Weer een dag (Robert Anker)

Alle bezoekers en mede-bloggers een aangename jaarwisseling en een gelukkig Nieuwjaar!

 

 

avercamp

Winterlandschap, Hendrick Avercamp, ca 1606

 

Weer een dag

De schemer komt de kamer in verkleurt
De kleuren tot ze grijzer blauw en uitgebloeid
En alles losgeraakt de tafel en de stoelen

Buiten wordt een gat en zwarten in het zwart de bomen
Schiet een vogel langs wij raken aan de rand
Van de wereld gelukkig vind ik zo je hand

Is dit dagelijkse vrede of ontreddering
Dit in de schemering verdwijnen van de dingen
Waarin de dagelijkse dag zich aan ons bindt

Wij doen de deur op slot sluiten de gordijnen
Wij doen de lichten aan tegen het verstrijken
Van onszelf wij zeggen hou me vast hou me altijd bij je

Oudjaar alweer een jaar
Maar het hele jaar door sterft het jaar
In onze armen

 

 

Robert_Anker

Robert Anker (Oostwoud, 27 april 1946)
 

Zie voor de schrijvers van 31 december mijn twee andere blogs van vandaag.

Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Arjen Duinker, Kingbotho, Irina Korschunow, Nicholas Sparks, Stephan Krawczyk, Nicolas Born, Dieter Noll

De Duitse dichter schrijver Bastian Böttcher werd op 31 december 1974 in Bremen geboren. Zie ook mijn blog van 31 december 2006 en ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008.

 

Dran glauben

 

Häng deine Hoffnung

an ein Plastikschwein made in Taiwan

Häng deine Hoffnung

an ein Pflasterstein und andern Kleinkram

Zur Show gibt es Kitsch

Zum Popstar das Image

Zur Schönheit die Bräunung

Zum Glück gibt’s die Täuschung

Also:

Dran glauben!

Kram kaufen!

Augen schließen!

Den Schwindel genießen!

Häng deine Ziele an den Masterplan von Microsoft

Häng deine Ziel an die Straßenbahn zum Luxusloft

Zum Reichtum gibt’s Schätze

Zum Brechen Gesetze

Zur Unschuld die Leugnung

Zum Glück gibt’s die Täuschung

 

 

Babylon 2.8

 

Berlin, Paris, London, Ballermann, Balaton.

Wir leben in Babylon 2.8.

Reden wie im Mythos – verdreifacht geregeltes Mediengerede,

und speisen’s in Festplatten, Köpfe und Geräte.

So wie
in Babel in der Bibel lieben People die Piepen,

und die, die dienen, verdienen viel weniger, als sie verdienten.

Google mal Babylon! Babel mal Googylon,

Bubblegum, Goodie, Booty, Party on, Babylon!

Während wir Wörter wie Werte verwirren,

werden wagenweise Waren vertrieben. Und im Gehirn

platzen Dotcom-Hypotheken-Sprechblasen wie Pustefix.

Komplett Geplättete fragen mich, warum tuste nix.

Propaganda geht runter wie Öl und rauf wie Ölpreise,

nur wer sich selbst umschaut, wird auf seine Weise weise.

Google mal Babylon! Babel mal Googylon,

Bubblegum, Goodie, Booty, Party on, Babylon!

Bubble ma goodylon! Goody ma Babylon,

Berlin, Paris, London, Ballermann, Balaton.

BastianBoett01

Bastian Böttcher (Bremen, 31 december 1974)

 

De Nederlandse schrijver, dichter, publicist, rechtsgeleerde Jacob Israël de Haan werd geboren in Smilde op 31 december 1881. Zie ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008.

 

Antwerpsche libertijnen

 

1

Uw stad was machtig en uw vorstlijk volk van zinnen fel,

In koop- en kaapvaart kloek.

Hoe klaar beeldt gij hun werk en spel

In uw schoon boek.

 

Ik las, ik las verheugd en vond voor het hongrend hart schoon,

In vreugdenloozen tijd

Dus worde u, veel of weinig loon

Mijn lied gewijd.

 

2

Geen kapers kloeker en in geene stormen stouter schuimer

Dan een Antwerpsche maat

Zij meten zeeën, ruwer, ruimer

Dan één volk gaat.

 

Maar werven winsten ook méér dan één volk, het vol vertier

Dringt over brug, door poort

Langs weg en water, vaart en veer

Ter Scheldeboord.

 

Daar woelt de vlotte vreugd, vrij door de bonte havenbuurt

Tot in den laten nacht,

Want elk schip boordvol uitgestuurd

Keert schatbevracht.

 

En elke maat, die met zijn zeiler veilig binnenkomt

Brengt van zijn blijde jeugd

Schat, ongewogen, onbesomd

Aan lust en vreugd.

Want in geen stad bloeien zoo schoon de zinnelijke knapen,

Handen smal, rank van voet,

De mond voor lach en min geschapen,

Het hart in gloed.

