Evelyn Waugh, JMH Berckmans, Al Galidi, Uwe Tellkamp, Johannes Daniel Falk, Karl Philipp Conz

De Britse schrijver Evelyn Waugh werd geboren in Londen op 28 oktober 1903. Zie ook mijn blog van 28 oktober 2006 en ook mijn blog van 28 oktober 2007.

 

Uit: Helena

“Her tutor certainly regarded her with aversion as, at once, the symbol of his low condition and the daily task that made that condition irksome. He went by the name of Marcias and was then in the prime of what seemed his manhood; swarthy skin, black beard, beak-nose and homesick eyes spoke of his exotic origin; winter and summer his rheumy cough protested against his exile. Hunting days were his solace when the princess was away from dawn to sunset and he, left sole lord of the schoolroom, could write his letters. These letters were his life; elegant, esoteric, speculative, rhapsodic, they traveled the world from Spain to Bithynia, from free rhetorician to servile poet. They got talked about and had brought Coel more than one offer for his purchase. He was one of the younger intellectuals, but here fate had landed him, in drizzle and draft, the property of a convivial, minor royalty, the daily companion of an adolescent girl. There was no taint of impropriety in their conjunction, for in his boyhood a precocious and transitory taste for the ballet had once caused Marcias to be assigned for the Eastern market and he had been suitably pruned by the surgeon.
“And Helen of the white arms, fair among women, let fall a round tear and veiled her face in shining linen; and Aithre, daughter of Pitheus and the ox-eyed Klymene, attended her to the Scaean Gate. Do you think I read this to amuse myself???”
“It is only the fishermen,” said Helena, “coming up from the sea for tonight’s beano. There’s basketfuls of oysters. Sorry; go on about the ox-eyed Klymene.”
“And Priam, sitting among the elders of his court said: ‘Small wonder that Trojans and Greeks are in arms for Princess Helen. She breathes the air of high Olympus. Sit, dear child; this war is not thine, but of the Immortals.’”
“Priam was a sort of relation of ours, you know.”
“So I have heard your father frequently observe.”
From this sheltered room on a clear day one could descry the sea, but now the distance was lost in mist, which, even as she watched, closed swiftly over marsh and pasture, villas and huts, over the baths where the district commander and his new guest had lately entered, till it filled the ditch and lapped the walls below her; on such a day Helena thought, not for the first time—for such days were common in her bright springtide—on such a day the hilltown, which rose so modestly above the fens, might stand in the clouds among the high winds of the mountains and these squat battlements might overhang a limitless gulf; and while with half her mind she heard the voice behind her—“For she did not know that these, her twin brethren, lay fast in Sparta, in their own land, under the life-giving earth”—she half-sought an eagle mounting from the white void below.”

waugh

Evelyn Waugh (28 oktober 1903 – 10 april 1966)

 

De Vlaamse schrijver JMH Berckmans (Jean-Marie Henri) werd geboren in Leopoldsburg op 28 oktober 1953. Berckmans schreef al sinds de jaren zestig. In de jaren negentig maakte hij kort deel uit van de rockgroep Circus Bulderdrang, samen met o.a. Vitalski en Manu Bruynseraede. Zijn recentste boek uit 2006, Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel, werd uitgegeven door Manteau. Het stond begin 2007 op de longlist van De Gouden Uil Literatuurprijs. Tot zijn dood woonde hij in Antwerpen.

 

Uit: De wortel in de brievenbus

 Daarna zet hij met het telecommando de tv af, doet het licht uit en gaat slapen, ik blijf liggen op de sofa, ik blijf staren naar de onzichtbare muur, ik blijf zoeken naar het ene, enkele, onbedenkbare beeld, misschien is het het beeld van een zwijn, misschien is het het beeld van een nijlpaard, misschien is het het beeld van een sukkelaar in een beige anorak en vettige jeans die onderweg van het ziekenfonds naar De dorstige Haan in z’n broek schijt, misschien zijn het tien triljoen triljard donkerrode bakstenen, wellicht is het een hoest en een scheet, ik weet het niet, ik zal het ook nooit weten, omdat het ene, enkele beeld niet bestaat, omdat alle metaforen zinloos en uitgesloten zijn, omdat alles niets is. Daarom. Omdat alles niets is.”

 

jeanmarie2

JMH Berckmans (28 oktober 1953 – 31 augustus 2008)

 

De Nederlandstalige schrijver Al Galidi (eigenlijk Rodhan Al Khalidi) is van Iraakse afkomst. Zijn geboortedatum is onbekend, omdat zulke gegevens niet geregistreerd worden en verjaardagen niet gevierd worden in zijn streek van herkomst. Hij studeerde in Irak af als bouwkundig ingenieur. In 1998 vluchtte Al Galidi uit Irak en kwam hij toe in Nederland, waar hij asiel aanvroeg. Het asiel werd hem geweigerd en hij is uitgeprocedeerd. Lessen Nederlands mocht hij bijgevolg niet bijwonen. Inmiddels heeft hij een plaats verworven in de Nederlandse literaire wereld als dichter, schrijver en columnist met drie gedichtenbundels, twee romans en drie boeken met gebundelde columns op zijn naam. Hij geeft lezingen door het hele land. In 2007 kon Al Galidi genieten van het generaal pardon in Nederland.

