Wolfgang Hilbig, Elizabeth von Arnim, William Saroyan, Théophile Gautier

De Duitse dichter en schrijver Wolfgang Hilbig werd geboren in Meuselwitz op 31 augustus 1941. Hilbig woonde en werkte jarenlang in Oost-Duitsland, alvorens hij zich in West-Duitsland vestigde. Tijdens zijn Oost-Duitse periode was hij in eerste instantie in verscheidene technische banen werkzaam, onder meer als stoker. Eind jaren zeventig gaf hij daar de brui aan en besloot zich geheel toe te leggen op het schrijven, in eerste instantie voornamelijk van gedichten. Uitgebracht werk in West-Duitsland deed hem een paar weken in voorarrest belanden en leverde hem een geldboete op omdat hij zich hiermee aan een deviezenmisdrijf zou hebben schuldig gemaakt. In 1985 wist hij een visum voor West-Duitsland te bemachtigen en verkaste naar dat land. In 1989 debuteerde Hilbig met zijn eerste roman, Eine Übertragung, die lovende kritieken ontving. In 1993 kwam Ich uit, een roman waarin vanuit het perspectief van een informant van de Stasi de laatste periode van de DDR wordt beschreven en waarmee hij de meeste bekendheid verwierf. Daarna verschenen nog een aantal andere werken, waaronder Das Provisorium (2000) dat autobiografisch is getint. Centraal in zijn boeken staat het dubbelleven als arbeider en schrijver in de DDR en de zoektocht naar individualiteit. Hij ontving tijdens zijn leven een heel scala aan prijzen, waaronder op het laatst – in 2002 – ook de gerenommeerde Georg-Büchner-Preis, de hoogste literatuurprijs van Duitsland. Wolfgang Hilbig overleed op 2 juni jongstleden aan kanker.

 

Blätter und Schatten

icht neu kann sein was du beginnst –

denn immer nimmst du was dir längst gegeben

und gibst es hin:

                                    wie in der Liebe da es mir gebricht

an jeder Kenntnis: rot wie die Buchen Laub verstreun

maßlos am Wegrand wo ich schon sehr frühe ging …

und kannte nicht den Weg

                                                und kenn ihn jetzt noch nicht

und kenne nicht das Kind des Schatten mir vorausläuft

und weiß nichts von der Sonne die ihr rotes Gold

dem Blattwerk einbrennt.

                                                Und weiß nicht mehr den Herbst

der ernst in meinem Rücken ging und dem ich Schatten

war: stets neu entworfner Schatten ungezählter Herbste.

 

 

Berlin. Sublunar

 

Die Zeit ist wieder eingekehrt in Berlin

und die Hochstapler defilieren in der Oranienburger Straße

um Mitternacht gen Himmel deutend: die Zeit

ist retour aus dem Exil.

 

Die ganze Stadt in den Fesseln silbergrauer Magie

der Vollmond rollt: und wir die Marionetten seines Lichts –

Unwirklichkeiten die uns glänzend informieren.

Wir und die Toten

                                          über Schattengräben wandelnd

wir sprechen uns ein letztes Mal die Unsterblichkeit zu.

O dieser stark leuchtende Staub zwischen den Investruinen

und welcher April noch so kurz vor dem dritten Jahrtausend!

Wir wollen nicht mehr weiterzählen

 

die grünen Wasser in den alten Häusern brennen langsam ab.

 

 

 

L’île Méditérranée

 Wenn Weißdorn ausbricht in der Nacht die mein

Erleuchten ist dann träum ich plötzlich dort zu sein

auf jener Insel: doch der Traum ist dein …

 

Auch mein Herz will die Insel deines Traums bewahren –

dein Traum in meinem Traum: wie eine Insel in der Nacht …

dein Tag in meiner Nacht … des Weißdorns Düfte sind erwacht

mit einem Mal …

                                    und es ist Zeit für dich dorthin zu fahren

wo stärker noch die Düfte sind und helle Quellen im Gestein.

 

Ah diese Wasser rinnen auch durch meiner Träume Widerschein

und durch die Felsenmulden ziehn die Rinder der Korsaren.

 

Hilbig_Wolfgang

Wolfgang Hilbig (31 augustus 1941 – 2 juni 2007)

 

De Engelse schrijfster Elizabeth von Arnim, nicht van Katherine Mansfield, werd op 31 augustus 1866 geboren in Kirribilli Point in de buurt van Sydney, Australië. Ze trouwde eerst met graaf von Arnim, met wie ze vijf kinderen had, en later met graaf Russell, broer van Bertrand. Haar eerste en meest succesvolle roman, Elizabeth en haar Duitse tuin (1898), is een sfeervol portret van de jaren die ze met haar eerste echtgenoot doorbracht op het landgoed van de familie in Pommeren. Daar creëerde en vereeuwigde ze de plek die haar zo na aan het hart stond – haar tuin.

Uit: Elizabeth and Her German Garden

 “‘I enjoyed the winter immensely,’ I persisted when they were a little quieter; ‘I sleighed and skated, and then there were the children, and shelves and shelves full of—‘ I was going to say books, but stopped.  Reading is an occupation for men; for women it is a reprehensible waste of time.  And how could I talk to them of the happiness I felt when the sun shone on the snow, or of the deep delight of hoar-frost days?'”

