Norman Mailer, Anna Blaman, Alfred Kossmann, Anton Korteweg, Benoîte Groult

De Amerikaanse schrijver Norman Mailer werd op 31 januari 1923 in Long_Branch, New Jersey geboren. Zie ook mijn blog van 31 januari 2008 en mijn blog van 10 november 2007 en mijn blog van 31 januari 2007 en ook mijn blog van 31 januari 2009.

 

Uit: Harlot’s Ghost

 

„On a late-winter evening in 1983, while driving through fog along the Maine coast, recollections of old campfires began to drift into the March mist, and I thought of the Abnaki Indians of the Algonquin tribe who dwelt near Bangor a thousand years ago.
In the spring, after the planting of corn, the younger braves and squaws would leave the aged to watch over the crops and the children, and would take their birchbark canoes south for the summer. Down the Penobscot River they would travel to Blue Hill Bay on the western side of Mount Desert where my family’s house, built in part by my great-great-grandfather, Doane Hadlock Hubbard, still stands. It is called the Keep, and I do not know of all else it keeps, but some Indians came ashore to build lean-tos each summer, and a few of their graves are among us, although I do not believe they came to our island to die. Lazing in the rare joys of northern warmth, they must have shucked clams on the flats at low tide and fought and fornicated among the spruce and hemlock when the water was up. What they got drunk on I do not know, unless it was the musk of each other, but many a rocky beach in the first hollow behind the shore sports mounds of ancient clamshells, ground to powder by the centuries, a beach behind the beach to speak of ancient summer frolics. The ghosts of these Indians may no longer pass through our woods, but something of their old sorrows and pleasures joins the air. Mount Desert is more luminous than the rest of Maine.
Even guidebooks for tourists seek to describe this virtue: “The island of Mount Desert, fifteen miles in diameter, rises like a fabled city from the sea. The natives call it Acadia, beautiful and awesome.”
Beautiful and awesome. We have a fjord in the middle of Mount Desert, a spectacular four-mile passage by water between promontories on either side. It is the only true fjord on the Atlantic coast of North America, yet it is but a part of our rock-hewn splendor. Near the shore, peaks rise abruptly a thousand feet to afford sailing craft the illusion of great mountains, and our finest anchorage, Northeast Harbor, is in summer a dazzle of yachts.
Perhaps it is the nearness of our mountains to the sea, but silences are massive here, and summers have an allure not simple to describe. For one thing, we are not an island to attract people who follow the sun. We have almost no sand beach. The shore is pebble and clamshell strand, and twelve-foot tides inundate the rocks. Washed by incoming waves are barnacles and periwinkles, rockweed mussels, Irish moss, red seaweed, dulse. Sand dollars and whelks lie scattered in the throw of the surf. Kelp is everywhere and devil’s-apron often winds around one’s ankles. In the tide pools grow anemone and sponge. Starfish and sea urchins are near your toes.“

 

norman_mailer

Norman Mailer (31 januari 1923 – 10 november 2007)

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Blaman werd geboren op 31 januari 1905 te Rotterdam. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007 en ook mijn blog van 31 januari 2008 en ook mijn blog van 31 januari 2009.

 

Uit: Eenzaam avontuur

 

‘Maar zij, zij wachtte ook, al was ’t alleen maar op een weerzien, een ontmoeten, nieuws, een brief. Verschrikt hield ze de adem in, die holle en verongelijkte stemming was dus verlangen. Steels keek ze op naar Peps die in pyama door de kamer liep. Peps merkte niets. Veel kon er in je omgaan, veel kon je denken zonder dat een ander daar zelfs ook maar erg in had. Er speelde een vaag lachje om haar mooie mond. Mijn wezen achter een façade, dacht ze, een volkomen ondoordringbare façade die niets verraadt… Ze wachtte totdat hij haar blik ontdekte, een lieve blik die niets verried. Ze zag zijn bruine ogen, eerst verwonderd, dan met iets juichend… Ze sloeg haar armen om zijn hals en zei: “We blijven heel ons leven saampies.” – Ze zei het met een tederheid die niets verried. En het ontroerde hem… En onderwijl dacht ze er verder nog op door hoe diep een mens is en hoe gemakkelijk het is die diepten te verstoppen en er in weg te schuilen.’

‘Peps droeg een half kunstgebit. Dat nam hij uit de bovenkaak en borstelde hij schoon, boven de wastafel, zwijgend en van haar afgekeerd. Er waren ochtenden dat ze de voorkamer in liep, als hij dat deed, uit kiesheid en uit weerzin. Maar soms ook bleef ze juist zitten en dan zei ze iets waarom hij lachen moest of waarop hij moest antwoorden en spiedde ze via de spiegel waar hij voor stond naar zijn misvormde lach, zijn lispelende lipbewegingen. Zonder zijn tanden was hij weerloos, en hij wist het. Soms ook overviel ze hem precies op dat moment met tederheid. “Ach lieverd, kom toch even bij me, maar direct.” – Haar stem klonk mild, maar niettemin bevelend, als van een moeder met een absoluut gezag over haar leidzaam kind. Ze greep zijn handen, dwong hem op de knieën, streelde zijn hoofd, vlijde dat aan haar borst en keek hem in de ogen. En dat alles voordat hij zijn tanden weer had ingezet. Ze zag de vreugde in zijn ogen om haar vertedering, waarachter hij geen dubbelzinnigheid vermoeden kon. Ze zag zijn heimelijk bevangen vreugde, zonder tanden durfde hij natuurlijk niet te glimlachen en daarom koos hij een bepaald geluksmasker; roerloze bovenlip, een mond als in naïeve ernst, en alle vreugd verlegd in stralend kijken. Zo maakte ze het hem niet makkelijk. En op een ochtend ging ze nog wat verder. Ze ging naast hem voor de spiegel staan… Hij keerde zich toen af, verschrikt, en deed alsof hij, hoewel nog niet klaar met zijn gebit, iets zoeken ging. Maar zij keerde zich daarop ook om, leunend tegen de wastafel, en met dezelfde lach vol uitdaging en praal. “Wat zoek je, lieverd?” vroeg ze. Zo gebeurde er veel heimelijks tussen die twee.’

 

Blaman

Anna Blaman (31 januari 1905 – 13 juli 1960)
Portret door Helena de Boer

 

De Nederlandse dichter en schrijver Alfred Kossmann werd geboren op 31 januari 1922 in Leiden. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007 en ook mijn blog van 31 januari 2008 en ook mijn blog van 31 januari 2009.

 

Uit: Negen Blasphemieën

 

1

Over twee weken ga ik met mijn vrouw

Naar Napels varen.

O God, dat is de tijd voor openbaren,

Open uw hemel, toon u naakt,

Bewijs dat gij dit alles hebt gemaakt

En laat ons weten wat wij zijn vergeten.

Ik geef u tijd. Twee weken

Zijn wij met enige ootmoedigheid

(Zij ’t niet als loon voor smeken of verlangen)

Geestlijk bereid

Om u met feestlijk eerbetoon te ontvangen.

 

2

Simultaanspeler van ons lot,

Het is ons goed dat gij altijd met wit

Ons spel begint,

Dat gij

Blinkende engelen opstelt in de rij

Van uw pionnen,

Ons afleidt met uw rinkelende zonnen

En al uw tover aanwendt dat gij wint,

Maar niet, valsspeler God,

Dat gij met voze rust aanschouwt hoe wij

In ’t spel waarmee gij ons een leven lang

Misdeelde

De zet beramen die uw boze dwang

Ons inpraat dat wij kozen,

Opdat perslot wij in een zoete weelde

Wenend de koning nederleggen

En zeggen:

Wij willen boeten dat wij met u speelden.

 

alfred-kossman

Alfred Kossmann (31 januari 1922 – 27 juni 1998)
Getekend door Siegfried Woldhek, 1981

 

De Nederlands dichter en neerlandicus Anton Korteweg werd geboren in Zevenbergen op 31 januari 1944. Zie ook mijn blog van 31 januari 2009.

 

Prettig vooruitzicht

 

In het oksel van twee spoordijkjes,

tussen verwaaide dahlia’s en

stinkende afrikaantjes,

 

op bonte klompen naast

een zelfgemaakte molen

waarvan, het kan niet op,

de wieken lustig draaien –

 

een knuistje in de hand.

 

 

 

Laatste stukje

 

Ben je er bijna,

wil je nog harder,

wil je nog mooier,

wil je geen adem meer,

wil je er zijn.

 

Doodgaan doe je om

aan te komen

waar je niet, nooit meer

hoeft te gaan leven.

 

korteweg

Anton Korteweg (Zevenbergen, 31 januari 1944)

 

De Franse schrijfster Benoîte Groult werd geboren op 31 januari 1920 in Parijs. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007 en ook mijn blog van 31 januari 2008 en ook mijn blog van 31 januari 2009.