 

O, jeugd, o jeugd, o schat, die zonder zorgen uitgegeven,

Herwint geen spaarzaamheid,

O, lieve lente van het leven,

Meer dan de oogsttijd.

 

Als drijvers jeugd en lust dringen wilden in ban en band,

Streed het volk nooit getemd,

En brak met wraakwoedende hand,

Wat zinnen klemt.

 

Gent, Brugge noch Brussel, waar het volk voor zijn zinnenvrijheid

Zóó juichend streed en viel

Zijn leus: ‘Niet min der zinnen blijheid

Dan ’t heil der ziel.’

 

dehaan_als_arabier

Jacob Israël de Haan (31 december 1881 – 30 juni 1924)
De Haan hier gekleed als Arabier

 

De Nederlandse dichter en schrijver Arjen Duinker werd geboren in Delft op 31 december 1956. Zie ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008.

De steen bloeit

De steen bloeit.
De steen die niet kan bloeien,
Wat bloeit die steen.

Zijn bloesems zijn veelkleurig.
Gekleurd als de wolken wanneer de maan hen beschijnt,
Gekleurd als jouw ogen, liefste,
En warm.
Gekleurd als vrolijke ideeën,
Veelkleurig als golven die tot aan de horizon golven.

Wat bloeit de steen,
Wat bloeit de steen die niet kan bloeien…

Hij geurt naar de wind die het gehuil uiteenslaat,
Hij geurt naar het vanzelfsprekende,
Naar bloed,
Gepofte kastanjes,
Drukte in de straten.
Hij geurt naar een vrijheid van zien en voelen
En betovert veelkleurige vlinders.

Zo bloeit de steen,
De steen die niet kan bloeien.
Ik kom terug,
Ik kom terug, liefste, met een van zijn bloesems.

 

Overzicht

Toen je ouder dan 50 was,
At je alleen nog kreeften en splinters.

Toen je ouder dan 40 was,
Keek je naar gozers met flitsende heupen.

Toen je ouder dan 30 was,
Bezocht je Romaanse kerkjes op dinsdag.

Toen je ouder dan 20 was,
Luisterde je steeds naar kale geluiden.

Toen je ouder dan 10 was,
Begon je al van de hel te dromen.

Toen je ouder dan 0 was,
Kocht je een ouderwetse vissersboot.

Toen je ouder dan -10 was,
Sneed je bij herhaling je polsen door.

Toen je ouder dan -20 was,
Hield je erg van oorlogsdocumentaires.

Toen je ouder dan -30 was,
Spiegelde je graag aan discuswerpers.

Toen je ouder dan -40 was,
Vond je een plek om krankzinnig te zwijgen.

 

arjenduinker

Arjen Duinker (Delft, 31 december 1956)

 

De Surinaamse dichter (Kingbotho), percussionist, beeldend kunstenaar, Surinamist, toneelschrijver, regisseur, acteur en maatschappelijk werker Noeki André Mosis werd geboren in het District Marowijne op 31 december 1954. Hij is een marron, behorend tot het Ndyuka-volk, en sinds 1990 woonachtig in Nederland. Van 1972 tot 1980 werkte Mosis voor de Surinaamse Dienst Bodemkartering (voor het in kaart brengen van het binnenland). Van 1980 tot 1990 was hij verbonden aan de afdeling Cultuurstudies van het Surinaamse Ministerie van Onderwijs en Cultuur. Mosis werkte van 1991 tot 1993 als magazijnmedewerker bij AT&T in Den Haag, en van 1996 tot 1999 als toezichthoudend medewerker bij Werkraat in dezelfde stad. Sinds 1990 is hij verbonden aan de Stichting Het Koorenhuis in Den Haag als medewerker communicatie en voorlichting, en docent Afro-Surinaamse en Afrikaanse percussie. Noeki André Mosis schreef poëzie onder de naam Kingbotho. Van zijn hand verscheen nooit een complete bundel, maar hij gebruikte zijn gedichten wel voor zijn voordrachten. Verspreid werden enkele gedichten in het Ndyuka gepubliceerd, zoals `Mi tyubua’ [Mijn woon¬plaats] in de Spiegel van de Surinaamse poëzie. Tussen 1990 en 1997 schreef en regisseerde Mosis diverse dansdrama’s: Bro [Adem/Geest], Fri Yeye [Vrije geest], Het kapsel en Voetspoor, die zich afspelen binnen verschillende contexten van de Surinaamse samenleving. Buba [Lippen] en Mooi benadrukken het integratieproces in multicultureel Nederland.  Zijn beeldend werk werd geëxposeerd in Suriname, Nederland en Frans-Guyana en bevindt zich ook in collecties elders in de wereld, o.m. in Washington D.C., New York en Hong Kong.

Mijn vaste woonplaats

Loop voorbij dat deel van mijn land,
waar eb en vloed in oneindige beweging
altijd zorgdragen voor het overbrengen van al
wat drijvend is, van de overstromingsvlakten naar de oceaan.

