Rainer Maria Rilke, Geert Mak, Nikoloz Baratashvili, Trudi Guda, René Fallet, Samuel Butler, Thomas Carlyle, Emil Aarestrup, Nikolay Nekrasov

De Duitse dichter Rainer Maria Rilke werd als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke op 4 december 1875 in Praag geboren. Zie ook mijn blog van 4 december 2006 en ook mijn blog van 4 december 2007.

Sonette an Orpheus

 

Das V. Sonett

 

Errichtet keinen Denkstein. Lasst die Rose
nur jedes Jahr zu seinen Gunsten blühn.
Denn Orpheus ists. Seine Metamorphose
in dem und dem. Wir sollen uns nicht mühn

um andre Namen. Ein für alle Male
ists Orpheus, wenn es singt. Er kommt und geht.
Ists nicht schon viel, wenn er die Rosenschale
um ein paar Tage manchmal übersteht?

O wie er schwinden muss, dass ihrs begrifft!
Und wenn ihm selbst auch bangte, dass er schwände.
Indem sein Wort das Hiersein übertrifft,

ist er schon dort, wohin ihrs nicht begleitet.
Der Leier Gitter zwangt ihm nicht die Hände.
Und er gehorcht, indem er überschreitet.

 

Der Hund

Da oben wird das Bild von einer Welt
aus Blicken immerfort erneut und gilt.
Nur manchmal, heimlich, kommt ein Ding und stellt
sich neben ihn, wenn er durch dieses Bild

sich drängt, ganz unten, anders, wie er ist;
nicht ausgestoßen und nicht eingereiht,
und wie im Zweifel seine Wirklichkeit
weggebend an das Bild, das er vergißt,

 

um dennoch immer wieder sein Gesicht
hineinzuhalten, fast mit einem Flehen,
beinah begreifend, nah am Einverstehen
und doch verzichtend: denn er wäre nicht.

 

 

 

Archaischer Torso Apollos

 

Wir kannten nicht sein unerhörtes Haupt,
darin die Augenäpfel reiften. Aber
sein Torso glüht noch wie ein Kandelaber,
in dem sein Schauen, nur zurückgeschraubt,

 

sich hält und glänzt. Sonst könnte nicht der Bug
der Brust dich blenden, und im leisen Drehen
der Lenden könnte nicht ein Lächeln gehen
zu jener Mitte, die die Zeugung trug.

 

Sonst stünde dieser Stein entstellt und kurz
unter der Schultern durchsichtigem Sturz
und flimmerte nicht so wie Raubtierfelle;

 

und bräche nicht aus allen seinen Rändern
aus wie ein Stern: denn da ist keine Stelle,
die dich nicht sieht.
Du mußt dein Leben ändern.

 

Rilke

Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)

 

De Nederlandse schrijver Geert Mak werd geboren op 4 december 1946 in Vlaardingen. Hij groeide op in Hardegarijp, en volgde het Gereformeerd Gymnasium te Leeuwarden. In 1966 begon hij aan een studie staatsrecht en rechtssociologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, om in 1967 over te stappen naar de Universiteit van Amsterdam. Vanaf 1975 tot 1985 was hij redacteur van De Groene Amsterdammer, daarna was hij verbonden aan NRC Handelsblad en de buitenlandredactie van VPRO-radio. In de jaren negentig werd hij fulltime schrijver. In 2000 werd hij voor een periode van vijf jaar benoemd op de Wibautleerstoel aan de Universiteit van Amsterdam maar hij bekleedde deze slechts tot 2003 toen hij op eigen verzoek terugtrad. Mak brak in 1992 bij het grote publiek door met het boek De engel van Amsterdam. In zijn boek Hoe God verdween uit Jorwerd (1996; Henriette Roland Holst-prijs 1999) behandelt hij de veranderingen in het dorpsleven in de 20e eeuw, met het Friese dorp Jorwerd als voorbeeld. In zijn boek De eeuw van mijn vader (1999) schetst Mak de geschiedenis van Nederland in de 20e eeuw. De zomer van 1823 (2000) – met Marita Mathijsen- verscheen naar aanleiding van de 9-delige RVU-televisie-serie, waarin hij met regisseur Theo Uittenbogaard ‘in het voetspoor’ van Jacob van Lennep diens wandeling door het Nederland van 1823 naloopt. In 2004 verscheen In Europa, een boek over ontwikkelingen in het 20e-eeuwse Europa. Mak besteedt in dit boek van 1223 pagina’s vooral veel aandacht aan de Eerste en Tweede Wereldoorlog.