Uit: Mon évasion

Pas de théoriciens du moindre effort, pas de camouflage des matières scolaires sous des appellations ludiques et frauduleuses laissant croire aux élèves et aux parents que l’on peut s’instruire en faisant l’économie du travail. Pas d’activités d’éveil, impliquant que les autres activités seraient soporifiques ! Pas de psychologues scolaires enfin pour interdire toute punition, toute note trop basse qui pourrait traumatiser le nul, ou pour expliquer, donc justifier, l’insolence vis-à-vis du prof, voire la violence ou le passage à tabac avec la complicité d’un parent, conduites qui ne représentent plus tout bêtement l’arrogance et le refus de toute discipline mais un signe d’angoisse des jeunes, un appel au secours qu’il convient non de sanctionner mais de soigner, en remettant en question les enseignants, l’enseignement et la société tout entière. Nous, d’avant-guerre, étions des enfants, « infans », étymologiquement ceux qui ne parlent pas, qui ne donnent pas leur avis et nos parents à nous étaient « les parents », une espèce qui n’avait pas à être jugée ni remise en question.
La plupart des écrivains aujourd’hui, hommes ou femmes, en reviennent sans cesse à leur enfance comme à une caverne d’Ali Baba, qui peut se révéler, selon les cas, pleine de trésors ou d’horreurs, d’attendrissements ou de rancunes inexpiables. En tout cas ils prétendent y trouver les raisons de leur réussite et surtout de leurs échecs, analysant interminablement les phrases de papa ou de maman, instruisant sans cesse le procès de leurs géniteurs, de leur laxisme ou de leur autoritarisme, s’interrogeant même sur la façon dont ils ont fait l’amour le jour où ils ont conçu leur enfant, et dénonçant avec la même amertume le désintérêt parental pour la passionnante promesse qu’ils constituaient ou bien leur intolérable exigence de résultats pour leur enfant.
Personnellement, sauf talent exceptionnel du scripteur, les enfances m’ennuient et les actes d’accusation dressés contre les parents, qu’ils soient biologiques ou adoptifs, présents ou enfuis, aimants ou indifférents, commencent à m’écœurer. Je me suis avisée que ce qui est si reposant chez les Anciens, comme chez les Classiques ou les Romantiques, c’est qu’ils nous ont fait grâce de leur enfance. Corneille fut-il un enfant battu ? Est-ce que Platon se masturbait à dix ans ? Musset a-t-il beaucoup pleuré parce que sa mère ne venait pas l’embrasser le soir dans son lit ?“

GroultM

Benoîte Groult (Parijs, 31 januari 1920)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e januari ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

 

Stefan Beuse, Marie Luise Kaschnitz, Kenzaburo Oe, Kurt Marti, John ‘O Hara

De Duitse schrijver Stefan Beuse werd geboren op 31 januari 1967 in Münster. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007 en ook mijn blog van 31 januari 2008 en ook mijn blog van 31 januari 2009.

 

Uit: 99 Cent für ein Hallelujah (column)

 

Ich bin nicht immer freier Autor gewesen. Ich war mal in der Werbung, wo ich über 10 Jahre lang so viel Geld verdient habe, dass mir der Kundenbetreuer einen Dispokredit aufgedrängt hat, für den ich bequem eine Doppelhaushälfte hätte kaufen können.

Das war in den Achtzigern. Die Jahre, die Peter Licht meint, wenn er den Kapitalismus einen „alten Schlawiner“ nennt. Man hat genommen, was man kriegen konnte. Ich auch.

Aber irgendwann bin ich aufgewacht und habe gemerkt: Hey! Geld ist nicht alles! Und glücklich macht es dich auch nicht! Was glücklich macht, ist dies: Sei, wer du bist, immer. Mach, was du tun solltest.

Was ich nicht tun sollte, war Werbung. Also habe ich damit aufgehört. Ich tauschte, was mir viel Geld für wenig Arbeit einbrachte, gegen etwas, das mich zwang, jeden Tag mein Herz rauszureißen – zu einem Stundenlohn, für den man maximal eine Kugel Eis bekommt.

So wurde ich zu einem glücklichen Menschen. Und verlor meinen Dispokreditrahmen.

Soweit zur Vorgeschichte. Die Hauptgeschichte spielt an Heiligabend. Sie geht so:

Die Schwägerin war zu Gast. Mit ihren Kindern; nennen wir sie Jonas und Franzi.

Franzi hatte ihre Querflöte dabei, sie spielte Weihnachtslieder. Vermutlich berauscht von dem halb höflichen, halb erleichterten Applaus am Ende ihrer Darbietung, hochgejazzt von den „Bravo“-Rufen der eigenen Mutter, entschied sie sich zu einer Zugabe. Weil sie aber kein Lied mehr auf der Querflöte konnte, fing sie an zu singen.

Nach dem zweiten Lied wurde der Applaus dünner. Nach dem fünften Lied hatte sie alle Weihnachtslieder, die sie kannte, durch. Aber satt war sie noch lange nicht.

Ihr fiel ein, dass ihr Chor gerade Hallelujah sang, Leonard Cohens ewig jungen Klassiker. Bitte nicht, dachte ich: In der fünften Klasse hat sich die englische Sprache noch nicht ausreichend gefestigt, und eine Quatschenglischversion mit viel textsubstituierendem Mmmmmmm kann einem das schönste Lied vergällen.

Natürlich wurden meine Gebete nicht erhört. Nach den ersten Tönen lud ich das Original aus dem Internet. Heimlich. Für 99 Cent. Franzi sollte lernen, dass am Anfang früher Meisterschaft demütige Rezeption steht.“

 

StefanBeuse

Stefan Beuse (Münster,  31 januari 1967)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Marie Luise Kaschnitz werd geboren op 31 januari 1901 in Karlsruhe. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007 en ook mijn blog van 31 januari 2008 en ook mijn blog van 31 januari 2009.

Ein Gedicht

Ein Gedicht, aus Worten gemacht.
Wo kommen die Worte her?
Aus den Fugen wie Asseln,
Aus dem Maistrauch wie Blüten,
Aus dem Feuer wie Pfiffe,
Was mir zufällt, nehm ich,

Es zu kämmen gegen den Strich,
Es zu paaren widernatürlich,
Es nackt zu scheren,
In Lauge zu waschen
Mein Wort

Meine Taube, mein Fremdling
Von den Lippen zerrissen,
Vom Atem gestoßen,
In den Flugsand geschrieben

Mit seinesgleichen
Mit seinesungleichen

Zeile für Zeile,
Meine eigene Wüste
Zeile für Zeile
Mein Paradies.

 

Juni

Schön wie niemals sah ich jüngst die Erde.
Einer Insel gleich trieb sie im Winde.
Prangend trug sie durch den reinen Himmel
ihrer Jugend wunderbaren Glanz.

Funkelnd lagen ihre blauen Seen,
ihre Ströme zwischen Wiesenufern.
Rauschen ging durch ihre lichten Wälder,
große Vögel folgten ihrem Flug.

Voll von jungen Tieren war die Erde.
Fohlen jagten auf den grellen Weiden,
Vögel reckten schreiend sich im Neste,
Gurrend regte sich in Schilf die Brut.

Bei den roten Häusern im Holunder
trieben Kinder lärmend ihre Kreisel;
singend flochten sie auf gelben Wiesen
Ketten sich aus Halm und Löwenzahn.

Unaufhörlich neigten sich die grünen
jungen Felder in des Windes Atem,
drehten sich der Mühlen schwere Flügel,
neigten sich die Segel auf dem Haff.

Unaufhörlich trieb die junge Erde
durch das siebenfache Licht des Himmels;
flüchtig nur wie einer Wolke Schatten
lag auf ihrem Angesicht die Nacht.

Kaschnitz

Marie Luise Kaschnitz (31 januari 1901 – 10 oktober 1974)

 

 

De Japanse schrijver Kenzaburo Oe werd op 31 januari 1935 geboren in het dorp Oso op h
et eiland Shikoku. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007 en ook
mijn blog van 31 januari 2008 en ook mijn blog van 31 januari 2009.

 

Uit: Silent Cry (Vertaald door John Bester)

 

“Why don’t you try some water instead?” I urged her. “There’s a spring here that the valley folk say gives the best water in the whole forest. That’s if it hasn’t dried up.”

It hadn’t dried up. At the foot of the slope on the forest side of the road, an unexpected outflow of water formed a pool about as big as the circle of a man’s arms. The water–too copious, almost, to have sprung from such small beginnings–made a channel that ran down to the valley. Beside the pool stood a number of outdoor hearths, some new, some old, the clay and stones charred black and hideous inside. In my childhood, my friends and I had built just such a hearth by the spring, and cooked rice and made soup there. In a twice-yearly ritual, each of us chose the group he would camp out with, thereby determining the division of forces among the children of the valley. The outing lasted only two days each spring and autumn, but the influence of the groups thus formed by the children remained valid throughout the year. Nothing was so humiliating as to be expelled from the group one had joined.

As I bent down over the spring to drink from it directly, I had a sudden sense of certainty: certainty that everything–the small round pebbles, grayish blue and vermilion and white, lying at the bottom of water whose brightness seemed still to harbor the midday light; the fine sand that swirled upward, clouding it ever so slightly; and the faint shiver that ran over the surface of the water–was just as I’d seen it twenty years before; a certainty, born of longing yet to myself, at least, utterly convincing, that the water now welling up so ceaselessly was exactly the same water that had welled up and flowed away in those days. And the same certainty developed directly into a feeling that the “I” bending down there now was not the child who had once bent his bare knees there, that there was no continuity, no consistency between the two “I’s,” that the “I” now bending down there was a remote stranger. The present “I” had lost all true identity. Nothing, either within me or without, offered any hope of recovery.“

 

Oe_kenzaburo

Kenzaburo Oe (Oso, 31 januari 1935)

 

De Zwitserse dichter en schrijver Kurt Marti werd geboren op 31 januari 1921 in Bern. Hij studeerde twee jaar rechten voordat hij besloot om over te stappen op theologie aan de universwiteiten van Bern en Basel. In 1950 werd hij predikant in Niederlenz, in 1961 in Bern. Sinds 1983 is hij zelfstandig schrijver.

