Truman Capote, Hendrik Marsman, Zhang Ailing, Edzard Schaper, Hermann Sudermann, Eli Wiesel, Roemi, Henk Spaan, Ferdinand von Saar, Jurek Becker

De Amerikaanse schrijver Truman Capote werd geboren op 30 september 1924 als Truman Streckfus Persons in New Orleans. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2006 en ook mijn blog van 30 september 2007 en ook mijn blog van 30 september 2008 en ook mijn blog van 30 september 2009.

Uit: A Christmas Memory

„Winter Woods

Morning. Frozen rime lusters the grass; the sun, round as an orange and orange as hot-weather moons, balances on the horizon, burnishes the silvered winter woods. A wild turkey calls. A renegade hog grunts in the undergrowth. Soon, by the edge of knee-deep, rapid-running water, we have to abandon the buggy. Queenie wades the stream first, paddles across barking complaints at the swiftness of the current, the pneumonia-making coldness of it. We follow, holding our shoes and equipment (a hatchet, a burlap sack) above our heads. A mile more: of chastising thorns, burs and briers that catch at our clothes; of rusty pine needles brilliant with gaudy fungus and molted feathers. Here, there, a flash, a flutter, an ecstasy of shrillings remind us that not all the birds have flown south. Always, the path unwinds through lemony sun pools and pitch vine tunnels. Another creek to cross: a disturbed armada of speckled trout froths the water round us, and frogs the size of plates practice belly flops; beaver workmen are building a dam. On the farther shore, Queenie shakes herself and trembles. My friend shivers, too: not with cold but enthusiasm. One of her hat’s ragged roses sheds a petal as she lifts her head and inhales the pine-heavy air. ”We’re almost there; can you smell it, Buddy?” she says, as though we were approaching an ocean.

And, indeed, it is a kind of ocean. Scented acres of holiday trees, pricklyleafed holly. Red berries shiny as Chinese bells: black crows swoop upon them screaming. Having stuffed our burlap sacks with enough greenery and crimson to garland a dozen windows, we set about choosing a tree.”

 capote
Truman Capote (30 september 1924 – 25 augustus 1984)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Hendrik Marsman werd geboren op 30 september 1899 in Zeist. Zie ook mijn blog van 30 september 2006  en ook mijn blog van 30 september 2007 en ook mijn blog van 30 september 2008 en ook mijn blog van 30 september 2009.

Herfst

De avonden donkeren al.
dit is het regenende jaargetiwaarin wij haar eenmaal ten grave droegen;
ook toen sloegen de bladeren en de regen
over de paden en de zwarte wegen
en het woei duister in de donkre groeve.

alleen was het toen vroeger herfst
en droever.

 

Holland

De hemel groots en grauw.
daaronder het geweldig laagland met de plassen;
bomen en molens, kerktorens en kassen,
verkaveld door de sloten, zilvergrauw.

dit is mijn land, mijn volk;
dit is de ruimte waarin ik wil klinken.
laat mij één avond in de plassen blinken,
daarna mag ik verdampen als een wolk.

 

Baai bij avond

De schemering valt.
een grote, rode maan
stijgt langzaam uit de golven
aan de oosterrand
der nauwlijks ademende avondzee.
de dromen komen met de golven mee
en mijmerend gewordt mij, ongezocht,
waarvoor ik jaren in vertwijfeling vocht,
denkende dat het geluk omstréden moest zijn
en dat het leven zonder smeken niet schenkt.
o, heerlijk is nu het talmen
geworden aan deze rede!
bij het dwalen onder de nacht’lijke palmen
ben ik van vrede doordrenkt.

 Hendrik Marsman

Hendrik Marsman (30 september 1899 – 21 juni 1940)
Portret door Charley Toorop, 1924

 

De Chinese schrijfster en scenariste Zhang Ailing (ook wel Eileen Chang) werd geboren op 30 september 1920 in Shanghai. Zhang Ailing werd bekend door haar verhalen en romans over de liefde, waarin ook vaak sprake is van emotionele dieptes en donkere kanten. In 1943 publiceerde ze haar eerste roman en werd ze een beroemde schrijver in Shanghai. In 1953 verliet ze Shanghai en werkte vanaf dat moment voor de Amerikaanse News Agency in Hong Kong. In 1955 verhuisde ze naar de VS, waar ze begon ook romans in het Engels te schrijven. Deze bleven echter in hun populariteit achter op haar Chineestalige romans. Haar werk gaat vaak over de gespannen relatie tussen man en vrouw. De verfilming van haar korte verhaal Se Jie, door de Taiwanese regisseur Ang Lee ontving op het International Film Festival van Venetië in 2007 de Gouden Leeuw.

Uit: Gefahr und Begierde (Vertaald door Susanne Hornfeck)

„Er ließ den Chauffeur halten, stieg aus und folgte ihr in den Laden. Auf ihren hohen Absätzen war sie fast einen halben Kopf größer als er. Wenn es ihn gestört hätte, würde sie keine so hohen Schuhe tragen, aber das tat es offenkundig nicht. Ihr war aufgefallen, dass große Männer sich oft zu kleinen, zierlichen Frauen hingezogen fühlten, kleine Männer hingegen zu Frauen, die größer waren als sie. Vielleicht der gegenseitigen Ergänzung wegen. Sie fühlte seinen Blick auf sich ruhen und ließ die

Hüften noch weicher und verführerischer ausschwingen.

Mit ihrer schmalen Taille tänzelte sie wie ein anmutiger Drache zwischen den Glasvitrinen hindurch.

Ein indischer Verkäufer in westlichem Anzug kam ihnen grüßend entgegen. Obwohl der Laden so klein war, erinnerte er in seiner Höhe und Helligkeit an einen leeren Iglu. Nur ganz hinten stand eine gedrungene Vitrine mit Horoskopsteinen – je nach Geburtsmonat sollten sie dem Träger Glück bringen: Halbedelsteine wie gelber Quarz, oder Rubine und Saphire, die allerdings aus Steinmehl hergestellt waren. Aus ihrer Handtasche holte sie einen tropfenförmigen Rubinohrring. Einer der Diamanten an der blattförmigen Fassung fehlte.

»Den kann man ersetzen«, sagte der Inder, nachdem er sich das Stück angesehen hatte. Sie erkundigte sich nach dem Preis, und wie lange es dauern würde. »Frag ihn, ob er auch wertvolle Ringe da hat«, sagte Herr Yi zu ihr. Er hatte in Japan studiert und vermied es, Englisch zu sprechen. Als ranghoher Beamter ließ er andere für sich dolmetschen.

Sie zögerte einen Moment und fragte dann: »Wieso? «

»Wir wollten doch einen Ring zur Erinnerung kaufen «, erwiderte er lächelnd. »Würde dir ein Diamantring gefallen? Es soll aber etwas Gutes sein.«

Wieder zögerte sie und lächelte dabei, als könne sie ihm das nicht abschlagen. »Haben Sie Diamantringe?«, fragte sie leise.“

ailing 

Zhang Ailing (30 september 1920 – 8 september 1995)

 

De Duitse schrijver en vertaler Edzard Schaper werd geboren 30 september 1908 in Ostrowo in de provincie Posen. Na ontslag uit actieve dienst van zijn vader (1920), verhuisde het gezin naar Hannover, waar de jonge Schaper, het Humboldt-Gymnasium en het Conservatorium (piano) bezocht. Vóór het examen in 1925 verliet hij de middelbare school en werd hij assistent-regisseur bij de opera in Stuttgart. Van 1927 tot 1929 woonde hij tijdelijk in Denemarken op het eiland Christiansø. In deze periode verschenen zijn eerste literaire werken. In 1932 emigreerde hij naar Estland en woonde in Reval, waar hij werkte als freelance schrijver en journalist voor het Amerikaanse persbureau United Press. Nadat pogingen om een baan in het Duitse Rijk te krijgen mislukt waren ging hij in 1940 als oorlogs- correspondent vanuit Estland naar Finland en berichtte vanaf daar over de inval van Sovjet-troepen. In september 1944 kreeg Schaper de Finse nationaliteit. In Duitsland was hij ter dood veroordeeld. Kort daarna, nadat Finland en de Sovjet-Unie had een wapenstilstand overeengekomen waren, vluchtte hij naar Zweden. Hier werkte hij o.a als bosarbeider en vertaler. In 1947 verhuisde hij van Zweden naar Zwitserland. In 1951 bekeerde hij zich tot het rooms-katholicisme. In de naoorlogse periode was Schaper een veelgelezen auteur, die ook lezingen gaf en voor radio-en televisie actief was. Tot Schapers literaire werken behoren de romans Der letzte Gast (1927), Die Bekenntnisse des Försters Patrik Doyle (1928), Die sterbende Kirche (1936) en Der Henker (1940; later onder de titel Sie mähten gewappnet die Saaten.

Uit: Die Legende vom vierten König

„Außer Caspar, Melchior und Balthasar war auch ein vierter König aus dem Morgenland aufgebrochen, um dem Stern zu folgen, der ihn zu dem göttlichen Kind führen sollte. Dieser vierte König hieß Coredan. Drei wertvolle rote Edelsteine hatte er zu sich gesteckt und mit den drei anderen Königen einen Treffpunkt vereinbart. Doch Coredans Reittier lahmte unterwegs. Er kam nur langsam voran, und als er bei der hohen Palme eintraf, war er allein. Nur eine kurze Botschaft, in den Stamm des Baumes eingeritzt, sagte ihm, dass die anderen drei ihn in Betlehem erwarten würden. Coredan ritt weiter, ganz in seinen Wunschträumen versunken.

Plötzlich entdeckte er am Wegrand ein Kind, bitterlich weinend und aus mehreren Wunden blutend. Voll Mitleid nahm er das Kind auf sein Pferd und ritt in das Dorf zurück, durch das er zuletzt gekommen war. Er fand eine Frau, die das Kind in Pflege nahm. Aus seinem Gürtel nahm er einen Edelstein und vermachte ihn dem Kind, damit sein Leben gesichert sei. Doch dann ritt er weiter, seinen Freunden nach. Er fragte die Menschen nach dem Weg, denn den Stern hatte er verloren. Eines Tages erblickte er den Stern wieder, eilte ihm nach und wurde von ihm durch eine Stadt geführt. Ein Leichenzug begegnete ihm. Hinter dem Sarg schritt eine verzweifelte Frau mit ihren Kindern. Coredan sah sofort, dass nicht allein die Trauer um den Toten diesen Schmerz hervorrief. Der Mann und Vater wurde zu Grabe getragen. Die Familie war in Schulden geraten, und vom Grabe weg sollten

die Frau und die Kinder als Sklaven verkauft werden. Coredan nahm den zweiten Edelstein aus seinem Gürtel, der eigentlich dem neugeborenen König zugedacht war. „Bezahlt, was ihr schuldig seid, kauft euch Haus und Hof und Land, damit ihr eine Heimat habt!“ Er wendete sein Pferd und wollte dem Stern entgegenreiten – doch dieser war erloschen. Sehnsucht nach dem göttlichen Kind und tiefe Traurigkeit überfielen ihn. War er seiner Berufung untreu geworden? Würde er sein Ziel

nie erreichen?“

 schaper

Edzard Schaper (30 september 1908 – 29 januari 1984)

 

De Duitse schrijver Hermann Sudermann werd geboren op 30 september 1857 in Matz, Oost-Pruisen.

Als zoon van een arme brouwer verdiende hij het geld voor zijn studie van de filologie en geschiedenis in Königsberg (1875) en Berlijn (vanaf 1877) als prive-leraar. In 1882 werd hij redacteur van het »Deutsche Reichsblatt«. Vanaf 1883 werkte hij als een freelancer voor de »Reichsfreund«.. Sinds 1897 woonde hij in het kasteel Blankensee in de Mark Brandenburg dat hij later kocht. Sinds de première van „Die Ehre” (1889) tot ongeveer de eeuwwisseling was hij naast Gerhart Hauptmann de leidende toneelschrijver van het Duitse naturalisme.

Uit: Das Bilderbuch meiner Jugend

„Das Notjahr 1867
Zu jener Zeit stand’s schlimm um meines Vaters Haus. Die Leute wollten sein Braunbier nicht trinken. Es war nicht schlechter als das der anderen Brauereien, aber er ermangelte der Fähigkeit, sich und sein Produkt in Szene zu setzen. Da war sein Konkurrent, Herr Münsterberg aus Werden, schon ein ganz anderer Kerl. Wenn der mit seinen flotten Vatermördern und der prallen, perlengestickten Zigarrentasche von Gasthaus zu Gasthaus fuhr, anpreisend und überredend, dann hätte ich den Wirt sehen mögen, der seinen Lei-stungen widerstand. Und wenn morgens der Werdener Bierwagen, mit Tonnen bergehoch beladen, auf der Chaussee an uns vorüber-fuhr, dann standen wir alle angstvoll hinter der Gardine, und Mama preßte die Hand aufs Herz und ging schweigend nach hinten.
Und dann kam das schwerste aller Jahre – dann kam das Notstands-jahr.
Das war im Sommer 67, da gab es überhaupt keine Sonne mehr. Vom Juni an Tag für Tag nichts wie sickernder, suppender, trom-melnder Regen. Das Erdreich weichte auf, der Roggen reifte nicht, die Erntefelder sahen aus wie Lehmtennen, denn alle Halme lagen und braun und feuchtglänzend am Boden. Und das Schlimmste von allem: die Kartoffeln verfaulten. Was man zu Ende August als genießbar dem Boden entzog, hatte Haselnußgröße und war mit Propfen durchsetzt, die gingen querdurch bis ans andere Ende. Erst gegen Mitte September stellte zugleich mit dem Herbstreif blauer Himmel sich ein – aber da war schon alles verloren. Das hieß Hun-gern, und unter Umständen hieß es Verhungern. Wer hätte in sol-chen Zeiten, in denen jeder Groschen ein Schatz ist, Bier trinken mögen! Darum wurde auch im Sudermannschen Hause Schmalhans Küchenmeister.“

sudermann

Hermann Sudermann (30 september 1857 – 21 november 1928)
Portret door Max Slevogt, 1924

 

De Joods-Roemeens-Frans-Amerikaanse schrijver Eli Wiesel werd geboren op 30 september 1928 in Sighet (nu Sighetu Marmaţiei), Roemenië. ook mijn blog van 30 september 2007 en en ook mijn blog van 30 september 2008 en ook mijn blog van 30 september 2009.

Uit: Night

„They called him Moishe the Beadle, as if his entire life he had never had a surname. He was the jack-of-all-trades in a Hasidic house of prayer, a shtibl. The Jews of Sighet—the little town in Transylvania where I spent my childhood—were fond of him. He was poor and lived in utter penury. As a rule, our townspeople, while they did help the needy, did not particularly like them. Moishe the Beadle was the exception. He stayed out of people’s way. His presence bothered no one. He had mastered the art of rendering himself insignificant, invisible.
Physically, he was as awkward as a clown. His waiflike shyness made people smile. As for me, I liked his wide, dreamy eyes, gazing off into the distance. He spoke little. He sang, or rather he chanted, and the few snatches I caught here and there spoke of divine suffering, of the Shekhinah in Exile, where, according to Kabbalah, it awaits its redemption linked to that of man.
I met him in 1941. I was almost thirteen and deeply observant. By day I studied Talmud and by night I would run to the synagogue to weep over the destruction of the Temple.
One day I asked my father to find me a master who could guide me in my studies of Kabbalah. “You are too young for that. Maimonides tells us that one must be thirty before venturing into the world of mysticism, a world fraught with peril. First you must study the basic subjects, those you are able to comprehend.”
My father was a cultured man, rather unsentimental. He rarely displayed his feelings, not even within his family, and was more involved with the welfare of others than with that of his own kin. The Jewish community of Sighet held him in highest esteem; his advice on public and even private matters was frequently sought. There were four of us children. Hilda, the eldest; then Bea; I was the third and the only son; Tzipora was the youngest.
My parents ran a store. Hilda and Bea helped with the work. As for me, my place was in the house of study, or so they said.“

wiesel

Eli Wiesel (Sighet, 30 september 1928)

 

De Perzische dichter en soefistisch mysticus Jalal ad-Din Rumi (of Roemi) werd geboren op 30 september 1207 in Balkh. Zie ook mijn blog van 30 september 2007 en ook mijn blog van 30 september 2008 en ook mijn blog van 30 september 2009.

Uit: Woorden van het Paradijs

Dit is liefde: opwieken naar de hemel
Elk moment een honderdtal sluiers stuk rijten.
Eerst maak je je los van het zelf,
Je eerste stap zet je zonder voeten –
Deze wereld negeren en alleen zien wat U ziet.
Ik zei: `Gelukgewenst, mijn hart
dat je de kring van minnaars hebt betreden,
dat je verder kijkt dan het oog,
dat je het hartenlaantje in rent.’
Waar komt deze adem vandaan, mijn hart?
Waar komt dit bonzen vandaan, mijn hart?
Vogel spreek de taal der vogels,
ik begrijp de geheime betekenis.
Het hart zei: `Ik was in de fabriek
waar het huis van water en klei stond te bakken.
Ik vloog bij de werkplaats vandaan
toen die in het leven werd geroepen.
Toen ik geen weerstand meer kon bieden,
sleepten ze me mee.
Wat moet ik daarover zeggen?’

 

Vertaald door Sipko den Boer


roemi
Roemi (30 september 1207 – 17 december 1273)

 

De Nederlandse (gelegenheids-)dichter, (sport)journalist, televisiepresentator en columnist Henk Spaan werd geboren in Heerhugowaard op 30 september 1948. Zie ook mijn blog van 30 september 2008 en ook mijn blog van 30 september 2009.

Jordi Cruijff, vergelijkenderwijs

Waarom schilderde Rembrandt Titus?
Gaf hij hem dubbele duurzaamheid
Met die alledaagse attributen
Uit de keukenkast:
Latjes, linnen, olieverf en kwast?

Zijn motief was niet zo alledaags en
Verborgen in de diepste genen van
Alle vaders uit elke tijd
Een zoon tegen de onsterfelijkheid

En de zoon denkt, kijkend
Naar de sterren : ben ik
Alleen gekomen als vervulling
Van mijn vaders dromen?

In het duister van de nacht
Heeft Titus van Rijn het
Vaak genoeg vervloekt
Rembrandts zoon te zijn.

spaan

Henk Spaan (Heerhugowaard, 30 september 1948)
Jordi Cruijff tijdens Euro 1996

 

De Oostenrijkse schrijver en dichter Ferdinand von Saar werd geboren op 30 september 1833 in Wenen. Zie ook mijn blog van 6 oktober 2006. en mijn blog van 6 oktober 2008.

Uit: Leutnant Burda

„Bei dem Regiment, in welchem ich meine Militärzeit verbracht hatte, befand sich auch ein Leutnant namens Joseph Burda. In Anbetracht seiner Charge erschien er nicht mehr allzu jung; denn er mochte sich bereits den Dreißigern nähern. Dieser Umstand würde schon an und für sich genügt haben, ihm bei seinen unmittelbaren Kameraden, die fast durchweg flaumige Gelbschnäbel waren, ein gewisses Ansehen zu verleihen; aber er besaß noch andere Eigenschaften, die ihn besonders auszeichneten. Denn er war nicht bloß ein sehr tüchtiger, verwendbarer Offizier, er hatte sich auch durch allerlei Lektüre eine Art höherer Bildung erworben, die er sehr vorteilhaft mit feinen, weltmännischen Manieren zu verbinden wußte. Als Vorgesetzter galt er für streng, aber gerecht; Höheren gegenüber trug er eine zwar bescheidene, aber durchaus sichere Haltung zur Schau; im kameradschaftlichen Verkehr zeigte er ein etwas gemessenes und zurückhaltendes Benehmen, war jedoch stets bereit, jedem einzelnen mit Rat und Tat getreulich beizustehen. Niemand wachte strenger als er über den sogenannten Korpsgeist, und in allem, was den Ehrenpunkt betraf, erwies er sich von peinlichster Empfindlichkeit, so zwar, daß er in dieser Hinsicht, ohne auch nur im geringsten Händelsucher zu sein, mehr als einmal in ernste Konflikte geraten war und diese mit dem Säbel in der Faust hatte austragen müssen. Infolgedessen wurde er ein wenig gefürchtet, aber auch um so mehr geachtet, ohne daß er dadurch anmaßend oder hochfahrend geworden wäre, wenn es gleichwohl dazu beitrug, die etwas melancholische Würde seines Wesens zu erhöhen.“

vonsaar

Ferdinand von Saar (30 september 1833 – 24 juli 1906)
Wenen: Het oude Burgtheater en de Winterreitschule aan de Michaelerplatz rond 1880

 

De Duitse schrijver, draaiboekauteur en DDR-dissident Jurek Becker werd geboren op 30 september 1937 in Łódź, in Polen. Zie ook mijn blog van 30 september 2008 en ook mijn blog van 30 september 2009.

