Tariq Ali, Doeschka Meijsing, Martin Bril, Mehdi Charef, Martin Roda Becher, Allen Hoey, Nikos Engonopoulos, Patrick Kavanagh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge

 De Pakistaanse auteur, journalist en filmmaker Tariq Ali werd geboren in Lahore op 21 oktober 1943. Tariq Ali studeerde aan de Universiteit van Oxford waar hij betrokken raakte bij de politieke studentenbeweging, vooral de beweging tegen de Vietnamoorlog. Na zijn studies leidde hij de Vietnam Solidarity Campaign. Hij richtte een eigen onafhankelijk televisiemaatschappij op, Bandung, die programma’s maakte voor Channel 4 gedurende de jaren tachtig van de vorige eeuw.

Hij schrijft artikelen en essays voor weekbladen en kranten zoals The Guardian en The London Review of Books. Hij is tevens de uitgeefdirecteur van de Londense filosofische uitgeverij VERSO en zetelt in de raad van het bekende New Left Review, waarvoor hij ook als redacteur werkt. Zijn fictie-werk omvat een reeks historische romans over de islam: Shadows of the Pomegranate Tree (1992), The Book of Saladin (1998), The Stone Woman (2000) en A Sultan in Palermo (2005). Enkele van zijn belangrijkste essays: 1968:Marching in the Streets (1998), een sociale geschiedenis van de sixties. Een verzameling essays, The Clash of Fundamentalisms, verscheen in 2002. In dit boek vergelijkt hij het religieuze moslimfundamentalisme van Al Qaida met het marktfundamentalisme van de Verenigde Staten. Ali behoort tot de belangrijkste internationale publicisten, essayisten en activisten in verband met de problematiek van migratie, islam en culturele integratie.

 

Uit: Shadows of the Pomegranate Tree

 

“The five Christian knights summoned to the apartment of Ximenes de Cisneros did not welcome the midnight call. Their reaction had little to do with the fact that it was the coldest winter in living memory. They were veterans of the Reconquest. Troops under their command had triumphantly marched onto Gharnata seven years before and occupied the city in the name of Ferdinand and Isabella.

 

None of the five men belonged to the region. The oldest amongst them was the natural son of a monk in Toledo. The others were Castilians and desperate to return to their villages. They were all good Catholics, but did not want their loyalty taken for granted, not even by the Queen’s confessor. They knew how he had had himself transferred from Toledo where he was the Archbishop to the conquered city. It was hardly a secret that Cisneros was an instrument of Queen Isabella. He wielded a power that was not exclusively spiritual. The knights were only too well aware how a defiance of his authority would be viewed by the Court.

 

The five men, wrapped in cloaks but still shivering from the cold, were shown into Cisneros’ bed-chamber. The austerity of the living conditions surprised them. Looks were exchanged. For a prince of the Church to inhabit quarter more suited to a fanatical monk was unprecedented. They were not used to a prelate who lived as he preached. Ximenes looked up at them and smiled. The voice which gave them their instructions had no clang of command. The knights were taken aback. The men from Toledo whispered loudly to his companions: ‘Isabella has entrusted the keys of the pigeon-house to a cat.’

 

Cisneors choose to ignore this display of insolence. Instead, he raised his voice slightly.


‘I wish to make it clear that we are not interested in the pursuit of any personal vendettas. I speak to you with the authority of both Church and Crown.’
 

 

Tariq Ali

Tariq Ali (Lahore,  21 oktober 1943)

 

 

De Nederlandse schrijfster Doeschka Meijsing werd geboren in Eindhoven op 21 oktober 1947. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2007.

 

Uit: Robinson

 

“ ‘Bezoek? Wie?’
‘Daniël Bierwolf,’ zei haar moeder en toen Robinson snel uit bed gleed en in haar kleren schoot, besloot ze toch maar op de rand van het bed plaats te nemen.
‘Ik moet zeggen dat je smaak me meevalt, het is een heel aardige jongen en manieren heeft hij ook.’
‘Hm,’ zei Robinson en trok een knoop uit haar haren.
‘Ik heb me wel eens zorgen gemaakt dat je nooit een vriendje mee naar huis nam, Robinson, al zei je vader ook steeds dat dat z’n tijd nodig had. Hij zal ook heel tevreden zijn met deze jongen. Je moet hem de volgende week eens uitnodigen als je vader thuis is.’ Robinson dacht: hij komt er niet meer in, daar beginnen we niet aan.”

(…….)