 

Arnim

Elizabeth von Arnim (31 augustus 1866 – 9 februari 1941)

 

De Amerikaanse schrijver William Saroyan werd geboren op 31 augustus 1908 in Fresno, Californië. Zie ook mijn blog van 31 augustus 2006.

 

 

Uit: Here Comes There Goes You Know Who

 

“I believed from the beginning of remembered experience that I was somebody with an incalculable potential for enlargement, somebody who both knew and could find out, upon whom demands could be made with the expectation of having them fulfilled.

I felt at the same time, and pretty much constantly, that I was nothing in relation to Enormity, the Unknown, and the Unknowable. I was too vulnerable, too lacking in power, a thing of subtle reality, liable to be blown away without a moment’s warning, a migrant with no meaning, no guide, no counsel, an entity in continuous transition, a growing thing whose stages of growth always went unnoticed, a fluid and flawed thing. Thus, there could be no extreme vanity in my recognition of myself, if in fact there could be any at all. I did frequently rejoice in the recognition, but I may have gotten that from some of the Protestant hyms I had heard, and knew, and had sung, such as Joy to the World. The simple fact was that if the song wasn’t about me, I couldn’t see how it could possibly be about anybody else, including the one I knew it was supposed to be about, and good luck to him, too.”

 

Sayoran

William Saroyan (31 augustus 1908 – 18 mei 1981)

 

De Franse dichter en schrijver Théophile Gautier werd op 31 augustus 1811 geboren in Tarbes (departement Hautes-Pyrénées). Zie ook mijn blog van 31 augustus 2006.

 

 

Adieux à la poésie

 

Allons, ange déchu, ferme ton aile rose ;
Ôte ta robe blanche et tes beaux rayons d’or ;
Il faut, du haut des cieux où tendait ton essor,
Filer comme une étoile, et tomber dans la prose.

Il faut que sur le sol ton pied d’oiseau se pose.
Marche au lieu de voler : il n’est pas temps encor ;
Renferme dans ton coeur l’harmonieux trésor ;
Que ta harpe un moment se détende et repose.

Ô pauvre enfant du ciel, tu chanterais en vain
Ils ne comprendraient pas ton langage divin ;
À tes plus doux accords leur oreille est fermée !

Mais, avant de partir, mon bel ange à l’oeil bleu,
Va trouver de ma part ma pâle bien-aimée,
Et pose sur son front un long baiser d’adieu !

 

 

Sérénade

 

Sur le balcon où tu te penches
Je veux monter… efforts perdus !
Il est trop haut, et tes mains blanches
N’atteignent pas
mes bras tendus.

Pour déjouer ta duègne avare,
Jette un collier, un ruban d’or ;
Ou des cordes de ta guitare
Tresse une échelle, ou bien encor…

Ôte tes fleurs, défais ton peigne,
Penche sur moi tes cheveux longs,
Torrent de jais dont le flot baigne
Ta jambe ronde et tes talons.

Aidé par cette échelle étrange,
Légèrement je gravirai,
Et jusqu’au ciel, sans être un ange,
Dans les parfums je monterai !

 

gautier

Théophile Gautier (31 augustus 1811 – 23 oktober 1872)

Jiří Orten, Libuše Moníková, Mary Shelley

De Tsjechische dichter Jiří Orten (eig. Jiří Ohrenstein) werd geboren op 30 augustus 1919 bij Kutná Hora. Hij studeerde vreemde talen en bezocht ook het conservatorium in Praag. Dat laatste was geen succes.In 1939 en 1940 werd hij wegens zijn joodse afkomt uitgesloten. Daarna publiceerde hij onder de namen Karel Jílek en Jiří Jakub. Hij nam deel aan dichtersavonden en aan het studententheater, waarbij hij ook als acteur optrad. Op zijn 22e verjaardag werd hij door een Duitse ziekenauto aangereden. Hij stierf twee dagen later.

  

At Night

 

The bread of prayer is begged bread.

And the night wind of humiliation wildy squeals.

 

You shine at each other only,

lights.

 

Requiem, pain-quieting,

the rain plays darkly on brows.

 

And one tone deeper, hunger,

cannot grasp the sacrifice, the vain, the most vain,

 

by which, to life and love, you gave your word,

for which you died.

 

4.iii.1940

 

 

Orten2

 Jiří Orten (30 augustus 1919 – 1 september 1941)

 

 

 

De Duitstalige, Tsjechische schrijfster Libuše Moníková werd geboren op 30 augustus 1945 in Praag. Daar studeerde zij tot 1968 germanistiek. Om politieke redenen emigreerde zij in 1971 naar de BRD. Daar werkte zij op verschillende plaatsen als docente. Vanaf 1981 woonde zij als zelfstandig schrijfster in Berlijn. Tot de schrijvers die van invloed waren op haar werk behoren Kafka, Borges en Arno Schmidt.