Uit: Jakob der Lügner

“Willst du mir jetzt nicht sagen, was wir hier machen?”

“Pssst!”

Sie gehen den engen Kellergang entlang, hier kann man schon mit ganzer Sohle auftreten, der vorletzte Keller rechts ist ihrer. Frankfurter schließt das Vorhängeschloss auf, öffnet die Drahttür mit dem eisernen Rahmen, die nicht brennbar ist und darum noch vorhanden. Er geht hinein, sie folgt ihm zögernd, er schließt hinter ihr die durchsichtige Tür, und da sind sie nun.

Frankfurter ist ein vorsichtiger Mann, er sucht sich ein Stück Sacktuch oder einen Sack mit Löchern, den er zerreißt, oder, wenn kein Sack da ist, zieht er die Jacke aus und hängt sie vor die Tür, für alle Fälle. Ich denke mir, dass er für einen Augenblick den Finger auf den Mund legt, die Augen schließt und lauscht, aber nichts ist zu hören. Dann macht er sich an dem kleinen Berg zu schaffen, der eine Ecke des Raumes ausfüllt, ein kleiner Berg von unnützem Zeug, ein Hügelchen aus Erinnerungen.

Damals, als die Benachrichtigungen gekommen sind, haben sie zwei Tage zusammengesessen und überlegt, was sie mitnehmen sollen, bis auf die verbotenen Dinge natürlich. Die Lage war sehr ernst, ohne jeden Zweifel, sie haben nicht erwartet, dass es ein Paradies wird, aber Genaues gewusst hat keiner. Frau Frankfurter hat praktisch gedacht, zu praktisch für ihn, nur an Bettzeug und Geschirr und an Sachen zum Anziehen, aber er wollte sich von vielem, das sie für überflüssig gehalten hat, nicht trennen. Nicht von der Trommel, auf der er in einer überaus gelungenen Aufführung die Ankunft des Thronfolgers von Spanien angekündigt hat, und nicht von den Ballettschuhen Rosas, als sie fünf Jahre alt war, und die heute noch fast ungetragen sind, und nicht von dem Album mit den sorgfältig eingeklebten Rezensionen, in denen sein Name erwähnt und rot unterstrichen ist. Sag mir einen Grund, warum ich mich davon trennen soll, das Leben ist mehr als nur fressen und schlafen. Das Transportproblem? Er hat in aller Eile einen Handwagen gekauft, für irrsinniges Geld, denn über Nacht sind damals die Preise für Handwagen enorm angezogen, und jetzt füllt der kleine Berg eine Ecke des Kellers.“

becker

Jurek Becker (30 september 1937 – 14 maart 1997)

Pé Hawinkels, Hristo Smirnenski, Elizabeth Gaskell, Miguel de Unamuno, Miguel de Cervantes, Ingrid Noll, Colin Dexter, Akram Assem, Lanza del Vasto

De Nederlandse dichter, schrijver, songwriter en vertaler Pé Hawinkels werd geboren op 29 september 1942 in Heerlen. Zie ook mijn blog van 29 september 2006 en ook mijn blog van 29 september 2007 en ook mijn blog van 29 september 2008 en ook mijn blog van 29 september 2009.

De val van Icarus

Hoe staat ’t met de boerenstand?
‘De boeren’, zo zegt men, ‘ploegen voort’, –
daar zit iets in. De boer kijkt naar de
akker, zo bleek als ’n kwal, die hij kerft & omlegt in repen;
wat zou hij anders? Kijken boeren vooruit,
dan zien zij de kont van hun knol, en verder
niets. Maar wie hiermee op hen is uitgekeken,
heeft ’t mis: met onbeholpen gratie
spitst de boer zijn tred. Hij wil zijn aarde
niet meer dan nodig pijn doen, hij
is tevreden, want zijn blikveld is gevuld.

Hoe staan de herders in ’t veld?
De kudde, die houdt de hond in ’t oog,
dat is bekend. Zwarte schapen, brave schapen,
alles lebbert aan de chlorophyle adem van de aarde,
en, mythologische paradepaardjes dat ze zijn laten de schapen
de herder over aan zijn historische bestemming.
Tijd heeft hij in overvloed: zijn taak wordt staren,
uren oog aan oog staan met uitgerekend
’t meest nietszeggend segment van ’t beslagen azuur
der hemelen. Zijn vermoedens zijn onzakelijk; maar hij heeft
ook geen emplooi voor groter zakelijkheid dan z ’n hond.

En de zeevaart? Joho, op volle zeilen scheert,
klapwiekt ieder schip zijn steven achterna. Speels in schijn
klauteren mannen als jongens ’t want en het kraaiennest in, ’t geldt
de koers te bestendigen naar de uit ivoor gesneden stad,
die als op uitgestoken tong vrolijk inviterend in de mond
van ’s avonds lokt Eerst zullen de schepen, de veulens
nog dartelen en stoeien voordat ze
de zoele stal van haven & nachtrust erkennen,
en, nahijgend nog van de dolle avances
van de late bries, zich neerleggen bij hun adem,
die stil & langzaam liggen gaat.

Wie dan derden heeft er oog
voor die blanke beentjes van de enkeling
die net op dit uur in vredestijd pardoes in ’t water valt?

Overal in ’t rond worden de officiële schaduwlopers uitgerold,
verbeidt men de avond; en hoewel men vlak
bij zijn val de scherpste ogen van dit universum weet
– haviksogen, vissersogen – bestaat er gerechte twijfel
of er van de schemertafel ’n kruimel aandacht tuimelt
voor zijn duik in de dood. Of is de zon tegenwoordig
een oog, een gele, elementaire iris, welks onder
drijft in een bad van de zuiverste traan?

hawinkels

 Pé Hawinkels (29 september 1942 – 16 augustus 1977)

 
De Bulgaarse dichter en schrijver Hristo Smirnenski werd geboren op 29 september 1898 in Koukoush.Zie ook ook mijn blog van 29 september 2006 en ook mijn blog van 29 september 2009.

Uit: The Tale Of The Stairs

„Who are you?” The Devil asked him.

“I am a plebeian by birth and all ragged folk are my brothers. How terrible the world is, how wretched the people are!”

It was a young man who spoke with head erect and clenched fists. He stood at the foot of the Stairs – a high white staircase of rose-flecked marble. He gazed fixedly into the distance where the grey crowds of poverty stirred like the turbid waters of a swollen river. The crowds surged and seethed, raised a forest of thin black arms, thunderous cries of wrath and indignation rent the air and the echo faded slowly and solemnly like distant gun-fire. The crowds grew and grew nearer in clouds of yellow dust, single silhouettes showed more distinctly against the grey horizon. An old man approached, bent low to the ground as if seeking lost youth. A barefoot little girl clutched his ragged clothes and stared at the high Stairs with mild cornflower-blue eyes. Stared and smiled. Then thin grey figures came all in rags, singing a long-drawn funeral chorus. Someone whistled shrilly, somebody else thrusting his hands in his pockets laughed loud and harshly and insanity blazed in his eyes.

“I am a plebeian by birth and all ragged folk are my brothers. How terrible the world is, how wretched the people are! But you there, you at the top there…”

It was a young man who spoke with head erect and fists clenched in manace.

“So you hate those up at the top,” the Devil asked, and styly leaned forward towards the young man.

“I shall have my revenge on those nobles and princes. I shall cruelly avenge my brothers – my brothers whose faces are as yellow as sand and who groan more bitterly than the blizzards of December. See their naked bleeding bodies, hear their groans! I shall avenge them. Let me go!”

The Devil smiled: “I am the guardian of those at the top and without a bribe I shall not betray them.”

“I have no gold. I have nothing with which to bribe you… I am poor, a youth in rags… But I am willing to give up my life…”

Again the Devil smiled: “O no, I do not ask as much as that. Just give me your hearing.”

“My hearing? Gladly… May I never hear anything any more, may I…”

“You still shall hear,” the Devil assured him, and made way for him. “Pass!”

The young man set off at a run and had taken three steps in one stride when the hairy hand of the Devil caught him.

“That’s enough! Now pause and listen to your brothers groaning below.”

 Smirnenski

Hristo Smirnenski (29 september 1898 – 18 juni 1923)

 

De Britse schrijfster Elizabeth Gaskell werd geboren op 29 september 1810 in Londen. Zie ook ook mijn blog van 29 september 2006  en ook mijn blog van 29 september 2008 en ook mijn blog van 29 september 2009.

Uit: Wives and Daughters

„Six o’clock now! the pleasant, brisk ringing of the church bells told that; calling every one to their daily work, as they had done for hundreds of years. Up jumped Molly, and ran with her bare little feet across the room, and lifted off the handkerchief and saw once again the bonnet; the pledge of the gay bright day to come. Then to the window, and after some tugging she opened the casement, and let in the sweet morning air. The dew was already off the flowers in the garden below, but still rising from the long hay-grass in the meadows directly beyond. At one side lay the little town of Hollingford, into a street of which Mr. Gibson’s front door opened; and delicate columns, and little puffs of smoke were already beginning to rise from many a cottage chimney where some housewife was already up, and preparing breakfast for the bread-winner of the family.

Molly Gibson saw all this, but all she thought about it was, ‘Oh! it will be a fine day! I was afraid it never, never would come; or that, if it ever came, it would be a rainy day!’ Five-and-forty years ago, children’s pleasures in a country town were very simple, and Molly had lived for twelve long years without the occurrence of any event so great as that which was now impending. Poor child! it is true that she had lost her mother, which was a jar to the whole tenour of her life; but that was hardly an event in the sense referred to; and besides, she had been too young to be conscious of it at the time. The pleasure she was looking forward to to-day was her first share in a kind of annual festival in Hollingford.

The little straggling town faded away into country on one side close to the entrance-lodge of a great park, where lived my Lord and Lady Cumnor ‘the earl’ and ‘the countess’, as they were always called by the inhabitants of the town; where a very pretty amount of feudal feeling still lingered, and showed itself in a number of simple ways, droll enough to look back upon, but serious matters of importance at the time.“

gaskell

Elizabeth Gaskell (29 september 1810 – 12 november 1865)

 

De Spaanse dichter en filosoof Miguel de Unamuno y Jugo werd geboren op 29 september 1864 in Bilbao. Zie ook ook mijn blog van 29 september 2006  en ook mijn blog van 29 september 2008 en ook mijn blog van 29 september 2009.

Uit: Comment se fait un roman

«  Lecteur, si ta vie n’est pas un roman, une fiction divine, un rêve d’éternité alors laisse ces pages, ne me lis pas plus avant. Car je te serai indigeste, et il te faudra me vomir sans profit ni pour toi ni pour moi. »

(…)

« Que vais-je faire demon Jugo de laRaza ? Comme ceci que j’écris, lecteur, est un vrai roman, un vrai poème, une création, qui consiste à te dire comment se fait et non comment se conte un roman, une vie historique, je n’ai pas à satisfaire ta curiosité feuilletonesque et frivole.Tout lecteur qui, lisant un roman, se soucie de savoir comment finiront ses personnages,sans se soucier de savoir comment lui-même finira, ne mérite pas qu’on satisfasse sa curiosité. »

unamuno

Miguel de Unamuno (29 september 1864 – 31 december 1936)

 

De Spaanse dichter en schrijver Miguel de Cervantes werd geboren op 29 september 1547 in Madrid. Zie ook ook mijn blog van 29 september 2006  en ook mijn blog van 29 september 2008 en ook mijn blog van 29 september 2009.

Uit: Don Quichot van La Mancha (Bewerkt door J.J.A. Goeverneur)

„Nog zoo heel, heel lang niet geleden woonde in een dorp van La Mancha, een edelman, gelijk men die heden ten dage in Spanje nog bij de vleet vinden kan. Zijne inkomsten waren slechts matig, en hij had daarvan althans drie vierden tot zijn dagelijksch schraal onderhoud noodig. Voor het laatste vierde schafte onze edelman zich zijne kleeding aan, die elk jaar in een nieuwen lakenschen rok, een fluweelen broek en leeren pantoffels bestond. Zijne verdere huisgenooten waren zijne nicht, een jong knap meisje van achttien jaren, eene oude huishoudster en eindelijk een jonge knaap, die het paard voeren, water halen, hout klooven en verder huiselijk werk verrichten moest.

Op den tijd, dat onze geschiedenis begint, had onze edelman, wiens naam Don (Don is in Spanje ons: Heer) Quichot was, zijn vijftigste jaar bijna bereikt. Evenwel was hij nog kloek, krachtig en lang, ofschoon ontzettend schraal en mager van gestalte, met een smal, ingevallen gezicht, en een bijzonder groot vriend van de jacht. Zijne allergrootste liefhebberij was echter, zich in het lezen van riddergeschiedenissen te verdiepen, waardoor hij niet alleen vaak eten, drinken en slapen vergat, maar ook het beheer van zijn vermogen verwaarloosde en zich gedwongen zag, het eene stuk goed land na het ander te verkoopen, alleen om tot aanschaffen van zulke avontuurlijke en zeldzame boeken het benoodigde geld in handen te krijgen. Op deze wijze bracht hij daar mettertijd dan ook een groot aantal van bijeen, in ’t lezen waarvan hij zich van den vroegen morgen tot den laten avond zoozeer verdiepte, dat zijn hoofd er van op hol raakte en hij er zoetjes aan stapelgek door werd. Zijne arme hersens waren vol van tornooien en gevechten, van lansen en zwaarden, van betooveringen en minneliederen, van uitdagingen en wonden, van reuzen en draken; en ’t ongeluk daarbij was, dat hij al dien onzin voor wezenlijke en waarachtige waarheid hield en er niet minder geloof aan schonk, dan aan de beste wereldgeschiedenis, die hem toevallig in handen kwam.“

 cervantes

Miguel de Cervantes (29 september 1547 – 23 april 1616)
Illustratie uit de geciteerde uitgave

 

De Duitse (detective)schrijfster Ingrid Noll werd geboren op 29 september 1935 in Shanghai. Zie ook mijn blog van 29 september 2008 en ook mijn blog van 29 september 2009.

Uit: Die Häupter meiner Lieben

“Aber etwas moralisch schwer Belastendes kam in meinem Fall dazu: Ich war froh, von Mutter
und Bruder befreit bei Cora zu leben. Nie zuvor hatte ich es so gut gehabt.”

Gemeinsam fahren sie in den Urlaub, Maja verliebt sich zum ersten Mal richtig und wird
schwanger. Für eine kurze Zeit, trennen sich die Wege der beiden Freundinnen. Cora fängt
ein Studium in Florenz an, und Maja wohnt mit ihren langweiligen Mann Jonas und Sohn Bela
in Deutschland. Ein Leben das sie immer mehr nervt. Als Cora sie nach Florenz einlädt, hält
sie nichts mehr.

Mittlerweile hat Cora einen wohlhabenden älteren Mann kennengelernt, und ihn überredet
ein fast renovierungsbedürftiges Haus zu kaufen. Von Liebe kann keine Rede sein, sie will
einfach nur das Geld und das Haus.“

(…)

“Henning der mich sofort duzte, wies mir und Bela ein großes helleres Balkonzimmer. Der
Stuck bröckelte von der Decken, die Fensterläden faulten, der Terrazzo-Boden hatte Löcher-
aber mir gefiel dieses Zimmer mit Lichteinfall von zwei Seiten über Maßen. Ein Eisenbett, eine
Spiegelkommmode und ein durchgesessener Lehnstuhl waren das einzige Mobilar.”

Aus dem kurzen Urlaub wird ein längerer Aufenthalt ,alles Bitten von Jonas, doch bitte wieder
zurückzukommen, verhallt. Er besucht sie zwischendurch, doch Maja möchte hierbleiben.

 noll

Ingrid Noll (Shanghai, 29 september 1935)

 

De Britse schrijver Colin Dexter werd geboren op 29 september 1935 in Stamford, Lincolnshire. Zie ook mijn blog van 29 september 2008 en ook mijn blog van 29 september 2009.

Uit: The Remorseful Day

„Morse leaned back, listened, and looked semicontentedly through the french window. In The Ballad of Reading Gaol, Oscar Wilde had spoken of that little patch of blue that prisoners call the sky; and Morse now contemplated that little patch of green that owners of North Oxford flats are wont to call the garden. Flowers had always meant something to Morse, even from his schooldays. Yet in truth it was more the nomenclature of the several species, and their context in the works of the great poets, that had compelled his imagination: fast-fading violets, the globed peonies, the fields of asphodel . . . Indeed Morse was fully aware of the etymology and the mythological associations of the asphodel, although quite certainly he would never have recognized one of its kind had it flashed across a Technicolor screen.
It was still true though: as men grew older (so Morse told himself) the delights of the natural world grew ever more important. Not just the flowers, either. What about the birds?
Morse had reached the conclusion that if he were to be reincarnated (a prospect which seemed to him most blessedly remote), he would register as a part-time Quaker and devote a sizeable quota of his leisure hours to ornithology. This latter decision was consequent upon his realization, however late in the day, that life would be significantly impoverished should the birds no longer sing. And it was for this reason that, the previous week, he had taken out a year’s subscription to Birdwatching; taken out a copy of the RSPB’s Birdwatchers’ Guide from the Summertown Library; and purchased a secondhand pair of 152/1000m binoculars (#9.90) that he’d spotted in the window of the Oxfam Shop just down the Banbury Road. And to complete his program he had called in at the Summertown Pet Store and taken home a small wired cylinder packed with peanuts–a cylinder now suspended from a branch overhanging his garden. From the branch overhanging his garden.

dexter

Colin Dexter (Stamford, 29 september 1935)
John Thaw als inspecteur Morse

 

De Afghaanse schrijver en historicus Akram Assem werd geboren op 29 september 1965 in Kabul. Zie ook mijn blog van 29 september 2008.

Uit: The ‘1492’ Conspiracy

“Ava was able to gather the information allowing us to identify Father Emilio Ungari’s friend, the discreet whistle-blower – so to speak – who had been the primary relay of information permitting Interpol to get involved in the investigation of the plot dubbed ‘1492.’

Some astute research on the Internet had allowed us to find his address. We decided to pay him a little visit. It would have certainly been more courteous to call ahead to make an appointment, but then we figured that perhaps he would deny us such a privilege and act as if he didn’t know what it was all about. To avoid wasting precious time, we decided to show up at his door – a little bit cavalierly perhaps, but efficient. Besides, nothing can replace a nice chat between friends of friends in the friend’s home…

The house was one of those late Eighteenth Century villas in Georgetown, made of red bricks and very appealing in appearance. Emilio was right when he said that his friend belonged to a wealthy family: this piece of real estate must be worth millions. We walked passed the bricked alley surrounded by trees and rang the doorbell repeatedly, but nobody answered. We decided that we would stick around until somebody shows up.“

 assem

Akram Assem (Kabul, 29 september 1965)

 

De Italiaanse filosoof, dichter, artiest, en geweldloos activist Lanza del Vasto werd geboren in San Vito dei Normanni op 29 september 1901. Zie ook mijn blog van 29 september 2008.

Uit: Le pèlerinage aux sources

 «Peut-être vous ne savez pas ce que c’est que savoir, me dit une autre fois le Disciple. Écoutez cette histoire et vous le saurez.
Un roi fit un jour appeler la reine, jusque là demeurée sa seule épouse, et il lui annonça son intention d’en épouser une seconde.
«Je dois bien me résigner à votre fantaisie, dit-elle, puisque la loi vous le permet. – Il ne s’agit pas du tout d’une fantaisie, reprit le roi fort piqué. Je ne fais en toutes mes actions que me conformer aux préceptes de mon maître spirituel. – Et puis-je connaître l’heureuse princesse que vous avez choisie. – Vous la connaissez déjà, répondit le roi : c’est ma sœur. – Je crois rêver, dit la reine, ou bien vous plaisantez peut être. – On voit, remarqua le roi, que vous n’êtes qu’une femme et n’entendez rien à la philosophie. Je vais tâcher de m’expliquer : Tout est en tout, tout est égal à tout : voilà ce que m’a enseigné le Maître. Toute femme doit nous être comme notre mère ou notre sœur ; notre mère ou notre sœur comme toute femme : voilà ce que m’a enseigné le Maître. Vit dans le monde de l’illusion et de l’ignorance celui qui fait entre les êtres la moindre distinction. Ce n’est plus mon fait : je n’en veux plus faire aucune. J’ai, depuis l’enfance, un tendre penchant pour ma sœur. La pensée qu’elle est ma sœur m’empêcha toujours de le lui déclarer. Mais je sais à présent si bien dominer ma pensée que je puis la concevoir comme une étrangère que je verrais pour la première fois. Il n’y a donc plus nul empêchement à notre union. Et je veux même m’empresser de la publier afin que mes sujets afin que mes sujets connaissent que je suis parvenu par mon savoir à un état différent de celui des hommes ordinaires. – Je ne suis en effet qu’une ignorante, dit la reine, et ne puis décider là dessus, mais consultez, je vous en supplie, votre maître avant de vous engager dans cette voie.»
xml:namespace prefix = v ns = “urn:schemas-microsoft-com:vml” 

 vasto

Lanza del Vasto (29 september 1901 – 5 januari 1981) 

Ellis Peters, Ben Greenman, Thijs Zonneveld, Prosper Mérimée, Albert Vigoleis Thelen, Waclaw Berent, Francis Turner Palgrave, Rudolf Baumbach, Agnolo Firenzuola, Noël Laflamme

De Engelse schrijfster Ellis Peters werd op 29 september 1913 als Edith Pargeter geboren in Horsehay. Zie ook mijn blog van 28 september 2009.

