Adolf Endler, Donald Hall, Javier Marías, Joseph Breitbach, Henry Arthur Jones

De Duitse dichter, schrijver en essayist Adolf Endler werd geboren op 20 september 1930 in Düsseldorf. Adolf Endler overleed op 2 augustus van dit jaar. Zie ook mijn blog van 20 september 2008.

 

In het hooggebergte

 

1

Op een bijna menselijk uitziende steen geplakt:

‘En ik zal niet meer hoeven spreken. Artaud.’ –

En de steen begint te spreken, echt, begint brokkelig te spreken.

 

2

Voor de grijs stenen mond hurkend, dan knielend

op de grijs stenen mond: “… en als jij je giftig vergrijsde

bek nog steeds niet kunt houden, schoft die je bent, dan…, dan…, nou dan…!”

 

 

 

Gepasseerd station / Blues

 

Yes, Peggy, de treinen zijn weg, allemaal! en je kunt er naar fluiten, voorgoed!

Schaakmat! Het station is uitgerangeerd zonder veel toeters en bellen, maar

helemaal zonder blues, dat toch niet, alsjeblieft.

            Overgebleven, kijkt mij ontredderd de eeuwig te grote stationschefdienstpet

aan, waarmee ik de veelsoortigste locomotieven zegenrijk heb weten te bejubelen, in

het afgelopen jaar steeds slapper.

            Blijven zullen ook de foto’s in je dessouskastje, schat: Ik met stationschef-

dienstpet en opgeheven spiegelei. (Door deze meneer werd het nodige heen en weer

gedirigeerd tussen Lüttken en Pleterjach.)

            Ja, de treinen zijn weg, Peggy, jouw loketje: dicht, rinkel-peng! De

resterende zeshonderd treinkaartjes kunnen voortaan als boekenlegger in vergelende

spoorboekjes hun nut bewijzen.

            Moet ik nog één keer mijn inmiddels wegroestende fluitje laten kwinkeleren

over de velden? Om tenminste bij tijd en wijle het tevredenheid kwijlende tuig

eromheen in verwarring te brengen, my dear?

            Ach, flauwe kul! Wat kunnen ons die lullo’s nog schelen? Laat ze maar blèren!

– Maar wij willen met de twee spiegeleieren, het zondagse en het doordeweekse, dagen

achtereen pingpong spelen tussen de rails!


– Peggy!!!, o bah!

 

 

Vertaald door Ard Posthuma

 

 

Reklame für Adolf Endler

 

       Ein fadenscheiniges Protestvergißmeinnicht; fiepend;

und mit grinsend verblühender Pfote –

       Die Besondere Note.

 

adolfendler

Adolf Endler (20 september 1930 – 2 augustus 2009)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Donald Hall werd geboren in New Haven, Connecticut op 20 september 1928.  Op de leeftijd van 12 schreef  hij al en was hij volledig in de ban van Edgar Allan Poe. Hij schreef  gedichten en verhalen in de voorbereidende afdeling van de Exeter School en amper op de leeftijd van 16 woonde hij de Bread Loaf Writers-conferentie bij, waar hij  Robert Frost ontmoette. Hij volgde een universistaire opleiding in Harvard, Oxford en Stanford.  In Harvard  kreeg hij voor een jaar Archibald MacLeish als leraar en zijn klasgenoten waren o.a.  Robert Bly, Adrienne Rich, Frank O’Hara, John Ashbery en Kenneth Koch.  Hall en Bly  werkten daar samen aan de uitgave van The Harvard Advocate. Tijdens zijn studies in Oxford, werd hem de Newdigate Prize in poetry toegekend. Na een jaar in Palo Alto en een driejarig verblijf  als lid van het bestuur van Harvard, ging hij doceren aan de Universiteit van Michigan  en bleef in Ann Arbor gedurende de volgende zeventien jaren.  Hierna besloot hij op  aanraden van Robert Graves zijn full-time job op te geven aan de universiteit en  begon hij een carrière als schrijver.