 

Uit: Lebendiges Feuer

 

“Das einzige, was die Tochter nach dem Tod ihrer Mutter aus dem Konzentrationslager bekam, war ein Zahn. “Ich wollte dir eine Freude machen”, sagte die Frau aus Ravensbrück, die ihn brachte, zu der sechzehnjährigen Jana. Dazu kamen Berichte, Zeugnisse von Mitgefangenen, die überlebt hatten, die Zeichnung einer Polin aus dem Lager. Aber erst der Zahn, “das Bruchstück ihres Lächelns”, brachte der Tochter den unumstößlichen Beweis, daß ihre Mutter, Milena Jesenská, tot war.

Das letzte Mal, als Jana Cerná ihre Mutter gesehen hatte, war auf dem Flur der Gestapo in Prag im Sommer 1940. Mager, das Haar hing bis auf die Schultern, vorspringende Backenknochen und riesige blaue Augen. Sie erkannte sie erst an ihrem Hinken. Die Berichte der Frauen aus Ravensbrück verbanden sich mit früheren Erinnerungen von Freunden, Feinden, von Mitarbeiterinnen aus der Redaktion, mit eigenen Erfahrungen der Tochter. Aber ein klares Bild wollte sich nicht einstellen.

Ende der sechziger Jahre sollte ein mühsam erstellter Erinnerungsband von Jesenskás Freundin Jaroslava Vondrácková auf Umwegen in Kafkas deutschem Verlag publiziert werden. Nach Jahren Bedenkzeit hat der Verlag noch ein Gutachten eingeholt, das dem umfangreichen Manuskript attestierte: “Keine nennenswerte Bedeutung in bezug auf Kafka.”

 

monikova

 Libuše Moníková (30 augustus 1945 – 12 januari 1998)

 

De Engelse schrijfster Mary Wollstonecraft Shelley werd geboren op 30 augustus 1797. Zie ook mijn blog van 30 augustus 2006.

Uit: Frankenstein

“To Mrs. Saville, England St. Petersburgh, Dec. 11th, 17–

You will rejoice to hear that no disaster has accompanied the commencement of an enterprise which you have regarded with such evil forebodings. I arrived here yesterday; and my first task is to assure my dear sister of my welfare, and increasing confidence in the success of my undertaking.

I am already far north of London; and as I walk in the streets of Petersburgh, I feel a cold northern breeze play upon my cheeks, which braces my nerves, and fills me with delight. Do you understand this feeling? This breeze, which has travelled from the regions towards which I am advancing, gives me a foretaste of those icy climes. Inspirited by this wind of promise, my day dreams become more fervent and vivid. I try in vain to be persuaded that the pole is the seat of frost and desolation; it ever presents itself to my imagination as the region of beauty and delight. There, Margaret, the sun is for ever visible, its broad disk just skirting the horizon, and diffusing a perpetual splendour. There–for with your leave, my sister, I will put some trust in preceding navigators–there snow and frost are banished; and, sailing over a calm sea, we may be wafted to a land surpassing in wonders and in beauty every region hitherto discovered on the habitable globe. Its productions and features may be without example, as the phenomena of the heavenly bodies undoubtedly are in those undiscovered solitudes. What may not be expected in a country of eternal light? I may there discover the wondrous power which attracts the needle; and may regulate a thousand celestial observations, that require only this voyage to render their seeming eccentricities consistent for ever. I shall satiate my ardent curiosity with the sight of a part of the world never before visited, and may tread a land never before imprinted by the foot of man. These are my enticements, and they are sufficient to conquer all fear of danger or death, and to induce me to commence this laborious voyage with the joy a child feels when he embarks in a little boat, with his holiday mates, on an expedition of discovery up his native river. But, supposing all these conjectures to be false, you cannot contest the inestimable benefit which I shall confer on all mankind to the last generation, by discovering a passage near the pole to those countries, to reach which at present so many months are requisite; or by ascertaining the secret of the magnet, which, if at all possible, can only be effected by an undertaking such as mine.

 MaryShelley2

Mary Shelley (30 augustus 1797 – 1 februari 1851)

Maurice Maeterlinck, Hugo Brandt Corstius, Thom Gunn, Lukas Hartmann

De Belgische schrijver Maurice Maeterlinck werd geboren op 29 augustus 1862 in Gent. Zie ook mijn blog van 29 augustus 2006.

Feuillage du coeur

Sous la cloche de cristal bleu

De mes lasses mélancolies,

Mes vagues douleurs abolies

S’immobolisent peu à peu:

 

Végétations de symboles,

Nénuphars mornes des plaisirs,

Palmes lentes de mes désirs,

Mousses froides, lianes molles.

 

Seul, un lys érige d’entre eux,

Pâle et rigidement débile,

Son ascension immobile

Sur les feuillages douloureux,

 

Et dans les lueurs qu’il épanche

Comme une lune, peu à peu,

Elève vers le cristal bleu

Sa mystique prière blanche.

