E. du Perron, Charlotte Mutsaers, Odysseas Elytis, Leo Perutz, Bilal Xhaferri, Thomas Mallon, Kees van den Heuvel, Augusta Peaux, Jules Barbey d’Aurevilly, Daniil Andreyev

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Charles Edgar (Eddy) du Perron werd  geboren op 2 november 1899 in Jatinegara (West Java). Zie ook mijn blog van 2 november 2006 en ook mijn blog van 2 november 2007 en ook mijn blog van 2 november 2008.

 

Somewhere

 

Misschien zijn wij nu vrienden, en misschien

zal morgen reeds alles vergeten zijn? –

wat goedheid van je: meer dan ik verdien,

een koele bries, een korte medicijn.

Ik zal weer zijn dezelfde die ik was

vóór ik je kende, en toch, in dit moment,

wil ik geloven dat dit smal terras

de Wereld is, en zelfs der Wereld end.

 

Laat heden hierin alles zijn vervat,

dat ik je vriend heet en jij mijn vriendin:

de lucht is grijs – geef het de purpren zin

die zoiets vroeger in Italië had!

Wij zijn vereend maar even wijs en weten:

een woord weegt lichter dan een duiveveer –

als ‘k ‘liefde’ zei, zou ik kunnen vergeten

dat je me zei: ‘O, liefde komt één keer’ ….?

 

Wees niet bezorgd voor deze bijna-liefde;

zij gaat voorbij: als alles wat ons griefde –

geneest of sterft, na meer of minder strijd.

‘k Zeg ‘liefde’ toch. ’t Is niet als de andre keren;

ook niet als de Ene! – dit is geen verwijt.

Het uur is vol van al wat ‘kan verkeren’,

de lucht is vaal en pijnlijk uitgespreid:

ik speel het woord dat eertijds harten kliefde

in vriendschap uit tegen je ledigheid.

 

 

De Bierpiraat

 

Hij dreef op alle bieren en ging prat

dat drank hem nooit een beentje had gelicht,

en overdreef niet: meer dan ieder vat

kon hij bevatten; ’t was zijn overwicht.

 

Enorm daarbij: een stier, met een gezicht

zo overdreven opgeblazen, dat

men met plezier erin gespogen had,

indien men spugen kon met de ogen dicht.

 

Ik heb mij vaak aan hem gesterkt. Die man

schonk mensenkennis uit dezelfde kan:

zijn anekdoten waren psychologies.

 

Hij zag van iedereen de platte kant;

ik gloeide in zijn schaduw: mijn verstand

bevond hem bol, maar tot de slokdarm logies.

 

malraux_perron

E. du Perron (2 november 1929 – 14 mei 1940)
Du Perron (r) met André Malraux (l)

 

De Nederlandse schrijfster, essayiste en schilderes Charlotte Mutsaers werd geboren in Utrecht op 2 november 1942. Charlotte Mutsaers was dus een oorlogskind. Toen ze 9 jaar was, overleed haar opa, die op een kasteel in Kapellen woonde, samen met haar oom Felix en diens zuster. Het was de eerste keer dat ze met de dood geconfronteerd werd. Na haar gymnasiumopleiding ging ze eerst studeren en toen ze 29 jaar was ging ze naar de Rietveld Academie in Amsterdam. Op 35-jarige leeftijd begon ze Nederlandse les te geven, en ook te schilderen en schrijven. Tien jaar later ontwierp ze een serie kinderpostzegels, maar ze exposeerde haar werk bijna nooit. In 2000 waren wat werken te zien in de Vleeshal omdat er een tentoonstelling is met de titel “Schilderen en schrijven”.

 