Sudden Things 

 

    A storm was coming, that was why it was dark. The wind was blowing the fronds of the palm trees off. They were maples. I looked out the window across the big lawn. The house was huge, full of children and old people. The lion was loose. Either because of the wind, or by malevolent human energy, which is the same thing, the cage had come open. Suppose a child walked outside!

 

    A child walked outside. I knew that I must protect him from the lion. I threw myself on top of the child. The lion roared over m
e. In the branches and the bushes there was suddenly a loud crackling. The lion cringed. I looked up and saw that the elephant was loose!

 

    The elephant was taller than the redwoods. He was hairy like a mammoth. His tusks trailed vines. Parrots screeched around his head. His eyes rolled crazily. He trumpeted. The ice-cap was breaking up!

 

    The lion backed off, whining. The boy ran for the house. I covered his retreat, locked all the doors and pulled the bars across them. An old lady tried to open a door to get a better look. I spoke sharply to her, she sat down grumbling and pulled a blanket over her knees.

 

    Out of the window I saw zebras and rattlesnakes and wildebeests and cougars and woodchucks on the lawns and in the tennis courts. I worried how, after the storm, we would put the animals back in their cages, and get to the mainland. 

 

 

Affirmation 

 

To grow old is to lose everything.

Aging, everybody knows it.

Even when we are young,

we glimpse it sometimes, and nod our heads

when a grandfather dies.

Then we row for years on the midsummer

pond, ignorant and content. But a marriage,

that began without harm, scatters

into debris on the shore,

and a friend from school drops

cold on a rocky strand.

If a new love carries us

past middle age, our wife will die

at her strongest and most beautiful.

New women come and go. All go.

The pretty lover who announces

that she is temporary

is temporary. The bold woman,

middle-aged against our old age,

sinks under an anxiety she cannot withstand.

Another friend of decades estranges himself

in words that pollute thirty years.

Let us stifle under mud at the pond’s edge

and affirm that it is fitting

and delicious to lose everything.

 

donald-hall

Donald Hall (New Haven, 20 september 1928)

 

 

De Spaanse schrijver Javier Marías Franco werd op 20 september 1951 in Madrid geboren. Zie ook mijn blog van 20 september 2007 en ook mijn blog van 20 september 2008.

 

Uit: Als ich sterblich war (Vertaald door  Elke Wehr)

 

“Alles wird jetzt erinnert, und deshalb erinnere ich mich genau an meinen Tod, das heißt, an das, was ich von meinem Tod wußte, als er stattfand, was wenig und nichts war, wenn ich es mit der Totalität meines jetzigen Wissens vergleiche und mit der Schneide der Wiederholungen.

Ich kehrte wieder einmal von einer meiner erschöpfenden Reisen zurück, und Luisa war zuverlässig, sie kam mich abholen. Wir redeten nicht viel im Auto, auch nicht, während ich automatisch meinen Koffer auspackte und flüchtig die Post durchsah, die sich angesammelt hatte, und die bis zu meiner Rückkehr gespeicherten Anrufe auf dem Anrufbeantworter abhörte. Einer versetzte mich in Unruhe, denn ich erkannte sofort die Stimme Marias, die einmal meinen Namen sagte, dann abbrach, und dies bewirkte, daß meine Unruhe gleich wieder nachließ, eine Frauenstimme, die meinen Namen sagte und sich unterbrach, bedeutete nichts, sie mußte Luisa nicht irritiert haben, wenn sie sie gehört hatte. Ich legte mich vor dem Fernseher aufs Bett und schaute Sendungen an, Luisa brachte mir kalten Braten mit geraspeltem Ei, den sie im Geschäft gekauft hatte, bestimmt hatte sie keine Lust oder keine Zeit gehabt, mir eine Tortilla zu machen. Es war noch früh, aber sie löschte für mich das Licht im Zimmer, um mir in den Schlaf zu helfen, und so lag ich da, schläfrig und beruhigt durch die vage Erinnerung an ihre Liebkosungen, die Hand, die besänftigt, auch wenn sie die Brust zerstreut und vielleicht mit Ungeduld berührt. Dann verließ sie das Schlafzimmer, und ich schlief schließlich ein, während die Bilder weiterliefen, in einem bestimmten Augenblick hatte ich aufgehört, zwischen den Kanälen hin und her zu wechseln.