Uit: Bruder Cadfaels Buße (Vertaald door K. Schatzhauser)

„Früh am Nachmittag eines Novembertages ritt über die Brücke, die den Severn überspannt, ein

Bote des Grafen von Leicester in die Stadt Shrewsbury. Seine Satteltasche enthielt Mitteilungen über das, was es in den letzten drei Monaten Neues gegeben hatte.

Zwar waren die meisten dieser Ereignisse dem Empfänger bereits in großen Zügen bekannt, aber Graf Robert Beaumonts Botendienst in London verfügte über zuverlässigere Quellen als alles, was dem Großvogt der Grafschaft Shropshire zu Gebote stand. Der Graf hatte bereits bei seinem ersten Zusammentreffen mit Hugh Beringar in diesem jungen Hauptmann eine Person erkannt, auf deren gesunde Urteilskraft man zählen konnte. Das war alles andere als selbstverständlich in jener verrückten Welt, in der schon seit vielen Jahren ein Bürgerkrieg tobte, der England lähmte und beide Seiten an den Rand der Erschöpfung gebracht hatte, ohne daß es gelungen wäre, König Stephen oder Kaiserin Maud zur Einsicht zu bringen. Fähige junge Männer wie Hugh mit Nachrichten zu versorgen, war nach Graf Roberts Ansicht der Mühe wert. Denn gewiß würde der Tag kommen, an dem endlich die Vernunft die Oberhand gewinnen und dieser Krieg beendet würde, der so viele unnütze Opfer gefordert hatte und noch forderte. Einzelne vielversprechende Ansätze dazu hatten in jenem Jahr des Herrn 1145, das sich nunmehr dem Ende zuneigte, die schwache Hoffnung aufkeimen lassen, die beiden Verwandten, die da miteinander in Fehde um den Thron lagen, könnten erkennen, daß sich ihr Ziel mit Gewalt nicht erreichen ließ und sie nach einer anderen Möglichkeit Ausschau halten müßten, ihrer Auseinandersetzung ein Ende zu bereiten.

Der junge Bursche, der die Mitteilungen des Grafen nach Shrewsbury brachte, hatte den Ritt schon einmal gemacht, und so kannte er den Weg, der ihn über die Brücke und die Biegung des Wyle hinauf, am Marktkreuz vorbei zum Burgtor führte. Da er die Farben des Grafen trug, ließ man ihn überall ungehindert passieren, bis er den inneren Burghof erreichte. Als Hugh, sich den Staub von den Händen wischend, aus der Waffenkammer in den Bogengang trat, zerrte der wie durch einen Trichter hereinpfeifende Wind an seinem dunklen Haar. Er bat den Burschen herein, damit er seine Botschaft übermitteln konnte.“

 peters

Ellis Peters (28 september 1913 – 14 oktober 1995)
Hier met acteur Derek Jacobi (Cadfael)

 

De Amerikaanse schrijver en uitgever Ben Greenman werd geboren op 28 september 1969 in Chicago. Zie ook mijn blog van 28 september 2008 en ook mijn blog van 28 september 2009.

Uit: What He’s Poised To Do

The man is not happy at home. When he sees his wife or his son, he knows that he should be, but he is not. The man is scheduled to take a trip from the city where he lives to the city where he sometimes does business. He packs a larger suitcase than is necessary. When he arrives in the city where he sometimes does business, he sends his wife a postcard that describes what little he understands of the problem, and how he intends to solve it—or at least begin to solve it—by not returning home right away. He knows he should not feel better after writing such a thing, but he does. He goes downstairs to the hotel bar. The bartender is a young woman. The man strikes up a conversation with this young woman, who has the same name as a woman he once dated. The man drinks until the young woman’s shift is over, and then the young woman joins him for a drink at a corner table. A hand is placed upon a hand, and then upon a knee, and then between a knee and another knee. The young woman, in order not to notice, tells the man about her most recent love affair, and how she ended it by sending a postcard. The man laughs. He tells the young woman that they are the same kind of person. “You mean cowards?” she says. He removes his hand from between her legs. Now the young woman notices, and the man invites her upstairs, and she accepts, and they lean against one another in the elevator, and he undoes her skirt in the hallway, and removes it just inside his room. In the morning, she is not there, but she has left a postcard on his pillow beside him. He pieces together the previous night. He remembers that the woman called out his name, and that he laughed. He remembers that she took the phone off the hook theatrically. He remembers that she recited a series of dates for him: when she was born, when she was first married, when she had her son, who is almost exactly the same age as his son. His heart sinks.”

 greenman

Ben Greenman (Chicago, 28 september 1969)

 

De Nederlandse schrijver, journalist en columnist Thijs Zonneveld werd geboren op 28 september 1980 in Sassenheim. Van 1998 tot 2004 studeerde hij Internationaal recht aan de Universiteit van Amsterdam. Tot november 2007 was Zonneveld actief als wielelrenner. Daarna werkte hij als freelance (sport)journalist voor o.a. Wieler Magazine, Leidsch en Haarlems Dagblad, Het Parool en De Pers.   Sinds 2008 is hij columnist voor Nusport.nl en Nu.nl. In november 2008 verscheen zijn sportboek „Dit is onze tijd“. In 2009 verscheen zijn eerste roman „De Ereronde van de Eland“, in 2010 gevolgd door het boek over wielrennen „Koos, Kenny en Johnny“.

Uit: De Ereronde van de Eland

 „Niemand achter me. Geen lange sliert renners. Geen klein plukje. Zelfs geen eenling. Niemand. Ik ben alleen. Alleen met mezelf. Alleen met de kilometers, de wind en de pijn in mijn benen.
Het zal toch niet waar zijn? Kan ik nog terug? Kan ik mijn demarrage nog ongedaan maken? Honderdduizend miljoen euro als ik nu een lekke band krijg. Alsjeblieft, geef me een lekke band. Een kettingbreuk – ook goed. Wat als ik doe alsóf ik een lekke band heb? Kan ik dat? Naar de kant van de weg sturen, wiel eruit, gezicht op ‘jammer, maar helaas’. Durf ik dat? Met al die camera’s? Met al die toeschouwers?

Natuurlijk durf ik dat niet. Ik durf sowieso niets. Ik hoor hier niet in mijn eentje voorop te rijden, als een eenzame avonturier. Mijn demarrage was puur voor de vorm. Om een kleine voorsprong te nemen, een kilometertje volle bak te rijden en daarna weer ingelopen te worden door het jagende peloton. Had ik mooi de rest van de dag met een gerust gemoed in de grote groep kunnen schuilen. Zoals ik altijd doe.
Normaal gesproken werkt het prima. Eens in de zoveel wedstrijden sloof ik me een heel klein beetje uit zodat ik daarna weer een tijdlang rustig aan kan doen. Gewoon af en toen een kleine alibi-aanval. Een excuus-demarrage. Kan ik na afloop zeggen dat ik het ook geprobeerd heb. Niet dat het een echte poging was, maar het leek er wel op.
Maar nu?
Dit is niet normaal. Ik ben uit het peloton ontsnapt met een neppoging. Mijn alibi-aanval is een kamikazeaanval geworden. Een poging om mezelf kapot te maken. Een kans om te winnen heb ik niet. Het is nog veel te ver naar de finish. En ik ben alleen. Geen ploeg in het peloton die zich druk maakt over een eenzame vluchter. Een eenzame vluchter: die laat je spartelen. Die laat je langzaam sterven.
Ik zit gevangen in mijn eigen doolhof. De poort is achter me dichtgeslagen. Ik kan nog maar één kant op: vooruit. En dan maar hopen dat ze in het peloton snel gaan koersen. Of dat er een groepje ontsnapt. Ben ik tenminste niet langer alleen. Dan is dit eenzame avontuur ten einde.
Ze zullen zo wel harder gaan rijden, achter me. Een paar aanvallen, een paar versnellingen, de lont in het kruitvat, en ik ben teruggepakt voordat ik het weet.
Toch?
Omkijken maar weer. Komt er al wat aan? Nee.
Mijn god, het is nog ver.“

zonneveld

Thijs Zonneveld (Sassenheim, 28 september 1980)

 

De Franse schrijver, historicus en archeoloog Prosper Mérimée werd geboren in Parijs op 28 september 1803. Zie ook mijn blog van 28 september 2006 en ook mijn blog van 28 september 2008 en ook mijn blog van 28 september 2009.

Uit: Carmen

Je doute fort que mademoiselle Carmen fût de race pure, du moins elle était infiniment plus jolie que toutes les femmes de sa nation que j’aie jamais rencontrées. Pour qu’une femme soit belle, il faut, disent les Espagnols, qu’elle réunisse trente si, ou, si l’on veut, qu’on puisse la définir au moyen de dix adjectifs applicables chacun à trois parties de sa personne. Par exemple, elle doit avoir trois choses noires : les yeux, les paupières et les sourcils ; trois fines, les doigts, les lèvres, les cheveux, etc. Voyez Brantôme pour le reste. Ma bohémienne ne pouvait prétendre à tant de perfections. Sa peau, d’ailleurs parfaitement unie, approchait fort de la teinte du cuivre. Ses yeux étaient obliques, mais admirablement fendus ; ses lèvres un peu fortes, mais bien dessinées et laissant voir des dents plus blanches que des amandes sans leur peau. Ses cheveux, peut-être un peu gros, étaient noirs, à reflets bleus comme l’aile d’un corbeau, longs et luisants. Pour ne pas vous fatiguer d’une description trop prolixe, je vous dirai en somme qu’à chaque défaut elle réunissait une qualité qui ressortait peut-être plus fortement par le contraste. C’était une beauté étrange et sauvage, une figure qui étonnait d’abord, mais qu’on ne pouvait oublier. Ses yeux surtout avaient une expression à la fois voluptueuse et farouche que je n’ai trouvée depuis à aucun regard humain.“

Mérimée

Prosper Mérimée (28 september 1803 – 23 september 1870)

 

De Duitse schrijver en criticus Albert Vigoleis Thelen werd geboren in Süchteln op 28 september 1903. Zie ook mijn blog van 28 september 2007 en ook mijn blog van 28 september 2008 en ook mijn blog van 28 september 2009.

Uit: Die Insel des zweiten Gesichts

„Langsam und würdig, wie die Leidtragenden unseres eigenen Begräbnisses, gingen wir in die Stadt hinein, durch die Stadt hindurch und an den Hafen hinaus, um uns am äußersten Ende des Piers ins Meer zu stürzen. Dort steht der Leuchtturm auf einem erhöhten Umgang, ich hülfe erst Beatrice aufs eiserne Geländer, sie ist so schlecht im Klettern und auch nicht schwindelfrei, und stiege hinterher. Ich bin auch kein behender Turner, aber so ein Gitter bereitet mir keine Schwierigkeiten. Das war nebenbei bemerkt eine wortlose Übereinkunft, wie wir nachträglich feststellen mussten, eine der vielen, wo zwei mit Leib und Seele aufeinander eingestellte Menschen im richtigen Augenblick das Verkehrte tun.

Beim ersten Dock angekommen, sahen wir etwas, das uns zwang den Plan zu ändern. Zwischen Orangenschalen und Sardinenbüchsen, Kehricht und Strohwischen und einer in den Farben des Regenbogens schimmernden Lache Öl ragte der aufgetriebene Balg einer Katze aus dem Wasser; darauf saß eine Ratte und fraß ein Loch in das Floß. Ich wies auf dieses Symbol der Vergänglichkeit und wollte gerade Trakl aufsagen, da zog Beatrice mich fort von solcher Stätte der Verwesung, die einem Zahn noch Leckerbissen bot: “… in Verfaultem süß und schal lautlos ihre Schnäbel mähen.” Das wäre uns doch auch so gegangen, pardon, das würde uns doch auch so gehen, hat sie gedacht, also fort an einen rattenfreien Strand: – “komm, wir gehen nach Porto Pi!”

thelen

Albert Vigoleis Thelen (28 september 1903 – 9 april 1989)
CD Cover

 

De Poolse schrijver en vertaler Waclaw Berent werd geboren op 28 september 1873 in Warschau.

Waclaw Berent was een scherp criticus van de positivistische leuzen van de Poolse modernistische filosofie en van de Europese “Bohemien”. In zijn roman Ozimina (Wintermaïs) schildert hij het opkomen van de verlangens naar de onafhankelijkheid van Polen. Hij was een fervent tegenstander van de Romantiek. Zijn belangrijkste werk was“ Żywe Kamien“ (Levende Stenen), een roman waarin hij een beeld schetste van de risico’s die de morele waarden bedreigen in onze tijd van de industriële vooruitgang. In 1933 werd Waclaw Berent lid van de Poolse Academie van Literatuur.

Uit: Wintersaat

„Am anderen Ende des Salons summt gestenreich unter den Frauen eine zottige unruhige Gestalt und zieht mit zerstreut wirkenden Bewegungen weibliche Blicke auf sich: Summt wie ein Brummer um die Blüten. Schließlich läßt er sich auf der auserlesenen nieder: Eine Lilie mit einem Blick von zweifelhafter Jungfräulichkeit, die sich ständig mit Katzenpfötchen das schwarze Köpfchen putzt; so zauberhaft, so polsterwüchsig neigt sich diese Köpfchen zwischen den Schultern, daß diese vielverheißende Geste den Käfer angelockt hat. Er sitzt nieder und senkt den Rüssel in den Kelch, ob noch Honig darin sei: Ein Gespräch über Kunst und Literatur beginnt er, um Schlüpfriges anzubringen. Zottig schwebt er über dem Kelch, streckt die Fühler aus, betastet die großen Blätter, sucht nach ätherischen Ölen. er läßt Sprüche fallen, die unzüchtig wären ohne den Ernst des Themas: Ohne Kunst und Literatur, Da spritzt der leichte Honig auch für ihn. Der zottige Käfer hängt über dem Kelch, langt in die tiefste Scham der Blüte und inhaliert die ätherischen Wohlgerüchte lüsterner Konversation.
Junger Mann flirtet mit Fräulein.“

 

berent

Waclaw Berent (28 september 1873 – 19 of 22 november 1940)

 

De Britse criticus en dichter Francis Turner Palgrave werd geboren op 28 september 1824 in Great Yarmouth. Zie ook  mijn blog van 28 september 2006 en ook mijn blog van 28 september 2008 en ook mijn blog van 28 september 2009.

The Golden Land

O SWEET September in the valley
Carved through the green hills, sheer and straight,
Where the tall trees crowd round and sally
Down the slope sides, with stately gait
And sylvan dance: and in the hollow
Silver voices ripple and cry
Follow, O follow!

Follow, O follow!–and we follow
Where the white cottages star the slope,
And the white smoke winds o’er the hollow,
And the blythe air is quick with hope;
Till the Sun whispers, O remember!
You have but thirty days to run,
O sweet September!

–O sweet September, where the valley
Leans out wider and sunny and full,
And the red cliffs dip their feet and dally
With the green billows, green and cool;
And the green billows archly smiling,
Kiss and cling to them, kiss and leave them,
Bright and beguiling:–

Bright and beguiling, as She who glances
Along the shore and the meadows along,
And sings for heart’s delight, and dances
Crowned with apples, and ruddy, and strong:–
Can we see thee, and not remember
Thy sun-brown cheek and hair sun-golden,
O sweet September?

 palgrave

Francis Turner Palgrave (28 september 1824 – 24 oktober 1897)
Great Yarmouth Hall Quay met trams, rond 1900

 

De Duitse dichter Rudolf Baumbach werd op 28 september 1840 geboren in Kranichfeld/Ilm. Baumbach groeide op in Meiningen. Zie ook mijn blog van 28 september 2006.

Die Gäste der Buche

Mietegäste vier im Haus
hat die alte Buche:
Tief im Keller wohnt die Maus,
nagt am Hungertuche.

Stolz auf seinen roten Rock
und gesparten Samen,
sitzt ein Protz im ersten Stock;
Eichhorn ist sein Namen.

Weiter oben hat der Specht
seine Werkstatt liegen,
hackt und hämmert kunstgerecht,
dass die Späne fliegen.

Auf dem Wipfel im Geäst
pfeift ein winzig kleiner
Musikante froh im Nest.
Miete zahlt nicht einer.

baumbach

Rudolf Baumbach (28 september 1840 – 21 september 1905)

 

De Italiaanse dichter en schrijver Agnolo Firenzuola (eigenlijk Michelangelo Girolamo Giovannini) werd geboren op 28 september 1493 in Florence. Firenzuola studeerde rechten in Siena, waar hij de schrijver Claudio Tolomei leerde kennen.aan wie hij zijn beroemde boek over de schoonheid van de vrouwen (della Bellezza delle Donne) opdroeg.. Tijdens zijn latere periode van studie in Perugia 1515/16 ontmoette hij de dichter Pietro Aretino. 1524 publiceerde hij zijn eerste werk “Distaccamento de le lettere ne la lingua toscana inutilmente agguinte” waarin hij zich tegen de hervormingsplannen van de Italiaanse taal van Gian Giorgio Trissino keerde. In Rome ontmoette hij een aantal van de beroemdste schrijvers van zijn tijd, zoals Francesco Berni, Giovanni Della Casa, Annibale Caro en Francesco Maria Molza. Lijdend aan syfilis verhuisde hij in 1534 terug naar Florence en tenslotte naar Prato, waar hij abt van het klooster van San Salvatore werd in het nabije Vaiano. Hier wijdde hij zich aan zijn studie en richtte de Accademia dell’Adaccio op. Geïnspireerd door Boccaccio en Aretino schreef Firenzuola levendige komedies en romans in de volkstaal, waarin hij vaak klassieke thema’s verwerkte.

Uit: Of the Beauty of Women, Dialogue
„[..] whereas among those damsels who had been present on the mound during the former discourse, a strong desire remained to learn the composition of that fair one which Celso had promised to describe to them, they entreated Madonna Lampiada that she would name for another day a spot where this their desire might be fulfilled; and she, who hearkened no less willingly than they to the words of Celso, or at least feigned it, caused him to be bidden by her husband, a very ingenious gentleman, to come to his house on the next feast-day with these same ladies, and with others, and youths of their kindred, to spend the evening; and there, after that Celso had been duly entreated and had modestly excused himself, he began as follows: It is a certain truth that Nature is at all times a generous and liberal giver of her favours to the general and common herd of men ; but yet in particular cases it doth not appear that she is so; nay, we might affirm from daily experience that she is most miserly and avaricious, since, as we saw in our last discourse, she hath no doubt bestowed all things, yet hath not given all to all, but rather one thing to one and one to another, which thing the ancient poets expressedby figuring her a woman with many breasts, whence man, being unable to take more than a mouthful at a time, derives but a small part of his nutriment. Moreover, if you consider the nature of the breast, you will see that,, albeit it is of such fulness and abundance as we all know, yet it doth not pour forth milk of itself, but must be sucked.“

 firenzuola

 Agnolo Firenzuola (28 september 1493 – 27 juni 1543)

Thijs Zonneveld

 

De Nederlandse schrijver, journalist en columnist Thijs Zonneveld werd geboren op 28 september 1980 in Sassenheim. Van 1998 tot 2004 studeerde hij Internationaal recht aan de Universiteit van Amsterdam. Tot november 2007 was Zonneveld actief als wielelrenner. Daarna werkte hij als freelance (sport)journalist voor o.a. Wieler Magazine, Leidsch en Haarlems Dagblad, Het Parool en De Pers.Sinds 2008 is hij columnist voor Nusport.nl en Nu.nl. In november 2008 verscheen zijn sportboek „Dit is onze tijd“. In 2009 verscheen zijn eerste roman „De Ereronde van de Eland“, in 2010 gevolgd door het boek over wielrennen „Koos, Kenny en Johnny“.

