C. O. Jellema, Edward Upward, Cesare Pavese, Hana Androníková, Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez

De Nederlandse dichter, essayist en germanist C. O, Jellema werd geboren op 9 september 1936 in Groningen. Zie ook mijn blog van 8 juni 2007 en mijn blog van 9 september 2006. en ook mijn blog van 9 september 2007 enook mijn blog van 9 september 2008en ook mijn blog van 9 september 2009.

 

In Memoriam Paul Celan 1

Kometentijd,
even, dat is
hoeveel dagen, zichtbaar
de haast van een andere
orde dan aarde.

Reis die begon voor wij stenen slepen,
ons oor, aan een boomstam geleund,
van hoeven de nadering opving
van achter de kim, van hoever.

Geen ster meer boven een stal,
die stil staat en spreekt, wij
spreken het woord
zonnewind, het bestaat.

Doel ons voorbij
en intussen
wat mens werd,
wat mens werd?

wat mens werd:
vreemd werd, komeet,
ons woord wereld.

 

Olifanten langs de snelweg

Geen kant kunnen wij op: als kunstidee
het tegenbeeld voor wie ons doelverdwaasd
om de tijd in te halen voorbijraast,
vertolken, kleine kudde, wij gedwee
de kolossale zielenrust waarmee
natuur zin in zichzelf had, ongehaast
naar deze vreemde plek van land uit zee
om te verbazen ons domein ontzworven:
een stap nog en dat razen kwam tot stand.
De kunst is ons geduld, wij wachten, want
pas als de mens zich straks heeft uitgestorven,
zijn wij, polders weer toendra, triumfant.

[bij een beeldengroep van Tom Claassen, Almere]

 

Hoven

Nog zit de vorst tien centimeter
diep in de grond, toch naast zijn schoenen
al sprieten groen van sneeuwklok, krokus.

Hij snoeit wat hoger werd dan hem, de vlinder-
struik tot op de schijnbaar dode stam.

Van zeven zwanen ziet hij op hun roep
de vorkvlucht boven naar het noorden.

Nog hoger denkt hij zich planeten en
nog kouder, verder, sterren, overdag
onzichtbaar, en de grenzen van ’t heelal.

Van daar ziet ziet hij zich staan: een kruin,
verwaaide haren, een snoeischaar in de hand, en naast de schoenen

die toefjes prille spriet net niet vertrapt.

jellema

C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003)
Olieverfschilderij door Trudy Kramer

 

De Engelse schrijver Edward Falaise Upward werd geboren in Romford op 9 september 1903. Als jonge man maakte hij deel uit van de groep rond Christopher Isherwood, W.H. Auden en Stephen Spender. Na zijn studie was hij bijna dertig jaar leraar op Alleyn’s School te Dulwich. Vanaf het begin van de jaren zestig wijdde hij zich geheel aan het schrijven en verhuisde hij naar Sandown op Wight.

Van 1932 tot 1948 was hij lid van de communistische partij, maar zou heel zijn leven verknocht blijven aan het internationalisme en het socialisme. Upwards eerste roman, Journey to the Border uit 1938, beschrijft in een poëtisch proza de opstand van een privéleraar tegen zijn werkgever en de dreigende wereld van de jaren 1930. De semi-autobiografische trilogie The Spiral Ascent gaat over het leven van een dichter en zijn strijd om artistieke scheppingsdrang te combineren met politiek engagement, onder meer de strijd tegen de Britse fascisten in de jaren 1930, de oppositie tegen de leiding van de communistische partij in de jaren 1940 en later, engagement in de strijd tegen de atoomwapens. In de laatste decennia van de 20e eeuw schreef Upward vooral korte verhalen. Hij stierf op 13 februari 2009 op 105-jarige leeftijd.

Uit: The Spiral Ascent

„On the paddle steamer halfway across from the mainland to the island Alan Sebrill was already less oppressed by his failure to make progress during the last fortnight with the long poem he had started writing. His fears in the train down from London that he might waste the freedom he had gained when he had thrown up his preparatory school teaching job two months before, and that he might never produce the real poetry he had then believed himself capable of, were forgotten as he looked at the nearing pier-head above the glistering water and at summer trees dark behind the shore. Though he could not yet hope that his visit to the island might help him to continue writing, he felt he was reprieved now from anxiety; and before the steamer arrived against the landing-stage of the pier he was thinking pleasurably of the meeting he would soon have with his friend, Richard Marple, who had invited him down here.