Ich weiß nicht, wieviel Zeit verging, aber ich lüge, denn jetzt weiß ich es genau, es waren dreiundsiebzig Minuten tiefen Schlafs mit Träumen, die sich noch im Ausland abspielten, aus dem ich einmal mehr heil zurückgekehrt war. Dann wachte ich auf und sah das bläuliche Licht des laufenden Fernsehers, sein Licht, das den Fußteil des Bettes erhellte, und nicht so sehr eines seiner Bilder, denn dazu fand ich keine Zeit. Ich sehe und sah, wie etwas Schwarzes auf meine Stirn fiel, ein schwerer Gegenstand, der zweifellos kalt war wie das Stethoskop, aber er war nicht gesund, sondern voll Gewalt.”

 

marias

Javier Marías (Madrid, 20 september 1951)

 

De Duitse schrijver en journalist Joseph Breitbach werd geboren op 20 september 1903 in Ehrenbreitstein bij Koblenz. Na WO II zette hij zich zeer in voor een goede Duits-Franse verstandhouding. De naar hem genoemde Joseph-Breitbach-Preis is de hoogst gedoteerde onderscheiding voor Duitstalige schrijvers. Van 1925 tot 1928 werkte Breitbach als boekhandelaar in Augsburg. Hier stond hij ook in nauw contact met de KPD. Na het verschijnen van zijn verhalenbundel Rot gegen Rot werd hij ontslagen. Vanaf 1929 leefde de schrijver in Frankrijk. In 1932 verscheen zijn eerste roman Die Wandlung der Susanne Dasseldorf. In 1933 werden zijn boeken in Duitsland verboden. In 1937 leverde hij vrijwillig zijn Duitse paspoort in en vroeg hij het Franse staatburgerschap aan. Tijdens de oorlog werkte hij voor het vreemdelingenlegioen en voor de Franse geheime dienst. Pas in 1962 verscheen zijn tweede roman Bericht über Bruno.

 

Uit: Die Wandlung der Susanne Dasseldorf

 

“Man schrieb den 12. Dezember 1918. Der Haupttrupp der nach dem Waffenstillstand von Compiègne für Koblenz bestimmten amerikanischen Besatzungsarmee rückte in die Stadt ein. ,Nun haben wir vier Jahre immer gesiegt, und jetzt kommt die fremde Besatzung’, sagte Susanne. Niemand antwortete ihr. Susanne beherrschte die Familie. Sie war klug, klug und oft sehr anmaßend. In der Fabrik war sie die beiden letzten Jahre vor dem Krieg die rechte Hand ihres Vaters gewesen.

(…)

 

“Das Geschrei und die Schüsse drangen immer lauter von der Mosel herüber. Frau Dasseldorf und Lisa hielten sich weinend die Ohren zu, Susanne aber starrte nach der Moselmündung.
Jetzt schob sich der Lichtkegel auf den Rhein. Die Helligkeit tappte zuerst in der Luft, fraß sich einen Weinberg auf dem rechten Ufer hinauf und wieder hinab, über das Eisenbahngelände, auf das Wasser — da…. jetzt war der Scheinwerfer richtig eingestellt, in seinem Licht zappelte wieder der Kahn mit den beiden Männern. Ein Jahrmarktspanoptikum hätte kein grausigeres “Lebendes Bild” erfinden können. Wie in einem Angsttraum schien der Kahn, in dem die Gesichter der wildrudernden Männer sich wie gelbe Wachsflecken ausnahmen, nicht von der Stelle zu kommen. Das Licht spielte mit ihm, zog sich zurück, fuhr über ihn her, nahm ihn von der Seite oder kitzelte den Männern flackernd die Augen;
Die Polizeiboote selbst lagen im Dunkel, ihrem Lichtwurf nach schwärmten sie im Abstand nebeneinander und trieben den Kahn vor sich her.”

