Michel van der Plas, Masiela Lusha, Augusten Burroughs, Nick Tosches, Adalbert Stifter, Gjergj Fishta, Réstif de la Bretonne

De Nederlandse dichter en schrijver Michel van der Plas werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2006 en ook mijn blog van 23 oktober 2007.

 

Uit : Bertus Aafjes 1914

 

De Aafjes, die priester had willen worden en in 1936, een-en-twintig jaar oud, de studie daartoe (op het groot-seminarie te Warmond) afbrak was nog een idealist. Een kind van de natuur, doordrenkt van zuivere schoonheidsdromen, zag hij zich in staat en misschien wel geroepen een soort ‘Troubadour van God’ te worden: een zwerver met een onbegrensd vertrouwen in hemelse zorg voor de mens, zoals voor leliën des velds en vogelen des hemels, en als zodanig ook exemplarisch voor zijn medemensen. Wereldvreemd? In elk geval ongekunsteld. Een voetreis naar Rome (1946) (overigens als fietstocht begonnen) kon de proef op de som leveren. Het gedicht over die unieke ervaring werd acht jaar later, in de hongerwinter van ’44-’45, geschreven. Het is een sleutelgedicht geworden, getuigend van de spanning tussen het aardse en hemelse, een ontdekkingsreis eindigend in protest tegen de meegekregen moraal, waarin het lichamelijke en het lichaam zelf in het teken van de zonde stonden, èn in een belijdenis, – van geloof in ‘een nieuwe heldere harmonie en zuiverheid’, in onbevlekte aardsheid als bestaansvervulling. Van deze thematiek is Aafjes’ poëzie nauwelijks meer losgekomen, hetzij dat de natuurlijke, aardse gegevenheden er bloemrijklyrisch in bezongen worden, hetzij dat de oude weemoed om de steeds steels terugkerende zedelijke noties weer gevarieerde gestalte krijgt. Ook het andere vroege thema: de onbekommerde zwerflust bleef constant, zowel in poëzie als in proza. In zekere zin is het gehele oeuvre van Aafjes één lang reisverhaal. Een neo-romanticus trekt de wereld door en doet daarvan beurtelings verrukt en verbijsterd verslag. Reizen is het ‘godengeschenk’. De reiziger slurpt gulzig aan de niet aflatende bron van mirakelen; hij bezit een bodemloos vermogen tot verwondering. Zijn goed vertrouwen wordt beschadigd, maar nooit voor lang, zeker niet voorgoed. Titels van gebundelde relazen-onder-weg als De wereld is een wonder (1959), Morgen bloeien de abrikozen (1954), In de schone Helena (1962) verraden levenslust, blijmoedige benadering, nooit verstommende verwachting. Naïviteit lijkt zelfs begrepen te worden als enige aanvaardbare levenshouding die het bestaan dragelijk maakt. Men zwerft met een neo-romanticus door de wereld wiens proza altijd lyrisch is en in wiens poëzie de rozen blijven opengaan. Ergens onderweg, of aan het eind, moet ‘het onzegbaar zuivere’ van vóór Adam’s zondeval, weer opdoemen uit de tijdelijke verduistering van de schepping. Intussen maakt het ervarene, in geschonden staat onuitsprekelijk, eenzaam. Vormt Aafjes’ werk een aaneenschakeling van hymnische momenten, het verantwoordt tegelijk de ‘naamloze droefenis’ van kwetsbaren, gebrokenen: Adam en Eva na de tuin, Van Gogh, een beschadigd kind, het zwarte schaap, de dichter met zijn uiteindelijk geheim in zijn koningsgraf. Het onbedorvene wordt immers zijns ondanks voortdurend aangetast. Zo wordt tenslotte ook de hymne haperend, het vloeiende lied staccato. Rusteloos blijft de geboren ontdekker. Aan verkenningen van de antieke wereld schakelen zich tochten naar de Nieuwe (Logboek voor Dolle Dinsdag, 1956) en mysterieuze duistere (zwart Afrika, Japan).”

 

vanderPlas

Michel van der Plas (Den Haag, 23 oktober 1927)

 

De Albanees-Amerikaanse schrijfster en actrice Masiela Lusha werd geboren op 23 oktober 1985 in Tirana. Haar familie verhuisde eerst naar Boedapest, vervolgens naar Wenen. Toen zij zeven jaar was vestigde zich haar familie tenslotte in Michigan en werd Engels haar vierde taal. Als actrice debuteerde Lusha in de tv-serie Sabrina the Teenage witch. Vervolgens speelde zij in o.a.  Summoning, Cherry Bomb enMy Father’s Eulogy. Zij was ongeveer de jongste schrijfster ter wereld om in 1999 met een boek in twee talen te debuteren: Inner Thoughts. In 2005 volgde Drinking the Moon
.