 

“Toen ze de straat overstaken om aan te bellen, gaf Daniël haar een arm. De etalageruit van de boekwinkel waarboven ze woonde weerspiegelde hen, een aangenaam paar. Alles leek Robinson helder en vrolijk, de lucht tintelde van verwachting. Daniëls lichte stap naast haar getuigde van eenzelfde uitbundigheid. Hij keek haar aan met zijn lichte ogen en knipoogde. Ze knipoogde stralend terug. Misschien was ze wel verliefd.”

 

Meijsing

Doeschka Meijsing (Eindhoven, 21 oktober 1947)

 

 

De Nederlandse columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Na een studie filosofie in Groningen, waar hij schreef voor het GSb-blad Nait Soez’n, ging Bril naar de Nederlandse Filmacademie in Amsterdam. Bril schreef jarenlang columns in onder andere Het Parool. Sinds september 2001 schrijft hij dagelijks in De Volkskrant. Verder publiceert hij in Vrij Nederland het wekelijks feuilleton Evelien, waarvan onder regie van Rita Horst een televisieserie werd gemaakt. In 2006 schreef Martin Bril het Groot Dictee der Nederlandse Taal.

 

Uit: HET EINDE VAN DE ZOMER

 

„Het is bijna herfst. De kastanjebomen kleuren oranje. Het is zondagochtend en stil in de binnentuin. De stilte klinkt anders dan een maand geleden. Het is moeilijk om er de vinger op te leggen. Het is gewoon zo. De herfst brengt een nieuwe stilte met zich mee. Een bedrukte stilte, zou ik willen zeggen. Er zit vocht en kou in de lucht.

De tomatenplant heeft zich vergist. Hij staat in bloei. Een klein geel bloemetje heeft de kop opgestoken. Aan de plant hangen nog drie tomaten. Een is rood en dik, klaar om geplukt te worden. De andere twee zijn groen. Ze groeien nog iedere dag, maar het is duidelijk dat ze niet rood meer zullen worden. Ze vangen te weinig zonlicht. De zon verdomt het om nog hoog in de lucht te klimmen. Hij trekt een slome bocht door het zwerk, en gaat dan onder achter de huizen.

De hortensia heeft het ook gezien – de bloemen die er nog aan hangen hebben een grijzige kleur, paars en blauw schemeren er moeizaam doorheen. Ergens aan de binnentuin draait iemand Let’s Get It On van Marvin Gaye – geen nummer dat ik met de herfst associeer, maar dat geeft niet, een mooi nummer blijft het.

Wat nog meer?

Op het kleine balconnetje van de nieuwe achterbuurvrouw staat een bankstel, overtrokken met plastic. In haar keuken staan verhuisdozen hoog opgetast. Er is kennelijk iets met haar vloer aan de hand; verkeerd gelegd tapijt, bubbels in het zeil, planken die nog een keer in de lak moeten, zoiets. Twee weken geleden nam ze trots haar intrek in het appartement. Haar ouders waren op bezoek om te helpen; moeder sopte de keuken, vader hanteerde de boor om ingelijste posters op te hangen.“

 

Martin_Bril

Martin Bril (Utrecht, 21 oktober 1959)

 

 

De Frans-Algerijnse schrijver en regisseur Mehdi Charef werd geboren op 21 oktober 1952 in Maghnia in Algerije. Toen hij tien jaar was kwam hij in Frankrijk te wonen, waar hij in verschillende steden en ook in de voorsteden van Parijs woonde. Van 1970 tot 1983 werkte hij als scharenslijper in een fabriek. Costa- Gavraz raadde hem aan om zijn roman Le Thé au harem d’Archi Ahmed te verfilmen. In 2005 schreef hij zijn eerste stuk voor het theater met de titel „1962“, dat handelt over het einde van de Algerijnse oorlog.

 

Uit: Entretien avec Mehdi Charef

 