Voorbij dat deel van mijn land,
waar het maaiveld van de klei-afzettingen
onder de waterspiegel ligt.
Sta op een der schollen en rust.

Ga erdoorheen, de dagamabossen in het deklandschap,
waar de pegassen zich ophopen
in de geulen over uitgestrekte arealen.
Sta in het gebleekte broszand van de savana en tuur.

Loop verder, voorbij de plateau’s en de heuveltoppen
van de residuaire gronden, waar ferriet en kwartsgrind
het palet domineren tussen het verweerde graniet
in de dalen, op de hellingen.

De paadjes onder de bossen van de granietgronden
lemig en vruchtbaar,
leiden naar de dorpen
midden in de rivieren.

Daar woon ik.
Een dorp te midden der stroomversnellingen.
De hutten zijn beschilderd met kleuren die spreken:
Harmonische wereld.

Gasten die mijn voetsporen hebben betreden
om mij te bezoeken ontvang ik als mijn vrienden.

Zij die over mijn voetsporen heen willen vliegen
zal ik ontvangen als mijn aartsvijanden.

Ik ben waar ik thuis hoor.

 

andremosis

Kingbotho (District Marowijne, 31 december 1954)

 

De Duitse schrijfster Irina Korschunow werd geboren op 31 december 1925 in Stendal in Sachsen-Anhalt. Zie ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008.

 

Uit: Die Sache mit Christoph

 

„Heute haben wir Christoph begraben.

Nein, nicht wir.

Sie haben ihn begraben.

Ich war nicht dabei.

In die Kirche bin ich noch gegangen. Sie liegt oben auf einem Hügel, mitten zwischen den Gräbern,

eine kleine weiße Dorfkirche mit rundem Turm und einem Altarbild ganz in Rosa und Hellblau, von dem Christoph einmal gesagt hatte, dass es sicher ein Gemeinschaftswerk des Oberrieder Jungfrauenvereins sei.

Jetzt stand sein Sarg vor dem Bild. Die Beerdigung sollte um elf anfangen. Kurz vor elf, als ich kam, war die Kirche schon voll. Das halbe Dorf war da, und die Schule natürlich: unsere Klasse, die Parallelklassen, fast sämtliche Lehrer. Die meisten wohnen nicht in Oberried. Sie waren zusammen mit der Bahn herausgefahren, wie bei einem Schulausflug, und eine halbe Stunde zu früh eingetroffen. Ich bekam keinen Platz mehr und musste stehen. Ich stand an der Wand und sah sie

in den Bänken sitzen, einen neben dem andern, die Göbler, Mathe-Mayer, Bio-Mayer, Hansen, den

Musiklehrer. . . Nur der Hansen hatte Christoph gemocht, die anderen nicht, und ich konnte sie kaum aushalten mit ihren dunklen Kleidern und diesen passenden Gesichtern dazu. Der dicke Morgenfeld bekam es sogar fertig, unglücklich auszusehen. Vor ein paar Tagen hatte er noch zu Christoph gesagt: »Das Leben wird Ihnen schon genug blaue Flecken verpassen, Sie arroganter Kerl, und weiß Gott, die gönne ich Ihnen.«

Dass er es überhaupt gewagt hatte herzukommen, nach allem, was geschehen war. Er hätte in die Schule gehen sollen, er und die anderen, vor allem die Göbler, bei der wir im letzten Jahr Deutsch hatten und die wenigstens ehrlich genug war keine Trauermiene aufzusetzen. Niemand von denen hätte kommen dürfen, auch die Klasse nicht. »Die Meute« hatte Christoph sie genannt, obwohl sie ihn nicht gehetzt hatten, weil es nicht ging, weil sie sich nicht rantrauten. Nur
Ulrike hätte dabei sein dürfen, Ulrike und ich. Aber da saßen sie und glotzten auf den Sarg und ich biss mir die Lippen kaputt, weil ich es nicht aushalten konnte, dass sie ihn anstarrten, den braunen Sarg

mit Christoph darin, und sich vorstellten, wie er aussähe, vielleicht in einem weißen Hemd und die

Hände gefaltet. Ja, so war es, ich hielt es nicht aus.“

 

korschunowirina

Irina Korschunow (Stendal, 31 december 1925)

 

De Amerikaanse schrijver Nicholas Charles Sparks werd geboren in Omaha, Nebraska op 31 december 1965. Zie ook mijn blog van 31 december 2008.