 

A Man of Forty

 

A man of forty. Forty years the child.
His eyes don’t see me but his mother.
His past. And like a child he wanders
Clean through the tunnels of his time.
And lost logic, and found regret.
His history plays inside his eyes,
and his fingers play with his pain,
He doesn’t play with logic. Logic
Can’t be found in this child’s fate.
And like a mother I care for him.
But I don’t know him- He seems to know me
And cannot smile. His eyes only drift
From my lips, to his mother’s hair;
And without a word, he reveals his wrists.
His manly wrists with tiny spots of pain.
If I could I would kiss his wrists.
If I had half the courage to face his pain.

 

 

 

Drinking the Moon

 

I have planned and dreamt of this trophy of gold,
The halo of silver, around in which it molds.
I have cradles this idea and nursed it to true plan,
I have fed it seeds of confidence, O this is so grand!

How lofty atop your kingdom’s throne you rest,
Pray, dim these stars, for (alone) your grace shines best.
No cloud can cloak your clean face of white,
For however masked, somehow, somewhere, you glow so bright!

You have marked your loyal entrance through water and sky,
I cannot quite reach you, but by me you lie.
A bed of water, I have crafted for you,
So near me you lay when I dream of us two.

 

Lusha

Masiela Lusha (Tirana, 23 oktober 1985)

 

De Amerikaanse schrijver Augusten Xon Burroughs werd geboren op 23 oktober 1965 in Pittsburgh, Pennsylvania. Zijn moeder is de schrijfster Margaret Robinson. Ondanks zijn vroegtijdige schoolverlating slaagde Burroughs erin een dik betaalde baan in de reclamewereld te bemachtigen voordat hij schrijver werd. Hij werd pas goed bekend met zijn memoires Running with Scissors in 2002. In het vervolg daarop Dry uit 2003 beschreef hij zijn behandeling voor alcoholisme. Daarna volgden de essaybundels Magical Thinking (2003) and Possible Side Effects (2006). Zijn eerste roman Sellevision uit 2000 wordt verfilmd.

 

 

Uit: Running with Scissors

 

My mother is standing in front of the bathroom mirror smelling polished and ready; like Jean Nate, Dippity Do and the waxy sweetness of lipstick. Her white, handgun-shaped blow-dryer is lying on top of the wicker clothes hamper, ticking as it cools. She stands back and smoothes her hands down the front of her swirling, psychedelic Pucci dress, biting the inside of her cheek.

“Damn it,” she says, “something isn’t right.”

Yesterday she went to the fancy Chopping Block salon in Amherst with its bubble skylights and ficus trees in chrome planters. Sebastian gave her a shag.

“That hateful Jane Fonda,” she says, fluffing her dark brown hair at the crown. “She makes it look so easy.” She pinches her sideburns into points that accentuate her cheekbones.

People have always said she looks like a young Lauren Bacall, especially in the eyes.

I can’t stop staring at her feet, which she has slipped into treacherously tall red patent-leather pumps. Because she normally lives in sandals, it’s like she’s borrowed some other lady’s feet. Maybe her friend Lydia’s feet. Lydia has teased black hair, boyfriends and an above-ground pool. She wears high heels all the time, even when she’s just sitting out back by the pool in her white bikini, smoking menthol cigarettes and talking on her olive-green Princess telephone. My mother only wears fancy shoes when she’s going out, so I’ve come to associate them with a feeling of abandonment and dread.

I don’t want her to go. My umbilical cord is still attached and she’s pulling at it. I feel panicky.

I’m standing in the bathroom next to her because I need to be with her for as long as I can. Maybe she is going to Hartford, Connecticut. Or Bradley Field International Airport. I love the airport, the smell of jet fuel, flying south to visit my grandparents.

 

I love to fly.