 

Uit: Hoe God verdween uit Jorwerd

„Peet had nooit het dorp verlaten. Hij leefde in gesloten kringen van gezin, familie, vrienden en buren. ’s Ochtends legde hij soms een bos wortels op de stoep van iemand die hij mocht, of een bloemkool, of een paar preien. Hij hield van de wolken waar het licht in stralen vanaf kon lopen, van het open veld, van de rode ochtendlucht, van het blauw van de najaarsmorgen. En als hij zich dan omdraaide zag hij altijd weer dezelfde toren, de huizen rondom de kerk gekropen, de daken wittig van de eerste nachtvorst, de meeste takken al kaal en zwart.

Het was stil geworden in het dorp. Soms reden er schoolkinderen langs de weg, gebogen, driftig trappend, in lange slierten, tassen vol huiswerk achterop. Soms zag je in de verte een boer, hollend langs een sloot. Soms was er iets met een schaap, of er zat een trekker vast. Soms kwam er rook uit een schoorsteen.

In Peets jonge jaren hoorde je altijd klompen en fietsen in de dorpsstraat. ’s Ochtends, als alle knechten tegelijk van het melken kwamen en thuis gingen ontbijten. Om twaalf uur, als de klok luidde voor warm eten. ’s Middags, als de school uitzwermde. ’s Avonds, als alle winkels nog open waren, en de vrouwen renden om een laatste boodschap.

Peet en zijn klasgenoten hoefden hun ogen maar dicht te knijpen of ze zagen de schimmen over de straten zwerven. De oude man, die aan het eind van het dorp woonde, voordat de ruimte begon. De melkvaarder. Zijn buurman, een slager die in vee handelde en voor zichzelf ook nog wat koeien op stal had staan. De oude De Groot, met zijn kruidenierswinkel en zijn kaaspakhuis. De schipper die turf en antraciet verkocht, bruine brand en zwarte brand, en die in de zomer met mest, bietenpulp en aardappelafval voer. Zijn vrouw, die in slechte tijden van boerderij naar boerderij leurde met een juk met twee grote manden vol broden en koekjes. De scharrelaars die daarnaast woonden, kleine mensen die overleefden door klein te blijven: wat klusjes bij een boer, wat handel in petroleum. De werkman, daarnaast, die ook in de zwarte brand zat. Oude Jantsje, die een kostganger had, een verdwaasde man, dat was zo met de familie geregeld. Evert Beton, dat was zijn bijnaam, vanwege zijn stramgewerkte spieren. Daarnaast het koemelkertje dat touw, carboleum en uierzalf verkocht, en zijn vrouw, die poetste bij de dorpspommeranten.“

Mak

Geert Mak (Vlaardingen, 4 december 1946)

 

De Georgische schrijver en dichter Nikoloz Baratashvili werd geboren op 4 december 1817 in Tbilisi. Zie ook mijn blog van 4 december 2006.

Earring

 

As a butterfly
so slowly ripples
a spotless lily of exquisite curves,

just so this earring,
this wild, strange earring,
dances, plays with its shadow and swerves.
May that soft air
breathed in your shadow
return to the source from whence it had gushed!
And may your swaying
stir up a breeze,
by which the overhot heart is refreshed!
Oh, earring, ’tis magic
that set you in motion,
or is it those lips in motion below?

Who feeds on the sherbet
of life without death,
and with the small soul above binds her soul?

 

 

Vertaald door Kevin Tuite

 

baratashvili-nikoloz

Nikoloz Baratashvili (4 december 1817 – 21 oktober 1844)

 

De Surinaamse dichteres en cultureel antropologe Gertrude (Trudi) Marie Guda werd geboren in Paramaribo op 4 december 1940. Zij studeerde in Nederland. In Utrecht behaalde zij haar doctoraal in 1967 met de scriptie De transmigratie van de Bosnegers uit het Brokopondomeergebied in Suriname. Trudi Guda publiceerde twee dichtbundels: De geur van franchepane (1970) en Vogel op het licht (1981). Met de laatste bundel was zij ‘first runner-up’ van de Literatuurprijs van Suriname 1980-1982.

 

 

Dichter

 

Een bij

boven de bloesem in de manjeboom

 

Een visser

hurkend op zijn vlot

de monding uit naar zee

 

zoekend, peilend

het zuiverste

helderste

vruchtbare

woord

 

Guda

Trudi Guda (Paramaribo, 4 december 1940)

 

De Franse schrijver René Fallet werd geboren op 4 december 1927 in Villeneuve-Saint-Georges. Na WO II ging hij werken voor de krant Libération. In 1946 verscheen zijn eerste gedichtenbundel Le Périscope, in 1947 gevolgd door zijn eerste roman Banlieue Sud-Est. In 1964 verscheen Paris au mois d’août waarmee hij zich definitief als schrijver verankerde in de Franse literatuur. Fallet werkte ook als criticus voor Canard enchaîné en deed radio –en televisiewerk.