 

Uit: The Wedding

 

It’s heartbreaking to think that your wife may not love you, and that night, after Jane had carried the perfume up to our bedroom, I sat on the couch for hours, wondering how this situation had come to pass. At first, I wanted to believe that Jane was simply reacting emotionally and that I was reading far more into the incident than it deserved.
Yet the more I thought about it, the more I sensed not only her displeasure in an absentminded spouse, but the traces of an older melancholy-as if my lapse were simply the final blow in a long, long series of careless missteps.
Had the marriage turned out to be a disappointment for Jane? Though I didn’t want to think so, her expression had answered otherwise, and I found myself wondering what that meant for us in the future. Was she questioning whether or not to stay with me? Was she pleased with her decision to have married me in the first place? These, I must add, were frightening questions to consider—with answers that were possibly even more frightening—for until that moment, I’d always assumed that Jane was as content with me as I’d always been with her.
What, I wondered, had led us to feel so differently about each other?
I suppose I must begin by saying that many people would consider our lives fairly ordinary. Like many men, I had the obligation to support the family financially, and my life was largely centered around my career. For the past thirty years, I’ve worked with the law firm of Ambry, Saxon and Tundle in New Bern, North Carolina, and my income-while not extravagant-was enough to place us firmly in the upper middle class. I enjoy golfing and gardening on the weekends, prefer classical music, and read the newspaper every morning. Though Jane was once an elementary school teacher, she spent the majority of our married life raising three children. She ran both the household and our social life, and her proudest possessions are the photo albums that she carefully assembled as a visual history of our lives. Our brick home is complete with a picket fence and automatic sprinklers, we own two cars, and we are members of both the Rotary Club and the Chamber of Commerce. In the course of our married life, we’ve saved for retirement, built a wooden swing set in the backyard that now sits unused, attended dozens of parent-teacher conferences, voted regularly, and contributed to the Episcopal church each and every Sunday. At fifty-six, I’m three years older than my wife.“

 

sparks

Nicholas Sparks (Omaha, 31 december 1965)

 

De Duitse schrijver en musicus Stephan Krawczyk werd geboren op 31 december 1955 in Weida in Thüringen. Hij studeerde muziek in Weimar. Vanaf 1984 was hij liederenmaker en protestzanger in Oost-Berlijn. In 1985 kreeg hij een „Berufsverbot“ en drie jaar later werd hij gearresteerd en uitgezet naar het westen. Hij publiceerde o.a. “Das irische Kind” (1996) en recent  “Feurio” alsook de cd “Die Queen ist in der Stadt”.

 

Uit: Steine hüten

 

„Manche sind schöner, wenn sie angezogen sind, bei Margaretha ist es anders, nicht umgekehrt, denn wer nackt schön ist, wäre bekleidet ja nur dann weniger schön, wenn es am Geschmack haperte.

Daran hapert es bei ihr nicht, man kann sogar sagen, ihr Geschmack weiß die Nacktheit zu berücksichtigen, sie trägt keinen Schmuck, ihr Hals, zum Beispiel, braucht weder Kette noch Klunkern, ihre Ohrläppchen bieten sich dem Betrachter nackt und auch seinen Lippen, wenn ihm Margaretha gnädig ist.

Ich empfinde dies als Vorteil an einer Begehrten, weil mir persönlich Metall nicht schmeckt. Wenn ich mich auf einen Abstand von etwa zehn Zentimetern an sie herangepirscht habe – sagen wir, ich sitze mit ihr in einem Strandkorb, warme Sommernacht, alles die Paarung Begünstigende wurde herbeirufen, ist gekommen und anwesend -, tauche ich in ihren Duft ein, und dies ist kein künstlicher Lockstoff, er ist von dem edlen Weibe höchstselbst hergestellt.

Dann fange ich an zu vergessen:

Eigentlich wollte ich mit ihr besprechen, daß es so mit uns nicht mehr weitergeht. Es geht von allein weiter. Sie wölbt ihre Stirn gen Himmel. Wann lag die Nacht heller im Vollmondlicht? Ich sehe sie so gern lächeln, wenn ich ihr Ohrläppchen küsse. Sie schließt die Augen und lächelt beseelt. “Mein Kätzchen”, flüstere ich und greife nach ihrer Hand. Die ist feucht geworden. Manchmal wischt sie die Hände vorher am Kleid ab. Aber das nützt meist nichts, bald ist sie wieder feucht. Jetzt ist es ihr egal. Unsere Finger spielen Betasten, Umschließen, Verschränken, während mein Mund immer noch an ihrem Ohrläppchen nuckelt – bis sie schnurrt.“

 

StephanKrawczyk

Stephan Krawczyk (Weida, 31 december 1955)

 

De Duitse dichter en schrijver Nicolas Born werd geboren op 31 december 1937 in Duisburg. Zie ook mijn blog van 31 december 2008.

 

Selbstbildnis

 

»Oft für kompakt gehalten

für eine runde Sache

die geläufig zu leben versteht –

doch einsam frühstücke ich

nach Träumen

in denen nichts geschieht.

Ich mein Ärgernis

mit Haarausfall und wunden Füßen

einssechsundachtzig und Beamtensohn

bin mir unabkömmlich

unveräußerlich kenne ich

meinen Wert eine Spur zu genau

und mach Liebe wie Gedichte nebenbei.