 

 

Lassitude

Ils ne savent plus où se poser ces baisers,

Ces lèvres sur des yeux aveugles et glacés;

Désormais endormis en leur songe superbe,

Ils regardent rêveurs comme des chiens dans l’herbe,

La foule des brebis grises à l’horizon,

Brouter le clair de lune épars sur le gazon,

Aux caresses du ciel, vague comme leur vie;

Indifférents et sans une flamme d’envie,

Pour ces roses de joie écloses sous leur pas;

Et ce long calme vert qu’ils ne comprennent pas.

 

 

 

Ame de nuit

Mon âme en est triste à la fin;

Elle est triste enfin d’être lasse,

Elle est lasse enfin d’être en vain,

Elle est triste et lasse à la fin

Et j’attends vos mains sur ma face.

 

J’attends vos doigts purs sur ma face,

Pareils à des anges de glace,

J’attends qu’ils m’apportent l’anneau;

J’attends leur fraîcheur sur ma face,

Comme un trésor au fond de l’eau.

 

Et j’attends enfin leurs remèdes,

Pour ne pas mourir au soleil,

Mourir sans espoir au soleil !

J’attends qu’ils lavent mes yeux tièdes

Où tant de pauvres ont sommeil !

 

Où tant de cygnes sur la mer,

De cygnes errants sur la mer,

Tendent en vain leur col morose,

Où, le long des jardins d’hiver,

Des malades ceuillent des roses.

 

J’attends vos doigts purs sur ma face,

Pareils à des anges de glace,

J’attends qu’ils mouillent mes regards,

L’herbe morte de mes regards,

Où tant d’agneaux las sont épars !

maeterlinck

 

Maurice Maeterlinck (29 augustus 1862 –  6 mei 1949)

 

De Nederlandse schrijver en wetenschapper Hugo Brandt Corstius werd geboren in Eindhoven op 29 augustus 1935. Zowel in de alfa- als in de bètawetenschappen heeft hij zijn sporen verdiend. Hij is onder andere, als columnist, bekend geworden onder zijn pseudoniemen Piet Grijs, Stoker en Battus. Brandt Corstius studeerde wiskunde te Amsterdam waar zijn interesse voor het nieuwe vakgebied informatica gewekt werd. Hij promoveerde in 1970 op een proefschrift over computertaalkunde en werkte aanvankelijk bij het Mathematisch Centrum in Amsterdam. Bij het grote publiek is hij vooral bekend vanwege zijn letterkundige kant, te weten: als columnist voor met name Vrij Nederland en de Volkskrant en als taalkundige en literatuurcriticus.

 

Uit: Eetgeenvlees

 

“Als ik zeg dat ik zeker weet dat u van dieren houdt, dan bedoel ik helemaal niet alleen maar zo’n individuele huisgenoot met een eigen naam, een eigen verjaardag en een enkele slechte eigen gewoonte, zoals sterven vóórdat u het doet. Ik heb het niet over uw lapjeskat of uw langweiler, zelfs niet over uw parkietjes in hun vrolijke vogelkooitje, of uw konijntje of haasje of marmotje in zijn gezellig getraliede hokje.
Nee, u houdt ook hartstochtelijk van olifanten en giraffen, die zo lekker groot zijn met hun neuzen en nekken. U kijkt graag naar zebra’s en vlinders met hun fantasierijke beschilderingen. U geniet van het gewaggel der pinguïns en het gefladder der zwaluwen. Misschien koopt u zelfs een onderwaterbril om octopus en schildpad naar elkaar te zien happen. Misschien staat u zondags vroeg op om met vrienden door verrekijkers meeuwen en leeuweriken te bewonderen, die zelf hoog in de lucht, en zonder verrekijkers, naar de grond kijken of daar misschien een lekkere vette worm of een mals muisje valt te vinden. […]
U geeft graag geld aan de dierenbescherming. U huivert als er in Groningen met een geweer een mus wordt doodgeschoten. U vindt het heel erg om te horen dat nog geen eeuw geleden melkboeren een trekhond onder hun melkkar vastbonden en dat arme beest de hele dag  afbeulden. Die melkboeren hadden zichzelf moeten afbeulen. U vindt het heerlijk om met uw automobiel over een zesbaansweg te rijden waaronder een eenbaanstunneltje is gegraven voor das, eekhoorn en hermelijn.”

 

Cortius

Hugo Brandt Corstius (Eindhoven, 29 augustus 1935)

 

De Engelse dichter Thomson („Thom“) William Gunn werd geboren op 29 augustus 1929 in Gravesend, Kent. Beide ouders waren journalisten. Toen Gunn negen jaar was lieten zij zich scheiden. Zes jaar later pleegde zijn moeder zelfmoord. Tot 1953 studeerde Gunn literatuur in Cambridge. Sinds 1954 woonde hij in de VS en doceerde daar van 1958 tot 1966 en van 1973 tot 1990 aan de University of California (Berkeley). Samen met Philip Larkin en Kinsley Amis was hij mede-oprichter van The Movement. Hij was een van de belangrijkste Britse dichters uit de vorige eeuw. Gunn schreef meer dan dertig dichtbundels en andere boeken.

A Map of the City

 

I stand upon a hill and see
A luminous country under me,
Through which at two the drunk sailor must weave;
The transient’s pause, the sailor’s leave.

I notice, looking down the hill,
Arms braced upon a window sill;
And on the web of fire escapes
Move the potential, the grey shapes.