Eine Leichenrede

als sie mit zwanzig
ein kind erwartete
wurde ihr heirat
befohlen

als sie geheiratet hatte
wurde ihr verzicht
auf alle studienpläne
befohlen

als sie mit dreißig
noch unternehmungslust zeigte
wurde ihr dienst im hause
befohlen

als sie mit vierzig
noch einmal zu leben versuchte
wurde ihr anstand und tugend
befohlen

als sie mit fünfzig
verbraucht und enttäuscht war
zog ihr mann
zu einer jüngeren frau

liebe gemeinde
wir befehlen zu viel
wir gehorchen zu viel
wir leben zu wenig  

marti

Kurt Marti (Bern, 31 januari 1921)

 

De Amerikaanse schrijver John ‘O Hara werd geboren op 31 januari 1905 in Pottsville, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007 en ook mijn blog van 31 januari 2009.

 

Uit: Appointment in Samarra

 

Constance Walker, the little fool, was not wearing her glasses again, as if everyone in the club didn’t know she couldn’t see across the table without them. She was known on the stag line as a girl who would give you a dance; she was at Smith, and was a good student. She had a lovely figure, especially her breasts, and she was a passionate little thing who wasn’t homely but was plain and, if she only knew it, didn’t look well without her glasses. She was so eager to please that when a young man would cut in on her, he got the full benefit of her breasts and the rest of her body. The young men were fond of saying, before leaving to cut in on Constance, “Guess I’ll go get a work-out.” The curious thing about her was that four of the young men had had work-outs with her off the dance floor, and as a result Constance was not a virgin; yet the young men felt so ashamed of themselves for yielding to a lure that they could not understand, in a girl who was accepted as not attractive, that they never exchanged information as to Constance Walker’s sex life, and she was reputed to be chaste.”

 

OHara

John ‘O Hara (31 januari 1905 – 11 april 1970)

Zane Gray, Anthony Winkler Prins, Maria Elisa Belpaire, Jean de Crèvecoeur

De Amerikaanse schrijver Zane Grey werd geboren op 31 januari 1872 in Zanesville, Ohio. Hij volgde een opleiding tot tandarts en werkte ook in dat beroep. Nadat hij tijdens reizen het Amerikaanse westen had leren kennen begon hij zich voor deze regio en de geschiedenis ervan te interesseren. In 1910 verscheen zijn roman Heritage of the Desert die meteen een bestseller werd. Daarna volgde het ene succes op het andere. Grey schreef meer dan negentig boeken, waarvan ruim 27 miljoen exemplaren verkocht werden.

 

Uit: Riders of the Purple Sage

 

„A sharp clip-clop of iron-shod hoofs deadened and died away, and clouds of yellow dust drifted from under the cottonwoods out over the sage.
Jane Withersteen gazed down the wide purple slope with dreamy and troubled eyes. A rider had just left her and it was his message that held her thoughtful and almost sad, awaiting the churchmen who were coming to resent and attack her right to befriend a Gentile.
She wondered if the unrest and strife that had lately come to the little village of Cottonwoods was to involve her. And then she sighed, remembering that her father had founded this remotest border settlement of southern Utah and that he had left it to her. She owned all the ground and many of the cottages. Withersteen House was hers, and the great ranch, with its thousands of cattle, and the swiftest horses of the sage. To her belonged Amber Spring, the water which gave verdure and beauty to the village and made living possible on that wild purple upland waste. She could not escape being involved by whatever befell Cottonwoods.
That year, 1871, had marked a change which had been gradually coming in the lives of the peace-loving Mormons of the border. Glaze-Stone Bridge-Sterling, villages to the north, had risen against the invasion of Gentile settlers and the forays of rustlers. There had been opposition to the one and fighting with the other. And now Cottonwoods had begun to wake and bestir itself and grow hard.
Jane prayed that the tranquillity and sweetness of her life would not be permanently disrupted. She meant to do so much more for her people than she had done. She wanted the sleepy quiet pastoral days to last always. Trouble between the Mormons and the Gentiles of the community would make her unhappy. She was Mormon-born, and she was a friend to poor and unfortunate Gentiles. She wished only to go on doing good and being happy. And she thought of what that great ranch meant to her. She loved it all-the grove of cottonwoods, the old stone house, the amber-tinted water, and the droves of shaggy, dusty horses and mustangs, the sleek, clean-limbed, blooded racers, and the browsing herds of cattle and the lean, sun-browned riders of the sage.“

 

Grey

Zane Gray (31 januari 1872 – 23 oktober 1939)
Hier als student in 1895

 

De Nederlandse schrijver, dichter en dominee Anthony Winkler Prins werd geboren te Voorst op 31 januari 1817. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007 en ook mijn blog van 31 januari 2009.

Het veenkoloniaal volkslied

Wild en woest en ledig
Was het ruwe veen,
Slechts de heide vlocht er
Kransen overheen.
Boog zich over d’oevers
Van de bruine plas
En verborg de diepte
Van het zwart moeras.

Zie, daar nad’ren mannen
Met een ijz’ren wil.
Aan de zoom dier poelen
Staan zij peinz
end stil.
Broeders op ten strijde,
Op, de band geslaakt,
Die de schatten kluistert
Door ’t moeras bewaakt.

Ja zij hebben moedig

D’ eed’le strijd volbracht
En een schat verworven
Voor het nageslacht.
Hunne namen blinken
Met ondoofb’re glans
En wij vlechten juichend
hun een heidekrans.

winkler_prins_veendam

Anthony Winkler Prins (31 januari 1817 – 4 januari 1908)
Standbeeld in Veendam

 

De Vlaamse dichteres en schrijfster Maria Elisa Belpaire werd geboren te Antwerpen op 31 januari 1853. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007 en ook mijn blog van 31 januari 2009.

 

Uit: Het landleven in de letterkunde

 

Conscience is de schrijver, de dichter van ’t volk, leeft en voelt met ’t Vlaamsche volk in ’t verleden en in ’t heden, zoekt het te veredelen, op te beuren, te begeesteren voor alle verhevene zaken – godsdienst, vaderlandsliefde, verkleefdheid aan den huiselijken haard. Gelijk alle Vlaamsche schrijvers, heeft hij bijna altijd een zedelijk doelwit in ’t oog.

Of Virginie Loveling eigenlijk een ideaal heeft, konden wij niet bepalen.

Waarin dan bestaat hare voortreffelijkheid, waarin haar meesterschap? – Dat zal blijken uit het verder vergelijken der door ons gekozen werken.

In den Loteling draagt de karakterteekening de gewone hoedanigheden van Conscience’s talent: zij is breed, eenvoudig; de schrijver werkt meer met algemeene trekken, dan met nauwkeurigheden. Jan is de gewone Kempische jongeling, braaf, godvruchtig, zuiver van zeden. Trien ook is het boerenmeisje, gelijk men er zoo vele treft, gezond van hart en van lichaam, blozend en sterk, gul van gemoed en krachtig van geest. Het is het algemeene type van den Vlaamschen buitenmensch, dat Conscience ons schetst.

Virginie Loveling treedt veel meer in bijzonderheden, ontwikkelt hare karakters, schept veel uitvoeriger typen. Daar wint zij het stellig over Conscience. Met vaste hand teekent zij hare personnaadjes; hare greep is krachtig, manhaftig; niets wordt in het nevelachtige gelaten; de omlijning is scherp, nauwkeurig, de zielontleding fijn en getrouw. Dit geldt vooral voor haar meesterwerk: Een dure Eed.“

 

Belpaire

Maria Elisa Belpaire (31 januari 1853 – 9 juni 1948)

 

De Amerikaanse schrijver (van Franse afkomst) Michel-Guillaume Jean de Crèvecoeur werd geboren op 31 januari 1735 in Caen. Michel-Guillaume Jean de Crèvecoeur toonde zich in zijn Letters of an American farmer (1782) een bewogen tegenstander van slavernij. Hij maakt niet zo zeer gebruik van redeneringen als wel van sfeertekeningen en anecdoten. Het werk, opgedragen aan abbé Raynal, verscheen in 1784 in een Nederlandse vertaling: Brieven van eenen Amerikaenschen landman van Carlisle in Pennsijlvaniën geschreven aen eenen zijner vrienden in Engeland. In de negende brief tekent hij het schril contrast tussen de vrolijke en rijke bewoners van de aangename stad Charles Town (d.i. Charleston in South Carolina) en de ellendige slavenbevolking in de omstreken van de stad. Het enig recht waarop slavernij en andere misstanden in de wereld berusten, noemt hij het recht van de sterkste.