Uit: Zeepijn

“Als kind had ik twee beroepen : detective en dierenarts. Detective ben ik nog steeds maar dierenarts heb ik laten varen. Dat is de schuld van een oppas geweest. Die wou zich bemoeien met dingen waar ze geen verstand van had. Toen is het misgegaan.
Zodra de lente begon, vertrokken mijn ouders naar Parijs. Mijn moeder om zomertailleurtjes te kopen, Chanel n°5 en lippenstift. En mijn vader om lekker te eten en te genieten van de vele vrouwen in open bloesjes en met hangend haar. Wij kregen dan een oppas, Anna geheten. Ook Anna droeg open bloesjes en hangend haar. Maar van vogels had ze geen verstand. Ze kon nog geen kraai van een meeuw onderscheiden. Goed, dat komt meer voor. Je zou alleen zeggen : als het over vogels gaat, hou dan je mond. Dat deed ze niet. En ik was zo dom naar haar te luisteren.
Ik wist alles van vogels. In de boekjes stond dat ze alleen maar zongen uit angst of uit baltsaandrift. Dat was niet waar. De meeste vogels, zo had ik ontdekt, zongen puur voor de lol. Ik heb nog meer ontdekt : kippen komen graag bij je op schoot. In Oostende ken ik een man, hij werkt bij de kaartverkoop van het museum, wiens kippen ook altijd op schoot komen. Je moet je er natuurlijk wel voor openstellen maar dat geldt voor alles. In de zomer kwamen de duiven bij ons naar binnen en dan speelden ze boven op de speelgoedkast. En dan de pelikanen. Eén keer per jaar gingen we naar Artis en dan namen we een kilo of vijf wijting voor de pelikanen mee. «Poezenvis» heette dat in de viswinkel maar wij noemden het «pelikanenvis». Reken maar dat al die pelikanen ons na een jaar nog herkenden en meteen hun bek opensperden. Mijn fietsenmaker heeft een papegaai van zestig jaar. Die heeft de oorlog nog meegemaakt en een heel andere visie op het geheel. Hij zegt altijd… Nee, ik zeg niet wat hij zegt. Straks worden zijn woorden nog verkeerd uitgelegd en dan heb ik het gedaan.”

 

Mutsaers

Charlotte Mutsaers (Utrecht, 2 november 1942)

 

 

De Griekse dichter Odysseas Elytis (pseudoniem voor Odysseas Alepoudhelis) werd op 2 november 1911 te Iraklion op Kreta geboren. Zie ook mijn blog van 2 november 2006 en ook mijn blog van 2 november 2007 en ook mijn blog van 2 november 2008.

 

 

Het Lichaam van de zomer

De tijd is lang voorbij, sinds het ophield met regenen
op de mieren en de hagedissen;
nu brandt de eindeloze hemel
en verven de vruchten hun lippen rood.
De aarde opent traag haar poriën
en bij het water,
dat stamelend druppelt
staart een enorme plant de zon recht in de ogen.
Wie ligt daar achterover op het zand,
het zilver der olijfblaren berokend ?
In zijn oren warmen zich de krekels,
de mieren werken op zijn borst,
in het groen van zijn oksel kruipen de hagedissen
en tussen de tenen van zijn voet speelt de golf
die een kleine zingende Sirene zond.

Dit is haar lied:
o, naakte lichaam
van de zomer.
Uitgevreten en verbrand door zout en olie van olijven.
O lichaam van rots en huiver van het hart,
machtige bries door de haren van de treurwilg,
en geur van bazielkruid op de getaande jongeling,
bedekt met schelpjes en sparrenaalden.
O lichaam van de dag, drijvend in de diepte!
Traag komen de regens nader, de felle hagelstormen,
de droogten gaan voorbij, door de kille nagels van de sneeuw
bekrast.
Hij slaat als een bezetene de verten blauw.
De heuvels zinken weg in de zware uiers van de wolken.
Maar achter dat alles glimlach jij weer zorgeloos
en vind je weer de onvergankelijke tijd,
zoals de zon jou weervindt op het zand,
zoals ook de hemel jou weervindt in jouw groene naaktheid.

 

 

 

Vertaald door Henri Thijs

 

 

 

They came


dressed up as “friends,”
came countless times, my enemies,
trampling the primeval soil.
And the soil never blended with their heel.
They brought
The Wise One, the Founder, and the Geometer,
Bibles of letters and numbers,
every kind of Submission and Power,
to sway over the primeval light.
And the light never blended with their roof.
Not even a bee was fooled into beginning the golden game,
not even a Zephyr into swelling the white aprons.
On the peaks, in the valleys, in the ports
they raised and founded
mighty towers and villas,
floating timbers and other vessels;
and the Laws decreeing the pursuit of profit
they applied to the primeval measure.
And the measure never blended with their thinking.
Not even a footprint of a god left a man on their soul,
not even a fairy’s glance tried to rob them of their speech.
They came
dressed up as “friends,”
came countless times, my enemies,
bearing the primeval gifts.
And their gifts were nothing else
but iron and fire only.
To the open expecting fingers
only weapons and iron and fire.
Only weapons and iron and fire.