Werk o.a. : Voor de nachtegaal in het ei, 2000 Dagboek van een ezel.2002, Blanke Nederlanders doen dat wél, 2004, De herfst van Zorro, 2006, Dorstige rivier, 2008

 

Uit: IJsjes in alle kleuren

 

Onze tuin stond vol dadelpalmen, granaatappelbomen en druivenstruiken. Al onze bomen gaven vruchten, anders zouden ze verhuizen naar de kleioven. Op een zomerdag zaten wij in de tuin te ontbijten. De tuin gevuld met lawaai. Iedereen praatte met iedereen. Opeens bewoog de lucht en viel er een raket in de tuin. Hij begroef zijn spitse hoofd in de grond zonder te ontploffen. Meteen zwegen wij. Een seconde lang trilde alles. Dadels, granaatappels en druiven vielen op de grond.

‘Het spijt me heel erg als ik jullie ontbijt heb verpest,’ zei de raket, terwijl hij zijn hoofd uit de grond trok en opstond. ‘Maar ze richtten mij op en verbrandden mijn kont om te vliegen en te vallen.’ Rook walmde uit zijn achterwerk. Wij waren bang dat de raket elk moment kon ontploffen en keken angstig naar hem, terwijl hij met zijn magere handen veren en grond van zijn hoofd veegde. ‘Het spijt me als ik al die angst en stilte heb veroorzaakt,’ zei de raket. Hij keek naar de vruchten die zijn val uit de bomen hadden laten vallen en naar het gat in de grond. ‘Het spijt me heel erg,’verzuchtte hij.

‘Alsof ze hem gestuurd hebben om zijn verontschuldigen aan te bieden,’ mompelde een van mijn broers. Mijn vader keek bang naar mijn oudste broer en knikte even met zijn hoofd, waarop mijn oudste broer mijn mompelende broer de tuin uit leidde en even later alleen terug kwam.

‘Maak je geen zorgen,’ zei mijn moeder. ‘Ga zitten en drink thee.’

‘Nee,’ zei de raket. ‘Ik moet koud blijven. Warme dingen laten misschien mijn hart ontploffen.’

‘Drink dan wat sap om jouw rokende kont uit te blazen,’ zei mijn oma. ‘Je hebt vast een lange reis achter de rug.’

‘Misschien is dat een goed idee,’ zei de raket. Met trillende handen brak mijn oudste zus al het ijs uit de diepvries om de sap ijskoud voor de raket te serveren.

‘Zal ik water over uw kont druppelen,’ zei mijn vader glimlachend.

‘Als dat kan,’ zei de raket. Zo snel als ik hem nog nooit had zien lopen, haalde mijn vader de gieter en sproeide hij het water over de dampende kont van de raket, alsof hij net geopende rozen besproeide.

‘Hoe kun jij vliegen, terwijl je van ijzer bent?’, vroeg ik hem.

‘Dat begrijp ik ook niet. Woede van de anderen verbrandde mijn kont, of misschien hun angst. En hup, daar steeg ik op. En hup, daar viel ik weer naar beneden.’

 

De tuin begon zich weer met lawaai te vullen. Mijn zussen raapten de vruchten die uit de bomen waren gevallen bij elkaar. Mijn oudste broers dichtten het gat in de grond. Mijn broertje en ik waren blij. Wij hadden niet door dat iedereen bang was en niet wilde dat de raket dichtbij het huis kwam. Wij begrepen het niet dat er werd gezegd dat de wc kapot was, toen de raket vroeg of hij ervan gebruik mocht maken en hij ergens achter de dadelpalmen ging staan. Een van mijn zussen fluisterde in onze oren dat wij naar de kamer moesten gaan. Daar baden de ouderen uit de familie op hun knieën tot God dat hij de raket kalm zou laten blijven en hem niet het huis binnen zou laten. Onze vader was bleek. Hij zweeg en was niet blij, zoals hij in de tuin bij de raket was.

‘Jongens, neem al dit geld en koop wat je wilt.’

‘IJsjes,’ riepen wij blij. Pas heel laat ontdekte ik dat onze oudste broers en zussen speelden dat ze vrolijk waren om de raket een goed gevoel te geven, zodat hij niet boos zou worden en zou ontploffen.

 

Rodhan_Algalidi

Al Galidi (Al-Najaf, 1971)

 

De Duitse schrijver Uwe Tellkamp werd geboren op 28 oktober 1968 in Dresden.Zie ook mijn blog va
n 14 oktober 2008.