The roof tiles of the pier pavilion, as Richard had said in his letter, were curved like the scales of a fish; and the two gabled huts, one on each side of the turnstiles at the shore end of the pier, did in actuality have finials suggestive of the spikes on Prussian soldiers’ helmets. Beyond the turnstiles a dark crimson open motor-coach was waiting, recognizable immediately as the one that Richard had told Alan to look out for, with a bright brass horn fixed just below the brass-framed windscreen. Alan climbed up to sit on the front seat beside the cocky young driver, who wore a cap tilted so far back that Richard must surely have been right in supposing it to be held to his head by some sort of hatpin,

and who waved to a girl in a kiosk before he drove away from the pier. Under trees along lanes where Tennyson and perhaps Turgenev had once strolled, the motor-coach hurried, while Alan remembered phrases and sentences that Richard had used to recommend the marvels of the place: ‘the marine lueurs in the sky’ (Gallicisms, as well as certain Americanisms, being in fashion with the two of them at this period); ‘from where I sit the underside of the verandah roof looks like an inverted clinker-built rowing-boat’; ‘come and live the poetic life at last’; ‘your bemused friend, Richard.’

upward.jpg

Edward Upward (9 september 1903 – 13 februari 2009)

 

De Italiaanse dichter en schrijver Cesare Pavese werd geboren in Santo Stefano Belbo op 9 september 1908. Zie ook mijn blog van 9 september 2007 en ook mijn blog van 9 september 2008 en ook mijn blog van 9 september 2009.

 

Passion for Solitudeby Cesare Pavese

I’m eating a little supper by the bright window.
The room’s already dark, the sky’s starting to turn.
Outside my door, the quiet roads lead,
after a short walk, to open fields.
I’m eating, watching the sky—who knows
how many women are eating now. My body is calm:
labor dulls all the senses, and dulls women too.

Outside, after supper, the stars will come out to touch
the wide plain of the earth. The stars are alive,
but not worth these cherries, which I’m eating alone.
I look at the sky, know that lights already are shining
among rust-red roofs, noises of people beneath them.
A gulp of my drink, and my body can taste the life
of plants and of rivers. It feels detached from things.
A small dose of silence suffices, and everything’s still,
in its true place, just like my body is still.

All things become islands before my senses,
which accept them as a matter of course: a murmur of silence.
All things in this darkness—I can know all of them,
just as I know that blood flows in my veins.
The plain is a great flowing of water through plants,
a supper of all things. Each plant, and each stone,
lives motionlessly. I hear my food feeding my veins
with each living thing that this plain provides.

The night doesn’t matter. The square patch of sky
whispers all the loud noises to me, and a small star
struggles in emptiness, far from all foods,
from all houses, alien. It isn’t enough for itself,
it needs too many companions. Here in the dark, alone,
my body is calm, it feels it’s in charge.
Vertaald door Geoffrey Brock

pavese

Cesare Pavese (9 september 1908 – 27 augustus 1950)
Portret door Marco Ventura

 

De Tsjechische schrijfster Hana Androníková werd geboren op 9 september 1967 in Zlín. Zieook mijn blog van 9 september 2007 en ookmijn blog van 9 september 2008en ook mijn blog van 9 september 2009.

Uit: The Sound of the Sundial

„She didn’t like it in India at all. She saw the dirt, the mouldering walls of the houses, litter floating in the sludge. It made her feel sick, the putrid stench wafting towards her, the dozens of curs and cats running around, hairless and mangy. She went into fits when she saw crippled children lying in the dust of the street, wretched beggars with their club-feet and outstretched hands. She suffered from phobias. About dirt and disease. She couldn’t bear the naked face of reality, the raw shape of misery, sickness and dying. The day she saw her first snake she wanted to go home.

Mother India. Land of an ancient culture, mysterious and inscrutable. Broad rivers of rolling yellowy-grey water, silent and everlasting. India. Father tried to merge into the land and extract the best from the tangle of different people, cultures and religions. At first, mother tried to understand the country. She always tried to find sense in things. But then, you have to hate India.

India wasn’t going to change for her sake. India had remained the same for thousands of years. It was Raquel who changed. She came to terms with it. Thanks to her obsession with age-old myths, images of faith and the power of the word, she revealed, for herself and for us, the poetry of the oriental continent; she let herself be carried away by extremes and by the abundance of destinies. She fell in love with India. India became our common love. Scorching and relentless, sweet and distressing, sensuous and repellent. I grew up in the embrace of her contrasts, amongst people who ignited in my life a desire for harmony with myself. My India. I didn’t try to understand her. I loved her.“

 Androníková

Hana Androníková (Zlín, 9 september 1967)

 

De Russische schrijver Leo Tolstoj werd geboren op 9 september 1828 op het landgoed Jasnaja Poljana, in de buurt van Toela. Zie ook mijn blog van 9 september 2006. Zieook mijn blog van 9 september 2007 en ookmijn blog van 9 september 2008en ook mijn blog van 9 september 2009.

Uit: The Death Of Ivan Ilyich (Vertaald door Louise and Aylmer Maude)

“That moment started three days of incessant screaming, screaming so terrible that even two rooms away one could not hear it without trembling. The moment he had answered his wife, he realized that he was lost, that there was no return, that the end had come, the very end, and that his doubts, still unresolved, remained with him.