« Pour moi, l’Algérie, c’est l’enfance. Quand j’y retourne, je ne vois pas l’Algérie, je la revois. Ce que je ressens le plus, c’est la Guerre d’Algérie. Je suis né en 1954, juste avant le début des combats. Et j’ai quitté ce pays pour la France en 1962. Je n’ai donc pas eu de chance, car je n’y ai vécu que la guerre. Pour moi, ce pays, c’est la peur. On avait peur tout le temps. Mon père n’était pas là. Il était dans l’immigration. Il revenait tous les deux ans. Avec ma mère et mon frère, nous avions peur en permanence. Des cousins ont été tués par l’armée française. Je suis un enfant qui a grandi dans la guerre. C’est pourquoi j’ai mis un temps fou pour y retourner de moi-même. J’avais alors 38 ans. J’avais l’impression qu’il y avait encore la guerre, que les mêmes craintes resurgiraient. C’était ancré en moi. J’y suis revenu à la fin des années 90, en plein intégrisme, et la peur est revenue très vite. Il y avait des barrages partout. On ne savait jamais s’ils étaient vrai ou faux. Je n’y suis pas retourné depuis. J’avais fait le déplacement parce que je voulais faire un film sur mon enfance, sur un gamin au milieu de la guerre. Je voulais donc voir si l’Algérie de mes souvenirs existait encore, si mon école, le terrain de foot étaient encore là. J’ai alors revu une tante avec qui j’avais grandi et qui venait de se faire répudier par son mari. Une très belle femme. Je me suis mis à regarder les autres femmes et j’ai alors changé de scénario. Cela a donné La Fille de Keltoum. Initialement je voulais faire un film plutôt drôle sur un enfant. Pendant la guerre, vers 1961, je vendais des journaux. J’allais chez les gens, je voyais plein de monde. Je les vendais dans les camps militaires, chez les flics, le coiffeur, aux bourgeois, aux pauvres. J’ai donc beaucoup d’anecdotes. Je ferai ce film. J’en ai toujours envie. Je désire montrer mes amis, des juifs, des arabes, des français. J’étais assez privilégié, car dans mon quartier cohabitaient les trois communautés, d’habitude isolées les unes des autres. On jouait ensemble. Après je les ai vus partir un par un. Je souhaite raconter ça, l’horreur du retour en France. »

 

Charef

Mehdi Charef (Maghnia, 21 oktober 1952)

 

 

De Duitse schrijver en criticus Martin Roda Becher werd geboren in New York op 21 oktober 1944. Hij is een zoon van de schrijver Ulrich Becher en een kleinzoon van de Oostenrijkse schrijver Alexander Roda Roda. Toen hij vier jaar was kwamen zijn ouders naar Europa n Roda Becher groeide op in Wenen, Berlijn en München. In 1955 verstigde de familie zich in Basel.  Van 1965 tot 1968 volgde Becher een opleiding tot acteur en regisseur in Zürich. Daarna werkte hij als regie-assistent en als draaiboekschrijver. Tegenwoordig leeft hij als zelfstandig schrijver in Basel.

 

Werk: o.a: Saison für Helden, 1970, Die rosa Ziege, 1975, Der rauschende Garten, 1983, Spiel mit Scheinen, 2006

 

Uit: Dauergäste (2000)

 

„Meine Mutter war bei ihren Eltern, den Rodas, untergekommen, diein einem Apartmenthaus an Manhattans endlos langer WestendAvenue wohnten. Sie führt auf der Westseite des Central Park, vonder Höhe des Broadway bis nach Harlem; auf der Höhe der 88.Straße, wo das Apartmenthaus lag, war die Gegend nicht mehrbesonders vornehm. Hauptsächlich jüdische Emigranten wohnten indem Haus. Mein Vater Uli lebte in Yorkville, dem deutschen Viertelauf der gegenüberliegenden Seite des Central Park. Er wohnte dort ineiner winzigen Mansarde in Untermiete, während seine Eltern feudalin einem Hotel an der Parc Avenue residierten. Die Geburtsklinikenwaren in diesen Jahren überfüllt, deshalb kam ich in einem Spital inHarlem zur Welt. Hitlerdeutschland lag zwar zur Zeit meiner Geburtschon in den letzten Zügen, das hinderte Uli nicht daran, mir in derStunde der Entbindung vor einem Spiegel mit einem Glas Weinzuzuprosten, auf daß ich ein guter Kämpfer gegen den Faschismuswerde.Mein Großvater Roda hatte weiterreichende Pläne: als gebürtigemAmerikaner stünde meiner künftigen Bewerbung um dieUS-Präsidentschaft nichts im Weg, wie er gelegentlich, halb imScherz, bemerkte. Doch die Vorstellung einer erfolgreichen Laufbahnseines Enkels wird ihn ernsthaft beschäftigt haben. Er war einversierter Stratege. Mit seiner Schwester Mi hatte er ein Autorenduogebildet, unzählige Geschichten, Anekdoten, Novellen kamen ausihrer Werkstatt. Die Geschwister Roda hatten sich den AutorennamenRoda Roda gegeben, und nach der Heirat von Mi, die von ihremMann Schreibverbot erhielt, blieb Alexander Roda bei demAutorendoppelnamen, der seinen Ruhm als scharfzüngigen Satirikerbegründet hatte.Den Grundstein für eine solide amerikanische Karriere legte er,indem er dafür sorgte, daß ich protestantisch getauft wurde. ZurPatenschaft hatte sich George Grosz bereit erklärt, Ulis langjährigerFreund und Saufkumpan, in dessen Berliner Atelier erVorzugsschüler gewesen war und der, bereits in den frühenDreißigern in die USA ausgewandert, zurückgezogen auf Long Islandlebte.“