 

Uit: Der Schlaf in den Uhren

 

“”. . . dann ruckte die Straßenbahn wieder an, ließ das Haus mit dem Ochsenauge links liegen, das Antiquariat mit seinen nelkengelb erleuchteten Fenstern, seinen mißtrauischen, geschulten und einsamen älteren Fräulein, die nur von Hermann Hesse und Goethe und Klaus Mann etwas hielten, weniger dagegen von Thomas Mann, die Schierlingsmienen aufsetzten, wenn jemand die hellgrün gebundene Friedrich-Wolf-Ausgabe in fünf Bänden zur Kasse schleppte, die an den Brillen rückten und die Säbel in ihren Augen blankzogen, wenn einer der baskenbemützten Herren oder pickelgeplagten Oberschüler, die schweigend und mit andächtig die Schräglage wechselnden Köpfen – je nach Leserichtung des Buchrückens – vor den Regalen standen, einen der finster drohenden Bände der Pflicht-MEGA, Marx-Engels-Gesamtausgabe, aus ihrem unter dem Staub der Jahre festgekrusteten Verbund brach und tatsächlich die mit Zitterbleistift eingetragene Eins zu bezahlen gedachte – Eins Emm! rief die Verkäuferin der anderen an der Kasse zu, schrie es nachgerade vor Pein, so daß das ganze Geschäft sich nach diesem Übertretling ungeschriebener Gesetze umwandte, . . .”

 

tellkamp_uwe

Uwe Tellkamp (Dresden, 28 oktober 1968)

 

De Duitse dichter, schrijver en theoloog Johannes Daniel Falk werd geboren op 28 oktober 1768 in Danzig. Met een beurs van de senaat ging hij in Halle theologie studeren. Het was de bedoeling dat hij als pastor in Danzig terug zou keren. In plaats daarvan trok Falk als publicist naar Weimar. Tijdens de Franse bezetting van Weimar bezette hij politieke functies om de last van de bezetting te helpen verminderen. Hij stichtte de “Gesellschaft der Freunde in der Not”, die een centrum werd van social werk tijdens de Napoleontische oorlogen. Met kerstmis 1816 dichtte hij voor de kinderen in een weeshuis het “Allerdreifeiertagslied”. Elke strofe begint met de woorden “O du fröhliche”. In de bewerking van Heinrich Holzschuher uit het jaar 1829 is het tot op vandaag als kerstlied bekend.

 

 

O du fröhliche

 

O du fröhliche, o du selige,
gnadenbringende Weihnachtszeit!
Welt ging verloren, Christ ist geboren:
Freue, freue dich, o Christenheit!

 

O du fröhliche, o du selige,
gnadenbringende Weihnachtszeit!
Christ ist erschienen, uns zu versühnen:
Freue, freue dich, o Christenheit!

 

O du fröhliche, o du selige,
gnadenbringende Weihnachtszeit!
Himmlische Heere jauchzen Gott Ehre:
Freue, freue dich, o Christenheit!

 

Falk

Johannes Daniel Falk (28 oktober 1768 – 14 februari 1826)
Geschilderd door Hanna Kohlschein

 

De Duitse dichter en schrijver Karl Philipp Conz werd geboren op 28 oktober 1762 in Lorch. Daar leerde hij in zijn jeugd al Friedrich Schhiller kennen, met wie hij bevriend raakte. Conz studeerde later theologie aan het Tübinger Stift. In 1790 werd hij predikant aan de Karlsakademie in Stuttgart.In 1804 werd hij hoogleraar klassieke talen in Tübingen. Een hoofdwerk heeft hij niet nagelaten. Behalve talrijke kleinere stukken over filologie, esthetiek, filosofie en geschiedenis schreef hij ook gedichten en vertaalde hij werk van Aeschylos, Aristophanes en andere Griekse dichters.

 

 

Der fremde Spielmann (fragment)

 

Was rennen die Straßen auf und ab

die Väter, die Mütter so bange?

“Schon sank hinunter der Sonnenschein,

schon grauet die Nacht von den Bergen herein;

wo bleiben die Kinder so lange?”

 

Als jetzt die Abendglock’ erklang

mit dumpf verhallenden Tönen,

der Pförtner die Tore zu schließen begann,

da wuchs bis zur Verzweiflung an

das tief bekümmerte Sehnen.

 

Ein Spielmann kam gezogen daher,

gar bunt und seltsam geschmücket;

schön weht ihm vom Hute die Feder, ein Band

wallt von der Schulter, in seine Hand

eine goldene Harf man erblicket.

 

Er rührt die Saiten, das klang so süß,

so wunderneu in den Ohren,

es rauschte der Töne bezaubernde Flut,

daß sich in berückender Wollust Glut

die Sinne dem Hörer verloren.

 

conz_karl-philipp

Karl Philipp Conz (28 oktober 1762 – 20 juni 1827)