Mein Gesicht verkommen

vorteilhaft im Schummerlicht

und bei ernsten Gesprächen.

Ich Zigarettenraucher halb schon Asche

Kaffeetrinker mit den älteren Damen

die mir halfen

wegen meiner sympathischen Fresse und

die Rücksichtslosigkeit mit der

ich höflich bin.«

 

 

Miniatur


Käfersammlung, begrenzte Farben, blaue Kohle
meine Taschenuhr hab ich zum Reinigen gebracht
nun ist der Uhrmacher gestorben
Fahrräder surren an seinem Laden vorbei
meine Handschrift, liebesunfähig
unter dem Aschenbecher mit Kippen, Kronkorken
Kugelschreiber schwarz, Not am Mann
Kontoauszug als Lesezeichen im Nabokov (Ada)
das Gesicht unserer Erde: eine Riesenlibelle
vor dick aufgetragenem Abendrot
Großer Teddy auf dem Fenstersims im Hof

 

SchriftstellerNicolasBorn1972

Nicolas Born (31 december 1937 – 7 december 1979)

 

 

De Duitse schrijver Dieter Noll werd geboren op 31 december 1927 in Riesa. Zie ook mijn blog van 31 december 2008.

 

Uit: Die Abenteuer des Werner Holt

Dieter ist der Sohn einer halbjüdischen Mutter, die 1943 nach Theresienstadt eingeliefert wurde, und eines nichtjüdischen Apothekers. Ich bin Sprößling einer Frau, die in der Zeit der Weltwirtschaftskrise vom Protestantismus zu den “Zeugen Jehovas” konvertierte – welches Faktum ihr ab 1938 weit über ein halbes Jahrzehnt lebensbedrohlichen Aufenthalts im Frauenkonzentrationslager Ravensbrück einbrachte – und eines Ma
nnes, der als Stabsoffizier der Fliegertruppe und am Ende des Krieges als Kommandeur eines Luftwaffenfeldregiments Dienst tat.
Wir beiden Halbwüchsigen schlossen Freundschaft, wie das so unter 15- (ich) bis 16jährigen (Dieter) Jungen so üblich ist, ohne es zunächst zu bemerken. Ab der 5. oder 6. Klasse der “Oberschule für Jungen”, wie das Realgymnasium in der sächsischen Großstadt seinerzeit firmierte, schrieb ich vor Unterrichtsbeginn seine Mathe- und Physikarbeiten ab. Im Gegenzug warnte ich ihn vor Übergriffen der Mitschüler, die ihn mehr als einmal verprügeln wollten. Ohne jeden ersichtlichen Grund, nur so, möglicherweise, weil er ihnen irgendwie fremd anmutete. Mich erinnerte die aggressive Haltung seiner “Kameraden” an das Verhalten meiner früheren Berliner Volksschulklasse gegen einen Buben mit Familiennamen Mangold. Wir haben den armen Kerl mehrfach auf dem Schulweg verhauen, wohl weil wir wußten, daß er Jude war. Ich schäme mich noch heute dafür und hoffe von Herzen, daß das Knäblein den wenige Jahre später einsetzenden Holocaust überlebt hat.“

 

Noll

Dieter Noll (31 december 1927 – 6 februari 2008)
Noll (helemaal rechts) als hulpje van de luchtmacht, midden 1944.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e december ook mijn vorige blog van vandaag.

Dal Stivens, Horacio Quiroga, Gottfried August Bürger, Marie d’Agoult, Connie Willis, Giovanni Pascoli, August van Cauwelaert, Alexander Smith

De Australische schrijver Dal Stivens werd geboren op 31 december 1911 in Blayney, New South Wales. Van 1944 tot 1949 diende hij in het leger. Daarna werkte hij tot 1950 o.a op het persbureau van het Australia House in London. Hij werd oprichter-president van de Australian Society of Authors. In 1970 won hij de Miles Franklin Award voor de beste Australische roman met A Horse of Air.

 

Uit: A Horse of Air

 

I am the author and amateur naturalist mentioned in the first chapter of this rather unorthodox autobiography by Harold Craddock. I had known and respected Harold Craddock for some years – his contributions to Australian ornithology have been outstanding – but I was never a close friend. Accordingly, I was a little surprised when he asked me to act as his literary godfather, as it were, and handed me the manuscript which with only slight editing appears on the pages that follow. His original idea was that I should use his autobiography as part of the source material for an account of the expedition he led to central Australia in 1967. His manuscript, as he was at pains to point out, was a subjective account and was deficient in many details. “Moreover, it’s a bit wild in places – you’ll need to get people to corroborate some of the things I’ve written,” he said. This was my own first reaction, and I, accordingly, spent several months interviewing other people who had accompanied Harold Craddock and gathering the mass of material necessary for a straightforward account of the Craddock and Drake Expedition to find the rare night parrot. It was only when I had accumulated a mass of material that I realized that the finest memorial to my friend was to publish his autobiography much as he had written it, with only minor interpolations by others where accounts differed. Who was I, for instance, to judge whether Harold Craddock, or someone else, was being truthful? The truth about anything must be disputable. As he asks in the autobiography, which is the reality and which is the dream? Most of the people mentioned have consented to the references made to them even though they did not always agree that they acted as Harold Craddock said they did or from the motives he imputed to them. They have, in fact, behaved with extraordinary magnanimity. In a few places only they have interpolated mild demurrers. Occasionally it has been necessary to use invented names and alter details.“