 

Uit: De Ereronde van de Eland

 

„Niemand achter me. Geen lange sliert renners. Geen klein plukje. Zelfs geen eenling. Niemand. Ik ben alleen. Alleen met mezelf. Alleen met de kilometers, de wind en de pijn in mijn benen.
Het zal toch niet waar zijn? Kan ik nog terug? Kan ik mijn demarrage nog ongedaan maken? Honderdduizend miljoen euro als ik nu een lekke band krijg. Alsjeblieft, geef me een lekke band. Een kettingbreuk – ook goed. Wat als ik doe alsóf ik een lekke band heb? Kan ik dat? Naar de kant van de weg sturen, wiel eruit, gezicht op ‘jammer, maar helaas’. Durf ik dat? Met al die camera’s? Met al die toeschouwers?

Natuurlijk durf ik dat niet. Ik durf sowieso niets. Ik hoor hier niet in mijn eentje voorop te rijden, als een eenzame avonturier. Mijn demarrage was puur voor de vorm. Om een kleine voorsprong te nemen, een kilometertje volle bak te rijden en daarna weer ingelopen te worden door het jagende peloton. Had ik mooi de rest van de dag met een gerust gemoed in de grote groep kunnen schuilen. Zoals ik altijd doe.
Normaal gesproken werkt het prima. Eens in de zoveel wedstrijden sloof ik me een heel klein beetje uit zodat ik daarna weer een tijdlang rustig aan kan doen. Gewoon af en toen een kleine alibi-aanval. Een excuus-demarrage. Kan ik na afloop zeggen dat ik het ook geprobeerd heb. Niet dat het een echte poging was, maar het leek er wel op.
Maar nu?
Dit is niet normaal. Ik ben uit het peloton ontsnapt met een neppoging. Mijn alibi-aanval is een kamikazeaanval geworden. Een poging om mezelf kapot te maken. Een kans om te winnen heb ik niet. Het is nog veel te ver naar de finish. En ik ben alleen. Geen ploeg in het peloton die zich druk maakt over een eenzame vluchter. Een eenzame vluchter: die laat je spartelen. Die laat je langzaam sterven.
Ik zit gevangen in mijn eigen doolhof. De poort is achter me dichtgeslagen. Ik kan nog maar één kant op: vooruit. En dan maar hopen dat ze in het peloton snel gaan koersen. Of dat er een groepje ontsnapt. Ben ik tenminste niet langer alleen. Dan is dit eenzame avontuur ten einde.
Ze zullen zo wel harder gaan rijden, achter me. Een paar aanvallen, een paar versnellingen, de lont in het kruitvat, en ik ben teruggepakt voordat ik het weet.
Toch?
Omkijken maar weer. Komt er al wat aan? Nee.
Mijn god, het is nog ver.“

 

 

Thijs Zonneveld (Sassenheim, 28 september 1980)

Irvine Welsh, Kay Ryan, Josef Škvorecký, Esther Verhoef, Louis Auchincloss, William Empson, Bernat Manciet, Edvard Kocbek, Michael Denis,Tanja Kinkel, Wacław Rolicz-Lieder, Henri-Frédéric Amiel, Grazia Deledda

De Schotse schrijver Irvine Welsh werd geboren op 27 september 1958 in Leith, Edinburgh. Zie ook mijn blog van 27 september 2008 en ook mijn blog van 27 september 2009.

Uit: Trainspotting

 “The sweat wis lashing oafay Sick Boy; he wis trembling. Ah wis jist sitting thair, focusing oan the telly, tryin no tae notice the cunt. He wis bringing me doon. Ah tried tae keep ma attention oan the Jean–Claude Van Damme video.

As happens in such movies, they started oaf wi an obligatory dramatic opening. Then the next phase ay the picture involved building up the tension through introducing the dastardly villain and sticking the weak plot thegither. Any minute now though, auld Jean–Claude’s ready tae git doon tae some serious swedgin. – Rents. Ah’ve goat tae see Mother Superior, Sick Boy gasped, shaking his heid.

Aw, ah sais. Ah wanted the radge tae jist fuck off ootay ma visage, tae go oan his ain, n jist leave us wi Jean–Claude. Oan the other hand, ah’d be gitting sick tae before long, and if that cunt went n scored, he’d haud oot oan us. They call urn Sick Boy, no because he’s eywis sick wi junk withdrawal, but because he’s just one sick cunt.

– Let’s fuckin go, he snapped desperately. – Haud oan a second. Ah wanted tae see Jean–Claude smash up this arrogant fucker. If we went now, ah wouldnae git tae watch it. Ah’d be too fucked by the time we goat back, and in any case it wid probably be a few days later. That meant ah’d git hit fir fuckin back charges fi the shoap oan a video ah hudnae even goat a deck at.

– Ah’ve goat tae fuckin move man! he shouts, standing up. He moves ower tae the windae and rests against it, breathing heavily, looking like a hunted animal. There’s nothing in his eyes but need.

Ah switched the box oaf at the handset. – Fuckin waste. That’s aw it is, a fuckin waste, ah snarled at the cunt, the fuckin irritating bastard. He flings back his heid n raises his eyes tae the ceiling. Ah’ll gie ye the money tae git it back oot. Is that aw yir sae fuckin moosey–faced aboot? Fifty measley fuckin pence ootay Ritz! This cunt has a wey ay makin ye feel a real petty, trivial bastard. – That’s no the fuckin point, ah sais, but withoot conviction. – Aye. The point is ah’m really fuckin sufferin here, n ma socalled mate’s draggin his feet deliberately, lovin every fuckin 4 minute ay it! His eyes seem the size ay fitba’s n look hostile, yet pleadin at the same time; poignant testimonies tae ma supposed betrayal. If ah ever live long enough tae huv a bairn, ah hope it never looks at us like Sick Boy does. The cunt is irresistible oan this form.”

 welsh

Irvine Welsh (Edinburg, 27 september 1958)

 

De Amerikaanse dichteres Kay Ryan werd geboren op 27september 1945 in San Jose, California. Zie ook mijn blog van 27 september 2008 en ook mijn blog van 27 september 2009.

Atlas

Extreme exertion
isolates a person
from help,
discovered Atlas.
Once a certain
ratio collapses,
shoulder-to-burden
there is so little
others can do:
they can’t
lend a hand
with Brazil
and not stand
on Peru.

 

The Pieces That Fall To Earth

One could
almost wish
they wouldn’t;
they are so
far apart,
so random.
One cannot
wait, cannot
abandon waiting.
The three or
four occasions
of their landing
never fade.
Should there
be more, there
will never be
enough to make
a pattern
that can equal
the commanding
way they matter.

ryan

Kay Ryan (San Jose, 27 september 1945)

 

De Tsjechische schrijver en uitgever Josef Škvorecký werd geboren op 27 september 1924 in Náchod. Zie ook mijn blog van 27 september 2009.

Uit: When Eve Was Naked

„From the Diary of Josef Machane, grade one pupil
at the elementary school for boys at K.

Before I started going to school, Mother read to me every night at bedtime, to help me fall asleep. She would turn on the coloured glass lamp by my bed, put on her pince-nez, and read fairy tales. I really hated sleeping, but I liked listening to the stories: there was a wicked witch who ate children and a rotten stepmother who poked out her stepchildren’s eyes, and then when the prince was betrothed to the prettiest of the children, she (the heroine) chopped off both her stepmother’s arms and also one leg. Those fairy tales frightened me so much that I couldn’t fall asleep, which was why Mother had to keep reading on and on, until she fell asleep.

But alas, those wonderful times were soon to be no more. I had to start grade one at the elementary school for boys. I didn’t want to, but they made me. Our teacher, Mrs. Rehakova, taught us reading, and now, as Mother was turning on the lamp she would say to me, “Soon I won’t have to read to you any longer, Joey, because in no time you’ll learn how, and then you’ll be able to read quietly to yourself.” But Iliked having Mother read to me, because she was pretty and had a scratchy voice that helped me to stay awake when she read me the story about Budulinek, the boy who gobbled up everything he could find in the pantry, but was still hungry and then became a cannibal. So I decided not to learn how to read, so that Mother would have to go on reading bedtime stories to me every night. I kept my resolution steadfastly, and at midterm I got a failing grade in reading from Mrs. Rehakova. My father got very mad.

“A failing grade in such an elementary subject!” His voice was so loud that it shook the chandelier, which was also made of coloured glass. “Even Vozenil, the poor widow’s son who comes to our house at least twice a week for lunch, managed a D minus, but look at this! My own son’s report!” He stopped shouting and began removing his belt, then bent me over his knee and strapped me hard.“

Škvorecký

Josef Škvorecký (Náchod, 27 september 1924)

 

De Nederlandse schrijfster Esther Verhoef-Verhallen werd geboren in ’s-Hertogenbosch op 27 september 1968. Zie ook mijn blog van 27 september 2009.

Uit: Erken mij

Ik beef ongecontroleerd over mijn hele lichaam en ik voel me koortsig, doodmoe. Uitgeput bijna. Te moe om mijn spullen te pakken en het hotel te verlaten, zelfs te moe om te huilen. Of is het apathie? Minuten gaan voorbij, waarin ik probeer me te concentreren op mijn ademhaling en niet meer in staat ben tot meer dan dat. Dan loop ik de badkamer in, draai de stop van de jacuzzi dicht en zet de kranen open. Uit een mandje op een glazen planchet pak ik een chick uitziend flesje douchegel, Hermés. De inhoud ruikt naar sinaasappel. Ik haal de rest van de flesjes ook uit het mandje en spuit ze allemaal leeg in het enorme bad. De brede waterstraal maakt er een dikke. Romige schuimlaag van.“

 verhoef

Esther Verhoef (‘s-Hertogenbosch, 27 september 1968)

 

De Amerikaanse schrijver Louis Stanton Auchincloss werd geboren op 27 september 1917 in Lawrence, New York. Louis Auchincloss overleed op 26 januari van dit jaar op 92-jarige leeftijd. Zie ook mijn blog van 27 september 2009.

Uit: The Young Apollo and Other Stories

The Young Apollo I have decided to put my thoughts about Lionel Manning together in this memorandum. I have to make up my mind, and soon, whether or not I shall accede to Senator Mannings request that I compose a short life of his son, Lionel, or “Lion” as we elders used to call him. It is now five years since Lion died of heart failure, aged thirty-one, in 1913, just before the outbreak of the long and terrible war that has cast the stain of doubt over the ideals we thought our boys were fighting for, as seemingly exemplified in the golden image of my young friend. I use the word “young” more in contrast to my own seventy summers than to emphasize a life so cut short, for it was characteristic of Lion in the matter of friendship to take no account of age, which endeared him to many of my contemporaries. Perhaps he offered us the illusion of some kind of life after death. There is a cynical side of my old crusty bachelor self that whispers that it may have been just as well that Lion died when he did. After all, there is something fine and noble in an early demise. We can always now see him in a halo of glory, with his gleaming blond hair, his laughing gray- blue eyes, his gracefully molded features, his splendid muscular torso; we can hear his excited tones voicing his high principles; we can feel that he has taken his proper place in the gallant and in- spiring company of the slain English friends whom he met as a Rhodes scholar. Dont we glimpse through the darkness of today the broad green lawn of an Edwardian garden party and wonderful young men in blazers and white flannels talking of the great things they would do in a future they would never have? The wrong people have survived this war.

Auchincloss.jpg

Louis Auchincloss (27 september 1917 – 26 januari 2010)
Portret door Everett Raymond Kinstler, 2001

 

De Engelse dichter en criticus William Empson werd geboren op 27 september 1906  in Howden, Yorkshire. Zie ook mijn blog van 27 september 2009.

Missing Dates

Slowly the poison the whole blood stream fills.
It is not the effort nor the failure tires.
The waste remains, the waste remains and kills.

It is not your system or clear sight that mills
Down small to the consequence a life requires;
Slowly the poison the whole blood stream fills.

They bled an old dog dry yet the exchange rills
Of young dog blood gave but a month’s desires.
The waste remains, the waste remains and kills.

It is the Chinese tombs and the slag hills
Usurp the soil, and not the soil retires.
Slowly the poison the whole blood stream fills.

Not to have fire is to be a skin that shrills.
The complete fire is death. From partial fires
The waste remains, the waste remains and kills.

It is the poems you have lost, the ills
From missing dates, at which the heart expires.
Slowly the poison the whole blood stream fills.

empson.jpg

William Empson (27 september 1906 – 15 april 1984)
Empson staande rechts, 2e van rechts George Orwell, voor de microfoon T. S. Eliot.
Voor de BBC radio in 1941

 

De Occitaanse dichter en schrijver Bernat Manciet werd geboren op 27 september 1923 in Sabres. Zie ook mijn blog van 27 september 2009.

L’enterrament a Sabres (Fragment)

Le Seigneur me laboure au brabant
il m’ouvre comme une grande chevaine
mon soleil laisse fuir ses graines de nuit
mon soleil va germer – je m’y perds
Mais toi qui donnes l’élan au seigle
aux maisons et à la longue acclamation des pluies
sur les sillons en tous genres
au murmure noir du populaire
regarde donc ma conscience ouverte en toutes ces pulsations blanches
c’est comme un vautour de plumes blanches
d’où me viennent ces hectares enfantés ?
mon âme c’est ta foudre d’acétylène
éclaire-moi ces lointains l’un derrière l’autre
afin que je te voie
éclaire-toi comme la foudre discrète
ne te cache pas comme ça
j’ai peut-être pêché mais pour savoir si tu es juste
ce temps ce temps va changer
dis-moi Seigneur si je fais encore peur
à l’heure du boulanger
les morts tu sais ne servent pas à grand chose
pour Te parler
mais le seul vif du vif de ce four retiré
Il n’appartient qu’à toi dans la peur
de faire ce qu’il faut pour qu’en une Sabres éternelle
nous vivions à vif lorsque dansent sur place les jardins

manciet

Bernat Manciet (27 september 1923 – 3 juni 2005)

 

De Sloveense dichter, schrijver en essayist Edvard Kocbek werd in Sloveens Stiermarken geboren op 27 september 1904. Zie ook mijn blog van 27 september 2006 en ook mijn blog van 27 september 2008 en ook mijn blog van 27 september 2009.

Church In The Slovenian Hills

Dappled tent
of weary pilgrims
the protective color
of the wise turtle
lichen of ancient nights
moss of placid forests
the silence of a butterfly —
duration achieved by
patience —
but it is not a sphinx
or a fish
or a fairy dragon
but a weary ox
with a thick head
leaning against the sky
opening at times
his kind eyes
for the fragrant hay
and the intoxicated incense
for a cock in the wind
and bronze bells
he still watches over
the holy manger
connecting existent things
with those not yet created;
there are no cracks
be still, heart
beat softly
so that the message
of the silent parchment
docs not fall
to dust.

kocbeck.jpg

Edvard Kocbek (27 september 1904 – 3 november 1981)
Edvard Kocbek monument in het Tivoli park in Ljubljana

 

De Oostenrijkse dichter, bibliograaf, bibliothecaris en vertaler Johann Nepomuk Cosmas Michael Denis werd geboren in Schärding op 27 september 1729. Zie ook mijn blog van 27 september 2009.

Sineds Morgenlied (Fragment)

Harfe! steig nieder. Der Tag erwachet. Sein Aug
Blicket aus Osten auf dich.
Hörst du der Schwalbe Geschäft? Sie lobet schon lang’
Oben am Giebel das Licht.
Hörst du den Morgenhauch
In dem Gezweig’ umher?
Harfe! steig nieder zu mir, begleite mein Lied!

Rein ist das Obergewölb der Schöpfung und blau,
Kühl ist der Odem der Luft.
Dünn ist der Schleier von Duft, der über der Flur
Trächtigem Busen sich dehnt.
Bunt ist der frische Thau,
Der durch den Schleier blitzt.
Hold ist der Morgen, und hold auch, Barde! für dich.

Als dich noch gestern zu Nacht dein Lager umfing,
Warst du des Morgens gewiß?
Konnte dein Leben nicht gleich der Rose verblüh’n,
Die sich nun nimmer erneut?
Aber Allvaters Huld
Läßt dich auch heute noch
Trinken vom Strome der Lust, der alles berauscht.

denis

 Michael Denis (27 september 1729 – 29 september 1800)

 

De Duitse dichter en schrijver Christian Schloyer werd geboren op 27 september 1976 in Erlangen. Schloyer behaalde een licentiaat in wijsbegeerte, germanistiek, theater en media studies in Erlangen. Hij was initiatiefnemer en mede-oprichter van de schrijversgroep en schrijfwerkplaats “Wortwerk” in Erlangen en Neurenberg (2000) en is redacteur van het literaire tijdschrift “Laufschrift” (sinds 2007).

an den angler in monets bildern

merk dir nie an den wolken (wenn
da ein meer ist – & da
ist ein meer) wo du die fisch
falle versenkst, merk dir immer das über
fließende blau (merks dir am
über) am fluss vom himmel
ins meer, merk dir genau wann
du das meer in den himmel
versenkst, merk dir kein meer
an den wolken (& es gibt diese
wolken – nicht alle sind blau) merk dir am besten
den fisch

 schloyer

 Christian Schloyer (Erlangen, 27 september 1976)

 

De Duitse schrijfster Tanja Kinkel werd geboren op 27 september 1969 in Bamberg. Zie ook mijn blog van 27 september 2006. en ook mijn blog van 17 september 2007 en ook mijn blog van 27 september 2008 en en ook mijn blog van 27 september 2009.

Uit: Im Schatten der Königin

„Montag, 9. September 1560   G
G
ott vergebe mir, aber das Erste, was ich dachte, als Robin Dudley mir sagte, seine Gemahlin sei tot, war: Warum jetzt? Für mich und die Meinen war es eine gute Zeit, und eine, auf die wir lange hatten warten müssen. Seit meine Base Jane vor vierzig Jahren John Dudley geheiratet hatte, waren wir miteinander im Rad der Fortuna gefangen gewesen und hatten uns nicht mehr lösen können, ganz gleich, ob es uns hoch oder abwärts trug. Ich wurde an Janes Hochzeitstag geboren, und sie hat das immer als Grund gesehen, sich wie eine Patin um mich zu kümmern. Da meine eigene Mutter von Fehlgeburt zu Fehlgeburt immer schwächer wurde und starb, noch ehe ich acht Jahre alt war, gab es lange Zeit niemanden, der für mich so wichtig war wie Jane. Es gab einen Lehrer, John Ferlingham, der mich bis aufs Blut quälte. Es bereitete ihm offensichtlich Spaß, bei jedem noch so kleinen Fehler, den ich im Unterricht machte, seinen Rohrstock auf meinem nackten Hintern tanzen zu lassen. Doch schlimmer als der Stock war es, seine Hände auch dort zu spüren. Ich wusste damals noch nichts davon, dass manche Männer es auch mit Jungen treiben wollten, aber mir war klar, dass irgendetwas nicht stimmte. Sosehr ich es auch versuchte, ich fand keine Ausrede, die mich davor schützte, nach der Schule zu ihm zu gehen, um meine Gebete mit ihm zu sprechen, wie er das wünschte. Mein Vater bemerkte nichts; eine Tracht Prügel zur rechten Zeit habe noch niemandem geschadet, so lautete seine Überzeugung, die er noch von seinem Urgroßvater hatte, der über Jahrzehnte Sheriff von Shropshire gewesen war. Ich wäre damals lieber gestorben, als ihm einzugestehen, dass ich nicht Angst vor den Schlägen hatte, sondern vor den Händen des Lehrers an meinem Arsch. Jane dagegen gab sich nicht damit zufrieden, meine wirkungslosen Ausreden als kindliche Bockigkeit abzutun. Es gelang ihr, die Wahrheit aus mir herauszulocken. »Das, was er tut, ist Unrecht«, sagte sie mit ernster Stimme. Ich spürte, dass ich den Tränen nahe war.“

kinkel

Tanja Kinkel (Bamberg, 27 september 1969)

 

De Poolse dichter en vertaler Wacław Koźma Damian Lieder,ook: Rolicz-Lieder werd geboren op 27 september 1866 in Warschau. Zie ook mijn blog van 27 september 2008 en ook mijn blog van 27 september 2009.

LILIEN EIGENE BLUMEN

Ich schreite mit des prunkenden herzens gefühlen,
Nach traurigen lebens rötlichen gestaden ·
Ich schreite mit weisen gedanken auf marmorner stirne
Durch blinder erinnrungen zerfallene arkaden.