Vertaald door Edmund Keeley en George Savidis

 

ElytisNobel

Odysseas Elytis (2 november 1911 – 18 maart 1996)
Tijdens de uitreiking van de Nobelprijs in 1979

 

De Oostenrijkse schrijver Leo Perutz werd geboren op 2 november 1882 in Praag. Zie ook mijn blog van 2 november 2006   en ook mijn blog van 2 november 2008.

 

 Uit: Die dritte Kugel

 

„Mich fröstelt’s, und das Feuer ist am Erlöschen. Der Herbstwind bläht mir den Mantel auf, daß die geflickten Löcher nach allen Seiten starren wie die Teufelsfratzen. Der Regen schlägt einen Trommelwirbel um mich her und dröhnt und prasselt, als wär’ die Welt mit Kalbfell überzogen. Eine Nacht, dazu geschaffen, sich am Lagerfeuer zu erwärmen und im Kreise grauhaariger Kriegsgefährten bestandner Abenteuer zu gedenken. Aber ach, heute steht mir der Sinn wahrlich nicht danach, denn in fünfzehn währenden Stunden bin ich vom Rücken meines lahmen Gauls nicht zur Erd’ gekommen. Den sächsischen Kurfürsten, den großen Papstfeind und Lutheraner, der die Einung der evangelischen Fürsten gegen den Kaiser zustand gebracht und auch die Böhmen zu einem Aufruhr angestiftet hat, den haben wir gefangen und hieher in des Kaisers Feldlager geführt, daß er morgen einen Fußfall tun muß vor dem Carolus Quint und ihn demütig seinen allergnädigsten Kaiser nennen.

Jetzt führen sie seine Kanzler und Ratsherren in Fesseln vorbei. Der alte Mann ist auch dabei, den ich bei Mühlberg mit dem Säbel über den Kopf geschlagen hab’. Er trägt eine blutige Binde um die Stirn, läßt den Kopf hängen, ist fast traurig und verzagt, weiß es wohl, daß er ihn nicht lange mehr zwischen den Schultern wird tragen dürfen. Ja, Brüder, jetzt seid ihr fast verzagt, aber wer hieß euch dem Kaiser aus Ingolstadt solch einen trotzigen Absagebrief schreiben? »Wir geben dem Karl, der sich den fünften römischen Kaiser nennt, kund und zu wissen, daß er pflichtvergessen gegen Gott und an der Nation eidbrüchig gehandelt hat.« Ja, jetzt wird euch der Kaiser schon die rechte Antwort geben. Wer

riet euch, ihr armen Schelme, die Finger in solch einen Handel zu stecken? Seht mich an, Brüder! Ich bin auch lutherisch. Reit’ dennoch mit des Kaisers Haufen, schlag’ zu, stech’ und schieß’, wen er mich stechen und schießen heißt, es gilt mir gleich. Treib’ nicht viel Lärmens mit meinem Glauben, halt’ Frieden mit allen schwarzen Kutten, grüß’ eine jede von den spanischen Gecksnasen zuerst, die jetzt allenthalben durchs Lager stolzieren und sich an des Kaisers Seite blähen in ihrer Narrenlivrei. Ihr aber, liebe Brüder, habt alleweil euren Glauben stolz im Mund geführt wie ein Feldgeschrei, dafür tragt ihr jetzt eure Köpfe dem Henker hin!“

 

Perutz

Leo Perutz (2 november 1882 – 25 augustus 1957)

 

De Albanese dichter en schrijver Bilal Xhaferri werd geboren op 2 november 1935 in Ninat bij Konispol. Zie ook mijn blog van 2 november 2008.

 

 

ALBANIA 1976

 

Small nation
Little time
Tiny ration
Enormous shadow
Great fear
Great want

 

And throughout the land
Shrieks and cries
Like owls in the night

 

 

 

COME, SADNESS

Come, sadness

Come slowly
Like leaves drifting from branches

 

Come slowly
Like rain dripping from leaves

 

Come, sadness

 

Come like nearing thunder in the night
Come like the thumping of an anguished heart

 

Come, sadness

 

O you my beloved who has never abandoned me
My only shelter
Hope
And dream

 

Come, sadness

 

Sadness, come.

 

BilalXhaferri

Bilal Xhaferri (2 november 1935 – 14 oktober 1986)

 

 

De Amerikaanse schrijver en criticus Thomas Mallon werd geboren op 2 november 1951 in Glen Cove, New York. Zie ook mijn blog van 2 november 2008.