 

breitbach2

Joseph Breitbach (20 september 1903 – 9 mei 1980)

 

De Engelse schrijver Henry Arthur Jones werd geboren op 20 september 1851 in Granborough, Buckinghamshire. Zijn eerste stuk Only Round the Corner werd opgevoerd aan het Exeter Theatre toen hij zevenentwintig was, maar zijn eerste grote succes behaalde hij met The Silver King in 1882. Saints and Sinners (1884) zorgde voor veel beroering wegens de religieuze thematiek. Met The Middleman (1889) en Judah (1890) was zijn naam definitief gevestigd.

 

Uit: THE GOAL

 

SIR STEPHEN: You won’t misunderstand me, dear. I’m old enough to be your grandfather. [Very seriously.] Take care how you choose your partner for life. You’ll have a wide choice, and all your future happiness, and the happiness of many generations to come, will depend on the one moment when you say “Yes” to one of the scores of young fellows who’ll ask you to be his wife. Take care! Look him thoroughly up and down! Be sure that he has a good full open eye that can look you straight in the face; and be sure that the whites of his eyes are clear. Take care he hasn’t got a queer-shaped head, or a low forehead. A good round head, and a good full high forehead, do you hear? Notice the grip of his hand when he shakes hands with you! Take care its strong and firm, and not cold and dry. Don’t say “Yes” till you’ve seen him out of trousers, in riding dress, or court dress. Look at the shape of his legs — a good, well-shaped leg, eh, Peggie? And take care it is his leg! See that he’s well-knit and a little lean, not flabby; doesn’t squint; doesn’t stammer; hasn’t got any nervous tricks or twitchings. Don’t marry a bald man! They say we shall all be bald in ten generations. Wait ten generations, Peggie, and then don’t marry a bald man! Can you remember all this, dear? Watch his walk! See that he has a good springy step, and feet made of elastic — can do his four or five miles an hour without turning a hair. Don’t have him if he has a cough in the winter or the spring. Young men ought never to have a cough. And be sure he can laugh well and heartily — not a snigger, or a wheeze, or a cackle, but a good, deep, hearty laugh right down from the bottom of his chest. And if he has a little money, or even a good bit, so much the better! There now! You choose a man like that, Peggie, and I won’t promise you that you’ll be happy, but if you’re not, it won’t be your fault, and it won’t be his, and it won’t be mine!“

 

jones

Henry Arthur Jones (20 september 1851 – 7 januari 1929)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Cyriel Buysse, Stevie Smith, Upton Sinclair, Hanns Cibulka

De Vlaamse schrijver Cyriel Buysse werd geboren op 20 september 1859 in Nevele. Zie ook mijn blog van 20 september 2007. Zie ook mijn blog van 20 september 2007 en ook mijn blog van 20 september 2008.

 

Uit: De biezenstekker

 “Als Cloet dien zaterdag namiddag om vier ure juist, de zware hekkens van het Gentsch gevang zag opengaan en eensklaps, na een tiental schreden, weêr in vrijheid was; trok hij haastig, door het daglicht verblind en reeds aan eenzaamheid en duisternis gewend, de breede kassei dwars over en verdiepte zich in de kronkelende hovingen, die daar, aan de overzijde van het stadsgevang, de gansche lengte der eenzame, regelrechte laan begrenzen. Het was een groote, kloeke kerel van rond de vijf en veertig, met grijzende knevel en haren, met forsig afgeteekende wezenstrekken, met stijven, onheilspellenden oogopslag. Vier maanden was hij daar opgesloten geweest. Eene messteek, in een gevecht aan eenen makker toegebracht, had de vervolging der Wet op hem getrokken. Een oogenblik had hij gehoopt op vrijspraak; maar een gebuur – Rosse Tjeef 2 had bezwarend tegen hem getuigd – en hij was eindelijk veroordeeld geworden. Dat was nu ook de vierde maal dat hij in het gevang gezeten had, telkens voor vechten.