Bevor die sonne den himbeerfarbenen fächer
Entfaltet und meeresvögel den schrei erheben
Besteig ich voll sanftmut das gespenstische fahrzeug
Des schwarze segel zur insel der toten streben.

Mit angespielter leier zartem gesange
Entfach ich was von sterbender liebe noch glüht
Und segne diese duftende einzige wahre
Von der in der ferne ein herz ohne namen blüht.

 

Wach auf die du mich geleitet durch einsame jahre

Wach auf die du mich geleitet durch einsame jahre
Smaragdener stern meines lebens · wach auf!
Wach auf · du leuchtende sfinx · denn es läutet
Zum angelus droben vom turme der kirche – wach auf!
Die kräuter der schlummernden felder duften berückend
Und stimmen ertönen vom grünlichen wasser – wach auf!
Wach auf! dem auge des himmels fallen die lider
Vorm kusse der feierlichen nacht – wach auf!
Wach auf! meine arme erhoben sich zum gebete ·
Erhoben sich wie zwei gespenstische vögel – wach auf!

 

Vertaald door Stefan George

 rolicz

Wacław Rolicz-Lieder (27 september 1866 – 25 april 1912)
Warschau

 

De Franstalige Zwitserse schrijver en filosoof Henri-Frédéric Amiel werd geboren op 27 september 1821 in Genève. Zie ook mijn blog van 27 september 2009.

Uit: Journal (Vertaald door Mrs. Humphrey Ward)

„BERLIN, July 16. 1848.—There is but one thing needful—to possess God. All our senses, all our powers of mind and soul, all our external resources, are so many ways of approaching the divinity, so many modes of tasting and of adoring God. We must learn to detach ourselves from all that is capable of being lost, to bind ourselves absolutely only to what is absolute and eternal, and to enjoy the rest as a loan, a usufruct…. To adore, to understand, to receive, to feel, to give, to act: there is my law my duty, my happiness, my heaven. Let come what come will—even death. Only be at peace with self, live in the presence of God, in communion with Him, and leave the guidance of existence to those universal powers against whom thou canst do nothing! If death gives me time, so much the better. If its summons is near, so much the better still; if a half-death overtake me, still so much the better, for so the path of success is closed to me only that I may find opening before me the path of heroism, of moral greatness and resignation. Every life has its potentiality of greatness, and as it is impossible to be outside God, the best is consciously to dwell in Him.

BERLIN, July 20, 1848.—It gives liberty and breadth to thought, to learn to judge our own epoch from the point of view of universal history, history from the point of view of geological periods, geology from the point of view of astronomy. When the duration of a man’s life or of a people’s life appears to us as microscopic as that of a fly and inversely, the life of a gnat as infinite as that of a celestial body, with all its dust of nations, we feel ourselves at once very small and very great, and we are able, as it were, to survey from the height of the spheres our own existence, and the little whirlwinds which agitate our little Europe.

At bottom there is but one subject of study: the forms and metamorphoses of mind. All other subjects may be reduced to that; all other studies bring us back to this study.“

 Henri-Frederic_Amiel_1852

Henri-Frédéric Amiel (27 september 1821 – 11 mei 1881)

 

De Italiaanse schrijfster Grazia Deledda werd geboren op 27 september 1871 in Nuoro op Sardinië. Zie ook mijn blog van 27 september 2007 en ook mijn blog van 27 september 2008 en ook mijn blog van 27 september 2009.

Uit: Ashes (Vertaald door Jan Kozma)

„And she thought of the little naked birds in the deserted nest; of her poor little neglected brothers; of Anania’s treasure; of midsummer night; and of her dead mother. She was afraid—she was sad, so sad that though she believed herself doomed to hell, she longed to die. Ol!’s son was born at Fonni in the springtime. He was called Anania by the advice of his godmother, the bandit’s widow. He passed his infancy at Fonni, and in his imagination never forgot that strange village perched on the mountain crest, like a slumbering vulture. During the long winter, Fonni was all snow and fog ; but with the spring grass invaded even the steep village street, where beetles slept among the big, sun-warmed cobblestones, and ants ran confidingly in and out of their holes. The meagre brown houses with their roofs of scandtde (wooden tiles overlapping each other like fish- scales), showed on the street side narrow black doorways, balconies of rotten wood, little stairs often vine-garlanded. The Basilica of the Martyrs, with its picturesque belfry, rose among the green oaks of the old Convent court, dominating the whole little town and carved against a sky of crystalline blue. Fabulous beauty reigned on all sides. The tall mountains of the Gennargentu, their luminous summits outlined as it were with silver,crowned the great Barbagia valley, which in a succession of immense green shells rose to the hill-topS; among these Fonni with its scaled roofs and stony streets, defied the thunder and the winds. The district was in winter almost deserted, for its numerous population of wandering shepherds (men strong as the blast, and astute as foxes) descended with their flocks to the warm southern plains….“

 deledda.jpg

Grazia Deledda (27 september 1871 – 15 augustus 1936)

 

Christian Schloyer

 

De Duitse  dichter en schrijver Christian Schloyer werd geboren op 27 september 1976 in Erlangen. Schloyer behaalde een licentiaat in  wijsbegeerte, germanistiek, theater en media studies in Erlangen. Hij was initiatiefnemer en mede-oprichter van de schrijversgroep en schrijfwerkplaats “Wortwerk” in Erlangen en Neurenberg (2000) en is redacteur van het literaire tijdschrift “Laufschrift” (sinds 2007).

 

 

an den angler in monets bildern


merk dir nie an den wolken (wenn
da ein meer ist – & da
ist ein meer) wo du die fisch
falle versenkst, merk dir immer das über
fließende blau (merks dir am
über) am fluss vom himmel
ins meer, merk dir genau wann
du das meer in den himmel
versenkst, merk dir kein meer
an den wolken (& es gibt diese
wolken – nicht alle sind blau) merk dir am besten
den fisch

 

 

 

Christian Schloyer (Erlangen, 27 september 1976)

 

T. S. Eliot, Bart Chabot, Thomas van Aalten, Christoph W. Bauer, Mark Haddon, William Self, Jane Smiley, Vladimir Vojnovitsj, Cyprian Ekwensi, Peter Turrini, Edwin Keppel Bennett, Joseph Furphy

De Engels-Amerikaanse dichter en schrijver T. S. Eliot werd op 26 september 1888 geboren in St.Louis, Missouri. Zie ook mijn blog van 26 september 2006. Zie ook mijn blog van 26 september 2007 en ook mijn blog van 26 september 2008 en ook mijn blog van 26 september 2009.

The Waste Land

“Nam Sibyllam quidem Cumis ego ipse oculis meis
vidi in ampulla pendere, et cum illi pueri dicerent:
Sibylla ti theleis; respondebat illa: apothanein thelo.”

  1. The Burial Of The Dead

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.
Summer surprised us, coming over the Starnbergersee
With a shower of rain; we stopped in the colonnade,
And went on in sunlight, into the Hofgarten,
And drank coffee, and talked for an hour.
Bin gar keine Russin, stamm’ aus Litauen, echt deutsch.
And when we were children, staying at the archduke’s,
My cousin’s, he took me out on a sled,
And I was frightened. He said, Marie,
Marie, hold on tight. And down we went.
In the mountains, there you feel free.
I read, much of the night, and go south in the winter.

What are the roots that clutch, what branches grow
Out of this stony rubbish? Son of man,
You cannot say, or guess, for you know only
A heap of broken images, where the sun beats,
And the dead tree gives no shelter, the cricket no relief,
And the dry stone no sound of water. Only
There is shadow under this red rock,
(Come in under the shadow of this red rock),
And I will show you something different from either
Your shadow at morning striding behind you
Or your shadow at evening rising to meet you;
I will show you fear in a handful of dust.
        Frisch weht der Wind
Der Heimat zu
Mein Irisch Kind,
Wo weilest du?
“You gave me hyacinths first a year ago;
“They called me the hyacinth girl.”
––Yet when we came back, late, from the Hyacinth garden,
Your arms full, and your hair wet, I could not
Speak, and my eyes failed, I was neither
Living nor dead, and I knew nothing,
Looking into the heart of light, the silence.
Oed’ und leer das Meer.

Madame Sosostris, famous clairvoyante,
Had a bad cold, nevertheless
Is known to be the wisest woman in Europe,
With a wicked pack of cards. Here, said she,
Is your card, the drowned Phoenician Sailor,
(Those are pearls that were his eyes. Look!)
Here is Belladonna, the Lady of the Rocks,
The lady of situations.
Here is the man with three staves, and here the Wheel,
And here is the one-eyed merchant, and this card,
Which is blank, is something he carries on his back,
Which I am forbidden to see. I do not find
The Hanged Man. Fear death by water.
I see crowds of people, walking round in a ring.
Thank you. If you see dear Mrs. Equitone,
Tell her I bring the horoscope myself:
One must be so careful these days.

Unreal City,
Under the brown fog of a winter dawn,
A crowd flowed over London Bridge, so many,
I had not thought death had undone so many.
Sighs, short and infrequent, were exhaled,
And each man fixed his eyes before his feet.
Flowed up the hill and down King William Street,
To where Saint Mary Woolnoth kept the hours
With a dead sound on the final stroke of nine.
There I saw one I knew, and stopped him, crying “Stetson!
“You who were with me in the ships at Mylae!
“That corpse you planted last year in your garden,
“Has it begun to sprout? Will it bloom this year?
“Or has the sudden frost disturbed its bed?
“Oh keep the Dog far hence, that’s friend to men,
“Or with his nails he’ll dig it up again!
“You! hypocrite lecteur! – mon semblable, – mon frere!”

eliot

T. S. Eliot (26 september 1888 – 4 januari 1965)
Buste door Celia Scott

 

De Nederlandse  Dichter en schrijver Bart Chabot werd geboren in Den Haag op 26 september 1954. Zie ook mijn blog van 26 september 2006. Zie ook mijn blog van 26 september 2007 en ook mijn blog van 26 september 2008 en ook mijn blog van 26 september 2009.

Eend

disneyland paris bestaat vijf jaar
er valt confetti uit de wolken

we zitten aan de lunch
in het new york hotel
sebastiaan en ik lopen naar het buffet
ik til het deksel op
van een enorme vleesschotel
– pap – vraagt sebas – is dat kip?
van de damp beslaat mijn bril
– that’s duck sir – schiet een ober ons te hulp
het tafelzilver hangt plotseling
op eigen kracht in de lucht
– you mean donald? – vraag ik
wijzend op de eendenborstjes
stilte daalt over de tafels
dan stijgt homerisch gelach op

sebastiaan kijkt niet blij

 

Hoe ik de herfst uitstelde

het was een van de eerste dagen van september
een vrijdag
honderd procent in orde
strakblauwe hemel
niks op af te dingen
deze lucht was voor mij bestemd

tot om een uur of vier
een vloot regenwolken
de boel kwam zieken
-o nee, daar komt niks van in-

ik bedacht me geen moment
en pakte een vuilniszak
uit het keukenkastje
liep het balkon op
(schoonmaakwoede;
knappe jongen die me tegenhield)
trok de zak open
en deed er één voor één
de wolken in

ziezo, dat was dat

chabot.jpg

Bart Chabot (Den Haag, 26 september 1954)

 

De Nederlandse schrijver Thomas van Aalten werd geboren in Huissen bij Arnhem op 26 september 1978. Zie ook mijn blog van 26 september 2007 en ook mijn blog van 26 september 2008 en ook mijn blog van 26 september 2009.

Uit: Stervende diva’s

“Two hearts under a skyscraper
Suede, Stay Together

Terwijl mijn relatie met Candy voortreutelde bleef ik Lorraine bezoeken. In het geheim, diep in de nacht. Zwervend van bed naar bed, in het late verkeer van de buitenstad, het geloei van sirenes. In de verte hoorde ik de goederentreinen razen terwijl de rest van de stad vooral bezig was met slapen. Behalve in het centrum, waar nachtclubs en bordelen rokerig en donker verscholen lagen tussen de gesloten winkels. De rest van de stad had niets door. Zelfs de rest van het land niet.

Hier, buiten de stad, lag het domein. Het stadsdeel waar Lorraine woonde, lag nabij de snelweg. Als het ’s nachts twee uur was geweest, verliet ik het huis van Candy, gelegen in het drukke centrum van de hoofdstad, en vertrok ik naar Lorraine. Lorraine was de nachtelijke engel, de bewaakster van de duistere liefde.

Met mijn Citroën DS was ik precies achttien minuten kwijt om er te komen, veel sneller dan te voet. Lorraine wist meestal niet precies wanneer ik aankwam, het hing er maar net van af. Soms kwam ik nachten achtereen niet. Soms kwam ik nachten achterelkaar.

En als ik er dan was, stonden we meestal uit het raam te kijken naar de vele lichtjes, zij tegen me aangedrukt. In het donker vielen we niet op voor anderen. Metershoog in een flat. We hielden elkaar vast. Dat was iets wat we altijd deden. We huiverden alletwee en het enige dat hielp was elkaar vasthouden. Dan leek het alsof onze bloedsomloop één werd en dat was zeer prettig te noemen. Twee harten die tegelijk klopten, waar zag je dat nog. In de winter, wanneer de sneeuw op het kozijn bleef liggen, zei Lorraine: ‘Kijk, suiker. Er ligt suiker op de rand.’ De suiker kwam uit de lucht vallen, speciaal voor de zwijgende sterren achter het raam. Want ik voelde me een filmster. Een stille filmster.

vanaalten

Thomas van Aalten (Huissen, 26 september 1978)

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver en vertaler Christoph W. Bauer werd geboren in Kolbnitz op 26 september 1968. Zie ook mijn blog van 8 juni 2009

Supersonic

XLVI

vorausschauend auch nur revuen sie sahen
was auf sie zu kam waren krummgelaufene
absätze und gerieten im schuhwerk der
geschwister auf die schiefe bahn
erkannten die rückstrahler der zukunft in
elternreden bremslichtern und gaben gas
auf ihren klapprädern strampelten sich aus
fotoalben dem ballast der augenerde
in luftreflexionen verborgen vor sich selbst
als gäbe es sie gar nicht abgeworfen von
predigten ums taschengeld betrogen matthai
am letzten sei dank hörten sie in der messe
wer sein leben findet wird es verlieren

bauer

Christoph W. Bauer (Kolbnitz, 26 september 1968)

 

De Engelse schrijver Mark Haddon werd geboren op 26 september 1962 in Northampton. Hij volgder een opleiding aan de Uppingham School en het Merton College, Oxford, waar hij studeerde Engels. In 2003 won Haddon de Whitbread Book of the Year Award en in 2004 de Commonwealth Writers’ Prize Overall Best First Book voor zijn roman The Curious Incident of the Dog in the Night-time, een boek dat is geschreven vanuit het perspectief van een jongen met het syndroom van Asperger. Zijn tweede roman, A Spot of Bother, werd gepubliceerd in september 2006. Mark Haddon is ook bekend om zijn reeks van Agent Z boeken. Van een ervan, Agent Z en de Pinguïn van Mars, werd in 1996 een BBC sitcom voor kinderen gemaakt.

Uit: The Curious Incident of the Dog in the Night-Time

It was 7 minutes after midnight. The dog was lying on the grass in the middle of the lawn in front of Mrs Shears’ house. Its eyes were closed. It looked as if it was running on its side, the way dogs run when they think they are chasing a cat in a dream. But the dog was not running or asleep. The dog was dead. There was a garden fork sticking out of the dog. The points of the fork must have gone all the way through the dog and into the ground because the fork had not fallen over. I decided that the dog was probably killed with the fork because I could not see any other wounds in the dog and I do not think you would stick a garden fork into a dog after it had died for some other reason, like cancer for example, or a road accident. But I could not be certain about this.
I went through Mrs Shears’ gate, closing it behind me. I walked onto her lawn and knelt beside the dog. I put my hand on the muzzle of the dog. It was still warm.
The dog was called Wellington. It belonged to Mrs Shears who was our friend. She lived on the opposite side of the road, two houses to the left.
Wellington was a poodle. Not one of the small poodles that have hairstyles but a big poodle. It had curly black fur, but when you got close you could see that the skin underneath the fur was a very pale yellow, like chicken.
I stroked Wellington and wondered who had killed him, and why.“

 haddon.jpg

 Mark Haddon (Northampton, 26 september 1962)

 

De Engelse schrijver, criticus en columnist William Self werd geboren in Londen op 26 september 1961. Zie ook mijn blog van 26 september 2007 en ook mijn blog van 26 september 2008. en ook mijn blog van 26 september 2009.

Uit: The Book of Dave

 „The little kids who’d left the manor with Carl had run on ahead, up the slope towards the Layn, the avenue of trees that formed the spine of Ham. These thick-trunked, stunted crinkleleafs bordered the cultivated land with a dark, shimmering froth. Carl saw brown legs, tan T-shirts and mops of curly hair flashing among the trunks as the young Hamsters scattered into the woodland. Reedy whoops of joy reached Carl’s ears, and he wished he could go with them into Norfend, galumphing through the undergrowth, sloshing into the boggy hollows to flush out the motos, then herd them towards their wallows.
Up from the manor in a line behind Carl came the older lads – those between ten and fourteen years old – whose graft it was to oversee the motos’ wallowing, before assigning the beasts their day’s toil. Despite everything, Carl remained the acknowledged gaffer of this group, and, as he swerved off the path along one of the linchets dividing the rips, the other eight followed suit, so that the whole party were walking abreast, following the bands of wheatie as they rolled up the rise.“

self

William Self (Londen, 26 september 1961)

 

De Amerikaanse schrijfster Jane Smiley werd geboren op 26 september 1949 in Los Angeles. Zie ook mijn blog van 26 september 2008 en ook mijn blog van 26 september 2009.

Uit: A Thousand Acres

At sixty miles per hour, you could pass our farm in a minute, on County Road 686, which ran due north into the T intersection at Cabot Street Road. Cabot Street Road was really just another country blacktop, except that five miles west it ran into and out of the town of Cabot. On the western edge of Cabot, it became Zebulon County Scenic Highway, and ran for three miles along the curve of the Zebulon River, before the river turned south and the Scenic continued west into Pike. The T intersection of CR 686 perched on a little rise, a rise nearly as imperceptible as the bump in the center of an inexpensive plate.
From that bump, the earth was unquestionably flat, the sky unquestionably domed, and it seemed to me when I was a child in school, learning about Columbus, that in spite of what my teacher said, ancient cultures might have been onto something. No globe or map fully convinced me that Zebulon County was not the center of the universe. Certainly, Zebulon County, where the earth was flat, was one spot where a sphere (a seed, a rubber ball, a ballbearing) must come to perfect rest and once at rest must send a taproot downward into the ten-foot-thick topsoil.
Because the intersection was on this tiny rise, you could see our buildings, a mile distant, at the southern edge of the farm. A mile to the east, you could see three silos that marked the northeastern corner, and if you raked your gaze from the silos to the house and barn, then back again, you would take in the immensity of the piece of land my father owned, six hundred forty acres, a whole section, paid for, no encumbrances, as flat and fertile, black, friable, and exposed as any piece of land on the face of the earth.
If you looked west from the intersection, you saw no sign of anything remotely scenic in the distance. That was because the Zebulon River had cut down through topsoil and limestone, and made its pretty course a valley below the level of the surrounding farmlands. Nor, except at night, did you see any sign of Cabot. You saw only this, two sets of farm buildings surrounded by fields. In the nearer set lived the Ericsons, who had daughters the ages of my sister Rose and myself, and in the farther set lived the Clarks, whose sons, Loren and Jess, were in grammar school when we were in junior high. Harold Clark was my father’s best friend. He had five hundred acres and no mortgage. The Ericsons had three hundred seventy acres and a mortgage.“

smiley

Jane Smiley (Los Angeles, 26 september 1949)

 

De Russische schrijver en dissident Vladimir Nikolajevitsj Vojnovitsj werd geboren in Doesjanbe op  26 september 1932. Zie ook mijn blog van 26 september 2008 en ook mijn blog van 26 september 2009.