 

Uit: Letters from an American Farmer

 

„Who would have thought that because I received you with hospitality and kindness, you should imagine me capable of writing with propriety and perspicuity? Your gratitude misleads your judgment. The knowledge which I acquired from your conversation has amply repaid me for your five weeks’ entertainment. I gave you nothing more than what common hospitality dictated; but could any other guest have instructed me as you did? You conducted me, on the map, from one European country to another; told me many extraordinary things of our famed mother-country, of which I knew very little; of its internal navigation, agriculture, arts, manufactures, and trade: you guided me through an extensive maze, and I abundantly profited by the journey; the contrast therefore proves the debt of gratitude to be on my side. The treatment you received at my house proceeded from the warmth of my heart, and from the corresponding sensibility of my wife; what you now desire must flow from a very limited power of mind: the task requires recollection, and a variety of talents which I do not possess. It is true I can describe our American modes of farming, our manners, and peculiar customs, with some degree of propriety, because I have ever attentively studied them; but my knowledge extends no farther. And is this local and unadorned information sufficient to answer all your expectations, and to satisfy your curiosity? I am surprised that in the course of your American travels you should not have found out persons more enlightened and better educated than I am; your predilection excites my wonder much more than my vanity; my share of the latter being confined merely to the neatness of my rural operations.“

 

crevecoeur

Jean de Crèvecœur ( 31 januari 1735 – 2 november 1813)

Tijs Goldschmidt, Bernard Dewulf, Shirley Hazzard, Adelbert von Chamisso, Les Barker, Michael Dorris, Barbara Wood

De Nederlandse schrijver Tijs Goldschmidt werd geboren op 30 januari 1953 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007 en ook mijn blog van 30 januari 2008 en ook mijn blog van 30 januari 2009.

Uit: Het feest als slagveld

“Uit het raam van mijn kamer heb ik zicht op het ouderlijk huis van Dick Hillenius (1927-1987). Het is het vierde huis voorbij de brug over de Amsterdamse Singel naar de Wijde Heisteeg aan de buitenzijde van de gracht. Binnen de grenzen van het gebied dat in zijn jeugd zijn territorium zal zijn geweest, bekeek ik zojuist op video Zintuigen zijn de voetjes van de ziel, de mooie film die zijn dochter Brigit Hillenius maakte over het verlies van haar vader en haar zoekend verdergaan daarna. Om te ontsnappen aan een al te geregeld bestaan, om te zien, te horen, te ruiken, te voelen en te proeven greep de sensuele Hillenius elke kans aan om te reizen naar, liefst mensloze, natuur. Zijn dochter reist in zijn voetsporen naar het regenwoud van Madagaskar waarover ze hem zo opgetogen had horen vertellen: het bos vol kameleons, kikkertjes en melancholiek roepende halfapen. Als ze aan de rand van het bos staat, merkt ze dat het haar weinig zegt. Zonder haar vader is het regenwoud ondoordringbaar. Ze beseft hoezeer ze hem mist. Ze besluit naar huis terug te keren en enkele familieleden en zielsverwanten te vragen naar hun band rnet Hillenius. Dat levert een rijk portret op. Vroman leest eigen gedichten en spreekt bevlogen over de kwetsbaarheid van Hillenius. Jaap Hillenius, de neo-illuministische schilder, vertelt over de totstandkoming van het meesterwerk  waaraan hij jaren werkte. Maar het sterfschilderijtje dat hij naar aanleiding van de dood van zijn broer maakte, vindt hij misschien nog wel mooier. Op een zachtaardige manier maakt hij duidelijk dat het niet altijd even gemakkelijk was de jongere broer te zijn van de wat expansieve, soms zelfs overheersende Dick. Uit de woorden van zijn vrouw, Florrie Hillenius-Gehrels, die hij tijdens zijn biologiestudie leerde kennen, blijkt hoezeer ze hem mist, terwijl zijn dood haar in sommige opzichten ook wat meer lucht heeft gegeven.”

Tijs_Goldschmidt

Tijs Goldschmidt (Amsterdam, 30 januari 1953)

 

 

De Vlaamse dichter, schrijver en journalist Bernard Dewulf werd op 30 januari 1960 in Brussel geboren. Hij debuteerde met de bundel Waar de egel gaat (1995) waarvoor hij in 1996 de Debuutprijs ontving. Zijn tweede bundel heette Blauwziek (2006). Daarnaast publiceerde hij twee boeken met essays over kunst: Bijlichtingen (2001) en Naderingen (2007). Ook vertaalde hij het klassieke toneelstuk Alcestis, in de bewerking van Ted Hughes.

Notitie

 

In alle vroegte doodstil opgestaan
om nog eens het eerste licht te zien.
Wassen, oude kleren aan. Koffie
en dan leven voor het open raam.

De meeuwen draaien om wat brood.
De kinderen slapen nog aan later jaren.
De duif zit dagelijks in de dakgoot.
De wolken kijken werkelijk te varen.

Terwijl ik het zit op te schrijven,
geen andere vraag zie dan het kijken,
komt er traag beweging in het huis.
Nooit wil het bij kijken blijven.

 

 

Spiegelkast

 

Vreemd, dat zij nu slapen moet. Er is nog
meer te doen. Net zou zij aan de strijk, het is
pas noen. En moeder zit nooit stil, meneer.

Iets in haar hoofd speelt met de tijd,
iemand die haar leven niet meer leidt.

Toch gaan gordijnen dicht. En groet zij kort
de glazen buurvouw, die zich ’s avonds
sluit. Morgen mag zij de kast weer uit.

 

Dewulf

Bernard Dewulf (Brussel, 30 januari 1960)

 

De Australische schrijfster Shirley Hazzard werd geboren op 30 januari 1931 in Sydney. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007 en ook mijn blog van 30 januari 2008 en ook mijn blog van 30 januari 2009.

 

Uit: The Ancient Shore

 

„Of the millions who visit Italy each year, some thousands will return there “to live”—to spend a season or a year or two. Of these, a few will remain all their lives. If they are painters, writers, or musicians, they will carry on their trade in an ambiance that still esteems the individual effort of art. If they are scholars, they must take their chances in the gladiatorial arena of Italian erudition. Others may develop a career or, more usually, eke out a living with expatriate odd jobs. And there are some who can afford idleness in that peninsula where the cult of leisure flourishes still and where variety and pleasure can fill up many, though not all, days. No longer visitors, never to be natives, these people have arrived without the grim compulsions of migrants or refugees, and they move for the most part easily through the Italian dance, with excursions to their homeland. For a measure of affluence takes, these days, the edge off finality’s blade, and mobility suggests—delusively—that every journey is potentially a round trip.

Those of us who, when young, chose “to live” in the Italy of the postwar decades felt we were doing just that: living more completely among the scenes and sentiments of a humanism the New World could not provide. The Italian admixture of immediacy and continuity, of the long perspective and the intensely personal, was then reasserting itself after years of eclipse. It was a time not of affluence but of renewal, and Italy again offered to travelers her antique genius for human relations—a tact, an expansiveness never quite without form. One was drawn, too, by beauty that owed as much to centuried endurance as to the luminosity of art and which seemed, then, to create an equilibrium as lasting as nature’s. Like the historian Jakob Burckhardt, we felt all this was ours “by right of admiration.”

 

Shirley_hazzard

Shirley Hazzard (Sydney, 30 januari 1931)

 

De Duitse dichter en schrijver Adelbert von Chamisso werd op het slot Boncourt in de Champagne geboren op 30 januari 1781. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007 en ook mijn blog van 30 januari 2008 en ook mijn blog van 30 januari 2009.

 

Nacht und Winter

 

Von des Nordes kaltem Wehen

Wird der Schnee dahergetrieben,

Der die dunkle Erde decket;

 

Dunkle Wolken zieh’n am Himmel,

Und es flimmern keine Sterne,

Nur der Schnee im Dunkel schimmert.

 

Herb’ und kalt der Wind sich reget,

Schaurig stöhnt er in die Stille;

Tief hat sich die Nacht gesenket.

 

Wie sie ruh’n auf dem Gefilde,

Ruh’n mir in der tiefsten Seele

Dunkle Nacht und herber Winter.

 

Herb’ und kalt der Wind sich reget,

Dunkle Wolken zieh’n am Himmel,

Tief hat sich die Nacht gesenket.

 

Nicht der Freude Kränze zieren

Mir das Haupt im jungen Lenze,

Und erheitern meine Stirne:

 

Denn am Morgen meines Lebens,

Liebend und begehrend Liebe,

Wandl’ ich einsam in der Fremde.

 

Wo das Sehnen meiner Liebe,

Wo das heiße muß, verschmähet,

Tief im Herzen sich verschließen.

 

Herb’ und kalt der Wind sich reget.

Dunkle Wolken zieh’n am Himmel,

Und es flimmern keine Sterne.

 

Wie sie ruh’n auf dem Gefilde,

Ruh’n mir in der tiefsten Seele

Dunkle Nacht und herber Winter.

Leise hallen aus der Ferne

Töne, die den Tag verkünden. –

Wird der Tag denn sich erhellen?

 

Freudebringend dem Gefilde

Wird er strahlen, Nacht entschweben,

Herber Winter auch entfliehen,

 

Und des Jahres Kreis sich wenden,

Und der junge Lenz in Liebe

Nahen der verjüngten Erde.

 

Mir nur, mir nur ew’ger Winter,

Ew’ge Nacht, und Schmerz und Thränen,

Kein Tag, keines Sternes Flimmer!

 

Chamisso_Adelbert

Adelbert von Chamisso (30 januari 1781 – 21 augustus 1838)

 

De Engelse dichter Les Barker werd op 30 januari 1947 geboren in Manchester. Hij volgde een opleiding tot accountant voordat zijn schrijverstalent werd ontdekt. Barker is vooral bekend om zijn komische teksten en nonsensgedichten. Hij trad eerst alleen op, maar later met de The Mrs Ackroyd Band. Gespeeld werd o.a. in Hongkong, Australië, Nieuw Zeeland, de VS en Canada. Er zijn meer dan 75 titels van Barker verschenen.

 

The Road To Tomorrow

Tune: Boithrin bui (the yellow road)   

 

The road to tomorrow’s a hard road to take;

It may lead us through sorrow for foolishness’ sake;

And it twists and it turns, at first left and then right,

And there’s many are lost in the darkness of night.

