sharp objects dropped from scaffolding and pierced his skull.

Women worst of all. When a woman of the sort Julian Treslove found beautiful crossed his path it wasn’t his body that took the force but his mind. She shattered his calm.

True, he had no calm, but she shattered whatever calm there was to look forward to in the future. She was the future.

People who see what’s coming have faulty chronology, that is all. Treslove’s clocks were all wrong. He no sooner saw the woman than he saw the aftermath of her — his marriage proposal and her acceptance, the home they would set up together, the drawn rich silk curtains leaking purple light, the bed sheets billowing like clouds, the wisp of aromatic smoke winding from the chimney — only for every wrack of it — its lattice of crimson roof tiles, its gables and dormer windows, his happiness, his future — to come crashing down on him in the moment of her walking past.

She didn’t leave him for another man, or tell him she was sick of him and of their life together, she passed away in a perfected dream of tragic love — consumptive, wet-eyelashed, and as often as not singing her goodbyes to him in phrases borrowed from popular Italian opera.

There was no child. Children spoilt the story.

Between the rearing lamp posts and the falling masonry he would sometimes catch himself rehearsing his last words to her — also as often as not borrowed from the popular Italian operas — as though time had concertinaed, his heart had smashed, and she was dying even before he had met her.

There was something exquisite to Treslove in the presentiment of a woman he loved expiring in his arms. On occasions he died in hers, but her dying in his was better. It was how he knew he was in love: no presentiment of her expiry, no proposal.

That was the poetry of his life. In reality it had all been women accusing him of stifling their creativity and walking out on him.“

 

 
Howard Jacobson (Manchester, 25 augustus 1942)