Uit: Die denkwürdigen Abenteuer des Soldaten Iwan Tschonkin (Vertaald door Alexander Kaempfe)

„Ob das auf den Seiten dieses Buches Erzählte wirklich geschehen ist oder nicht, kann man heute nicht mehr mit Sicherheit sagen. Der Vorfall, mit dem die ganze Geschichte (die sich fast bis in unsere Tage hinzieht) ihren Anfang nahm, spielte sich im Dorf Krassnoje vor so langer Zeit ab, daß fast keine Augenzeugen übriggeblieben sind. Diese wenigen erzählen die Geschichte verschieden und einige können sich überhaupt nicht mehr daran erinnern. Um die Wahrheit zu sagen, war dieser Vorfall auch nicht wichtig genug, um ihn so lange im Gedächtnis zu behalten. Ich jedoch habe alles zusammengetragen, was ich zu dieser Sache in Erfahrung brachte. Dann habe ich von mir aus noch einiges hinzugefügt, vielleicht mehr als ich hörte. Zuletzt erschien mir die Geschichte so unterhaltsam, daß ich mich dazu entschloß, sie aufzuschreiben. Sollte sie Ihnen uninteressant, langweilig oder gar dumm erscheinen, sind Sie natürlich berechtigt, so zu tun, als hätte ich nichts erzählt.
Das nachfolgend Berichtete geschah unmittelbar vor dem Krieg: so etwa Ende Mai oder Anfang Juni 1941.
Es war an einem ganz gewöhnlichen, für die Jahreszeit typischen heißen Tag. Alle Kolchosbauern arbeiteten auf den Feldern, während Njura Beljaschowa, die bei der Post angestellt war und nicht in direkter Beziehung zum Kolchos stand, ihren freien Tag damit verbrachte, im Gemüsegarten Kartoffeln anzuhäufeln.
Es war so heiß, daß Njura schon völlig außer Atem war, als sie drei Beete hinter sich hatte. Ihr Kleid war auf dem Rücken und unter den Achselhöhlen durchgeschwitzt und wurde beim Wiedertrocknen salzig, weiß und hart. Der Schweiß rann ihr in die Augen. Njura richtete sich auf, um das widerspenstige Haar unters Kopftuch zu schieben. Bei dieser Gelegenheit blickte sie zur Sonne hoch, um festzustellen, ob bald Mittag sein würde. Doch Njura bekam die Sonne nicht zu sehen. Ein großer eiserner Vogel mit einem gekrümmten Schnabel hatte sich vor die Sonne und den Himmel geschoben und stürzte direkt auf sie herab.
»O weh!« rief Njura entsetzt, schlug die Hände vors Gesicht und ließ sich wie tot in eine Furche fallen.
Der Eber Borjka, der damit beschäftigt war, die Erde neben dem Haus aufzuwühlen, sprang zur Seite, vergewisserte sich indessen, daß ihm keine Gefahr drohte, und kehrte an seinen alten Platz zurück.“

 Vojnovitsj

 Vladimir Vojnovitsj (Doesjanbe, 26 september 1932)

 

De Nigeriaanse schrijver Cyprian Ekwensi werd op 26 september 1921 in Nigeria geboren in Minna. Zie ook mijn blog van 26 september 2006 en ook mijn blog van 26 september 2009.

Uit: Jagua Nana

„The sigh was a prayer to God to stay back the years and a challenge to herself to employ all the coquettish arts to help Him. She did not often remember that if her son had lived he would today be roughly as old as her lover. Freddie was hardly more than a boy, with his whole ambitious life before him. He was a teacher at the Nigerian National College who badly wanted to travel overseas to complete his law studies. He had applied for a Government Scholarship, but did not pin his faith on

being selected. She knew Freddie deserved a good girl to marry him, raise his children and ‘shadow’ him in all his ambitions. But Jagua was too much in love with him to make a reasonable exit. And she wanted Freddie as her husband because only a young man would still be strong enough to work and earn when she would be on the decline. Men would not be wanting her in six years’ time, when – even

now – girls of eighteen could be had. At forty-five, she had her figure and her tact to guide her.

She knew that, seen under the dim lights of her favourite night spot, the

Tropicana – from a distance – her face looked beautiful. In any light she was proud of her body, which could model for any painter or sculptor. When she walked down a street, male eyes followed the wiggle of her hips which came with studied unconsciousness. Sometimes she was ashamed of her too passionate love-making, but Freddie did not seem so embarrassed now as he used to be at first. When she painted her face and lifted her breasts and exposed what must be concealed and concealed what must be exposed, she could out-class any girl who did not know what to do with her God-given female talent.“

Ekwensi.jpg

Cyprian Ekwensi (26 september 1921 – 4 november 2007)

 

De Oostenrijkse schrijver Peter Turrini werd geboren op  26. September 1944 in St. Margarethen im Lavanttal. Zie ook mijn blog van 26 september 2009.

Uit: Die Verhaftung des Johann Nepomuk Nestroy

„Nestroy geht schnell durch das Bühnentürl des Theaters an der Wien, einige Begeisterte stürzen auf ihn zu und bitten ihn, Witze aus dem Stück zu wiederholen. Nestroy antwortet, er könne nur gegen Bezahlung lustig sein, ohne Gage falle ihm nichts ein, und läuft zu einer wartenden Equipage. Er steigt in die Equipage, sie fährt weg. In der Equipage sitzt eine junge, schöne Frau, sein Frau, Wilhemine, geborene Wilhelmine Phillipine von Nespiensi. Sie ist ein paar Jahre jünger als Nestroy, hat volles, rotes Haar, das von einer Kopfhaube kaum gebändigt wird. Die Eheleute haben sich sechs Jahre lang nicht gesehen. Sie werden von der schnellen Fahrt der Equipage durchgerüttelt und starren einander an. Nestroy geht in Gedanken das ganze Arsenal seiner Vorwürfe durch: “Warum hast du mich verlassen?” wird er sie fragen.

(…)

Nestroy sitzt im Kaffeehaus an seinem Stammtisch und trinkt. Der Besitzer des Kaffehauses, Herr Anselm Weidinger, den sie “die Amsel” nennen, schenkt Nestroy aus einer Weinflasche nach. Nestroy trinkt das Glas in einem Zug aus. “Das wievielte war das?” fragt Nestroy den Besitzer. “Das Vierte”, sagt dieser. “Nach meiner Berechnung hab’ ich erst drei getrunken”, sagt Nestroy. “Ich verlaß mich ganz und gar auf die Berechnungen des Herrn Nestroy”, sagt Herr Anselm Weidinger und schenkt ihm das nächste Glas ein. “Erst nach einem Dutzend kann ich vergessen, was für ein Mißerfolg der heutige Abend war”, sagt Nestroy. “Aber Herr von Nestroy”, antwortet Weidinger lachend, “Sie reden von einem Mißerfolg und das Publikum jubelt. Sie sind wirklich der g’spaßigste Mensch von Wien”. Er schenkt ihm ein weiteres Glas ein. Einige Gäste prosten Nestroy zu.“

 turrini

Peter Turrini (St. Margarethen im Lavanttal, 26. September 1944)

 

De Engels schrijver, dichter en germanist Edwin Keppel Bennett werd geboren op 26 september 1887 in Wareham, Dorset. Hij werd opgeleid aan Elm House School, Wareham en aan de Universiteit van Straatsburg. Hij ging in 1914 naar het Gonville and Caius College, Cambridge, en behaalde zijn BA in 1919 en zijn MA in 1923. In 1923 werd hij ‘onofficiële fellow’ van het college en een Cambridge University lector voor Duits. Officiële fellow werd hij in 1926, in 1931 werd hij Senior Tutor. Dat bleef hij tot hij in 1952 voorzitter van het College werd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende Bennett in een inlichtingen-eenheid van het Britse leger in de rang van tweede luitenant (1916-1918), vooral in Palestina. Bennetts eerste boek, Built in Jerusalem’s Wall: A Book in praise of Jerusalem, werd gepubliceerd onder het pseudoniem ‘Francis Keppel’ in 1920. Zijn A History of the German “Novelle” from Goethe to Thomas Mann verscheen bij de Cambridge University Press in 1934

The Stranger

The room grows silent, and the dead return:
Whispering faintly in the corridor,
They try the latch and steal across the floor
Towards my chair; and in the hush I turn
Eagerly to the shadows, and discern
The ghosts of friends whom I shall see no more,
Come back, come back from some Lethean shore
To the old kindly life for which they yearn.

How still they are! O, wherefore can I see
No sign of recognition in the eyes
That gaze in mine? Have they forgotten me
Who was their friend? They fade into the gloom;
And on my heart their plaintive murmur dies:
“A stranger now, a stranger fills his room.

bennett

Edwin Keppel Bennett (26 september 1887 – 13 juni 1958)
Wareham, Dorset (Geen portret beschikbaar)

 

De Australische dichter en schrijver Joseph Furphy werd geboren op 26 september 1843 in Yering, een voorstad van Melbourne Yering. Furphy schreef meestal onder het pseudoniem Tom Collins. Zijn vader, een pachter, was in 1840 geëmigreerd uit Tande Ragee in Ierland naar Australië. In 1905 verhuisde Furphy naar West-Australië, waar zijn zonen woonden. Hij bouwde een huis in Swanbourne, een voorstad van Perth, waar nu het hoofdkantoor is van Fellowship of Australian Writers Zijn bekendste werk is Such Is Life, een fictief verhaal over het leven van de plattelandsbevolking, met inbegrip van veedrijvers, krakers en rondtrekkende reizigers in het zuiden van New South Wales en Victoria tijdens de jaren 1880. Het boek bevat een reeks losjes verwante verhalen van verschillende mensen die de verteller ontmoet op zijn reis door het land. De titel zou zijn afgeleid van de laatste woorden van de beroemdste straatrover van Australë: Ned Kelly.

Uit: Such is Life

„Unemployed at last!

***

Scientifically, such a contingency can never have befallen of itself. According to one theory of the Universe, the momentum of Original Impress has been tending toward this far-off, divine event ever since a scrap of fire-mist flew from the solar centre to form our planet. Not this event alone, of course; but every occurrence, past and present, from the fall of captured Troy to the fall of a captured insect. According to another theory, I hold an independent diploma as one of the architects of our Social System, with a commission to use my own judgment, and take my own risks, like any other unit of humanity. This theory, unlike the first, entails frequent hitches and cross-purposes; and to some malign operation of these I should owe my present holiday.

Orthodoxly, we are reduced to one assumption: namely, that my indomitable old Adversary has suddenly called to mind Dr. Watts’s friendly hint respecting the easy enlistment of idle hands.

Good. If either of the two first hypotheses be correct, my enforced furlough tacitly conveys the responsibility of extending a ray of information, however narrow and feeble, across the path of such fellow-pilgrims as have led lives more sedentary than my own—particularly as I have enough money to frank myself in a frugal way for some weeks, as well as to purchase the few requisites of authorship.

If, on the other hand, my supposed safeguard of drudgery has been cut off at the meter by that amusingly short-sighted old Conspirator, it will be only fair to notify him that his age and experience, even his captivating habits and well-known hospitality, will be treated with scorn, rather than respect, in the paragraphs which he virtually forces me to write; and he is hereby invited to view his own feather on the fatal dart.

Whilst a peculiar defect—which I scarcely like to call an oversight in mental construction—shuts me out from the flowery pathway of the romancer, a co-ordinate requital endows me, I trust, with the more sterling, if less ornamental qualities of the chronicler. This fairly equitable compensation embraces, I have been told, three distinct attributes: an intuition which reads men like sign-boards; a limpid veracity; and a memory which habitually stereotypes all impressions except those relating to personal injuries.

Submitting, then, to the constitutional interdict already glanced at, and availing myself of the implied license to utilise that homely talent of which I am the bailee, I purpose taking certain entries from my diary, and amplifying these to the minutest detail of occurrence or conversation. This will afford to the observant reader a fair picture of Life, as that engaging problem has presented itself to me.“

 furphy

Joseph Furphy (26 september 1843 – 13 september 1912)

 

De Braziliaanse schrijver Luís Fernando Veríssimo werd geboren op 26 september 1936 in Porto Alegre, Rio Grande do Sul. Veríssimo is de zoon van de Braziliaanse schrijver Erico Veríssimo en woonde in zijn jeugd samen met zijn vader in de Verenigde Staten. Veríssimo is een grote fan van jazz, en speelt zelf saxofoon in een band genaamd Jazz 6. Net als veel andere Braziliaanse intellectuelen geniet hij van de cultuur van Rio de Janeiro. Veríssimo is een criticus van rechtse politici, vooral van de voormalige president, Fernando Henrique Cardoso. Verder is Veríssimo dol op voetbal en heeft hij ook veel teksten geschreven over deze passie.

Uit: Borges and the Eternal Orangutans (Vertaald door Jull Costa)

„I will try to be your eyes, Jorge. I am following the advice you gave me when we said goodbye: “Write, and you will remember.” I will try to remember, with more exactitude this time, so that you can see what I saw, so that you can unveil the mystery and arrive at the truth. We always write in order to remember the truth. When we invent, it is only in ordeto remember the truth more exactly.

Geography is destiny. If Buenos Aires were not so close to Porto Alegre, none of this would have happened, but I did not see that I was being subtly summoned or that this story needed me in order to be written. I did not see that I was being plunged headfirst into the plot, like a pen into an inkwell.

The circumstances of my visit to Buenos Aires were, as I now know, planned with all the care of someone setting a trap for a particular animal. At the time, however, enthusiasm blinded me to this. I did not realise that I had been chosen as an accessory to a crime, as neutral and innocent as the mirrors in a room.

The 1985 Israfel Society Conference, the first meeting of Edgar Allan Poe specialists to be held outside the northern hemisphere, was to take place in Buenos Aires, less than a thousand kilometres from my apartment in Bonfim, and was, therefore, within the budget of a poor translator and teacher of English (which, as you know, is what I am). One of the invited speakers was to be Joachim Rotkopf, who was to lecture on the origins of European surrealism to be found in Poe’s work, precisely the topic that had provoked the controversy with Professor Xavier Urquiza from Mendoza, and that had kept me so amused in the pages of The Gold-Bug, the Society journal. All this seemed to me a mere accumulation of happy and irresistible coincidences. I decided not to resist. At least, I thought I decided.“

 verissimo

Luís Fernando Veríssimo (Porto Alegre, 26 september 1936)

Luís Fernando Veríssimo

 

De Braziliaanse schrijver Luís Fernando Veríssimo werd geboren op 26 september 1936 in Porto Alegre, Rio Grande do Sul. Veríssimo is de zoon van de Braziliaanse schrijver Erico Veríssimo en woonde in zijn jeugd samen met zijn vader in de Verenigde Staten. Veríssimo is een grote fan van jazz, en speelt zelf saxofoon in een band genaamd Jazz 6. Net als veel andere Braziliaanse intellectuelen geniet hij van de cultuur van Rio de Janeiro. Veríssimo is een criticus van rechtse politici, vooral van de voormalige president, Fernando Henrique Cardoso. Verder is Veríssimo dol op voetbal en heeft hij ook veel teksten geschreven over deze passie.

 

Uit: Borges and the Eternal Orangutans (Vertaald door Jull Costa)

 

„I will try to be your eyes, Jorge. I am following the advice you gave me when we said goodbye: “Write, and you will remember.” I will try to remember, with more exactitude this time, so that you can see what I saw, so that you can unveil the mystery and arrive at the truth. We always write in order to remember the truth. When we invent, it is only in order to remember the truth more exactly.

Geography is destiny. If Buenos Aires were not so close to Porto Alegre, none of this would have happened, but I did not see that I was being subtly summoned or that this story needed me in order to be written. I did not see that I was being plunged headfirst into the plot, like a pen into an inkwell.

The circumstances of my visit to Buenos Aires were, as I now know, planned with all the care of someone setting a trap for a particular animal. At the time, however, enthusiasm blinded me to this. I did not realise that I had been chosen as an accessory to a crime, as neutral and innocent as the mirrors in a room.

The 1985 Israfel Society Conference, the first meeting of Edgar Allan Poe specialists to be held outside the northern hemisphere, was to take place in Buenos Aires, less than a thousand kilometres from my apartment in Bonfim, and was, therefore, within the budget of a poor translator and teacher of English (which, as you know, is what I am). One of the invited speakers was to be Joachim Rotkopf, who was to lecture on the origins of European surrealism to be found in Poe’s work, precisely the topic that had provoked the controversy with Professor Xavier Urquiza from Mendoza, and that had kept me so amused in the pages of The Gold-Bug, the Society journal. All this seemed to me a mere accumulation of happy and irresistible coincidences. I decided not to resist. At least, I thought I decided.“

 

 

Luís Fernando Veríssimo (Porto Alegre, 26 september 1936)

Andrzej Stasiuk, Carlos Ruiz Zafón, William Faulkner, Rebecca Gablé, Lu Xun, Patricia Lasoen, Maj Sjöwall, August Kühn, Manouchehr Atashi, Herbert Heckmann, William Michael Rossetti, Charles Robert Maturin

De Poolse schrijver en letterkundige Andrzej Stasiuk werd geboren op 25 september 1960 in Warschau. Zie ook mijn blog van 25 september 2008 en ook mijn blog van 25 september 2009.

Uit: Dojczland (Vertaald door Olaf Kühl)

„In Stuttgart auf dem Bahnhof gab mir ein alter Mann ein Kalenderblatt: »Freitag, fünfter August zweitausendfünf«. Auf dem Blatt stand ein Zitat aus dem Ersten Buch Samuel: »Du aber steh jetzt still, daß ich dir kundtue, was Gott gesagt hat.« Dann ging er. Ich sah, wie er sich in der Bahnhofshalle entfernte und versuchte, die nächsten zu beschenken. Groß, hager, grauhaarig und langsam inmitten

der hastendenMenge.Manche nahmen es, diemeisten aber wichen ihm aus, so wie man all diesen Verteilern von Handzetteln über billige Pizzas und Ausverkäufe ausweicht.

Ich war den fünften Tag unterwegs und konnte nicht stillstehen. Ich mußte nach Tübingen. Der Stuttgarter Bahnhof erinnerte an den Bukarester Gara de Nord. Es fehlten nur dieWachleute, die dieObdachlosen und Kleber schnüffelnden Kinder vertreiben. Der Rest war sehr ähnlich. So schien es mir. Ich war den fünften Tag unterwegs und mußte nach Ähnlichkeiten suchen, um das Gleichgewicht

zu wahren. Ich mußte in Stuttgart an Bukarest denken, um mir Deutschland bessermerken zu können. Jedenfalls war der Zugang zu den Bahnsteigen sehr ähnlich. Auf dem Gara deNord habe ich einmal eine schwarze Bandana gekauft, deren Muster sich aus Dutzenden kleiner, weißer Skelette zusammensetzte. Die Skelette trieben es in allen möglichen Positionen miteinander. Ich war unterwegs ins Donau-Delta und hatte eine Mütze vergessen, deshalb mußte ich mir die Bandana kaufen. Aber jetzt wartete ich auf den Zug nach Tübingen. Der alte Mann in dem Bahnhofsgedränge

sah auswie der Rufer in derWüste. Er streckte dieHandmit dem Blatt aus, wartete eineWeile auf Reaktionen, dann zog er sie zurück und ging weiter.

Der Zug war überfüllt, so eine Art Regionalexpreß. In ihm waren nur junge Leute unterwegs. Ich war der Älteste. Nach mir stieg ein Typ in Lederjacke ein. Unter dem Arm trug er neue Kennzeichenschilder. Er nahm sein Handy und sprach Serbisch, vielleicht Kroatisch, jedenfalls

irgendwas von dort. Er streckte die Beine aus und redete, redete, redete. Ich versuchte, die Landschaft zu betrachten, doch der Serbe oderKroate lenktemich ab. Er quasselte, als wäre er bei sich zu Hause, als würde die Zeit nicht existieren, als säße er irgendwo im Schatten, würde trinken, rauchen und über die Politik, die Natur der Welt und Autotypen schwadronieren. Draußen war schwäbischer November, und ich fühlte den Sommer des Balkan.“

stasiuk

Andrzej Stasiuk (Warschau, 25 september 1960)

 

De Spaanse schrijver Carlos Ruiz Zafón werd geboren op 25 september 1964 in Barcelona. Zie ook mijn blog van 25 september 2006 en ook mijn blog van 25 september 2007 en ook mijn blog van 25 september 2008 en ook mijn blog van 25 september 2009.

Uit: De schaduw van de wind (Vertaald door Nelleke Geel)

„Nog steeds herinner ik me de ochtend dat mijn vader me voor het eerst meenam naar het Kerkhof der Vergeten Boeken. De eerste dagen van de zomer van 1945 regen zich aaneen en we wandelden

door de straten van een Barcelona gevangen onder een asgrijze hemel, met een waterig zonnetje dat over de Rambla de Santa Mónica stroomde als een guirlande van vloeibaar koper.

“Daniel, wat je vandaag zult zien mag je aan niemand vertellen”, waarschuwde mijn vader. “Zelfs niet aan je vriend Tomás. Aan niemand.”

“Zelfs niet aan mama?” vroeg ik met gedempte stem.

Mijn vader zuchtte, terwijl hij zich verschanste achter het trieste glimlachje dat hem als een schaduw door het leven volgde.