Somber, zonder den minsten zweem van vreugd op het gelaat, stapte hij steeds rasser en met hooge schouders, in de mistige winterlucht vooruit. Hij droeg een klein, in een rood zakdoek omwonden pakje aan de linkerhand; in de rechter hield hij zijnen gaanstok. Hij had eene donkerkleurige broek aan; grove schoenen met nagels; een blauwen kiel; een zwarte pet.

Aan het uiteinde der hovingen gekomen draaide hij links om en sloeg, doorheen de woelende en reeds verlichte voorstad, den eenzamen steenweg naar Wilde in.

Gedurende een groot half uur ging hij aldus met wijden tred vooruit. De avond was van lieverlede gansch gevallen en langsheen de pijlrechte, met boomen omzoomde baan die hij thans door het veld volgde, blonken hier en daar, op groote afstanden, eenzame lichten. Vóór een dezer hield hij stil. Daar stond, terzijde van den weg, een klein, landelijk herbergje. Zonder aarzelen, als van zelf, trok hij er binnen.

‘Een druppel’, bestelde hij kortaf, zijn vijfcentstuk klinkend op den toog werpend. En, terwijl een jong meisje, spoedig rechtgestaan, hem bediende, keek hij schuins, met zijn vorschenden blik, naar ’t vergaderd gezelschap: drie mannen en eene vrouw, die op stoelen rond een tafeltje gezeten, met de kaart speelden.

 

Cyriel_Buysse

Cyriel Buysse (20 september 1859 – 25 juli 1932)
Portret door Emile Claus, 1924

 

De Engelse dichteres en schrijfster Stevie (eig. Florence Margaret) Smith werd geboren op 20 september 1902 in Kingston upon Hull. Smith debuteerde in 1934 met ‘ A Novel on Yellow Paper’. Ook publiciceerde zij negen dichtbundels. De eerste, A Good Time Was Had By All verscheen in 1937. Het bekendste gedicht van haar is Not Waving but Drowning.  Smith woonde lang in bij haar tante en werkte als prive-secretaresse voor diverse werkgevers. Hoewel ze affaires had met diverse mannen (en waarschijnlijk ook met vrouwen) is ze nooit getrouwd.

 

Not Waving but Drowning 

 

Nobody heard him, the dead man,

But still he lay moaning:

I was much further out than you thought

And not waving but drowning.

 

Poor chap, he always loved larking

And now he’s dead

It must have been too cold for him his heart gave way,

They said.

 

Oh, no no no, it was too cold always

(Still the dead one lay moaning)

I was much too far out all my life

And not waving but drowning.

 

Mother, Among the Dustbins 

 

Mother, among the dustbins and the manure

I feel the measure of my humanity, an allure

As of the presence of God, I am sure

 

In the dustbins, in the manure, in the cat at play,

Is the presence of God, in a sure way

He moves there. Mother, what do you say?

 

I too have felt the presence of God in the broom

I hold, in the cobwebs in the room,

But most of all in the silence of the tomb.

 

Ah! but that thought that informs the hope of our kind

Is but an empty thing, what lies behind? —

Naught but the vanity of a protesting mind

 

That would not die. This is the thought that bounces

Within a conceited head and trounces

Inquiry. Man is most frivolous when he pronounces.

 

Well Mother, I shall continue to thin
k as I do,

And I think you would be wise to do so too,

Can you question the folly of man in the creation of God?

Who are you? 

 

Stevie_Smith

Stevie Smith (20 september 1902 – 7 maart 1971)

 

 

De Amerikaanse schrijver Upton Beall Sinclair werd geboren op 20 september 1878. Zie voor onderstaande schrijver mijn blog van 20 september 2006 en ook mijn blog van 20 september 2008.

 

Uit: The Metropolis

 

“Return at ten-thirty,” the General said to his chauffeur, and then they entered the corridor of the hotel.