 

Dal_Stivens_Web

Dal Stivens (31 december 1911 – 16 juni 1997)

 

De Uruguayaanse schrijver Horacio Quiroga werd geboren op 31 december 1878 in Salto. Hij had een wel zeer door tragedies beheerst leven. Zijn vader schoot zichzelf tijdens een uitstapje met het gezin per ongeluk dood, twee van zijn broers overleden op jonge leeftijd, zijn stiefvader pleegde in zijn aanwezigheid zelfmoord, zijn eerste vrouw nam een fatale dosis cyanide in en hijzelf schoot per abuis een vriend dood, toen hij diens pistool inspecteerde ter voorbereiding op een duel. Toch besloot Quiroga kort na dit laatste ongeluk het relatief veilige leven aan de Rio de la Plata in te ruilen voor een onzeker bestaan in het binnenland van Argentinië. Hij vestigde zich in de provincie Misiones, waar zijn inspanningen om een plantage van de grond te krijgen op een mislukking uitliepen.. Als literator trof hij het beter: het ruige leven in het oerwoud inspireerde hem tot het schrijven van een reeks verhalen, die een uitlaatklep vormden voor zijn obsessie met de dood.

Hoewel Quiroga ook romans en gedichten publiceerde, dankt hij zijn faam vooral aan de bijna tweehonderd verhalen die hij heeft geschreven.

 

Uit: The Feather Pillow

 

„Alicia’s entire honeymoon gave her hot and cold shivers. A blonde, angelic, and timid young girl, the childish fancies she had dreamed about being a bride had been chilled by her husband’s rough character. She loved him very much, nonetheless, although sometimes she gave a light shudder when, as they returned home through the streets together at night, she cast a furtive glance at the impressive stature of her Jordan, who had been silent for an hour. He, for his part, loved her profoundly but never let it be seen.

For three months–they had been married in April–they lived in a special kind of bliss.

Doubtless s
he would have wished less severity in the rigorous sky of love, more expansive and less cautious tenderness, but her husband’s impassive manner always restrained her.

The house in which they lived influenced her chills and shuddering to no small degree. The whiteness of the silent patio–friezes, columns, and marble statues–produced the wintry impression of an enchanted palace. Inside the glacial brilliance of stucco, the completely bare walls, affirmed the sensation of unpleasant coldness. As one crossed from one room to another, the echo of his steps reverberated throughout the house, as if long abandonment had sensitized its resonance.

Alicia passed the autumn in this strange love nest. She had determined, however, to cast a veil over her former dreams and live like a sleeping beauty in the hostile house, trying not to think about anything until her husband arrived each evening.

It is not strange that she grew thin. She had a light attack of influenza that dragged on insidiously for days and days: after that Alicia’s health never returned. Finally one afternoon she was able to go into the garden, supported on her husband’s arm. She looked around listlessly.“

 

quiroga

Horacio Quiroga (31 december 1878 – 19 februari 1939)

 

De Duitse dichter en schrijver Gottfried August Bürger werd geboren op 31`december 1747 in Molmerswende. Zie ook mijn blog van 31 december 2006  en ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008.

 

Der versetzte Himmel

 

Licht und Lust des Himmels zu erschauen,

Wo hinan des Frommen Wünsche schweben,

Muß dein Blick sich über dich erheben,

Wie des Betenden voll Gottvertrauen.

Unter dir ist Todesnacht und Grauen.

Würde dir ein Blick hinab gegeben,

So gewährtest du mit Angst und Beben

Das Gebiet der Höll und Satans Klauen.

 

Also spricht gemeiner Menschenglaube.

Aber wann aus meines Armes Wiege

Mollys Blick empor nach meinem schmachtet:

 

Weiß ich, daß im Auge meiner Taube

Aller Himmelsseligkeit Genüge

Unter mir der trunkne Blick betrachtet.

 

 

An das Herz

 

Lange schon in manchem Sturm’ und Drange

Wandeln meine Füße durch die Welt.

Bald den Lebensmüden beigesellt,

Ruh ich aus von meinem Pilgergange.

Leise sinkend faltet sich die Wange;

Jede meiner Blüten welkt und fällt.

Herz, ich muß dich fragen: Was erhält

Dich in Kraft und Fülle noch so lange?

 

Trotz der Zeit Despoten-Allgewalt,

Fährst du fort, wie in des Lenzes Tagen,

Liebend wie die Nachtigall zu schlagen.