 

They stray from the path on the way through the trees,

For they think they may wander wherever they please,

But the road to temptation’s down there in the wood

And it won’t always lead you the way that it should.

 

The road out of evening that leads to the dawn

Can bless you with burdens that need to be borne;

For at sunset, the emptiest head may depart

And arrive the next morning the heaviest heart.

 

For which road’s the right one? The wise cannot say,

Though both foolish and wise walk the distance each day;

For there’s signposts to read, sage advice you may take

And there’s fools you may heed and wrong turnings to make.

 

The road to tomorrow is one I know well

For I’ve walked it to heaven and walked it to hell;

I’ve walked it both happy and sad as can be

And I wonder if you’d care to walk it with me;

 

The road through the night to the morning is wide

So two may walk down it to dawn, side by side;

So come with me now down that road, hand in hand;

Let’s be lovers forever in morning’s bright land;

We’ll be lovers forever in morning’s bright land.

 

les-barker

Les Barker (Manchester, 30 januari 1947)

 

De Amerikaanse schrijver Michael Anthony Dorris werd geboren op 30 januari 1945 in Louisville, Kentucky. Hij behaalde een BA aan de Georgetown University in 1967 en een M.Phil. van Yale University in 1970. In 1971 werd hij de eerste ongetrouwde Amerikaan die een kind adopteerde. De drie jaar oude Lakota jongen Reynold Abel leed aan een alcohol syndroom, omdat zijn moeder tijdens de zwangerschap had gedronken. Morris schreef er zijn beroemdste boeken over The Broken Cord (1989). Voor het boek kreeg hij de National Book Critics Circle Award for General Nonfiction. In 1987 verscheen zijn roman A Yellow Raft in Blue Water (1987). In 1991 werd Reynold Abel gedood bij een autoongeluk. Dorris pleegde in 1997 zelfmoord.

 

Uit: Cloud Chamber

 

„When I was still Rose Mannion and had the full use of myself, I was a force to behold. My hair’s fine blackness was my signature, the legacy of a shipwrecked Spaniard off the Armada who washed onto Connemara and arrived, bedraggled and desperate, at the cottage door of some love-starved great-grandmother. In every generation that followed, it is said, there is but one like me. My mother used to call my mane a rain of Moorish silk as she brushed two hundred strokes before prayers. Never cut since birth, each wisp that pulled free she collected and worked into a dark snake she scored inside a wooden box. Now, ever since that terrible night, its lengthening coil I wind within a salver of Galway crystal, my constant souvenir of destruction. In the milky glow of lamplight it shifts and expands through the engraved cuts like a Hydra with many faces, each one of them Gerry Lynch.

What was there, back then, not to love about Gerry Lynch? It’s true, I was a girl in the habit of measuring each person new to me by a tabulation of their natural imperfections: this one had too short an upper lip, that one unfortunate hair. This one was marred by the heaviness of the upper arm, that one by the gap of a missing tooth — the easier to place them the next time we met. But Gerry Lynch broke the mold.

You even had to adore his flaws. Too quick with the compliments, and those, too expansive to be absorbed without a shading of doubt. A tendency to sometimes withdraw into the depths of himself while feigning to listen politely. A furtiveness, hesitancy, better describes it, and at the late-night meetings, when his turn to speak arrived, he once or twice in his enthusiasm seemed just that much off — brasher than need be, almost as if he took personally the injury that united us all in our resolve to remedy. An occasional bout of silliness, a touch boyish in a grown man.

But if these trifles be the beads on his Sorrowful Mysteries, think only of the Joyful, the Glorious! His devotion to the Cause. His bow-head humility at the Communion rail. His gait, so bouncing with natural exuberancy that who could fail to follow where he led? His clean town-smell, warm days and chill. The tenor voice that pulled the heart tight as the cross-stitch of a doubled thread. And for the Hail Holy Queen: that song he made up, that darling brave ballad that bore my name. He sang it to all who’d listen, his eyes twinkling merry except when he’d glance into the crowd my way, and then, so serious that everyone but us two faded into nothing. I could not meet his eyes, and still draw breath.“

 

MichaelDorris

Michael Dorris (30 januari 1945 – 10 april 1997)

 

De Engels-Amerikaanse schrijfster Barbara Wood werd geboren op 30 januari 1947 in Warrington. Zie ook mijn blog van 30 januari 2008 en ook mijn blog van 30 januari 2009.

 

Uit: Daughter of the Sun

 

„The runner sprinted down the paved road, his heart pounding with fear.  Although his feet were bleeding, he dared not stop.  He looked back.  His eyes widened in terror.  He stumbled, fought for balance, and pushed on.  He had to warn the clan.
A Dark Lord was coming.
Ahoté could not help his forbidden thoughts.  There sat beautiful Hoshi’tiwa, just a hundred paces from where he stood at the Memory Wall,  radiant in the sunshine as she spun cotton ribbons for her bridal costume.  She looked so happy in front of her small adobe house, shaded by cottonwood trees, with the fresh stream trickling nearby.  All she had been able to talk about was the coming wedding day.  But all Ahoté could think about was the wedding night.
His father pinched him.
Under the elder’s tutelage, eighteen-year-old Ahoté was reciting the clan history, using the pictographs painted on the wall as a guide.  Each symbol represented a major event in the past.   And as there were too many events recorded on the Memory Wall – symbolized by spirals, animals, people, lightning strikes – for the clan to remember, it was the job of one man, He Who Links People.
This was the sacred calling to which young Ahoté was apprenticed and upon which he must concentrate.  But his mind was wandering.
His father scowled.  Takei did not understand the boy’s lovesick state.  When Takei had wed, years ago, a girl chosen by his parents, he had done his duty, begetting her with many children.  He had never wasted his time in moony-eyed daydreaming and sexual fantasies.  Sex was for creating children, not for idle amusement.  If Takei had ever taken pleasure in the intimate act, he could not recall it.“

 

barbara_wood

Barbara Wood (Warrington, 30 januari 1947)

 

Voor nog meer schrijvers van de 30e januari zie ook mijn vorige blog  van vandaag.

 

Richard Brautigan, Hans Erich Nossack, Anton Hansen Tammsaare, Walter Savage Landor, Franz von Sonnenfeld

De Amerikaanse dichter en schrijver Richard Brautigan werd geboren op 30 januari 1935 in Tacoma, Washinton. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007 en  ook mijn blog van 30 januari 2009.

 

My Nose Is Growing Old 

 

Yup.

A long lazy September look

in the mirror

say it’s true.

 

I’m 31

and my nose is growing

old.

 

It starts about 1/2

an inch

below the bridge

and strolls geriatrically

down

for another inch or so:

stopping.

 

Fortunately, the rest

of the nose is comparatively

young.

 

I wonder if girls

will want me with an

old nose.

 

I can hear them now

the heartless bitches!

 

“He’s cute

but his nose

is old.”

 

 

 

30 Cents, Two Transfers, Love 

 

Thinking hard about you

I got on the bus

and paid 30 cents car fare

and asked the driver for two transfers

before discovering

that I was

alone.

 

brautigan_ferlingetti

Richard Brautigan (30 januari 1935 – september 1984)
Hier (l) met de dichter Lawrence Ferlingetti (r)

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Erich Nossack werd op 30 januari 1901 geboren in Hamburg. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007 en ook ook mijn blog van 30 januari 2009.

Ist das der Mensch?

Ich weiß, daß man mich eines Tages braucht.
Soll ich dann sagen, wenn sie suchend kommen -:
“Was war es noch, was uns die Flut genommen?”
Auch ich bin in Vergessenheit getaucht?

Schlimm ist die Welt versandet und verschlammt.
Seht auf den Straßen die Gesichter doch;
die alten süßen Formen sind es noch,
nur alles ausgelöscht, was sie entflammt.

Man geht umher wie auf dem Meeresgrunde
von Flut betäubt, bleibt stehen um zu lauschen:
Ist das das Leben? Wirklich? Ach, wir Armen!

Und dämmert weiter. Niemand weiß die Kunde.
Was war es noch? Man hört die Not nur rauschen.
Ist das der Mensch? Haben wir doch Erbarmen.

 

Der Abfall

Sie saßen bei Tisch. Da ging ich heimlich fort.
Nur meinen Namen ließ ich ihnen dort.
Der saß auf meinem gewohnten Platz und sollte
antworten; jedem, was er hören wollte.
Denn das genügte wohl, und es wäre
nie aufgekommen, wenn er nicht vergaß
zu lachen. Als sie wieder lachten, fraß
ihr Lachen dort sich, wo er nicht mehr saß,
ins Leere.

Was sie mit meinem Namen machten,
als sie es merkten, und was sonst geschah?
Sie saßen bei Tisch und sitzen jetzt noch da.
Vielleicht daß sie nur etwas lauter lachten.
Wie ich sie kenne, dachte keiner durch die Lücke
seiner Unsterblichkeit hinter mir her
ins Namenlose. – Weitab ihrem Glücke
steh ich und
höre sie nicht mehr

Nossack_2
Hans Erich Nossack (30 januari 1901 – 2 november 1977)

 

 

De Estlandse schrijver Anton Hansen Tammsaare werd geboren op 30 januari 1878 in Albu. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007 en ook ook mijn blog van 30 januari 2009.

 

Uit: Truth and Justice (Vertaald door Alan Trei and Inna Feldbach)

 

“Don’t give me anything, master,” said Jaagup, “or else you might start thinking about lowering my pay because you get the idea that I can’t work well on an empty stomach.”