Montague gazed about him, and found himself trembling just a little with anticipation. It was not the magnificence of the place. The quiet uptown hotel would have seemed magnificent to him, fresh as he was from the country; but, he did not see the marble columns and the gilded carvings-he was thinking of the men he was to meet. It seemed too much to crowd into one day-first the vision of the whirling, seething city, the centre of all his hopes of the future; and then, at night, this meeting, overwhelming him with the crowded memories of everything that he held precious in the past.

There were groups of men in faded uniforms standing about in the corridors. General Prentice bowed here and there as they retired and took the elevator to the reception-rooms. In the doorway they passed a stout little man with stubby white moustaches, and the General stopped, exclaiming, “Hello, Major!” Then he added: “Let me introduce Mr. Allan Montague. Montague, this is Major Thorne.”

A look of sudden interest flashed across the Major’s face. “General Montague’s son?” he cried. And then he seized the other’s hand in both of his, exclaiming, “My boy! my boy! I’m glad to see you!”

Now Montague was no boy—he was a man of thirty, and rather sedate in his appearance and manner; there was enough in his six feet one to have made two of the round and rubicund little Major. And yet it seemed to him quite proper that the other should address him so. He was back in his boyhood to-night—he was a boy whenever anyone mentioned the name of Major Thorne.

“Perhaps you have heard your father speak of me?” asked the Major, eagerly; and Montague answered, “A thousand times.”

He was tempted to add that the vision that rose before him was of a stout gentleman hanging in a grape-vine, while a whole battery of artillery made him their target.

Perhaps it was irreverent, but that was what Montague had always thought of, ever since he had first laughed over the tale his father told. It had happened one January afternoon in the Wilderness, during the terrible battle of Chancellorsville, when Montague’s father had been a rising young staff-officer, and it had fallen to his lot to carry to Major Thorne what was surely the most terrifying order that ever a cavalry officer received. It was in the crisis of the conflict, when the Army of the Potomac was reeling before the onslaught of Stonewall Jackson’s columns. There was no one to stop them-and yet they must be stopped, for the whole right wing of the army was going. So that cavalry regiment had charged full tilt through the thickets, and into a solid wall of infantry and artillery.“

 

sinclair3

Upton Sinclair (20 september 1878 – 25 november 1968)
Portret, getekend door Peter Van Valkenburgh

 

De Duitse dichter en schrijver Hanns Cibulka werd geboren op 20 september 1920 in Jägerndorf, in het toenmalige Tsjechoslowakije. Zie ook mijn blog van 20 september 2008.

 

Uit: Umbrische Tage

 

„Bäuerinnen mit lehmverkrusteten Händen setzten Steine zu einer Mauer. Sie riefen sich zu. Ihre Worte stießen wie Vögel durch die Luft. Ein Bauer, den breiten Strohhut auf dem Kopf, kam uns durch das Traubenfeld entgegen.

 

Erstarre nicht in deinem Denken. Die Hingabe an das Leben fordert mehr, als immer nur einem Gedanken zu dienen. Wer die Vielzahl ausschließt, bekennt sich zur Ungerechtigkeit. Wer die schöpferischen Gegensätze verneint, tötet das Kind in der Wiege. Bewunderung wächst aus der Farbigkeit des Lebens. Ein Fuß, der immer nur denselben Weg betritt, wird müde.

 

Die Stunde war vom Licht des Himmels ausgelotet. Staubbedeckte Oliven, von der Sonne umbrandet. Kein Mensch war zu sehen. Unter der sengenden Hitze war das Leben eingeschlafen. Nur der Salbei öffnete am Wegrand seine Blüten. Unheimlich war die Stille, wie nach einem Schuß.

 

Ein seltsames Fluidum hüllt die Berge ein. Caprarola, ich kenne dich, entblößt und verschleiert. Ein unnennbares Heimweh fällt mich an.“

 

Cibulka

Hanns Cibulka (20 september 1920 – 20 juni 2004)