“Natuurlijk wel”, antwoordde hij terneergeslagen. “Voor haar hebben we geen geheimen. Aan haar mag je alles vertellen.”

Kort na de Burgeroorlog had een aanval van cholera mijn moeder van ons weggenomen. We begroeven haar op de Montjuïc op de dag van mijn vierde verjaardag. Ik herinner me alleen dat het de

hele dag regende en dat, toen ik mijn vader vroeg of de hemel huilde, zijn stem brak toen hij antwoord gaf. Zes jaar later hing de afwezigheid van mijn moeder nog steeds om ons heen, een oorverdovende

stilte die ik nog niet met woorden tot zwijgen had weten te brengen.Mijn vader en ik woonden in een klein appartement in Calle Santa Ana, naast het kerkplein. De woning lag direct boven de boekhandel gespecialiseerd in verzamelaarsuitgaven en tweedehands boeken, overgegaan van mijn grootvader op mijn vader – een betoverde bazaar die, hoopte mijn vader, ooit in mijn handen zou overgaan. Ik groeide op tussen boeken, maakte onzichtbare vrienden op bladzijden die langzaam tot stof vergingen en waarvan de geur nog steeds aan mijn handen kleeft. Als kind leerde ik in slaap te vallen terwijl ik in de duisternis van mijn slaapkamer de gebeurtenissen van de dag aan mijn moeder vertelde, mijn wederwaardigheden op school, wat ik die dag geleerd had … Ik kon haar stem niet horen noch haar aanraking voelen, maar haar licht en warmte brandden in elke hoek van het huis en ik geloofde, met de onschuld van hen die hun leeftijd nog op tien vingers kunnen tellen, dat als ik mijn ogen sloot en praatte, ze mij zou kunnen horen, waar ze ook was. Soms luisterde mijn vader naar me vanuit de eetkamer en huilde stilletjes.“

zafon
Carlos Ruiz Zafón (Barcelona, 25 september 1964)

 

De Amerikaanse schrijver William Faulkner werd geboren op 25 september 1897 in New Albany, Mississippi. Zie ook mijn blog van 25 september 2008. en ook mijn blog van 25 september 2007 en  mijn blog van 25 september 2006 en ook mijn blog van 25 september 2009.

Uit: The Bear

“There was a man and a dog too this time. Two beasts, counting Old Ben, the bear, and two men, counting Boon and Hoggenbeck, in whom some of the same blood ran which ran in Sam Fathers, even though Boon’s was a plebeian strain of it and only Sam and Old Ben and the mongrel Lion were taintless and incorruptible. He was sixteen. For six years now he had been a man’s hunter. For six years now he had heard the best of all talking. It was of the wilderness, the big woods, bigger and older than any recorded document:–of white man fatuous enough to believe he had bought any part of it, of Indian ruthless enough to pretend that any fragment of it had been his to convey…. It was of the men, not white nor black nor red but men, hunters, with the will and hardihood to endure and the humility and skill to survive, and the dogs and the bear and deer juxtaposed and reliefed against it, ordered and compelled by and within the wilderness in the ancient and unremitting contest according to the ancient and unmitigable rules which voided all regrets and brooked no quarter; — the best game of all, the best of all breathing and forever the best of all listening, the voices quiet and weighty and deliberate for retrospection and exactitude among the concrete trophies — the racked guns and the heads and skins — in the libraries of town houses or the offices of plantation houses or (and best of all) in the camps themselves where the intact and still-warm meat yet hung, the men who had slain it sitting before the burning logs on hearths when there were houses and hearths or about the smoky blazing piled wood in front of stretched tarpaulins when there were not. There was always a bottle present, so that it would seem to him that those fine fierce instants of heart and brain and courage and wiliness and speed were concentrated and distilled into that brown liquor which not women, not boys and children, but only hunters drank, drinking not of the blood they spilled but some condensation of the wild immortal spirit, drinking it moderately, humbly even, not with the pagan’s base and baseless hope of acquiring thereby the virtues of cunning and speed but in salute to them.”

faulkner

William Faulkner (25 september 1897 – 6 juli 1962)
In Parijs, 1925

 

 De Duitse schrijfster Rebecca Gablé (pseudoniem van Ingrid Krane-Müschen) werd geboren op 25 september 1964 in Wickrath / Mönchengladbach. Zie ook mijn blog van 25 september 2008 en ook mijn blog van 25 september 2009.

Uit: Hiobs Brüder

“Isle of Whitholm, Februar 1147

„Sieh dich um, du Ausgeburt der Hölle“, knurrte der Mönch. „Wirf einen letzten Blick auf die Welt.“

Unwillkürlich folgte Simon der Aufforderung, obwohl er sich so fest vorgenommen hatte, genau das nicht zu tun. Er blieb stehen, wandte sich um und blickte zurück über die rastlose, aufgewühlte See. Der Wind fuhr ihm ruppig durch die Haare und wehte ihm eine Strähne ins Auge, aber der Junge konnte nichts tun, um sie zurückzustreichen, denn die Brüder hatten ihm die Hände auf dem Rücken gefesselt. Anscheinend fürchteten sie, der fünfzehnjährige, schilfdünne Knabe sei in der Lage, es mit vier gestandenen Benediktinern gleichzeitig aufzunehmen.

Ein Sonnenstrahl brach durch die bleifarbene Wolkendecke und tauchte das Meer und die flache Küste des Festlandes drüben in ein gleißendes, geradezu unirdisches Licht. Simon sah das Heidekraut aufleuchten, und der Turm der Klosterkirche, der eigentlich gedrungen und hässlich war, wirkte mit einem Mal filigran und schimmerte wie Elfenbein. Eine kleine Schafherde graste dicht zusammengedrängt unweit der klösterlichen Obstwiesen. Wie gelbe Wollflocken wirkten die Tiere aus der Ferne. Dann schob sich eine der schweren Wolken vor die Sonne, und das einsam gelegene St.-Pancras-Kloster versank wieder im Zwielicht.

Nicht gerade überwältigend, hätte Simon gern gesagt, um der Welt, die ihn ausstieß, zu bekunden, dass er gut auf sie verzichten könne. Doch nicht einmal zu dieser trotzigen Lüge bekam er Gelegenheit, denn die Brüder hatten ihn geknebelt, damit er sie nicht verfluchen konnte.

Der alte Mönch mit dem Glatzkopf und den weißen Haarbüscheln in den Nasenlöchern, der sich während des Exorzismus’ so in Rage gebetet hatte, dass er irgendwann ohnmächtig zusammengebrochen war, stieß den Jungen mit seinem knorrigen Gehstock zwischen die Schulterblätter. „Vorwärts!“

Simon kehrte der Welt den Rücken.”

gable

Rebecca Gablé (Wickrath, 25 september 1964)

 

Uit: My Old Home (Vertaald door Yang Hsien-yi en Gladys Yang)

„Our family had only one part‑time laborer. … And since there was so much to be done, he told my father that he would send for his son Runtu to look after the sacrificial vessels. …
When my father gave his consent I was overjoyed, because I had long since heard of Runtu and knew that he was about my own age. …
… He was very shy, and I was the only person he was not afraid of. When there was no one else there, he would talk with me, so in a few hours we were fast friends.
Runtuʹs mind was a treasure‑house of … strange lore, all of it outside the ken of my former friends. They were ignorant of all these things and, while Runtu lived by the sea, they like me could see only the four corners of the sky above the high courtyard wall.
(…)

One very cold afternoon, I sat drinking tea after lunch when I was aware of someone coming in. … The newcomer was Runtu. … He had grown to twice his former size. His round face, once crimson, had become sallow and acquired deep lines and wrinkles; his eyes too had become like his fatherʹs, the rims swollen and red. …
Delighted as I was, I did not know how to explain myself, and could only say: “Oh! Runtu — so itʹs you?ʺ …
He stood there, mixed joy and sadness showing on his face. His lips moved, but not a sound did he utter. Finally, assuming a respectful attitude, he said clearly: ʺMaster!ʺ

xun

Lu Xun (25 september 1881 – 19 oktober 1936)

 

De Belgische dichteres en schrijfster Patricia Lasoen werd geboren op 25 september 1948 in Brugge. Zie ook mijn blog van 25 september 2008 en ook mijn blog van 25 september 2007 en mijn blog van 25 september 2006 en ook mijn blog van 25 september 2009.

Grim Reaper

Zag vreemde dingen
langs de weg:

U.S. Soldaat in open jeep
met platte helm
en vlaggetjes
met uitrusting alsof
hij ging kamperen
kanonnenloop
in fallushouding

Een mens wil zich verdedigen
wil aanvallen en vechten

Een boze Jockey,
elleboog uit open raam
van Ford
met paarden in de Van,
sulky en tuig
er op geladen

Een mens wil karren
voor zijn paarden spannen

En in de weiden
in ’t verdorde gras
staan Koeien in de ozon
en wachten op de Boer

Een mens wil melken,
wil eten en wil drinken.

 lasoen

Patricia Lasoen (Brugge, 25 september 1948)

 

De Zweedse schrijfster Maj Sjöwall werd op 25 september 1935 in Stockholm geboren als dochter van Will Sjöwall en Margit Trobäck. Ze studeerde journalistiek en grafische vormgeving en ze vond werk als journalist en art-director van enkele kranten en tijdschriften. Van 1959 tot 1961 werkte ze bij uitgeverij Wahlström and Widstrad. Daar leerde zij in 1961 de schrijver Per Wahlöö kennen. Ze trouwden kort daarna en dit was het begin van hun samenwerking als schrijvers. De zorgvuldig geplande misdaadromans schreven ze in de avonduren, als hun zonen Tetz en Jens naar bed waren..
Vanaf het begin was duidelijk dat er tien boeken zouden verschijnen. Ze wilden geen vermoeide schrijvers worden. De boeken verschenen tussen 1965 en 1975. In 1965 kwam de eerste roman uit genaamd Roseanna en tien jaar later was de reeks voltooid met ‘Terroristerna’.

Uit: De man op het balkon (Vertaald door Cora Polet)

„Om kwart voor drie ging de zon op.

Anderhalf uur daarvoor was het verkeer afgenomen en uitgestorven. Tegelijkertijd was het rumoer van de laatste huiswaarts kerende cafe´bezoekers verstomd. De wagens van de stadsreiniging waren langsgereden en hadden hier en daar donkere, natte strepen op het asfalt achtergelaten. Een ambulancewagen was door de lange, rechte straat geraasd. Een zwarte auto met witte spatborden, een dakantenne en het woord POLITIE in witte blokletters op de portieren was langzaam en stil voorbijgegleden. Vijf minuten later was het zachte gerinkel van glas te horen geweest, toen iemand met gehandschoende hand het venster van een etalage insloeg en vlak daarop het geluid van half rennende voetstappen en een motor die gierde in een zijstraat.

De man op het balkon had het allemaal gadegeslagen. Het was een gewoon balkon met ijzeren spijlen en zijkanten van gegolfd plaatijzer. Hij had daar gestaan met zijn armen geleund op het ijzeren hek en het gloeien van zijn sigaret was als een donkerrode stip in het donker te zien geweest. Met

regelmatige tussenpozen had hij een sigaret uitgedrukt, voorzichtig de nauwelijks een centimeter lange peuk uit het houten sigarettenpijpje gepeuterd en deze naast de andere neergelegd. Tien van zulke sigaretteneindjes lagen al netjes op een rij naast het theeschoteltje op het tuintafeltje.

Het was nu stil, zo stil dat het wel een zoele nacht in het begin van de zomer leek in een grote stad. Het zou nog enkele uren duren voor de krantenjongens zouden verschijnen met hun omgebouwde kinderwagens en de eerste werkster naar haar werk zou gaan.“

 Sjöwall

 Maj Sjöwall (Stockholm, 25 september 1935)

 

De Duitse schrijver August Kühn, alias Helmut Munch, werd geboren op 25 sep 1936 in München. Kühn doorliep veel gewone en vaak ook ongewone stadia van een arbeiderslevenleven: 1939 in ballingschap in Zwitserland vanwege de joodse afkomst van zijn vader. 1945 terugkeer naar München en secundair onderwijs en opleiding als Oprikschleifer. Na enkele jaren gewerkt te hebben werd hij volontair bij een Münchener boulevardblad. Er volgde een emigratie naar Israël, hij kwam weer terug naar München, raakte gedeeltelijk gehandicapt na een ernstig ongeluk en werkte in een levensmiddelenfirma. Hij kreeg ontslag wegens zijn inzet voor de ondernemingsraad, vond opnieuw werk bij een verzekeringsmaatschappij en het Statistisch Bureau van de stad München en ten slotte werd hij werkloos. Getrouwd en heeft zes kinderen . Tijdens zijn werkloosheid begon KÜhn boeken te schrijven en hij publiceerde diverse romans over München en haar geschiedenis.

Uit: Zeit zum Aufstehn

„Fritz, der jüngere Kühnbruder, hatte es besser als Martin und Gustl. Metallpolierer lernte er und nach der Lehre nahm ihn die Lokomotivenfabrik in der Hirschau an. Ungefähr um die Zeit herum, als Gustl sich wegen der Geburt seiner unehelichen Tochter Sophie mit Anni März ein Übermaß an Sorgen

machen musste, lernte Fritz die Franziska Rindlbacher kennen. Schon, weil die noch bei ihren Eltern wohnte, würde ihm so was wie den Brüdern nicht passieren, auf die Franziska wurde von zu Hause aus gesehen, dass sie »sauber « blieb. Martins künftige Schwiegereltern hatten kaum ein Wort darüber verloren, dass die Tochter mit dickem Bauch herumlaufen musste. Als Martin dann noch aus dem Mietstall in die Zweizimmerwohnung der Frankls einzog, sie noch enger machte mit seiner gelegentlichen Anwesenheit, da war für die Frankl-Sippschaft alles in bester Ordnung gewesen. Bei den Rindlbachers käme er da schön an. Er, der Steinmetz Rindlbacher, war mit den Seinen erst vor knapp zehn Jahren in die Stadt hereingezogen, wie es mit dem Bauen hier wieder einen Aufschwung gegeben hatte. Die Guldeinschule war eine seiner ersten Baustellen gewesen und gleich ein paar Häuser daneben hatte er seine Wohnung gefunden, im zweiten Stock über einer großen Schankwirtschaft. Da wirtschaftete er nun »städtisch«, die Tochter ging wegen des nötigen Geldes in die Fabrik, aber auch, weil die dort »aufgeräumt« war. Die strenge Moral hatte der Rindlbacher-Vater noch vom Dorf. Franzi, seine rotblonde, schlanke, lustige Franziska, musste jeden Tag spätestens um acht Uhr abends zu Hause sein, sonst riskierte sie einen Mordskrach und gesperrten Ausgang von mindestens zwei Wochen.“

 kühn

Augustus Kühn (25 sep 1936 – 9 februari 1996)

 

De Iraanse dichter, schrijver en journalist Manouchehr Atashi werd geboren op 25 september 1931 in Dashtestan, in de provincie Bushehr en groeien op in Teheran, waar hij zijn universitaire graad behaalde en zijn studie en onderkomen verdiende met lesgeven en schrijven. Hij ontving zijn Bachelor diploma in de Engelse literatuur in Teheran. Atashi was nog jong toen zijn gedichten begonnen te verschijnen in de grote Iraanse tijdschriften. Zijn poëzie is de poëzie van de opstandige krijger van de vernederde zuidelijke stammen. Hij nam zijn werk serieus en hoewel gehecht was aan zijn geboorteland en zijn geboorteplaats hebben zijn gedichten een universele strekking.

We Didn’t Know

Had we advanced a bit further
Our path would have perhaps led to the sea,
Our sleep would have perhaps turned into dream.

Had we paddled more
Perhaps we would have an agreeable wind,
If we didn’t return to the coast,
The water would perhaps have sucked our corpses into the depth.

We were neither a rushing river,
To gallop over, obstacles, sharp ends, plains to… the sea,
Neither were we a moat to serve as watering trough for the mangy wolf…
Nor a mangy wolf which is after its carnal desires,
To submit ….. to the secret moment of a cursed death undisturbed.

We didn’t who called us, when and why? whom we called
and why we joined the path
Or why we were delayed.
….
We didn’t know who we were and when we existed,
And who has tied this dog inside ourselves to the chain of our vein,
And when.

We don’t know who we were and who we are,
Whether our pain was from a wound inflected by a heavenly stone
Or we ourselves are a stinking wound in the body of existence…

We didn’t know.

Atashi

Manouchehr Atashi (25 september 1931 – 20 november 2005)

 

De Duitse dichter, schrijver en literatuurwetenschapper Herbert Heckmann werd geboren op 25 september 1930 in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 25 september 2007 en ook mijn blog van 25 september 2008 en ook mijn blog van 25 september 2009.

Uit: Geschichte und Trauerspiel (Over „Papinianus“ van Andreas Gryphius)

„Was im Trauerspiel stattfindet, ist die Wiederholung eines Geschehenen, dem in der dramatischen

Fassung angesichts des großen Weltenlaufs die Tendenz aufgeprägt ist, mit verbürgter Datentreue die poetische Eloquenz zu verschärfen. Der Schein geschichtlicher Redlichkeit kann jedoch nicht nur als eine rhetorische Figur angesehen werden, mit vorgetäuschter Wirklichkeit mehr Geltung des Dargestellten zu erheischen.

Denn Geschichte wird hier, ohne daß sie erst im Trauerspiel allegorisch umgedeutet werden muß, nur

als das Spiel der Vergänglichkeit angesehen, aus dem nur die auf das Ewige gegründete Tugend sich der irdischen Fessel entledigen kann. Die durch ein persönliches Erleben bestimmte Natürlichkeit, die jeder allegorischen Dichtung abhold ist, hat erst das Geschichtsverständnis aus seinem kosmologischen Milieu verbannt und ihm eine Eigengesetzlichkeit zugebilligt.

Die dichterische Rhetorik, wie man häufig die barocke Manier kennzeichnet, ist nicht einfach mit der reinen Überredungskunst gleichzusetzen, als ob sie ganz in einer Mission befangen und an feststehende Inhalte gebunden wäre. Freilich setzt die Allegorie die Vermittlung einer gemeinsamen dogmatischen Welt voraus. Sie setzt jedoch die Wirklichkeit nicht um, das hieße ja, daß die Welt ursprünglich als Eigenwert gegeben wäre und erst in einer dichterischen Reflexion allegorisch ausgewertet würde. Geschichte wird immer schon als Allegorie mit dem ganzen Apparat an Requisiten und Kulissen begriffen, die das Ewige aus der Vergänglichkeit hervorheben.

Aber gerade diese Maßnahmen heben die Zeit und den Raum auf. Alles Geschehen verkürzt sich zu einem geschichtslosen Argument, wenn auch eine überschäumende Lebensgier zuweilen das asketische Ideal aufzuheben scheint. Diesem Streben nach echtem Glück jedoch geht jede Historizität ab. Papinian kann die Welt nur dann bestehen, wenn er sich ihr entzieht. Seine historische Größe entspringt einzig dem Reservat seiner Tugend, die in äußerster Aktivität gegenüber jeder Anfeindung ihr ungeschichtliches Ideal in dieser Welt heimisch zu machen versucht: Ihr Ziel ist die Aufhebung der historischen Realität.“

Heckmann

Herbert Heckmann (25 september 1930 – 18 oktober 1999)
„Der Römer“, Raadhuis in Frankfurt am Main

 

De Engelse schrijver en criticus William Michael Rossetti werd geboren in Londen op 25 september 1829. Zie ook mijn blog van 25 september 2009.

Uit: Life Of John Keats

„John Keats was born at the Moorfields place of business on the 31st of October 1795. This date of birth is established by the register of baptisms at St. Botolph’s, Bishopsgate: the date usually assigned, the 29th of October, appears to be inaccurate, though Keats himself, and others of the family, believed in it. There were three other children of the marriage—or four if we reckon a a son who died in infancy: George, Thomas, and lastly Fanny, born in March 1803. An anecdote is told of John when in the fifth year of his age, purporting to show forth the depth of his childish affection for his mother. It is said that she then lay seriously ill; and John stood sentinel at her chamber-door, holding an old sword which he had picked up about the premises, and he remained there for hours to prevent her being disturbed. One may fear, however, that this anecdote has taken an ideal colouring through the lens of a partial biographer. The painter Benjamin Robert Haydon—who, as we shall see in the sequel, was extremely well acquainted with John Keats, and who heard the story from his brother Thomas—records it thus: “He was, when an infant, a most violent and ungovernable child. At five years of age or thereabouts he once got hold of a naked sword, and, shutting the door, swore nobody should go out. His mother wanted to do so; but he threatened her so furiously she began to cry, and was obliged to wait till somebody, through the window, saw her position, and came to her rescue.” It can scarcely be supposed that there were two different occasions when the quinquennial John Keats superintended his mother and her belongings with a naked sword—once in ardent and self-oblivious[14] affection, and once in petulant and froward excitement.”