When I grow up, I want to be the one who opens those cabinets above the seats, who gets to go into the small kitchen where everything fits together like a shiny silver puzzle. Plus, I like uniforms and I would get to wear one, along with a white shirt and a tie, even a tie-tack in the shape of airplane wings. I would get to serve peanuts in small foil packets and offer people small plastic cups of soda. “Would you like the whole can?” I would say. I love flying south to visit my grandparents and I’ve already memorized almost everything these flight attendants say. “Please make sure that you have extinguished all smoking materials and that your tray table is in its upright and locked position.” I wish I had a tray table in my bedroom and I wish I smoked, just so I could extinguish my smoking materials.“

 

Augusten_Burroughs

Augusten Burroughs (Pittsburgh, 23 oktober 1965)

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en journalist Nick Tosches werd geboren in 1949 in Newark, New Jersey. Na diverse baantjes begon hij gedichten te schrijven en daarnaast ook artikelen voor rock-‘n’-roll magazines. In 1982 verscheen zijn biografie over Jerry Lee Lewis, Hellfire, waarmee hij zijn naam als belangrijk schrijver vestigde. Hij schreef vervolgens ook nog over de levens van Dean Martin, Michele Sindona, Sonny Liston, Emmett Miller en Arnold Rothstein. Verder schreef Tosches een bundel gedichten Chaldea en de romans Cut Numbers, Trinities en In the Hand of Dante.

 

Uit: Chaldea and I Dig Girls

 

„Jabbo saw himself as he had been, forty years before and more, a child, thumb and forefinger poised apart, breath bated, eyes wide with wonder and expectation, watching a butterfly dance and whirl through the air round a dandelion that sprouted between pavement and curb; watching, watching, waiting for the little white wings to still. He saw the powdery white on his fingertips, like magical traces left behind, when the wings, after his enchantment, were set fluttering free. And he saw himself as he was now, a man crossing a street with madness in his mind and a gun beneath his belt, transfixed by shining black in the black of night. He had seen one of those once, one of the big black-winged butterflies, and butter-winged monarchs too. What a sweet boy, the old ladies had said. He had run from them as they reached out to tousle his hair and pinch his cheeks. Or those legs. Those fucking legs. He could never makeup his mind, even in the old days, even back then. All that flesh, beckoning, maddening. Go wash your face, he told what’s-her-name, that rich bitch, that time, the two of them waking in the soft morning light, him seeing the white trace of himself caked and dried upon her face. It’s only you, sweetest, it’s only you, she said. How that had unnerved him and repelled him and pleased him so. It’s only you, sweetest, it’s only you. And Sally, the first time they made love, her words riding the suff of her heat, the deepening, hastening breath of her body’s rapt rhythmus. I want you to come in my mouth, she said, freed, if only for a moment, in that suff and that rhythmus, and he knew then that she was his, and together they could rob this world of what happiness it hid. But he threw it all away. He always threw it all away. For devotion worked wickedness in Jabbo. Without it, he was like a child in abandonment, insecure and vulnerable, and he craved it; but once he had it, it was as if he were compelled to destroy it, to turn away from or cast away the savioress that embraced him, as if it were not really devotion he craved, but his dismissal of it. For him, devotion was an expression of love to be treasured only in its absence, only in the longing for it. In his grasp, it became the scepter of his tyranny, a thyrsus to be wielded, to batter, to drive away, and finally to break across the broken back of love.“

 

Nick-Tosches

Nick Tosches (Newark, 1949)

 

 

De Oostenrijkse schrijver Adalbert Stifter werd geboren in Oberplan op 23 oktober 1805. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2006 en ook mijn blog van 23 oktober 2007.

 

Uit: Witiko

 