“Oh! Oh! No!” he screamed in varying tones. He had begun by shouting: “I don’t want it! I don’t!” and went on uttering screams with that “O” sound.

For three straight days, during which time ceased to exist for him, he struggled desperately in that black sack into which an unseen, invincible force was thrusting him. He struggled as a man condemned to death struggles in the hands of an executioner, knowing there is no escape. And he felt that with every minute, despite his efforts to resist, he was coming closer and closer to what terrified him. He felt he was in agony because he was being shoved into that black hole, but even more because he was unable to get right into it. What prevented him from getting into it was the belief that his life had been a good one. This justification of his life held him fast, kept him from moving forward, and caused him more agony than anything else.

Suddenly some force struck him in the chest and the side and made his breathing even more constricted: he plunged into the hole and there at the bottom, something was shining. What had happened to him was what one frequently experiences in a railway car when one thinks one is going forward but is actually moving backward, and suddenly becomes aware of the actual direction.”

tolstoj.jpg

Leo Tolstoj (9 september 1828 – 20 november 1910)
Portret door Nicolay Gay

 

De Vlaamse dichter en componist Gentil Theodoor Antheunis werd geboren te Oudenaarde op 9 september 1840. Zie ook mijn blog van 9 september 2006. Zieook mijn blog van 9 september 2007 en ookmijn blog van 9 september 2008en ook mijn blog van 9 september 2009.

Afscheid

Dus is eindlijk ’t uur geslagen,
’t Lang gevreesde, droevig uur!
‘k Voel mijn hart onstuimig jagen;
Ach! wat kost me uw afscheid duur.
Tranen wellen in mijn oogen
Bij het zingen van mijn lied;
Denk aan mij in uw gebeden,
Liefste, neen, vergeet mij niet.

Als de koele lente weder
De aarde siert met bloem en vrucht;
Als het lieve zuidenwindje
In het trillend loover zucht,
Zal het soms mijn naam u lisp’len,
Zoet als ’t murm’len van den vliet;
Denk aan mij in uw gebeden,
Liefste, neen, vergeet mij niet.

Als de gure winter nogmaals
De aarde blad en bloesems rooft,
En gij eenzaam zit te mijm’ren
Met ter neer gebogen hoofd;
Als de lange kruipende avond
Vele droeve stonden biedt,
Denk aan mij, die steeds u lief heb,
Liefste, neen, vergeet mij niet.

Als u God in ’t stille klooster
Tot zijn bruid verkiezen zal,
Zoek mij soms in uwe droomen;
Maar in uw gebed vooral
Dat mijn naam soms uwe lippen
Stil aan ’t altaar Gods ontvlied’,
Denk aan mij, die steeds u lief heb,
Liefste, neen, vergeet mij niet.

Als uw teerbeminde bruîgom
In uw boezem nederdaalt,
En de vlamme zijner liefde
U uit hart en oogen straalt;
Als ge, van geluk schier zwijmend,
Reeds der zaal’gen lot geniet;
Denk aan mij in uw gebeden,
Liefste, neen, vergeet mij niet.

Als daar alles in aanbidding
Nederknielt voor God en zwijgt,
En uw maagdelijke bede
Geurig met den wierook stijgt;
In zijn kronkelende walmen
Droom somtijds dat gij mij ziet;
Denk aan onze kinderjaren,
Liefste, neen, vergeet mij niet.

Als uw laatste dag zal komen,
En als de engel van den dood
Uwe zwanenblanke ziele
Dragen zal in Godes schoot;
Werp nog eens uw englenoogen
Op den zanger van dees lied;
Liefste, neen, vergeet uw broeder
Ook in ’s Heeren woning niet.

antheunis

Gentil Th. Antheunis (9 september 1840 – 5 augustus 1907)
Oudenaarde

 

De Vlaamse schrijver, dichter en journalist Gaston Cyriel Durnez werd geboren in Wervik. Zie ook mijn blog van 9 september 2007 en ook mijn blog van 9 september 2008 en ook mijn blog van 9 september 2009.

De Krekel en de Mier

Jan de krekel
had een hekel
aan het werk bij zomerdag.
En hij zong maar en hij sprong maar
en vergat zijn oude dag.

Maar wat later stond zijn snater…
’t was toen winter……. stil en stijf.
En ’t gebeurde dat hij treurde
zonder eten in zijn lijf.

’t Werd vernomen door een vrome
mier, die hem wel lijden mocht.
En die eten ongeweten
in haar magazijnen zocht.

Hier, zo zei ze, wil niet grijnzen
heb niet langer nog verdriet.
La Fontaine en de zijnen
zijn lang dood ……. zij weten ’t niet.

durnez

 Gaston Durnez (Wervik, 9 september 1928)