 

Uit: Les vieux de la vieille

 

« Blaise Poulossière sortit de sa poche l’immensité d’un mouchoir à carreaux.

-C’est moi qu’à présent je fais cuire la soupe, le lard et le ragoût, confia-t-il à sa femme qui reposait là, devant lui, à l’intérieur du caveau de famille.

-Le monde sont fou, ma pauvre vieille, le monde sont fou…

Il se moucha fortement, ce qui fit s’égailler des mésanges perchées sur une croix. Mai jouait du soleil et des fleurs sur le cimetière de campagne.

-C’est pas bien facile de cuisiner de cultiver la terre en même temps, mais faut s’y faire puisque tu es partie.

Il compta sur le bois de ses doigts :

-… T’est partie ça fait déjà six mois. Ca en fera neuf à la Saint-Hippolyte, sic pour la Saint-Nicomède.

Il parlait fort, et la mère Gougne qui passait sur la route se tapota le front. Blaise Poulossière avant soixante-douze ans, mais la station debout sur sabots ne le fatiguait pas encore. La visière de sa casquette abritait un grand nez tremblotant sculpté dans chandelle, un fagot de moustaches délavées.

-Jeanne, j’ai une poule qui me pond un œuf (il prononçait « un eu », comme tout Bourbonnais bourbonnant) tous les jours que le Bon Dieu nous amène. Tous les jours, parfaitement. C’est la poule grise, tu te rappelles. Une sacrée bonne bête. L’œuf, des fois je le mange à la coque, ou sur le plat, ou bien au vin. Au vin, tu les faisais bien mieux que moi, ma pauvre vieille. »

 

fallet

René Fallet  (4 décember 1927 –  25 juli 1983)

 

De Engelse schrijver, componist, filoloog en schilder Samuel Butler werd geboren op 4 december 1835 in Langar, Nottinghamshire. Hij studeerde in Cambridge, maar emigreerde in 1859 na een ruzie met zijn vader naar Nieuw Zeeland om schapen te gaan fokken. Eind 19e eeuw verscheen zijn satirische roman „Erewhon“, waarin hij de religieuze en sociale dubbele moraal van zijn tijd hekelde. Butler is wel met Swift vergeleken en had zeker invloed op schrijvers als Somerset Maugham, D. H. Lawrence, H. G. Wells en James Joyce

 

Uit: Erewhon

 

„But the Erewhonians think differently; the store they set by this hypothetic language can hardly be believed; they will even give any one a maintenance for life if he attains a considerable proficiency in the study of it; nay, they will spend years in learning to translate some of their own good poetry into the hypothetical language — to do so with fluency being reckoned a distinguishing mark of a scholar and a gentleman. Heaven forbid that I should be flippant, but it appeared to me to be a wanton waste of good human energy that men should spend years and years in the perfection of so barren an exercise, when their own civilisation presented problems by the hundred which cried aloud for solution and would have paid the solver handsomely; but people know their own affairs best. If the youths chose it for themselves I should have wondered less; but they do not choose it; they have it thrust upon them, and for the most part are disinclined towards it. I can only say that all I heard in defence of the system was insufficient to make me think very highly of its advantages.

The arguments in favour of the deliberate development of the unreasoning faculties were much more cogent. But here they depart from the principles on which they justify their study of hypothetics; for they base the importance which they assign to hypothetics upon the fact of their being a preparation for the extraordinary, while their study of Unreason rests upon its developing those faculties which are required for the daily conduct of affairs.“

 

Samuel-Butler

Samuel Butler (4 december 1835 – 18 juni 1902)
Zelfportret uit 1873

 

De Schotse schrijver Thomas Carlyle werd geboren in Ecclefechan, gelegen in de regio Dumfries and Galloway in Schotland op 4 december 1795  en bezocht de plaatselijke school in Annan. Hij werd sterk beïnvloed door het Calvinisme van zowel zijn familie als zijn land. Nadat hij vanaf zijn 14e jaar de Universiteit van Edinburgh had bezocht, werd hij wiskundeleraar, eerst in Annan en vervolgens in Kirkcaldy. Van 1819 – 1821 keerde Carlyle terug naar de universiteit van Edinburgh, waar hij een intense geloofscrisis doormaakte die tien jaar later het materiaal zou opleveren voor ‘Sartor Resartus’. Naast meerdere vertalingen van wiskundige werken, had hij al sinds 1823 meegewerkt aan Sir David Brewsters Edinburgh Encyclopaedia en tevens aan de Edinburgh Review, met onder meer essays over Montesquieu, Montaigne en Nelson.De nieuwere Duitse literatuur nam hem vervolgens helemaal in beslag. Niemand heeft er meer dan Carlyle aan bijgedragen dat haar bekendheid in Engeland verspreid werd.