I hold the city here, complete;
And every shape defined by light
Is mine, or corresponds to mine,
Some flickering or some steady shine.

This map is ground of my delight.
Between the limits, night by night,
I watch a malady’s advance,
I recognize my love of chance.

By the recurrent lights I see
Endless potentiality,
The crowded, broken, and unfinished!
I would not have the risk diminished.

 

 

The Man with Night Sweats

 

I wake up cold, I who
Prospered through dreams of heat
Wake to their residue,
Sweat, and a clinging sheet.

My flesh was its own shield:
Where it was gashed, it healed.

I grew as I explored
The body I could trust
Even while I adored
The risk that made robust,

A world of wonders in
Each challenge to the skin.

I cannot but be sorry
The given shield was cracked,
My mind reduced to hurry,
My flesh reduced and wrecked.

I have to change the bed,
But catch myself instead

Stopped upright where I am
Hugging my body to me
As if to shield it from
The pains that will go through me,

As if hands were enough
To hold an avalanche off.

 

gunn

Thom Gunn (29 augustus 1929 – 25 april 2004)

 

De Zwitserse schrijver Lukas Hartmann (eig. Hans-Rudolf Lehmann) werd geboren op 29 augustus 1944 in Bern. Hij studeerde muziek, germanistiek en psychologie. Hartmann schrijft voor zowel volwassenen en kinderen verhalen en romans.

 

Uit: Die Deutsche im Dorf

 

“Vor vielen Jahren, als ich noch ein halbes Kind war, haben wir zu dritt einen Menschen in den Tod getrieben. Das hat mein Leben überschattet, ohne dass ich es wusste; geahnt habe ich es freilich schon lange. Erst im vergangenen November wurde mir klar, was damals, 1967, wirklich geschah. Die volle Wahrheit lässt sich nicht ergründen; wir setzen unsere Erinnerungen ohnehin aus Bruchstücken zusammen. Aber was ich inzwischen herausgefunden habe, verändert den Blick auf mich und meine damaligen Freunde in verstörender Weise.

Das Dorf, aus dem ich stamme, liegt im Hügelgebiet, am Rande des Emmentals, dort, wo die schrundige Landschaft allmählich sanfter wird. Der Dorfkern besteht aus wenigen Häusern, die sich auf einem Plateau zusammendrängen. An der Straßengabelung stehen die beiden größten Gebäude einander schräg gegenüber: das Schulhaus mit dem Türmchen und die Wirtschaft mit dem Ochsen auf dem Schild. Folgt man der Straße nach rechts bis zur Kurve, steht man vor dem kleinen, von einer Thujahecke eingefassten Friedhof, der beinahe ans Schulhaus grenzt; folgt man der Straße nach links, gelangt man zur Poststelle, danach zum Lebensmittelladen und zur Käserei, die zwischen Häusern mit Riegelfronten steht. Es war so, als ich ein Kind war, es ist noch heute so. Das jüngste Gebäude, jenseits des Friedhofs und zwei Steinwürfe vom Schulhaus entfernt, ist die kleine Villa am Eingang des Dorfs. Sie wurde ein paar Jahre vor meiner Geburt erbaut und galt als protzig. Ein Arzt aus dem nahe gelegenen Landstädtchen hatte geplant, darin den Ruhestand zu verbringen. Er starb kurz nach dem Einzug, und von da an wohnte in der Villa allein seine Witwe, Frau Stucki, eine gebürtige Deutsche.”

 

Lukas_Hartmann

Lukas Hartmann (Bern, 29 augustus 1944)

Goethe, A. Moonen, Rita Dove, Janet Frame, William Robertson Davies

De Duitse dichter en schrijver Johann Wolfgang von Goethe werd geboren op 28 augustus 1749 in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 31 augustus 2006.

Uit: Die Leiden des jungen Werthers

 

“Wie froh bin ich, daß ich weg bin! Bester Freund, was ist das Herz des Menschen! Dich zu verlassen, den ich so liebe, von dem ich unzertrennlich war, und froh zu sein! Ich weiß, du verzeihst mir’s. Waren nicht meine übrigen Verbindungen recht ausgesucht vom Schicksal, um ein Herz wie das meine zu ängstigen? Die arme Leonore! Und doch war ich unschuldig. Konnt’ ich dafür, daß, während die eigensinnigen Reize ihrer Schwester mir eine angenehme Unterhaltung verschafften, daß eine Leidenschaft in dem armen Herzen sich bildete? Und doch – bin ich ganz unschuldig? Hab’ ich nicht ihre Empfindungen genährt? Hab’ ich mich nicht an den ganz wahren Ausdrücken der Natur, die uns so oft zu lachen machten, so wenig lächerlich sie waren, selbst ergetzt? Hab’ ich nicht – o was ist der Mensch, daß er über sich klagen darf! Ich will, lieber Freund, ich verspreche dir’s, ich will mich bessern, will nicht mehr ein bißchen Übel, das uns das Schicksal vorlegt, wiederkäuen, wie ich’s immer getan habe; ich will das Gegenwärtige genießen, und das Vergangene soll mir vergangen sein. Gewiß, du hast recht, Bester, der Schmerzen wären minder unter den Menschen, wenn sie nicht – Gott weiß, warum sie so gemacht sind! – mit so viel Emsigkeit der Einbildungskraft sich beschäftigten, die Erinnerungen des vergangenen Übels zurückzurufen, eher als eine gleichgültige Gegenwart zu ertragen.