But Jaagup worked himself to exhaustion, and on that score Andres had nothing to grumble about. And on Saturday night and Sunday he was just as indefatigable, going to village dances and parties. It was easy to see why, since he was the best concertina player in the area and so was always invited and welcomed. Nights he rambled about in the villages and knew where all the maids and farmer’s daughters were sleeping, and with whom. But he himself had no time for those secret games and whispers. Not because no one wanted him — even farmer’s daughters wouldn’t have refused him — but because Jaagup was a dreamer who yearned for something unexplained and distant.

Often he stopped for a moment, by the gate or in the middle of the high field, and gazed at the lonely farms scattered about in the bogs, the sails of windmills showing here and there, the faraway bright white buildings of the manor, the marshes, bogs and copses which in the distance blended together and became the blue rim of the sky.

But each time, his eyes halted on two high wooded areas sheltering some gray buildings. At this distance, it was impossible to say what they were.

In fact there was a village there, with a farm called Põlluotsa where there was a daughter named Roosi. Jaagup thought she was the most beautiful girl he had ever seen. Two years ago he had worked on the farm and since then hadn’t been able to forget Roosi. It was because of her he had bought the concertina and learned to play it. He wanted to be something special in her eyes.

When people were dancing they felt that Jaagup was playing for them. But he wasn’t. Jaagup thought only of Roosi and was playing for her. Even at Robber’s Rise, on the garden steps, by the gate, along the field edges, or sitting on a stone, his mind was filled with Roosi.

For a while Leena thought he was playing for her. But finally one day she learned the truth, because Jaagup himself told her, when his heart was so filled with love that he couldn’t contain it any more. Mari, the mistress, learned about Jaagup’s great happiness in the same way. The boy would have told Andres about it too, if he had shown any interest in such things.”

 

Statue_of_Anton_Hansen_Tammsaare,_Tallinn
Anton Hansen Tammsaare (30 januari 1878 – 1 maart 1940)
Standbeeld in Tallin

 

 

De Engelse dichter en schrijver Walter Savage Landor werd geboren op 30 januari 1775 in Ipsley Court, Warwickshire. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007

 

In spring and summer winds may blow 

 

In spring and summer winds may blow,

And rains fall after, hard and fast;

The tender leaves, if beaten low,

Shine but the more for shower and blast

 

But when their fated hour arrives,

When reapers long have left the field,

When maidens rifle turn’d-up hives,

And their last juice fresh apples yield,

 

A leaf perhaps may still remain

Upon some solitary tree,

Spite of the wind and of the rain . . .

A thing you heed not if you see.

 

At last it falls. Who cares? Not one:

And yet no power on earth can ever

Replace the fallen leaf upon

Its spray, so easy to dissever.

 

If such be love, I dare not say.

Friendship is such, too well I know:

I have enjoyed my summer day;

‘Tis past; my leaf now lies below. 

 

460px-Walter_Savage_Landor_by_William_Fisher

Walter Savage Landor (30 januari 1775 – 17 september 1864)
Portret door William Fisher

 

De Zwitserse schrijver Franz von Sonnenfeld (eig. Johann Girr) werd op 30 januari 1821 in Witterswil geboren. Hij bezocht de kantonschool in Solothurn en studeerde filosofie in Duitsland om tenslotyte in Jena te promoveren. Von Sonnenfeld wasd politiek aktief en had daardoor moeilijkheden ergens een aanstelling te vinden. In zijn literaire werk schilderde hij de wereldlijke en kerkelijke gebruiken uit zijn geboortestreek, het Schwarzbubenland. Politiek gezien vertegenwoordigde hij een verlicht liberalisme. Dat belette hem echter niet om over de gebruiken die hij als verouderd bestreed juist uitvoerig, beeldend en met warmte te schrijven.

 

Uit: Pater Severin

 

„Die älteren Leute aus der Umgebung van Basel, mögen sie im Laufenthal oder Frickthal, im Schwarzbubenland oder im Oberamt Säckingen, im Psirdteramt oder in der Gegend von Landser wohnen, erinnern sich gewiß noch mit Freude des Paters Severin, dieses lustigen, witzigen Kapuziners, der, wo er hinkam, irgend ein heiteres, lachendes Andenken hinterlassen hat. Wir brauchen das Kloster nicht zu nennen, wo die rosenfarbige Laune des braunkuttigen Mannes jahrelang geblüht — die geneigten Leser kennen es schon!

Die Iugend des Pater Severin siel in jene Zeit, wo die Nachklänge der konfessionellen Unionsbestrebungen den Katholizismus viel milder gestimmt hatten, als wir ihn heutzutage antreffen. Namentlich fand man damals in hen Klöstern nicht selten Männer, die mit dem weltlichen Kleid keineswegs eine heitere Weltund Lebensanschauung abgelegt hatten und in Sachen der Kirche und Theologie zuweilen Fünfe grad sein ließen. Auch in dem Kloster, in welches unser Pater nach seinem Noviziat zuerst verfetzt wurde, herrschte dieser weltmännisch heitere Geist, der hier noch besonders durch den guten Wein, welcher in der Umgegend des Klosters und dem benachbarten Elsaß wächst und den Herren Patres im Herbst immer massenweise zugefahren wird, fortwährend grün erhalten wurde. Nach der gewöhnlich mehr fetten als appetitliche,i Mahlzeit sah man in ihren Händen eher die Spielkarten als das Brevier oder tummelten sie sich lieber auf dem schattigen Kegelplah ihres hochummauerten Gartens als in dem Chor der dunkeln Kirche. An zeitweiligen größeren Mahlzeiten, zu denen jeweilen Bekannte der Umgegend oder — nicht ohne schalkhafte Absicht — reiche Partikulare geladen wurden, von denen man wußte, daß es in Bezug auf Qualität und Quantität des Weins in ihrem Keller gut bestellt war, fehlte es nicht, und die Gäste wetteiferten dann stets in Herbeischaffung eines Stoffes, der fowohl durch feine Güte, als die Unuersiegbarkeit des Vorrathes geeignet sein sollte, nach links und rechts einen gehörigen „Hieb” auszutheilen. Wer bei solchen Anlässen in das Refektorinm unferes Kapuzinerklosters trat, bemerkte zwar um die Häupter au dem hufeisenförmigen Tisch keinen Heiligenschein, aber wenn die Sonne noch hoch am Himmel stand, strahlte ihr Antlitz schon in der purpurrothen Glorie des Vollmonds und hatte sich in die Falten der unbändigsten Heiterkeit gelegt.“

 

Sonnenfeld

Franz von Sonnenfeld (30 januari 1821 – 5 maart 1888)

Anton Tsjechov, Hans Plomp, Willem Hussem, Lennaert Nijgh, Romain Rolland

De Russische schrijver Anton Tsjechov werd geboren op 29 januari 1860 in Taganrog, een havenstad in Zuid-Rusland. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008 en ook mijn blog van 29 januari 2009.

 

Uit: Liebesgeschichten (Ein Unglück, Vertaald door Vera Bischitzky, Kay Borowsk e.a.)

 

„Sofja Petrowna, die Frau des Notars Lubjanzew, eine hübsche junge Dame von etwa fünfundzwanzig Jahren, ging mit ihrem Sommerhausnachbarn, dem vereidigten Rechtsanwalt Iljin, langsam den Waldweg entlang. Es war fünf Uhr abends. Über dem Waldweg ballten sich weiße Flaumwolken; hier und da linsten Fetzen hellblauen Himmels darunter hervor. Die Wolken standen unbeweglich, als klammerten sie sich an die Wipfel der hohen alten Kiefern. Es war still und schwül.

Den Weg kreuzte in der Ferne ein niedriger Eisenbahndamm, über den aus unerfindlichen Gründen gerade ein Posten mit Gewehr schritt. Gleich hinter dem Damm schimmerte weiß eine große sechskuppelige Kirche mit verrostetem Dach…

»Ich hatte nicht erwartet, Ihnen hier zu begegnen«, sagte Sofja Petrowna, blickte zur Erde und berührte mit ihrer Schirmspitze das Laub vom Vorjahr, »bin aber froh, daß ich Sie getroffen habe. Ich muß ernsthaft und endgültig mit Ihnen reden. Ich bitte Sie, Iwan Michailowitsch, wenn Sie mich wirklich lieben und ehren, dann hören Sie auf, mich zu verfolgen.

Sie folgen mir wie ein Schatten, sehen mich ewig mit unguten Blicken an, erklären mir Ihre Liebe, schreiben seltsame Briefe und … und ich weiß nicht, wann das je aufhören soll! Wozu das alles bloß, mein Gott?« Iljin schwieg. Sofja Petrowna ging ein paar Schritte weiter und fuhr fort: »Und diese krasse Veränderung in Ihnen ist vor etwa drei bis vier Wochen eingetreten, nachdem wir seit fünf Jahren miteinander bekannt sind. Ich erkenne Sie nicht wieder, Iwan Michailowitsch!«

Sofja Petrowna warf von der Seite einen Blick auf ihren Begleiter. Er schaute angespannt, blinzelnd, auf die Flaumwolken. Sein Gesicht drückte Groll, Eigensinn und Geistesabwesenheit aus, wie bei einem Menschen, der leidet und sich dabei noch Unsinn anhören muß.