 

Uit: SARTOR RESARTUS

 

„But here, as in so many other cases, Germany, learned, indefatigable, deep-thinking Germany comes to our aid. It is, after all, a blessing that, in these revolutionary times, there should be one country where abstract Thought can still take shelter; that while the din and frenzy of Catholic Emancipations, and Rotten Boroughs, and Revolts of Paris, deafen every French and every English ear, the German can stand peaceful on his scientific watch-tower; and, to the raging, struggling multitude here and elsewhere, solemnly, from hour to hour, with preparatory blast of cow-horn, emit his _Horet ihr Herren und lasset’s Euch sagen_; in other words, tell the Universe, which so often forgets that fact, what o’clock it really is. Not unfrequently the Germans have been blamed for an unprofitable diligence; as if they struck into devious courses, where nothing was to be had but the toil of a rough journey; as if, forsaking the gold-mines of finance and that political slaughter of fat oxen whereby a man himself grows fat, they were apt to run goose-hunting into regions of bilberries and crowberries, and be swallowed up at last in remote peat-bogs. Of that unwise science, which, as our Humorist expresses it,

 

                   “By geometric scale

     Doth take the size of pots of ale;”

 

still more, of that altogether misdirected industry, which is seen vigorously thrashing mere straw, there can nothing defensive be said“.

 

Thomas_Carlyle_James_McNeil_Whistler

Thomas Carlyle (4 december 1795 – 5 februari 1881)
Portret door James McNeil Whistler

 

De Deense dichter Emil Aarestrup werd geboren op 4 december 1800 in Kopenhagen. Hij studeerde medicijnen en werkte als arts in Lolland en Odense. Tijdens zijn leven verscheen maar een werk, Digte, Gedichte, in 1838. Van invloed op zijn werk waren Heinrich Heine und Friedrich Rückert.

 

Mittag

Des Tages Melodram will sich entfalten,
mit Sang und Klang den hohen Weg beschreiten;
vom Himmel heiße Strahlen niedergleiten,
die sich brennend überm Pilger ballten.

In klarem Glas wird ein Bouquett gehalten,
mit frischem Nass, und diesem Strauß zur Seiten
beginn ich die Gedanken zu bereiten,
die sich um den Tageseindruck falten.

Es winken mich zu Tisch zwei Lilien-Hände.
Er ist mit Blumen festlich ausgeschmückt,
voll Anmut und der Wein brennt wie Karfunkel,

und meine Rose schürt die zarten Brände
auf Mund und Wange, wenn sie näher rückt.
Ein Tag im Kreis der Lieben wird nie Dunkel.

 

 

Aerestrup

Emil Aarestrup (4 december 1800 – 21 juli 1856)

 

De Russische dichter Nikolay Nekrasov werd geboren op 4 december 1821 in Nemirovo. Hij verliet het gymnasium toen hij zestien was om in het leger te gaan, maar ging op wens van zijn vader later toch studeren. Uit geldgebrek moest hij de studie echter weer afbreken. Nekrassov werkte daarna als journalist. Na het succes van zijn eerste gedichten werd hij, gesteund door Belinski, medewerker van Otetschestwennyje Sapiski. In 1846 verwierf hij het tijdschrift Sowremennik, dat hij tot een van de leidende bladen van zijn tijd maakte. Nekrassov geldt als de belangrijkste Russische dichters van het Realisme. In groot deel van zijn werk behandelt sociale thema’s.

I Shall Soon Fall Prey To Rot

  

I shall soon fall prey to rot.

Though it’s hard to die, it’s good to die;

I shall ask for no one’s pity,

And there’s no one who would pity me.

 

With my lyre I won no glory

For my noble family name;

And I die as distant from my people

As the day that I began to live.

&n
bsp;

Ties of friendship, unions of the heart-

All are broken: from my youth,

Fate has sent me foes implacable,

While my friends all perished in the struggle.

 

Their prophetic songs were left unfinished,

They fell victim to misfortune, were betrayed

In the bloom of life; and now their portraits watch me

From the walls, reproachfully.

 

 

 

The Mourner

 

As to war’s terrors and alarms I list,
When some new victim hath his life-blood shed,
‘Tis not his wife I pity, nor his friend,
Nor grieve I for the hero who is dead.

 

The wife in time will cease to mourn her loss,
The best of friends and comrades will forget;
But there is one who will remember him
Even unto her grave, with eyes still wet.

 

Amid our trivial, hypocritic lives,
The only tears all holy and sincere
That I have seen, are those by mothers shed,
Who sorrow for their children, ever dear.

 

Their children on the bloody field who fell
They ne’er forget, but mourn them all their days.
Like are they to the weeping willow tree,
That never can its drooping branches raise.

 

Nekrasov

Nikolay Nekrasov (4 december 1821 – 8 januari 1878)