Du bist so gut, meiner Mutter zu sagen, daß ich ihr Geschäft bestens betreiben und ihr ehstens Nachricht davon geben werde. Ich habe meine Tante gesprochen und bei weitem das böse Weib nicht gefunden, das man bei uns aus ihr macht. Sie ist eine muntere, heftige Frau von dem besten Herzen. Ich erklärte ihr meiner Mutter Beschwerden über den zurückgehaltenen Erbschaftsanteil; sie sagte mir ihre Gründe, Ursachen und die Bedingungen, unter welchen sie bereit wäre, alles herauszugeben, und mehr als wir verlangten – kurz, ich mag jetzt nichts davon schreiben, sage meiner Mutter, es werde alles gut gehen. Und ich habe, mein Lieber, wieder bei diesem kleinen Geschäft gefunden, daß Mißverständnisse und Trägheit vielleicht mehr Irrungen in der Welt machen als List und Bosheit. Wenigstens sind die beiden letzteren gewiß seltener.”

 

goethe(26)

Johann Wolfgang von Goethe (28 augustus 1749 – 22 maart 1832)
Hier 26 jaar oud.

 

De Nederlandse schrijver Arie Wilhelmus Pieter Moonen, beter bekend als A. Moonen (spreek uit: ‘a-punt-moonen’) werd geboren in Rotterdam op 28 augustus 1937.Na allerlei kortdurende werkkringen te hebben gehad, leefde hij lange tijd van een uitkering in Den Haag en later in Amsterdam. Moonen schreef voor het Amsterdamse studentenweekblad Propria Cures.

“Zalf voor de dood” was het boek waarmee Moonen had willen debuteren maar hij kon het pas in 1980 uitgebracht krijgen. Daarom was “Stadsgerechten” uit 1977 zijn eigenlijke debuut. Het betreft een autobiografische en verwarde weergave in de vorm van een dagboek van zijn kleinschalige leven waarin met name zijn aparte seksuele voorkeuren worden beschreven. Zie ook mijn blog van 31 januari 2007.

 

Uit: Waakvlamseks

“Ik kon op een klapstoeltje aan een tafel plaatsnemen en kreeg aldra een glas cola te drinken. Eerst meende ik een lange smalle doos met kapotjes overhandigd te krijgen, doch bij inspectie bleek het een keurig verpakt gastendoekje met Safe Sex erop geborduurd te zijn. Verder werd ik nog een anuscondoom rijker gemaakt. Volgens een woordvoerder hadden de rondlopende personen drempelvrees om zich bij ons te voegen. Het begon te schemeren. Er werd een kleine dildo op tafel geplaatst om mij aan te leren hoe ook in het donker een kapotje over een stijve indringer gestroopt moest worden. Ik vertelde nog een vaste partner te hebben en dat wij nooit condooms gebruikten. Nadat ik de waakvlamafgezanten had verlaten, genoot ik in de ondertussen donkere koelte van wijds uitzicht over de kralingse plas. Thuis wachtten de vijf katten mij op. Precies als de rotterdamse pikonttreksters kon ik weer eens ongeneukt naar bed.

Langzaamaan kom ik dan eindelijk weer terug in mijn vakgebied op zondagavond de zevende september binnen tuinkamer. Een dag eerder was de vaste partner eindelijk verschenen. Ik werd platgeneukt, gebeten en gelikt. Onze samenvoeging speelde zich af terwijl bekant de ganse wereldbevolking via de buis gelegenheid geboden kreeg de begrafenis van hun mediamadonna te overkiekelen, om maar niet met hun eigen al of niet dagschotelachtige besognes geconfronteerd te hoeven worden.”

 

Moonen

A. Moonen  (28 augustus 1937 – 24 januari 2007

 

De Amerikaanse schrijfster en dichteres Rita Frances Dove werd geboren op 28 augustus 1952 in Akron, Ohio. In 1987 ontving zij de Pulitzer prijs voor haar gedichtencyclus Thomas and Beulah. De inspiratie ervoor vond zij in het levensverhaal van haar grootouders. Die hadden in de eerste helft van de 20e eeuw de zuidelijke staten verlaten om in het noorden naar werk te zoeken. Van 1993 tot 1995 was Rita Dover Poet Laureate van de VS. Zij was zowel de jongste persoon aan wie die eer te beurt viel als ook de eerste persoon van afro-amerikaanse afkomst.

History


Everything’s a metaphor, some wise
guy said, and his woman nodded,
wisely.


Why was this such a discovery
to him? Why did history happen
only on the outside?


She’d watched an embryo track
an arc across her swollen belly from
the inside and knew she’d best
think knee, not tumor or burrowing mole,
lest it emerge a monster.