 

Aber ach! Aurora hört es kalt,

Was ihr Tithons Lippen Holdes sagen. –

Herz, ich wollte, du auch würdest alt!

 

Buerger

Gottfried August Bürger (31 december 1747 – 8 juni 1794)
Portret door Anton Graff, 1792

 

De Franse schrijfster gravin Marie de Flavigny d’Agoult werd in 1805 geboren in Frankfurt Am Main. Zie ook mijn blog van 31 december 2008.

 

Uit: Dante et Goethe

 

„PREMIER DIALOGUE.

 

DIOTIME, ÉLIE.–Un peu plus tard, VIVIANE, MARCEL.

Ils marchaient sur la grève sans se parler. Ils s’étaient d’abord entretenus de leurs amis et d’eux-mêmes, de leurs opinions sur les choses du jour. Puis, insensiblement, le silence s’était fait. La

grandeur de ce lieu désert s’imposait à eux. La marée qui montait lentement, en battant de ses flots le cap Plouha, imprimait à leur esprit son rhythme solennel.–À quoi pensez-vous? dit enfin Élie.

DIOTIME.

La question est brusque. La réponse va vous surprendre… Je pense à Dante.

ÉLIE.

À Dante!… ici! au poëte florentin, sur les côtes de Bretagne! Voilà qui me surprend, en effet.

DIOTIME.

Ce site est véritablement dantesque. Regardez ces formidables entassements de rochers, précipités les uns sur les autres! Voyez ces blocs de granit aux flancs noirs, tout hérissés d’algues marines, que la vague, en se retirant, laisse couverts d’écume, et que d’ici l’on prendrait pour des monstres accroupis sur le sable! Écoutez les gémissements du flot qui s’engouffre dans ces antres béants! Ne se croirait-on pas aux abords d’un monde infernal? Tout à l’heure, à la lueur blafarde de votre triste soleil, il me semblait lire sur ce pan de roc taillé à pic l’inscription sinistre: _Per me si va_; et je voyais,

là-bas, dans cet enfoncement, l’ombre de Dante, qui s’avançait, pâle et muette, vers les régions obscures“.

 

Marie_d'Agoult_1843

Marie d’Agoult (31 december 1805 – 5 maart 1876)
Portret door Henri Lehmann, 1843

 

De Amerikaanse (sciencefiction) schrijfster Connie Willis werd geboren in Denver (Colorado) op 31 december 1945. Zie ook mijn blog van 31 december 2008.

Uit: Miracle and Other Christmas Stories

„We’ve had births at Christmas (natch!), deaths, partings, meetings, mayhem, attempted suicides, and sanity hearings. And Christmas in Hawaii, in China, in the past, the future, and outer space. We’ve heard from the littlest shepherd, the littlest wise man, the littlest angel, and the mouse who wasn’t stirring. There’s not a lot out there that hasn’t already been done.
In addition, the Christmas-story writer has to walk a narrow tightrope between sentiment and skepticism, and most writers end up falling off into either cynicism or mawkish sappiness.
And, yes, I am talking about Hans Christian Andersen. He invented the whole three-hanky sob story, whose plot Maxim Gorki, in a fit of pique, described as taking a poor girl or boy and letting them “freeze somewhere under a window, behind which there is usually a Christmas tree that throws its radiant splendor upon them.” Match girls, steadfast tin soldiers, even snowmen (melted, not frozen) all met with a fate they (and we) didn’t deserve, especially at Christmas.
Nobody, before Andersen came along, had thought of writing such depressing Christmas stories. Even Dickens, who had killed a fair number of children in his books, didn’t kill Tiny Tim. But Andersen, apparently hell-bent on ruining everybody’s holidays, froze innocent children, melted loyal toys into lumps of lead, and chopped harmless fir trees who were just standing there in the forest, minding their own business, into kindling.“

 

connie_willis
Connie Willis (Denver, 31 december 1945)

 

 

De Italiaanse dichter Giovanni Pascoli werd geboren op 31 december 1855 in San Mauro di Romagna. Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 31 december 2006 en ook mijn blog van 31 december 2008.

 

In the Fog

 

I stared into the valley: it was gone—

wholly submerged! A vast flat sea remained,

gray, with no waves, no beaches; all was one.

 

And here and there I noticed, when I strained,

the alien clamoring of small, wild voices:   

birds that had lost their way in that vain land.   

 

And high above, the skeletons of beeches,

as if suspended, and the reveries   

of ruins and of the hermit’s hidden reaches.

 

And a dog yelped and yelped, as if in fear,

I knew not where nor why. Perhaps he heard

strange footsteps, neither far away nor near—

 

echoing footsteps, neither slow nor quick,

alternating, eternal. Down I stared,

but I saw nothing, no one, looking back.

 

The reveries of ruins asked: “Will no

one come?” The skeletons of trees inquired:

“And who are you, forever on the go?”