 

Uit: Mrs Paines Garage

 

There would be bad news from Dallas tomorrow. But as 5:30 approached on this warm Thursday afternoon, Ruth Paine had little time to think about her pending divorce. As usual, she was in the midst of errands, driving her station wagon back from the supermarket with groceries for her own small, sundered family as well as the other oddly intact one that had been grafted onto it these last several months.
A copy of the divorce petition, which Ruth had filed eight days ago, was right now being postmarked near the offices of her lawyer in the Rio Grande National Building downtown. The dated facts in it — that she and Michael had been married on December 28, 1957, in Pennsylvania, and produced two children, Lynn (b. 1959) and Christopher (b. 1961), before separating “on or about September 1, 1962” — were more accurate than the supposed crux of the document, its declaration that her husband, now “the defendant,” had “about six months before their said separation, commenced a course of unkind, harsh, cruel and tyrannical treatment… of such a nature as to render their further living together insupportable.”
The legal boilerplate hardly described the painfully civilized breach between Ruth and Michael, or the temperate good will he showed whenever he now visited from his own apartment over in Grand Prairie. The two of them probably still saw more movies together than the average couple living under one roof. But the law was the law, and it required stern lies in the matter of divorce, even one arrived at as quietly as this.
Driving down Fifth Street, crossing Westbrook Drive, Ruth was surprised by a picture of domesticity that suddenly came into view. There, up ahead, under the oak tree on her own front lawn, stood Lee and Marina, playing with Junie in apparent contentment. The Oswalds, in contrast to the Paines, might bitch and bicker with each other much of the time — Lee had bawled out Marina over the phone just three nights ago — but their own separation was partial, temporary, and economic. Most nights Lee lived in a rooming house downtown, on North Beckley, closer to the book-warehouse job that Ruth had helped him get last month; Marina and Junie, and now four-week-old Rachel, stayed here with her in Irving, joined by their “Papa” on weekends, when the population of the four-room house would swell to seven. Ruth expected the situation to last until Christmas, perhaps a little longer, after which she would have to deal with missing Marina as she still dealt with missing Michael.“

 

mallon2

Thomas Mallon (Glen Cove, 2 november 1951)

 

De Nederlandse dichter en vertaler Kees van den Heuvel werd geboren op 2 november 1960 in Mill. Hij behoort bij de top van de light-versedichters van Nederland, maar is de laatste jaren weinig in de belangstelling wegens ziekte. Van den Heuvel publiceerde werk in diverse bloemlezingen, en in literaire bladen als De Tweede Ronde en Randschrift / Parmentier.

 

Jaarwisseling

 

Waarom begroet men steevast alle jaren

Die middernacht als magisch fenomeen?

Al is het nieuwe jaartal even wennen

De dagen zijn niet anders dan voorheen

 

We kunnen wel met veel tamtam verklaren

‘Ik kuis mijn taal’ ‘Ik drink niet meer alleen’

Maar hoe we ook gaan lijnen, sparen, rennen

De dagen zijn niet anders dan voorheen

 

We blijven wie we gister ook al waren

En rijgen stil een levensloop aaneen

We dromen, vrezen, hopen, wachten, plannen

De dagen zijn niet anders dan voorheen

 

We krijgen meer (of minder) grijze haren

Al zullen velen liefst ook dat ontkennen

De dagen zijn niet anders dan voorheen

 

 

ansichtkaartmill1

Kees van den Heuvel (Mill, 2 november 1960)
Mill, ansichtkaart (Geen portret beschikbaar)

 

De Nederlandse dichteres Augusta Guerdina Peaux werd geboren in Simonshaven op 2 november 1859. Zie ook mijn blog van 2 november 2008.

 

Oorlogszomer

 

In diepe nis van donker lover staat
bloedige zomer met zijn licht gelaat,
gelijk in diepe zieleduisternis
een brandend leed lichtend geborgen is.

Een brandend leed zal deze zomer zijn,
in ’t hart der mensheid een verholen pijn,
een alsemdronk zijn vroege-morgendauw
en al zijn lommer als een floers van rouw.

En als een floers van rouw, dat wijder spreidt,
zijn wolkenschaduw over verre tijd,
tranen zijn regen en zijn avondrood:
dovende fakkel van de jonge dood.

 

 

Najaarswandeling

 

Er was een woord in de wind, bij `t gaan
over de duinen – wij hadden `t gezwegen –
`t woei kil elk bloeiend leven aan,
`t was allerwegen.

En wij gingen als blinden en waren doof,
gingen als doven en waren blind,
en de dood van de zomer was in het loof
en ging ons voorbij in de wind.