 

rodabecher

Martin Roda Becher (New York, 21 oktober 1944)

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en criticus Allen Hoey werd geboren op 21 oktober 1952 in Kingston, New York. Hij studeerde o.a. aam de Syracuse University in New York Engels en creatief schrijven. In 1985 werd hij docent aan het Ithaca College, in 1990 aan het Bucks County Community College in Pennsylvania, in de buurt van Philadelphia. Daar doceert hij literatuur, schrijven en boeddhisme.

 

 

Four AM

I might’ve listened to music, but then
the sound would’ve woken her, though I
could’ve used the ear buds, but they make me
feel too deeply packed inside my head,
the entire world reduced to whatever
lies within the tunnel of my immediate
focus. I might’ve listened to music, but
then I’d have had to have chosen whether
country or jazz, or maybe Domenico
Zipoli’s “Adagio for oboe, cello, organ,
and stringed orchestra” in which the plaintive
tones of the oboe chase the bowed
dolor of the cello all the way to God
in their amazing bliss. I might’ve listened
to music, but then I would’ve missed
the notes of the day’s first bird sliding
easily through the opened window
moments before the first light made
its display in the east, above the new-leafed
trees, and another, then another join.

allen_hoey

Allen Hoey (Kingston,  21 oktober 1952)

 

 

De Griekse dichter en schilder Nikos Engonopoulos werd geboren op 21 oktober 1907 in Athene. In 1932 begon hij te studeren aan School voor Schone Kunsten in Athene bij Konstantinos Parthenis en in de studio van Photios Kontoglou. In die tijd ontmoette hij kunstenaars als de dichter Andreas Embirikos en de schilders Giorgio de Chirico en Yannis Moralis. Zijn eerste expositie kwam in 1938. Kort daarna publiceerde hij vertalingen van de dichter Tristan Zara, een paar maanden later weer gevolgd door zijn eerste eigen bundel (Engelse titel Do Not Distract the Driver). In 1939 verscheen zijn tweede bundel The Clavicembalos of Silence. Engonopoulos wordt beschouwd als een van de belangrijkste surrealistische dichters van Griekenland.

 

 

THE LIFE AND DEATH OF POETS

 

Sinope

is the name

? the official one ?

of the “Cloud-City”

also called “City of Fires”

which

lies somewhere over

in

South America

this watery

and most likely Hellenistic

city

hangs in the skies

like a baton

and is placed with certainty

by the experts

at times exactly in the middle

of a straight line

drawn between Maracaibo

and Valparaíso

in Chile

and at others

between Maracaibo again

and

Elbassan

there

as the houses are all made of fires

the inhabitants live in the flames

are burned constantly

and reborn constantly

from their ashes

unaltered like

the phoenix

bird

there in this very place

was born ? as is well-known ?

the great Greek poet of

antiquity

Alector

during the course of excavations

there was found among the ruins

a strange poem

? from that time ?

written on ordinary paper

with alternate

iron and bronze joints

and ink from tears

the said poem was as follows:

“follow the firs of Fatius

to see the swimmer?s swirl”

because of the presence of the word

“swimmer”

the poem was attributed

? initially ?

to the great

Isidore Ducasse*

who happened to originate from

those

parts

after ? however ? due consideration

it was attributed finally

? and now

irrevocably ?

to some woman called

Fair Lady

probably better known by

her foreign

name

Bella donna

 

Nikos_Engonopoulos

Nikos Engonopoulos (21 oktober 1907 – 31 oktober 1985)

 

 

De Ierse dichter Patrick Kavanagh werd geboren op 21 oktober 1904 in County Monaghan. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2006.

 

Memory of My Father

 

Every old man I see

Reminds me of my father

When he had fallen in love with death

One time when sheaves were gathered.

 

That man I saw in Gardiner Street

Stumble on the kerb was one,

He stared at me half-eyed,

I might have been his son.

 

And I remember the musician

Faltering over his fiddle

In Bayswater, London.

He too set me the riddle.