 

I may have seen a shadow then, an errant

shadow, bearing a bundle on its head.

I saw—and no more saw, in the same instant.

 

All I could hear were the uneasy screeches

of the lost birds, the yelping of the stray,

and, on that sea that lacked both waves and beaches,

 

the footsteps, neither near nor far away.

 

 

Vertaald door Geoffrey Brock

 

Pascoli

Giovanni Pascoli (31 december 1855 – 6 april 1912)

 

De Vlaamse dichter, advocaat en rechter August van Cauwelaert werd geboren in Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek op 31 december 1885. Hij liep zijn middelbare school aan het Klein Seminarie in Hoogstraten. In 1911 behaalde hij zijn doctoraat in rechten, aan de Universiteit van Leuven. In 1914, toen WO I uitbrak gaf hij zich op als vrijwilliger voor het Belgisch leger. Hij werd officier maar in 1916 raakte hij zwaar gewond, in de loopgraven van Passendale. Na de oorlog werd hij vrederechter in Kontich, later politierechter in Antwerpen. Zijn dichtwerk werd vooral beïnvloed door Guido Gezelle en Karel van de Woestijne. Liederen van droom en daad uit 1918 is een poëtische weergave van de oorlogsjaren. Latere dichtbundels als Het licht achter de heuvel uit 1929 zijn sterk religieus geïnspireerd. Vanaf 1932 was Van Cauwelaert hoofdredacteur van het blad Dietsche Warande en Belfort.

 

Voor mijn jongens 1

1 Januari 1916

 

Hoe staat ge daar grootsch met uw zwijgenden trots,

De koppen gebruind en de voeten vereelt,

Zoo stoer met uw helm en geweer lijk gebeeld

Uit brons of arduin of uit ruwere rots.

 

Mijn jongens, hoe staat ge daar sterk en wat steekt

Er diep in uwe oogen een donkere brand;

Wat steekt er een kracht in den greep van uw hand

En wil in het spaarzame woord dat ge spreekt.

 

Schoon kerels, die vrij waart te huis en geen hoon

Of dwang hebt geduld en die kendet geen nood;

Die werkte als ge wildet, maar wrocht voor uw brood,

Hoe zwaarder uw arbeid hoe rijker uw loon.

 

Nu hebt ge den honger gekend en den dorst;

Nu hebt ge geslapen op stroo als een hond,

In hak en in schuur of in ’t lijk van den grond

En nachten gesloofd voor een karige korst.

 

Nu hebt ge in den dans en den daver gestaan;

Nu hebt ge er zien vallen, verminkt en vermoord,

De besten het eerst; maar geen zucht of geen woord:

Te sterk voor een klacht en te trotsch voor een traan.

Nu hebt ge den angst en den twijfel gekend,

Voor ’t lot en voor ’t leven van ouder en kroost;

En over den Yzer zoo vaak als om troost

Uw blik naar de torens van Vlaandren gewend.

 

Maar geen die zijn woord en zijn wapen verried;

De geest is nog helder en hoog bleef het hart.

Ge dookt als een schande de mom van uw smart

En stapt naar den dood met een lach en een lied.

 

Ondwingbaar jong ras, met uw duldenden moed

En staalharde zielen, van al wat er vecht

En valt onder ’t vaandel van roof of van recht:

Is uw bloed het zuiverste en edelste bloed.

 

Cauwelaert

August van Cauwelaert (31 december 1885 – 4 juli 1945)

 

De Schotse dichter Alexander Smith werd geboren op 31 december 1830 in Kilmarnock. Omdat zijn ouders te arm waren om schoolgeld te betalen stuurden zij hen naar een linnenfabriek in Glasgow. Zijn eerste gedichten verschenen in de Glasgow Citizen. Zijn eerste bundel A Life Drama and other Poems (1853) werd goed ontvangen en leverde hem uiteindelijk een post op als secetaris aan de universiteit van Edinburgh.

 

Love

 

The fierce exulting worlds, the motes in rays,

The churlish thistles, scented briers,

The wind-swept bluebells on the sunny braes,

Down to the central fires,

 

Exist alike in Love. Love is a sea

Filling all the abysses dim

Of lornest space, in whose deeps regally

Suns and their bright broods swim.

 

This mighty sea of Love, with wondrous tides,

Is sternly just to sun and grain;

‘Tis laving at this moment Saturn’s sides,

‘Tis in my blood and brain.

 

All things have something more than barren use;

There is a scent upon the brier,

A tremulous splendour in the autumn dews,

Cold morns are fringed with fire.

 

The clodded earth goes up in sweet-breath’d flowers;

In music dies poor human speech,

And into beauty blow those hearts of ours

When Love is born in each.

 

Daisies are white upon the churchyard sod,

Sweet tears the clouds lean down and give.

The world is very lovely. O my God,

I thank Thee that I live!

 

a_smith

Alexander Smith (31 december 1830 – 5 januari 1867)