»Es ist schon erstaunlich, daß Sie das nicht selbst begreifen können!« fuhr die Lubjanzewa achselzuckend fort. »So verstehen Sie doch, daß Sie kein ganz anständiges Spiel spielen. Ich bin verheiratet, liebe und ehre meinen Mann … habe eine Tochter… Gilt Ihnen denn das alles gar nichts? Außerdem wissen Sie als alter Bekannter doch genau, wie ich über die Familie denke… über die Grundlagen der Familie überhaupt …«

Iljin räusperte sich ärgerlich und seufzte.“

 

Tsjechov

AntonTsjechov (29 januari 1860 – 15 juli 1904)
Portret door Osip Braz

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Hans Plomp werd op 29 januari 1944 in Amsterdam geboren. Zie ook mijn blog van 29 januari 2009.

 

Psychonaut

voor Gust Gils

 

Voor de geboorte en na de dood

ging je en zag

wat een mens niet zien mag

van priesters en geleerden

die de poorten van het paradijs bewaken

en kruisigen of gek verklaren

degenen die door de angstmuren en wetten braken:

de eters van door valse god verboden bomen,

de dromers van lucide dromen.

 

Je keek door t sleutelgat en zag

een andere dimensie,

ontdekte achter muur en hek

een paradijs dat klaar ligt

voor de wijze gek

die tegen het bevel

van bijbel en geleerde

op eigen wijze zich naar binnen keert

en ziet dat daar de sleutel ligt

en uit een heilig soort nieuwsgierigheid

de poorten opent naar de eeuwigheid.

 

Plomp

Hans Plomp (Amsterdam, 29 januari 1944)

 

De Nederlandse schilder en dichter Willem Hussem werd geboren in Rotterdam op 29 januari 1900. Zie ook mijn blog van 29 januari 2009.

voorzichtig

voorzichtig
heb ik de gevangen vogel

uit de strik verlost

ik laat hem vliegen
hij geeft mij vleugels

 

 

avond zet

avond zet
de polder blank
huizen komen
te drijven
rijen bomen
zweven naar
de einde
het land lost op
in nevelen

Hussem

Willem Hussem (29 januari 1900 – 21 juli 1974)

 

De Nederlandse tekstdichter, columnist en schrijver  Lennaert Nijgh werd geboren in Haarlem op 29 januari 1945. Zie ook mijn blog van 29 januari 2008 en ook mijn blog van 29 januari 2009.

Verdronken vlinder

 

Zo te sterven op het water met je vleugels van papier
Zo maar drijven na ’t vliegen in de wolken drijf je hier
Met je kleuren die vervagen zonder zoeken, zonder vragen
Eindelijk voor altijd rusten met de bloemen die je kuste
Geuren die je hebt geweten
Alles kan je nu vergeten
Op het water wieg je heen en weer

Zo te sterven op het water met je vleugels van papier
Als een vlinder die toch vliegen kan tot in de blauwe lucht
Als een vlinder altijd vrij en voor het leven op de vlucht
Wil ik sterven op het water maar dat is een zorg van later
Ik wil nu als vlinder vliegen op de bloemenblaadren wiegen

Maar zo hoog kan ik niet komen
Dus ik vlieg maar in mijn dromen
Altijd ben ik voor het leven op de vlucht
Als een vlinder die toch vliegen kan tot in de blauwe lucht
Om te leven, dacht ik, je zou een vlinder moeten zijn
Om te vliegen heel ver weg van alle leed en alle pijn

Maar ik heb niet langer hinder
van jaloers zijn op een vlinder
Als zelfs vlinders moeten sterven
Laat ik niet mijn vreugd bederven
Ik kan zonder vliegen leven
Wat zal ik nog langer geven
Om een vlinder die verdronken is in mij

Om te leven hoef ik echt geen vlinder meer te zijn

 

Nijgh

Lennaert Nijgh (29 januari 1945 – 28 november 2002)

 

De Franse schrijver Romain Rolland werd geboren op 29 januari 1866 in Clamecy. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008 en ook mijn blog van 29 januari 2009.

 

Uit: Romain Rolland. Journal des années de guerre (1914-1919)

 

NOTEBOOK I (July 31-October 6, 1914)

Vevey, Hotel Mooser.

July 31, 1914, 3.30 p.m. A telegram from the Federal Council posted up at Vevey Station announces “general -mobilization in Russia and state of war proclaimed in Germany.”

Today is one of the finest days of the year. The evening is wonderful. The mountains float in a light, luminous, bluish haze; the moonlight spreads a stream of molten red gold over the lake from the Savoy shore between Bouvert and Saint Gingolph, to Vevey. The air is delightful, the night is bathed in the scent of wistaria and the stars are shining with a pure radiance. It is in this divine peace and this tender beauty that the peoples of Europe are beginning the great slaughter.2

In his notes on October 1, Romain Rolland quotes a passage from his letter to Louis Gillet3 in answer to his letter which was imbued with hatred for the Germans.

“… For two months I have been In the mo-tionless centre of a raging whirlwind. Everything reaches us here from all points of Europe, all the furies and all the fevers—- Oh, you have no idea of the state of the German people! If you knew it the situation would seem to you much more tragic. They know nothing of France, but you know nothing of Germany either…. A France of 1792 is faced by a Germany of 1813 which thinks it is fighting for the liberty of the world just as we think we are…. As for the vandalism of her armies, she knows nothing of them; she knows only of the dum-dum bullets and the Belgian atrocities (the atrocities of the Belgians!). It is impossible to pierce the wall of false news reports. ‘Rheims, Louvain … calumnies of the Allied press!…’ You would never be able to convince my old Schulz!4 Poor old chap, when he gets to know! No, my friend, do not let yourself be infected by the contagion of vengeance and hatred. Try and lock up in a cage, if you can, the General Staff, the Junkers and the princes. Delivered from those beasts of prey, Germany will recover her health….”

 

 RomainRoland

Romain Rolland (29 januari 1866 – 30 december 1944)
Hier met Ghandi in 1931

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e januari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

Olga Tokarczuk, Germaine Greer, Mirjam Müntefering, Serap Çileli, Gert Hofmann

De Poolse schrijfster Olga Tokarczuk is in Sulechów, dichtbij Zielona Góra, geboren op 29 januari 1962. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008 en ook mijn blog van 29 januari 2009.

 

Uit: Primeval and Other Times (Vertaald door Antonia Lloyd-Jones)

 

Primeval is the place at the centre of the universe.

To walk at a brisk pace across Primeval from north to south would take an hour, and the same from east to west. And if someone wanted to go right round Primeval, at a slow pace, taking a careful, considered look at everything, it would take him a whole day, from morning to evening.

To the north the border of Primeval is the road from Taszów to Kielce, busy and dangerous, because it arouses the anxiety of travel. The Archangel Raphael protects this border.

To the south the town of Jeszkotle marks the border, with its church, old people’s home and low-rise tenements surrounding a muddy marketplace. The town presents a threat because it arouses the desire to possess and be possessed. The Archangel Gabriel guards Primeval on the town side.

From south to north, from Jeszkotle to the Kielce road runs the Highway, with Primeval lying on either side of it.

On the western border of Primeval there are wet riverside meadows, a bit of forest, and a manor house. Next to the manor house there’s a stud farm, where a single horse costs as much as the whole of Primeval. The horses belong to the Squire, and the meadows to the parish priest. The danger on the western border is of sinking into conceit. The Archangel Michael guards this border.

To the east the border of Primeval is the White River, which separates its territory from Taszów’s. Then the White River turns towards a mill, while the border runs on alone, through common land, between alder bushes. The danger on this side is foolishness, arising from a desire to be too clever. Here the Archangel Uriel guards the border.

At the centre of Primeval God has raised a large hill, onto which each summer the maybugs swarm down, so people have named it Maybug Hill. For it is God’s business to create, and people’s business to name.

From the north-west the Black River runs south, joining the White River below the mill. The Black River is deep and dark. It flows through the forest, and the forest reflects its shaggy face in it. Dry leaves sail along the Black River, and careless insects fight for life in its eddies. The Black River tangles with tree roots and washes away at the forest. Sometimes whirlpools form on its dark surface, for the river can be angry and unbridled. Every year in late spring it spills onto the priest’s meadows and basks there in the sunshine, letting the frogs multiply by the thousand. The priest battles with it all summer, and every year it benignly lets itself be sent back to its course towards the end of July.“

 

Olga_Tokarczuk

Olga Tokarczuk (Sulechów, 29 januari 1962)

 

De Australische literatuurwetenschapper en publiciste Germaine Greer werd geboren in Melbourne op 29 januari 1939. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008 en ook mijn blog van 29 januari 2009.

 

Uit: Shakespeare’s Wife

 

„The brass plate set in the stone over her grave next to William’s in the chancel of Holy Trinity Church Stratford tells us that Ann Shakespeare ‘departed this life on the sixth day of August 1623 being of the age of 67 years’. We have no evidence to corroborate this information. If the funeral plate is correct she was born in 1556, eight years before her husband. Engravers do make mistakes; the figures 1 and 7 are easily confounded in the calligraphy of 1623, but as all Ann’s family was baptised at Holy Trinity, where the registers began to be kept in obedience to the royal edict of 1558, we must conclude that she was born before the register began to be kept, and not afterwards. So 1556 it is.

Our best evidence that Agnes Hathaway alias Gardner of Shottery is the woman who married Will Shakespeare in 1582 is the will made in 1601 by her father’s shepherd Thomas Whittington. Whittington is identified in Richard Hathaway’s will: ‘I owe unto Thomas Whittington my shepherd four pounds six shillings eight pence.’ Twenty years on, when he made his will in 1601, Whittington identified Ann as Shakespeare’s wife:

 

Item I give and bequeath unto the poor people of Stratford forty shillings that is in the hand of Ann  Shakespeare wife unto Mr William Shakespeare and is due debt unto me being paid to mine executor by the said William Shakespeare or his assigns according to the true meaning of this my will.