Each craving marks the soul:
splashed white upon a temple the dish
of ice cream, coveted, broken
in a wink, or the pickle duplicated
just behind the ear.


Every wish will find its symbol,
the woman thinks.

 

 

 

Adolescence II


Although it is night,
I sit in the bathroom, waiting.
Sweat prickles behind my knees,
the baby-breasts are alert.
Venetian blinds slice up the moon;
the tiles quiver in pale strips.


Then they come, the three seal men
with eyes as round As dinner plates
and eyelashes like sharpened tines.
They bring the scent of licorice.
One sits in the washbowl,


One on the bathtub edge;
one leans against the door.
“Can you feel it yet?” they whisper.
I don’t know what to say, again.
They chuckle,


Patting their sleek bodies with
their hands.
“Well, maybe next time.”
And they rise, Glittering like pools
of ink under moonlight,


And vanish. I clutch at the
ragged holes
They leave behind, here at
the edge of darkness.


Night rests like a ball of fur
on my tongue.

 

dove_rita

Rita Dove (Akron, 28 augustus 1952)

 

De Nieuw-Zeelandse dichteres en schrijfster Janet Frame werd geboren in Dunedin en groeide op in Oamaru. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2006.

The Happy Prince

 

In the children’s record of the Happy Prince,

before each gold flake is peeled from the Prince’s body,

the voice orders, Turn the Page, Turn the Page,

supposing that children do not know when to turn,

and may live at one line for many years,

sliding and bouncing boisterously along the words,

breaking the closed letters for a warm place to sleep.

Turn the Page, Turn the Page.


By the time the Happy Prince has lost his eyes,

and his melted heart is given to the poor,

and his body taken from the market-place and burned,

there is no need to order, Turn the Page,

for the children have grown up, and know when to turn,

and knowing when, will never again know where.

 

janetframe,0

Janet Frame (28 augustus 1924 – 29 januari 2004)
Jonger en ouder.

 

De Canadese schrijver William Robertson Davies werd geboren op 28 augustus 1913 in Thamesville, Ontario, Zie ook mijn blog van 28 augustus 2006.

 

Uit: The Diary of Samuel Marchbanks (1947)

 

“Some people I know were telling me of a curious experience which they had recently; they put a collection of old and rejected household articles in their car and drove to a dump to dispose of them. While busy at the dump, they were accosted by a strange figure, a woman of tall and stately presence, wearing a paper crown and carrying a staff in her hand, who strode majestically through the avenues of ashes, tin cans, dishonoured wash-boilers and superannuated bathtubs, attended by a rabble of admiring children. This apparition hailed my friends in a strange, incoherent, but musical language, and her breath was richly perfumed with bay-rum, or it may have been lilac lotion; she was in fact as high as a kite and as mimsy as a borogrove. Having said her say, she strode off in queenly style, and she and her raffish crew were soon lost in the mazes of the dump… My theory is that this was Titania, the fairy queen, fallen upon evil days, but magnificent in ruin; or it may simply have been some rumdumb old bag with a sense of humour. In either case the matter is worth investigating.”

 

 

Robertson

William Robertson Davies (28 augustus 1913 – 2 december 1995)

Kristien Hemmerechts, Tom Lanoye, Cecil Scott Forester

De Belgische schrijfster Kristien Hemmerechts werd geboren in Brussel op 27 augustus 1955. Hemmerechts studeerde Germaanse filologie in Brussel en Leuven. In 1986 promoveerde zij op het proefschrift A Plausible Story and a Plausible Way of Telling It: A structuralist analysis of Jean Rhys’s novels. Zij debuteerde in 1986 als schrijfster van fictie, met drie Engelstalige verhalen in de bundel First fictions, Introduction 9. Haar eerste novelle was Een zuil van zout uit 1987, waarvoor zij meteen de Prijs van de provincie Brabant ontving. In 1990 kreeg zij de Vlaamse driejaarlijkse Staatsprijs voor proza; vanuit Nederland volgden in 1993 een nominatie voor de AKO Literatuurprijs voor Kerst en andere liefdesverhalen en de eerste Frans Kellendonkprijs voor haar gehele oeuvre. In 1998 verscheen Taal zonder mij, een autobiografisch essay over Hemmerechts’ overleden echtgenoot, de bekende Vlaamse dichter Herman de Coninck. Hemmerechts schrijft romans, verhalen, reisverhalen en essays. Ook heeft zij een aantal scenario’s geschreven voor korte films.