 Rossetti (

William Michael Rossetti (25 september 1829 – 5 februari 1919)
Portret door Ford Madox Brown, 1856

 

De Ierse schrijver Charles Robert Maturin werd geboren in Dublin op 25 september 1782. Charles Maturin stamde af van een familie van Hugenoten die hun toevlucht hadden gezocht in Ierland. Hij bezocht Trinity College en werd kort daarna tot geestelijke gewijd. Maturin schreef drie toneelstukken, alle tragedies, waarvan er slechts een een echt succes werd: Bertram (1815) werd met succes opgevoerd in het Koninklijk Theater Drury Lane in Londen. Zijn andere stukken, Manuel (1817) en Fredolfo (1819) deden het minder goed. Zijn horror-romans konden rekenen op meer bijval. Zijn eerste boek, The Fatal Vengeance, dateert uit 1807. Dit werd gevolgd door The Wild Irish Boy (1808), The Milesian Chief (1811) en Women, or Pour et Contre (1818). Zijn bekendste en nog altijd gelezen werk verscheen in 1820 onder de titel Melmoth the Wanderer en wordt gezien als een goed voorbeeld, en een van de laatste, van het destijds in de mode zijnde horrorgenre. In 1824 verscheen nog de roman The Albigenses. Maturins werk wordt ook wel tot de Gothic literatuur gerekend.

Uit: Melmoth the Wanderer

„John Melmoth, student at Trinity College, Dublin, having journeyed to County Wicklow for attendance at the deathbed of his miserly uncle, finds the old man, even in his last moments, tortured by avarice, and by suspicion of all around him. He whispers to John:

“I want a glass of wine, it would keep me alive for some hours, but there is not one I can trust to get it for me,—they’d steal a bottle, and ruin me.” John was greatly shocked. “Sir, for God’s sake, let ME get a glass of wine for you.” “Do you know where?” said the old man, with an expression in his face John could not understand. “No, Sir; you know I have been rather a stranger here, Sir.” “Take this key,” said old Melmoth, after a violent spasm; “take this key, there is wine in that closet,—Madeira. I always told them there was nothing there, but they did not believe me, or I should not have been robbed as I have been. At one time I said it was whisky, and then I fared worse than ever, for they drank twice as much of it.”

John took the key from his uncle’s hand; the dying man pressed it as he did so, and John, interpreting this as a mark of kindness, returned the pressure. He was undeceived by the whisper that followed,—”John, my lad, don’t drink any of that wine while you are there.” “Good God!” said John, indignantly throwing the key on the bed; then, recollecting that the miserable being before him was no object of resentment, he gave the promise required, and entered the closet, which no foot but that of old Melmoth had entered for nearly sixty years. He had some difficulty in finding out the wine, and indeed stayed long enough to justify his uncle’s suspicions,—but his mind was agitated, and his hand unsteady. He could not but remark his uncle’s extraordinary look, that had the ghastliness of fear superadded to that of death, as he gave him permission to enter his closet. He could not but see the looks of horror which the women exchanged as he approached it. And, finally, when he was in it, his memory was malicious enough to suggest some faint traces of a story, too horrible for imagination, connected with it. He remembered in one moment most distinctly, that no one but his uncle had ever been known to enter it for many years.“

 maturin

 Charles Robert Maturin (25 september 1782 – 30 oktober 1824)

Mark Boog, F. Scott Fitzgerald, Shamim Sarif, Fernand Ouellette, Yves Navarre, Szilvia Molnar, Alfons Petzold, Charles Ferdinand Ramuz, Hendrik Tollens

De Nederlandse dichter en schrijver Mark Boog werd geboren op 24 september 1970 in Utrecht. Zie ook mijn blog van 24 september 2009.

Liefde

De lucht ligt als een blok op het land,
onzichtbaar en massief.

Je gaat gekleed in de kleur van je haar,
in je ogen, je passen en je woorden.
Je bent hier en elders. Ik draag je me na

en huiver. Je bent te groot misschien,
of te dichtbij. Je onbereikbaarheid
is onvergeeflijk. Kon ik een vogel zijn –

maar de nauwkeurigheid ontbreekt me
zoals het vertrouwen. Ik kijk naar je

en huiver. Spreek me aan, want ik zwijg,
verdraag mijn wurggreep, verdraag
de onbeholpenheid, verdraag mij, liefde.

 

Laat de avond vallen

Laat de avond vallen, ik,
en hou het huis heel stil zodat ik niet gestoord word –
zolang het schemert kan het misgaan.

De vogels zoeken langzaamaan hun takken op,
ik wijs ze die, en sterren tillen zich eruit omhoog.
Heel anders klinkt het razen van de auto’s in de nacht!

Recht zo die gaat! Het ene zeil door het andere vervangen,
dag door nacht, maar nergens sluimert haperen, niets mokt.
Zolang het dit is wat ik doe gehoorzaamt men glimlachend.

Ik hoop maar dat er koffie is, of whisky, als ik
weer de kamer inkom, zeer vermoeid en door het uitblijven
van tegenstand- wat stribbelen zou al genoeg zijn –
vreemd ontmoedigd. Zó gestroomlijnd.

 boog
Mark Boog (Utrecht, 24 september 1970)

 

De Amerikaanse schrijver Francis Scott Fitzgerald werd geboren op 24 september 1896 in Saint Paul, in de staat Minnesota. Zie ook mijn blog van 24 september 2007 en ook mijn blog van 24 september 2006 en ook mijn blog van 24 september 2008 en ook mijn blog van 24 september 2009.

Uit: The Great Gatsby

„My family have been prominent, well-to-do people in this middle-western city for three generations. The Carraways are something of a clan and we have a tradition that we’re descended from the Dukes of Buccleuch, but the actual founder of my line was my grandfather’s brother who came here in fifty-one, sent a substitute to the Civil War and started the wholesale hardware business that my father carries on today.

I never saw this great-uncle but I’m supposed to look like him — with special reference to the rather hard-boiled painting that hangs in Father’s office. I graduated from New Haven in 1915, just a quarter of a century after my father, and a little later I participated in that delayed Teutonic migration known as the Great War. I enjoyed the counter-raid so thoroughly that I came back restless. Instead of being the warm center of the world the middle-west now seemed like the ragged edge of the universe — so I decided to go east and learn the bond business. Everybody I knew was in the bond business so I supposed it could support one more single man. All my aunts and uncles talked it over as if they were choosing a prep-school for me and finally said “Why — ye-es” with very grave, hesitant faces. Father agreed to finance me for a year and after various delays I came east, permanently, I thought, in the spring of twenty-two.

The practical thing was to find rooms in the city but it was a warm season and I had just left a country of wide lawns and friendly trees, so when a young man at the office suggested that we take a house together in a commuting town it sounded like a great idea. He found the house, a weather beaten cardboard bungalow at eighty a month, but at the last minute the firm ordered him to Washington and I went out to the country alone. I had a dog, at least I had him for a few days until he ran away, and an old Dodge and a Finnish woman who made my bed and cooked breakfast and muttered Finnish wisdom to herself over the electric stove.

It was lonely for a day or so until one morning some man, more recently arrived than I, stopped me on the road.

“How do you get to West Egg Village?” he asked helplessly.

I told him. And as I walked on I was lonely no longer. I was a guide, a pathfinder, an original settler. He had casually conferred on me the freedom of the neighborhood.“

 Fitzgerald

F. Scott Fitzgerald (24 september 1896 – 21 december 1940
Hier met echtgenote Zelda

 

De Britse schrijfster en filmmaakster Shamim Sarif werd geboren op 24 september 1969 in Londen. Haar familie kwam uit Zuidfafrika en is van Zuid-Aziatische afkomst. Haar wortels inspireerden haar om haar bekroonde debuutroman te schrijven: The World Unseen, Daarin verkende zij de kwesties van ras, gender en seksualiteit, die ze later verwerkte in een film met Lisa Ray, getoond op het London Film Festival in 2007. Ze is de winnares van verschillende prijzen, o.a. voor The World Unseen. Voor de roman ontving zij de Pendleton May First Novel Award en de Betty Trask Award.

Uit: Despite the falling snow

“And yours, how was your work today?” she asks. They walk together to the small sofa and sit down. She likes the warmth of his leg touching hers, feels a stir of desire, but will not, or cannot show it.

“I don’t know.” His eyes are troubled. “It’s not the same since…”

“Since what?”

“You make me look at things in a different way, Katya.”

“But I’m proud of you. And your work. Why am I ruining it for you? Because I told you it was your father’s path?”

He looks at her for a long time, thinking about the answer. His eyes are still considering when he leans over gently and kisses her throat. She closes her eyes slightly against the pleasurable touch of his lips on her skin, and looking up at her, he catches that moment of release.

“No. Not just that,” he continues. “I don’t know how to explain. Everything looks new since I met you. It’s as though I was sleep-walking through the world up until now. You have sharpened all the blurred pictures that I had in my mind, and now I feel that I see things – or begin to see things – more clearly. I’m not really helping people, Katya. All I can do…”

 sarif

Shamim Sarif (Londen, 24 september 1969)

 

De Canadese dichter, essayist en schrijver Fernand Ouellette werd geboren in Montreal, Quebec, op 24 septenber 1930. Hij volgde vanaf 1943 klassieke studies aan het College Séraphique de Montreal en behaalde een diploma sociale wetenschappen van de Universite de Montreal in 1952. Vanaf 1955 schreef hij een aantal radio-scripts over Franse en buitenlandse schrijvers voor Radio-Canada. In 1958 werd hij mede-oprichter van het tijdschrift Liberté, en zijn editor-in-chief in 1960. In hetzelfde jaar begon hij met het produceren van culturele programma’s voor Radio-Canada, net zolang totdat 1991. Zijn correspondentie met Henry Miller en Pierre Jean Jouve, zijn ontmoeting met Edgard Varèse en zijn reizen in Europa markeren zijn ontwikkeling als schrijver en dichter. Hij won een aantal literaire prijzen.

Ma tristesse

Ma tristesse s’abandonne
à la mer, comme une barque
revient de la mort,
bellement nue
après le voyage.
Comment s’arracher de l’infini
qui me tient aux confins
des ténèbres?
Je tourne parfois sans fin,
comme oublié,
dans le silence de la saison froide.
Tout dérive avec le sang :
le coeur surtout plus noir qu’un poison.
Et je m’étonne d’avoir rêvé,
si près des arbres,
ébloui contre l’amante.
Certes la voix parlait bas,
mais pour mieux pointer sa dague.
Ou chantait désespérément
en brûlant les pierres.
La nuit et la lumière
confondaient leurs pouvoirs.

 

Présence

Puissante la lumière mange
l’air du proche horizon,
anime l’érable comme un vitrail
bien nuancé de vert.
L’œil s’exalte, quand
s’accroît l’illumination de ce qui respire.
(La terre est pourtant profonde,
pour les morts
délaissés dans leur croissance.)
Ce matin, pareil à une masse,
rampait le soleil affaibli des jours désolés,
comme s’il buvait un peu à la vasque
du monde :
vaine magnificence, sursaut de célébration,
avant la roue des saisons,
et le silence au ras du sol.

Ouellette

Fernand Ouellette (Montreal, 24 septenber 1930)

 

De Franse schrijver Yves Navarre werd geboren op 24 september 1940 in Condom. Zie ook mijn blog van 24 september 2008 en ook mijn blog van 24 september 2009.

Uit: Romances sans paroles

“L’amitié est purement sensuelle. Elle ne choisit pas son sexe. Elle est la même pour tout le Monde. Elle est tribale, d’une tribu qui n’a ni chef ni totem. Aucune morale, judéo-chrétienne ou freudienne, ne l’a récupérée. L’amour n’est que l’institution du péché originel. L’amitié est l’expression du secret individuel. J’adore rompre en amitié. Parce que la rupture amicale est une adoration. La rupture amoureuse, elle, est une blessure qui ne se referme pas. L’artiste ou l’humain y trouvent leur grain. Spectaculaire. Incident. La rupture amicale s’inscrit, dans une continuité. On devient amis ou amies à la vie et à la vie. Laissons la mort, la mort telle qu’on nous la fait vivre dans les églises ou sur les divans, mêmes chapelles, à la fin des histoires d’amour. Il n’y a pas d’amitié spécifiée sexuellement parce qu’il n’y a pas de milieux sexuels. Les “dits” normaux comme les “dits” anormaux sont partout. Indifférenciés. Il n’y a que certaines questions (racistes ?) pour imposer les principes, faux, d’une différence. Et des réponses (racistes ?) qui emploient les mêmes mots d’un jeu absurde. Et évitable.

[…]

Une trahison amicale ne se pardonne pas. L’amitié n’est pas du territoire des pardons. Elle n’est pas connue. Elle n’est pas dite. Elle n’est pas distribuée aux autres. Elle n’est pas désignée, annoncée. Ou alors, elle n’est plus. L’amitié, ce n’est pas forcément l’aveu. Le “forcément” est amoureux. L’amour dépouille. L’amitié vêt. L’amitié n’aime pas la syntaxe. Elle est la syncope de l’amour. Elle prolifère sans jamais être sue, avouée.”

 Navarre

 Yves Navarre (24 september 1940 – 24 januari 1994)

 

De Engels-Zweedse schrijfster en vertaalster Szilvia Molnar werd geboren op 24 september 1984 in Boedapest, Hongarije. Zie ook mijn blog van 24 september 2007.

Mine

I used to call her My oh my because she was the girl that braided her hair with yours and she was the one that woke up in the morning with grass stains on her ankles and dew on her shoulders.

In high school she came up to me and grabbed me by the arm. We walked up the stairs that led to the fourth floor and sat on a bench next to the darkroom. I looked at the long row of lockers and how its locks seemed so pleased being together. She pulled up my sleeve and bit me ’til it left a mark. She left me a scent of giggles and a note on my skin saying: “Now you’ll remember me.”

I walked around for five days with a bruise that had the backside of a rainbow and screams of My oh my. I’ve never been so angry before.”

 Molnar

Szilvia Molnar (Boedapest, 24 september 1984)

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Alfons Petzold werd geboren op 24 september 1882 in Wenen. Zie ook mijn blog van 24 september 2006 en ook mijn blog van 24 september 2008 en ook mijn blog van 24 september 2009.

Uit: Ich mit den müden Füßen

“„Dös is da neiche Bua.“

Die zwei anderen blickten mich neugierig an, und einer von ihnen meinte verächtlich: „Seawas, dea schaut wähch aus. A so a Grischpinkerl wüh a Bäck wean!“

Der dritte aber grinste mich freundlich aus seinem blonden Milchgesicht an: „No, no“, sagte er beschwichtigend und saugte dabei an seiner Pfeife, „wos klaa is, is zaach, muaß a denn glei a Ries´ sei? Gflickta, du host äh a net de Muskulatua von an Pflostaragsöhn. I woar aa a so a Kruz und jetzn bin i do scho drei Joah a Vizimischa, der sei Gschäfterl vastähd. Kumm, Klaaner, i wea da glei a Orweit gehm.“

Er zeigte mir nun, was ich zu tun hatte. Die gekneteten Teigstücke mußten in eine Maschine geschoben werden, welche sie in gleich große Teile formte. Aus diesen machten dann die Gesellen an langen Tischen die Semmeln.

Gegen zehn Uhr abends polterten die zwei anderen Lehrbuben die Stiege herunter. Sie waren in der Fachschule gewesen, wie ich aus den Spottreden erfuhr, mit denen sie von den Gesellen empfangen wurden.

Beide Burschen machten sich nun umständlich an die Arbeit. Kaum ein Wort wurde gesprochen; nur ein Saugen an den Pfeifen war hie und da in dem Trommeln des Semmelknetens zu hören.

Zu meinem größten Entsetzen klatschte sich manchmal einer oder der andere die nackte, schwitzende Brust mit einem Teigstück ab, und es war mir nach diesem Anblick lange nicht möglich, eine Semmel zu essen.

Da Auskneten des Kleingebäcks dauerte bis zwei Uhr nachts, dann kam das Brot an die Reihe. Glücklicherweise durften der eine Lehrling und ich uns schlafen legen, da zur Brotbereitung die Lehrbuben erst von einem gewissen Alter an zugezogen werden durften. Die gut organisierten Bäckergesellen wachten streng darüber, daß diese Vereinbarung in allen Werkstätten innegehalten wurde.”

petzold

Alfons Petzold (24 september 1882 – 25 januari 1923)

 

De Franstalige Zwitserse dichter, schrijver en essayist Charles Ferdinand Ramuz werd geboren op 24 september 1878 in Cully-sur-Lausanne. Zie ook mijn blog van 24 september 2008 en ook mijn blog van 24 september 2009.

Uit: Die große Angst in den Bergen (Vertaald door Hanno Helbling)

“Der Ammann redete immer noch.

Die Gemeindeversammlung, die an dem Abend um sieben begonnen hatte, war um zehn Uhr noch nicht zu Ende. Der Ammann sagte:

«Das sind so Geschichten. Man hat nie wirklich erfahren, was dort oben passiert ist, und jetzt ist das schon zwanzig Jahre her, eine alte Sache. Das Klarste daran ist für mich, daß wir seit zwanzig Jahren schönes Gras verkommen lassen, siebzig Kühe könnte man den ganzen Sommer lang davon ernähren; also, wenn ihr meint, die Gemeinde sei reich genug, um sich diesen Luxus zu leisten, dann sagt es; aber ich meine das nicht, und ich habe die Verantwortung …»

Unser Ammann Maurice Prâlong war nämlich von den Jungen portiert worden, und die Partei der Jungen unterstützte ihn; aber da war die Partei der Alten.

«Das ist es eben», sagte Munier, «du bist zu jung. Wir hingegen, wir erinnern uns noch.»

Und so erzählt er noch einmal wieder, was sich vor zwanzig Jahren zugetragen hatte auf der Alp droben, die Sasseneire heißt, und er sagte:

«Uns liegt an unserem Gras so gut wie euch, wir sorgen uns so sehr wie ihr um das Gemeindegut; aber zählt das Geld noch, wenn unser Leben auf dem Spiel steht?»

Darüber wurde gelacht; aber er:

«Doch, doch, ich sag’s euch, ich sag’s euch wirklich und sag es nochmal …»

«Nun komm!» sagte der Ammann …

Die Jungen unterstützten ihn weiter, aber die Alten setzten sich immer noch zur Wehr; und Munier:

«Das Leben, sage ich, das Leben der Tiere, das Leben der Leute …»

 ramuz

Charles Ferdinand Ramuz (24 september 1878 – 23 mei 1947)

 

De Nederlandse dichter Hendrik Tollens werd op 24 september 1780 te Rotterdam geboren. Zie ook mijn blog van 24 september 2007 en ook mijn blog van 24 september 2006 en ook mijn blog van 24 september 2008 en ook mijn blog van 24 september 2009.

Herfst (Fragment)

’t Laatste siersel, dat er wast,
Roekloos door elkaar gesmeten,
En in ’t voetzand zaamgetast.
Zie! de neergewaaide bladen
Hoogen de overplaste paden,
Waar nu ’t kruid verdronken ligt;
Voel! de gure najaarsregen
Snerpt ons uit het noorden tegen:
Lieve! dek uw boezem digt.
’t Laatste straaltje dreigt te smoren,
Eer de woudklok avond slaat.
Heeft de hemel ’t licht verloren,
Dat zijn blik zoo somber staat?

Loom en lustloos neergebogen,
Kruipt en kwijnt de trage dag;
Vaakrig ziet hij rond uit de oogen,
Met een halfgedwongen lach;
Magtloos poogt hij ’t hoofd te tillen,
Dat van gloed noch glansen bloost,
En beproeft een blik te spillen,
Die de treurige aarde troost:
O Mistrouw die valsche stralen,
Die het waatrig zonlicht schiet:
Zie! waar ginds die neevlen dwalen,
Treuren de overvallen dalen,
Die gij weerloos plondren ziet.

Zie! waar ginds die stormen pakken
En zich vormen voor ons oog,
Tilt het woud zijn naakte takken
Om ontferming naar omhoog.
Hoor! de losgebarsten rukken
Teistren kuif en kruin aan stukken,
En verhaavnen bosch en dreef;
Waar wij de oogen reiken kunnen,
Zien wij ’t laatste loof verdunnen,
Dat verstorven hangen bleef.

tollens

Hendrik Tollens (24 september 1780 -21 oktober 1856)