 

The Hathaway family house is supposed to be the one that is now known as Ann Hathaway’s Cottage, though indeed it was never hers. This twelve-roomed farmhouse, known to the Hathaway family, if not to the bardolatrous public, as Hewlands Farm, is built on stone foundations, of timber-framed wattle-and-daub.“

 

germaine_greer

Germaine Greer (Melbourne, 29 januari 1939)

 

De Duitse schrijfster Mirjam Müntefering werd geboren op 29 januari 1969 in Neheim. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008 en ook mijn blog van 29 januari 2009.

 

Uit: Verzauberte Nächte

 

„Die Musik ist mies. Neuerscheinungen, ja, von vor 4 Jahren. Warum ich auch ohne meine Freundinnen hierher komme, ist mir nicht klar. Wie gut, daß ich die ein oder andere Bekannte treffe. Gähn, gähn, was erzählen die? Immer das gleiche. Bedeutungsloses Geschwafel. Warum bin ich nur hergekommen?

Am Rande der Tanzfläche stehen. Hundert Gesichter. Vertraut aus vielen Nächten. Nasen, Münder, Augen. Puzzlestücke, die zusammenzusetzen ich heute keine Lust habe. Langeweile kriecht über meine Füße und schlingt sich an meinen Beinen herauf wie Efeu. Hat diese Nacht denn kein Satingewand, das ich sonst so oft spüre?

Dieser Raum ist häßlich, häßlich. Stahlträger. Nackte Wände.

Doch plötzlich wird in der Nähe der Tür ein Licht angeknipst. Da bist du ja endlich. Fast hätte ich dich nicht mehr erwartet. Dein Gesicht, das ich nicht zusammensetzen muß, das immer ganz ist.

Das Gefühl dauert länger als der Augenblick.

Blick. Augen. Ein helles Erkennen in deinen. Du leuchtest mich an. Dieser kurze Moment des Zögerns, des leichten Nickens. Ein weißglühender Ball, quer durch den Raum. Treffer. Wie jedes Mal.

„Bist du betrunken?“ fragt mich eine, die mich am schnellsten zum Gähnen bringt.

Erstaunlich. Ohne ein einziges Glas Bier angerührt zu haben, fühle ich wie du den Boden schwanken machst.

Das Gefühl dauert länger als unser Augenblick.

Das Efeu um meine Beine welkt dahin.

Dieser Raum. Mit einem Male ist er nicht mehr so grau, nicht mehr so unerträglich wie vor wenigen Minuten noch. Vielleicht liegt da sogar eine verborgene Schönheit. Ein verwunschener Festsaal womöglich. Mit unsichtbarem Glanz, der nur hindurchschimmert, wo du stehst und mit den Füßen wippst.

„Was für ein scheußliches Licht machen die heute!“ ruft eine. Rot. Blau. Grün. Ganz seekrank sehen alle aus. Alle? Wie machst du das? Samtene Schatten auf deinem Gesicht. Am Rande der Tanzfläche stehen. Gefesselt durch unsere Gläser, schaukeln wir unsere Zigaretten. Und so übel sind die alten Songs gar nicht. Am besten die, deren Texte du kennst und singst und sprichst und neu erfindest.“

 

MiriamMuentefering_01

Mirjam Müntefering (Neheim, 29 januari 1969)

 

De Turks-Duitse dichteres en schrijfster Serap Çileli werd geboren op 29 januari 1966 in Mersin. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008 en ook mijn blog van 29 januari 2009.

 

Uit: Eure Ehre – unser Leid

 

1993 begann mein Zweites Leben. Die Flucht und das Frauenhaus lagen hinter mir. Ali Riza, die Liebe meines Lebens, und ich hatten geheiratet, und ich trug sein Kind unter meinem Herzen. Meine beiden großen Kinder, Hayati Lind Selda, waren bei mir, und wir hatten eine Bleibe gefunden. Die Wohnung war zwar klein und bescheiden, aber wir waren zusammen. Das war die Hauptsache.
Dann wurde meine jüngste Tochter Alisya geboren, und mein Glück hätte perfekt sein müssen. Aber das war es nicht. Denn immer wieder fiel ich in ein Loch, und die Geister der Vergangenheit kamen zurück. Das erlebte Leid waberte unter der Oberfläche. Die traumatischen Erlebnisse meiner Vergangenheit, die Zwangsehe, die Versklavung und Entmündigung durch meine Eltern, die Flucht und schließlich die schmerzliche Trennung von meiner Familie holten mich immer wieder ein. Manchmal habe ich stundenlang nur vor mich hingestarrt, dann wieder Stunde um Stunde geweint. Ich weiß nicht, was ohne Ali passiert wäre. Immer hat er mir zugehört, immer war er für mich da. Wieder und wieder ging er die schmerzlichen Erinnerungen mit mir durch, nahm mich in den Arm und tröstete mich. Wie selbstverständlich übernahm er die Aufgaben in Haus und Familie, kümmerte sich rührend um seine kleine Tochter und bemutterte meine beiden großen Kinder, als seien es seine eigenen. Ohne ihn wäre ich verloren gewesen.
Dann kam die Wende. Eines Tages brachte er mir eine alte Schreibmaschine vom Flohmarkt mit. Er stellte sie vor mir auf den Tisch und sagte: »Schreib es auf, schreib alles auf!« Aber das war nicht so einfach, denn ich spürte eine Hemmschwelle – wie sollte ich meine persönliche und intime Geschichte der Öffentlichkeit preisgeben? Gleichzeitig sagte mir eine innere Stimme, dass es gut tun würde, sich alles von der Seele zu schreiben. So begann ich – zunächst planlos – die Seiten zu füllen. Immer wieder ging ich zurück in die Vergangenheit, erlebte das Unfassbare erneut. Während ich schrieb, wurde mir die emotionale Abhängigkeit von meiner Fanlilie bewusst, wurde mir klar, wie sehr sie mich geprägt hatte. Ich musste mich von ihr trennen.“

 

Serap_Çileli

Serap Çileli (Mersin, 29 januari 1966)

 

De Duitse schrijver Gert Hofmann werd geboren op 29 januari 1931 in Limbach in Sachsen. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008 en ook mijn blog van 29 januari 2009.

 

Uit: Nach dem Begräbnis

 

Seine Zimmer gehen auf die Mülltonnen im Hof und haben weder Licht noch Luft, während unsere Zimmer auf die Straße gehen und den ganzen Tag schön hell sind. Allerdings liegt uns gegenüber das städtische Gefängnis, so daß unsere Zimmer auf die lange und eintönige Gefängnisfassade mit den vergitterten Fenstern gehen, hinter denen schon früh die Lichter ausgelöscht werden. Was in den Zellen geschieht, wissen wir nicht, wir stellen es uns aber manchmal vor. Kurz: Unsere Zimmer sind hoch und hell, wenn auch nicht modern, so daß meine arme Frau jeden Freitag die Dielen scheuern muß. Der Opernsänger ist während unserer Abwesenheit in die anderen, natürlich viel kleineren Zimmer gezogen, doch hat er, wie wir sehen, alle Spuren seines Einzugs beseitigt, alles ist noch schön ordentlich. Er scheint ein stiller Mensch zu sein, wir können ihn nicht hören, auch als wir beim Betreten des Korridors laut: Guten Abend, Herr Popper! sagen. Diese Stille ist wichtig, weil ich in meiner Wohnung viel Ruhe haben muß. Zum Komponieren, meine ich, zum Hineinhorchen in mich selber.
Am anderen Morgen – wir haben bei dem Gedanken, daß nun ein anderer in Kaspars Zimmer ist, eine unruhige Nacht verbracht – hören wir, wir haben uns in dem Sänger getäuscht, er ist gar nicht so still. Zwar geht er abends früh ins Bett, ist dafür aber auch früh munter. (Während wir nie vor Mitternacht ins Bett kommen und lange schlafen möchten.) Und geht, na
chdem er seine Toilette im Korridor benutzt und kräftig gezogen hat, in seinem Wohnzimmer auf und ab, um, denke ich, bei offenem Fenster seine Atemübungen zu machen. Da schläft meine junge Frau, der man selbst im Schlaf die Trauer um Kaspar ansieht, noch, doch da fängt er zu singen an, meine Frau ist sofort wach. Was ist das, fragt sie und schrickt zusammen. Das ist er, sage ich und setze mich auf. Aber er ist ja tot, sagt meine Frau, die noch halb schläft und meint, daß, weil das Geräusch aus Kaspars Zimmer kommt, es sein Geräusch sein müßte. Nicht Kaspar, sage ich, mit dem kann man, wie es in einem ausländischen Sprichwort heißt, keinen Zaun mehr stützen. Er sang ja auch nicht viel. Es ist der andere, der Opernsänger, der nun in seinem Zimmer wohnt und nun das Fenster wieder geschlossen hat und an Kaspars Klavier sitzt und sich selbst begleitet. Aber meine Frau versteht das nicht, sie ist noch halb im Schlaf. Sie glaubt, Kaspar ist wieder da und hat sich an sein Klavier gesetzt und singt zu uns herüber.“

 

Hoffmann

Gert Hofmann (29 januari 1931 – 1 juli 1993)