 

Every old man I see

In October-coloured weather

Seems to say to me

“I was once your father.”

 

 

 

Lines Written on a Seat on the Grand Canal, Dublin

 

‘Erected to the memory of Mrs. Dermot O’Brien’

 

O commemorate me where there is water,

Canal water, preferably, so stilly

Greeny at the heart of summer. Brother

Commemorate me thus beautifully

Where by a lock niagarously roars

The falls for those who sit in the tremendous silence

Of mid-July.  No one will speak in prose

Who finds his way to these Parnassian islands.

A swan goes by head low with many apologies,

Fantastic light looks through the eyes of bridges –

And look! a barge comes bringing from Athy

And other far-flung towns mythologies.

O commemorate me with no hero-courageous

Tomb – just a canal-bank seat for the passer-by.

 

kavanagh

Patrick Kavanagh (21 oktober 1904 – 30 november 1967)

 

 

De Franse dichter en schrijver Alphonse de Lamartine werd geboren op 21 oktober 1790 in Mâcon. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2006.

 

 

Chant d’amour (I)

Naples, 1822.

Si tu pouvais jamais égaler, ô ma lyre,
Le doux frémissement des ailes du zéphyre
À travers les rameaux,
Ou l’onde qui murmure en caressant ces rives,
Ou le roucoulement des colombes plaintives,
Jouant aux bords des eaux ;

Si, comme ce roseau qu’un souffle heureux anime,
Tes cordes exhalaient ce langage sublime,
Divin secret des cieux,
Que, dans le pur séjour où l’esprit seul s’envole,
Les anges amoureux se parlent sans parole,
Comme les yeux aux yeux ;

Si de ta douce voix la flexible harmonie,
Caressant doucement une âme épanouie
Au souffle de l’amour,
La berçait mollement sur de vagues images,
Comme le vent du ciel fait flotter les nuages
Dans la pourpre du jour :

Tandis que sur les fleurs mon amante sommeille,
Ma voix murmurerait tout bas à son oreille
Des soupirs, des accords,
Aussi purs que l’extase où son regard me plonge,
Aussi doux que le son que nous apporte un songe
Des ineffables bords !

Ouvre les yeux, dirais-je, ô ma seule lumière !
Laisse-moi, laisse-moi lire dans ta paupière
Ma vie et ton amour !
Ton regard languissant est plus cher à mon âme
Que le premier rayon de la céleste flamme
Aux yeux privés du jour.

lamartine

Alphonse de Lamartine (21 oktober 1790 – 28 februari 1869)

 

 

De Engels dichter en criticus Samuel Taylor Coleridge werd geboren op 21 oktober 1772 in Ottery St. Mary, Devonshire. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2006.

 

Youth and Age

Verse, a breeze ‘mid blossoms straying,
Where Hope clung feeding, like a bee –
Both were mine! Life went a-maying
With Nature, Hope, and Poesy,
When I was young!
When I was young? -Ah, woeful When!
Ah! for the change ‘twixt Now and Then!
This breathing house not built with hands,
This body that does me grievous wrong,
O’er aery cliffs and glittering sands
How lightly then it flashed along,
Like those trim skiffs, unknown of yore,
On winding lakes and rivers wide,
That ask no aid of sail or oar,
That fear no spite of wind or tide!
Nought cared this body for wind or weather
When Youth and I lived in’t together.

Flowers are lovely; Love is flower-like;
Friendship is a sheltering tree;
O the joys! that came down shower-like,
Of Friendship, Love, and Liberty,
Ere I was old!
Ere I was old? Ah woeful Ere,
Which tells me, Youth’s no longer here!
O Youth! for years so many and sweet
‘Tis known that Thou and I were one,
I’ll think it but a fond conceit –
It cannot be that Thou art gone!
Thy vesper-bell hath not yet tolled –
And thou wert aye a masker bold!
What strange disguise hast now put on,
To make believe that thou art gone?
I see these locks in silvery slips,
This drooping gait, this altered size:
But Springtide blossoms on thy lips,
And tears take sunshine from thine eyes:
Life is but Thought: so think I will
That Youth and I are housemates still.

Dew-drops are the gems of morning,
But the tears of mournful eve!
Where no hope is, life’s a warning
That only serves to make us grieve
When we are old:
That only serves to make us grieve
With oft and tedious taking-leave,
Like some poor nigh-related guest
That may not rudely be dismist;
Yet hath out-stayed his welcome while,
And tells the jest without the smil

Coleridge

Samuel T. Coleridge (21 oktober 1772 – 25 juli 1834)