En `t popelblad trilde op het wolkengrauw,
als maanlicht op dodenzerken,
en ver in het schaarhout schimden flauw
de witte geraamten der berken.

 

simonshaven+ring

Augusta Peaux (2 november 1859 – 23 februari 1944)
Simonshaven, de Ring (Oude postkaart. geen portret beschikbaar)

 

De Franse schrijver en moralist Jules Amédée Barbey d’Aurevilly werd geboren op 2 november 1808 in Saint-Sauveur-le-Vicomte (Manche). Zie ook mijn blog van 2 november 2008.

 

Uit: Les Diaboliques

 

“Un des avantages de la causerie en voiture, c’est qu’elle peut cesser quand on n’a plus rien à se dire, et cela sans embarras pour personne. Dans un salon, on n’a point cette liberté. La politesse vous fait un devoir de parler quand même, et on est souvent puni de cette hypocrisie innocente par le vide et l’ennui des conversations où les sots, même nés silencieux (il y en a), se travaillent et se détirent pour dire quelque chose et être aimables. En voiture publique, tout le monde est chez soi autant que chez les autres, — et on peut sans inconvenance rentrer dans le silence qui plaît et faire succéder à la conversation la rêverie… Malheureusement, les hasards de la vie sont affreusement plats, et jadis (car c’est jadis déjà) on montait vingt fois en voiture publique, — comme aujourd’hui vingt fois en wagon —, sans rencontrer un causeur animé et intéressant… Le vicomte de Brassard échangea d’abord avec moi quelques idées que les accidents de la route, les détails du paysage et quelques souvenirs du monde où nous nous étions rencontrés autrefois avaient fait naître, — puis, le jour déclinant nous versa son silence dans son crépuscule. La nuit, qui, en automne, semble tomber à pic du ciel, tant elle vient vite ! nous saisit de sa fraîcheur, et nous nous roulâmes dans nos manteaux, cherchant de la tempe le dur coin qui est l’oreiller de ceux qui voyagent. Je ne sais si mon compagnon s’endormit dans son angle de coupé ; mais moi, je restai éveillé dans le mien. J’étais si blasé sur la route que nous faisions là et que j’avais tant de fois faite, que je prenais à peine garde aux objets extérieurs, qui disparaissaient dans le mouvement de la voiture, et qui semblaient courir dans la nuit, en sens opposé à celui dans lequel nous courions. Nous traversâmes plusieurs petites villes, semées, çà et là, sur cette longue route que les postillons appelaient encore : un fier « ruban de queue », en souvenir de la leur, pourtant coupée depuis longtemps. La nuit devint n
oire comme un four éteint, — et, dans cette obscurité, ces villes inconnues par lesquelles nous passions avaient d’étranges physionomies et donnaient l’illusion que nous étions au bout du monde… Ces sortes de sensations que je note ici, comme le souvenir des impressions dernières d’un état de choses disparu, n’existent plus et ne reviendront jamais pour personne. À présent, les chemins de fer, avec leurs gares à l’entrée des villes, ne permettent plus au voyageur d’embrasser, en un rapide coup d’œil, le panorama fuyant de leurs rues, au galop des chevaux d’une diligence qui va, tout à l’heure, relayer pour repartir. « 

 

Aurevilly

Jules Barbey d’Aurevilly (2 november 1808 – 23 april 1889)

 

De Russische dichter, schrijver en Christelijk mysticus Daniil Leonidovich Andreyev werd geboren op 2 november 1906 in Berlijn. Zie ook mijn blog van 2 november 2008.

 

 

Uit: Ancient Memory

 

India! -The mysterious name,

Ancient as my way in the universe!

The rainbow of the yearning heart.

Images persistent like memory . . .

 

Shall I talk about it? -People won’t believe me.

Shall I hint? -They won’t understand a single word.

They’ll rebuke me for the dark predilection,

For the invincible vision.

 

Shall I ever touch with my beggarly hand

The light dust of the holy roads.

Shall I bend my knees where for the first time

I was born out of darkness by Mother-Earth?

 

 

*

 

But I died. I changed images.

The days of being, not being itself.

And, like the quiet snow of the North.

My face has paled.

 

Ages were passing. In thc lone shabby mist

I was born and faded away

On the mute snow of Russia,

On the Finnish granite of the rocks.

 

But the image of my f~rs! native land

1 cannot burn out from my heart

Here, to the accompaniment of the sad chimes

In this twilight country.

 

Andreyev

Daniil Andreyev (2 november 1906 – 30 maart 1959)