Am oberen Laufe der Donau liegt die Stadt Passau. Der Strom war eben nur aus Schwaben und Bayern gekommen, und netzt an dieser Stadt einen der mittäglichen Ausgänge des bayerischen und böhmischen Waldes. Dieser Ausgang ist ein starkes und steiles Geklippe. Die Bischöfe von Passau haben auf ihm eine feste Burg gebaut, das Oberhaus, um gelegentlich ihren Untertanen Trotz bieten zu können. Gegen Morgen von dem Oberhause liegt ein anderer Steinbühel, auf dem ein kleines Häuslein steht, welches einst den Nonnen gehörte, und daher das Nonngütlein heißt. Zwischen beiden Bergen ist eine Schlucht, durch welche ein Wasser hervorkömmt, das von oben gesehen so schwarz wie Tinte ist. Es ist die Ilz, es kömmt von dem böhmisch-bayerischen Walde, der überall die braunen und schwarzen Wässer gegen die Donau sendet, und vereinigt sich hier mit der Donau, deren mitternächtliches Ufer es weithin mit einem dunkeln Bande säumt. Das Oberhaus und das Nonngütlein sehen gegen Mittag auf die Stadt Passau hinab, die jenseits der Donau auf einem breiten Erdrücken liegt. Weiter hinter der Stadt ist wieder ein Wasser, das aus den fernen mittäglichen Hochgebirgen kömmt. Es ist der Inn, der hier ebenfalls in die Donau geht, und sie auch an ihrer Mittagsseite mit einem Bande einfaßt, das aber eine sanftgrüne Farbe hat. Die verstärkte Donau geht nun in der Richtung zwischen Morgen und Mittag fort, und hat an ihren Gestaden, vorzüglich an ihrem mitternächtigen, starke waldige Berge, welche bis an das Wasser reichende Ausgänge des böhmischen Waldes sind. Mitternachtwärts von der Gegend, die hier angeführt worden ist, steigt das Land staffelartig gegen jenen Wald empor, der der böhmisch-bayerische genannt wird. Es besteht aus vielen Berghalden, langgestreckten Rücken, manchen tiefen Rinnen und Kesseln, und obwohl es jetzt zum größten Teile mit Wiesen, Feldern und Wohnungen bedeckt ist, so gehört es doch dem Hauptwalde an, mit dem es vielleicht vor Jahren ununterbrochen überkleidet gewesen war. Es ist, je höher hinauf, immer mehr mit den Bäumen des Waldes geziert, es ist immer mehr von dem reinen Granitwasser durchrauscht, und von klareren und kühleren Lüften durchweht, bis es im Arber, im Lusen, im Hohensteine, im Berge der drei Sessel und im Blöckensteine die höchste Stelle und den dichtesten und an mehreren Orten undurchdringlichen Waldstand erreicht. Dieser auch jetzt noch große Wald hat in seinen Niederungen vornehmlich die Buche, höher hinauf das Reich der Tanne und des ganzen Geschlechtes der Nadelhölzer, und endlich auf dem Grate der Berge auch oft Knieholz, nicht der Berghöhe, sondern der kalten Winde wegen, die gerne und frei hier herrschen. Von der Schneide des Waldes sieht man in das Tal der Moldau hinab, welche in vielen Windungen und im moorigen Boden, der sich aus dem Walde herausgelöst hat, in die ferneren Gelände hinaus geht”.

 

A_-Stifter-v_-Szekeliy

Adalbert Stifter (23 oktober 1805 – 28 januari 1868)
Portret door Bartholomäus Székely

 

De Albanese dichter, vertaler en pater Franciscaan Gjergj Fishta werd geboren op 23 oktober 1871 in Fishta të Zadrimes. Hij studeerde in Bosnië filosofie en theologie. In 1902 kreeg hij de leiding over het gymnasium van de franciscanen in Shkodra en daar voerde hij het Albanees als onderwijstaal in. Van begin april 1919 tot 1920 was Fishta secretaris van de Albanese delegatie bij de vredesbesprekingen in Parijs. In 1920 kwam hij in het parlement en een jaar later werd hij tot vice-president van het parlement gekozen. In 1924 steunde hij Fan Noli om een democratisch systeem door te voeren in Albanië. Onder het Zogu regieme in 1925/26 ging hij vrijwillig in ballingschap om daarna zijn werk als leraar en schrijver weer op te nemen. Hij had grote invloed op het Albanees als schrijftaal in zijn Gegische (Noordalabanese) vorm.

 

THE HIGHLAND LUTE (fragment)

 

Help me God as you once helped me,
Five hundred years are now behind us
Since Albania the fair was taken,
Since the Turks took and enslaved her,
Left in blood our wretched homeland,
Let her suffocate and wither
That she no more glimpse the sunlight.
That she ever live in sorrow,
That when beaten, she keep silent.
Mice within the walls wept for her,
Serpents under stones took pity!
But when a steer is first yoked under,
Oxbow weighing hard upon it,
There’s no sense at all to goad it,
It will balk, not pull the ploughshare,
Only crisscross fields at fancy,
And make trouble for the farmer,
Will refuse to till the furrows
When alone or with another.
So it is with the Albanians,
Under foreign yoke unwilling
To be slaves, pay tithes and taxes.
Always have they wandered freely,
None but God above them knowing,
Never on their lands and pastures
Would they bow before a master.

 

gjergj_fishta

Gjergj Fishta ( 23 oktober 1871 – 30 december 1940)

 

De Franse schrijver Nicolas Edmonde Restif de La Bretonne werd geboren op 23 oktober 1734 in Sacy bij Auxerre. Sinds zijn vijftiende was La bretonne een geschoolde drukker. Hij werd ook de schrijver van rond 200 boeken die de wetenschap nog niet eens allemaal onderzocht heeft. Hij schreef zedenromans en sociaal utopische werken en schreef op het laatst, om tijd uit te sparen rechtstreeks in de zetkasten van de drukkerij. Vaak wordt hij beschouwd als pure pornograaf. Zijn vrijzinnige schetsen van de lagere standen vormen echter zeker wel een aanvulling op het beeld van de aristocratie dat De Sade gegeven heeft.

 

Uit : LA VIE DE MON PÈRE

 

„Ce Père, si aimable avec les Étrangers, était terrible dans sa Famille : il commandait par un regard, qu’il fallait deviner ; à peine ses Filles (elles étaient au nombre de trois) obtenaient-elles quelqu’indulgence. Je ne parle pas de son Épouse : profondément pénétrée de respect pour son Mari, elle ne voyait en lui qu’un Maître adoré. Quoiqu’elle fût d’une Famille supérieure, puisqu’elle était alliée aux Cœurderoi, dont il y a encore des Présidents au Parlement de Bourgogne, elle se précipitait au-devant de ses moindres volontés ; et lorsqu’elle avait tout fait, un mot de son impérieux Mari la comblait : — Ma Femme, reposez-vous. L’accolade d’un Souverain n’aurait pas flatté davantage un Courtisan.

Mais si Anne Simon respectait son Mari comme un Maître, elle en était bien dédommagée par la tendresse de ses Enfants : tous faisaient avec elle cause commune : au plus léger chagrin, ses Filles l’entouraient, essuyaient ses larmes, et si quelquefois un mot demi-respectueux leur échappait à l’égard de leur Père, Anne reprenait sur-le-champ sa fermeté, et faisait une remontrance vigoureuse.

Pour son Fils, c’était son plus efficace Consolateur. Quelle tendresse ! comme il rendait à sa Mère toute la déférence qu’elle avait pour son Mari ! Aussi Anne disait-elle quelquefois à ses Filles : — Ce que je fais pour un Homme, un Homme le fait pour moi : où est mon mér
ite ? Mes Enfants, si quelquefois j’étais assez malheureuse pour avoir une pensée de révolte contre mon Mari, cette seule idée la chasserait : C’est le Père d’Edmond.

La manière dont Edmond R. témoignait sa tendresse à sa Mère était toute active : S’il se trouvait présent lorsqu’elle était grondée par un Mari impérieux, il n’allait pas faire à son Père des caresses qu’il aurait repoussées ; il embrassait sa Mère, et choisissait cet instant pour lui rendre compte de quelques ordres qu’elle lui avait donnés, et qu’il avait exécutés avec succès. Le Maître fier, préférait alors de s’adresser à sa Femme ; il adoucissait le ton, et se retirait calmé.

La première éducation extérieure, c’est-à-dire, hors de la maison paternelle, fut donnée à Edmond par deux Personnes également respectables, et telles, que c’est le plus grand bonheur pour des Paroisses, quand il s’en trouve de pareilles : je veux dire, le Curé de Nitri, et son Maître d’école, le respectable Berthier, dont le nom, au bout de quatre-vingts ans, est encore en bénédiction dans le pays. Quelle glorieuse noblesse, que celle-là !…

Ce Maître d’école était marié, et chargé de beaucoup d’Enfants : cependant, il s’acquittait de son devoir d’une manière si exacte, si généreuse, si belle ; sa qualité, de Père de famille le rendait si respectable que sa conduite serait la meilleure preuve, que le célibat n’est pas une condition avantageuse dans les Personnes chargées de l’instruction, et même dans les Ministres des Autels. Loin de là ; tout Célibataire est égoïste ; il l’est par nécessité ; qui ne tient à Personne, suppose que Personne ne tient à lui ; il faut une vertu au delà des termes ordinaires, pour qu’un Célibataire ait de la vertu comme certains Curés. Ils n’en sont que plus respectables, sans doute : mais doit-on rendre la vertu si difficile ! Quand viendront les temps !… Hélas ! on me fera peut-être un crime de ce souhait patriotique !“

 

Restif

Réstif de la Bretonne (23 oktober 1734 – 3 februari 1806)