Uit: In mijn hoofd

“Hij is mijn hoer. Ik bewaar hem in een doosje. Als ik zin heb, mag hij eruit. Ik wil zijn lichaam niet zien. Ik wil het zo min mogelijk voelen. Ik wil het niet laten genieten. Begrijp me niet verkeerd. Als het toevallig zou genieten, heb ik daartegen geen bezwaar, ik ben geen onmens. Integendeel. Ik zoen hem zelfs, niet omdat ik daartoe behoefte voel maar omdat hij dat lijkt te willen. Men zegt: hoeren zoenen niet. Ik zeg: waarom zouden ze niet zoenen, als ze beffen, afzuigen, neuken? De vraag is eerder: waarom zou je een hoer zoenen? Je streelt toch ook geen hoer. Een hoer bestaat om plezier te geven, niet te ontvangen. Daarvoor heeft een hoer alweer andere hoeren. Wil je een hoer zoenen, zoen hem/haar dan. Wil hij/zij jou zoenen en het stoort je niet, laat hem/haar begaan. Zo denk ik daarover. Mijn hoer vertelt zelfs veel. Hij spreekt over een vrouw die hij kent. Ik laat hem spreken, maar stel geen vragen. Ik wil zo weinig mogelijk vernemen over deze vrouw van wie hij zegt dat hij met haar hoopt te trouwen zodra dat mogelijk wordt, ze is nog altijd getrouwd met een man, een oudere, ziekelijke man. Vreemd toch hoe hij denkt dat dit me interesseert. Toch snoer ik hem niet de mond, met een kus bijvoorbeeld.Je kan heel goed mensen de mond snoeren met een kus, het is een veel efficiëntere methode dan met een prop of met een halsdoek. Je brengt je gezicht dicht bij dat van de andere, fluistert: ik hou van jou als je boos bent / als je geanimeerd praat / als je je opwindt, en plaatst vervolgens je lippen op die van de andere. Zo en niet anders wordt iemand de mond gesnoerd. (Nee, ook kan iemands mond worden gesnoerd door de persoon vast te binden op een stoel, benen aan een stoelpoot, armen achter de leuning, en door vervolgens de neus van de vastgebondene dicht te knijpen zodat hij/zij gedwongen wordt zijn/haar mond te openen. Allerlei voorwerpen en/of lichaamsdelen kunnen dan naar binnen worden geschoven. Er zou dringend een lijst moeten worden opgesteld van alles wat een lichaam in en uit kan.”

 

Hemmerechts

Kristien Hemmerechts (Brussel, 27 augustus 1955)

 

De Belgische schrijver Tom Lanoye werd geboren te Sint-Niklaas op 27 augustus 1958. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2006.

 

De Kathedraal antwoordt
(a capella, door La Esterella)

allez –
wie dat er daar is
hallo –
zegt dat ’t niet waar is

na jaren & jaren & jaren & jaren & jaren
dat ik hier wind en sneeuw en zon heb staan vergaren
dat ik met vlag en pluim en wimpel heb staan zwaaien
met mijn kantelen en mijn klokken heb staan draaien
al jaren & jaren & jaren & jaren & jaren
uw attentie & verlangen heb proberen vangen
mijn repertoir’ en mijne nikkel heb af staan draaien
met concêrs van beiaard & gezangen & fanfaren
na jaren & jaren & jaren & jaren & jaren

amaai –
nu komt er 1 gedichtje
amaai –
nu zie ik uw gezichtje

maar ik zên zo blâ zo blâ zo blâ zo blâ zo blâ
ik zên van â
en gâ van mâ
van mâ van mâ
van mâ van mâ

(mijn jeugdig onbezonnen tjsoepke)
(mijn stevig geformeerd betonnen poepke)
(mijn ferm geblokt en opgeschoten sjoeke)
(mijn uit de kluiten goed gewassen piezeloeke)

en toch:

ochââârm –
het zal niet mogen zijn
ochââârm –
het is alleen maar schijn

want tussen u en mij?
daar ligt dus wel 1 plein en een paar eeuwen tussen
nooit zullen gij en ik mekaar zelfs kunnen kussen
wij moeten ons met één gedachte leren sussen:
ooit zal de wereld wel vergaan
ooit zullen wij niet langer staan
ooit vallen gij en ik op onze sjokkedeizen
en kunnen wij malkander met vermengend stof & gruis
voor eeuwig onze liefde carrément en kuis bewijzen

tot zo lang kan er mij geen andere bekeren of bekoren
al zijn we dan geboren en gezworen alletwee een toren
al zijn we dan van steen en staan we ver uiteen
ik wacht op u
ik smacht naar u
per saecula saeculorum:
vaneen en
toch bijeen
nog jaren & jaren & jaren & jaren & jaren
vaneen en
toch bijeen
vaneen en
toch bijeen
vaneen en
toch bijeen
(herhalen en wegfaden)

TomLanoye

Tom Lanoye (Sint-Niklaas, 27 augustus 1958)

 

De Engelse schrijver Cecil Scott Forester (pseudoniem van Cecil Lewis Troughton Smith) werd geboren in Cairo, Egypte, op 27 augustus 1899. Hij verwierf faam met zijn serie boeken rond Horatio Hornblower en met zijn roman The African Queen. Forester was de zoon van een in Egypte voor het ministerie van onderwijs werkzame ambtenaar. In 1901 vertrok zijn moeder met de vijf kinderen naar Engeland, waar hij zijn scholing ontving. Een medische studie brak hij af om zich geheel aan het schrijverschap te kunnen wijden. Zijn carrière kwam slechts langzaam op gang. Aanvankelijk schreef hij enkele romans en biografieën. Voor de roman Payment Deferred uit 1926 kreeg hij goede kritieken. Het werd bewerkt voor toneel in 1931 en verfilmd in 1932, met in de hoofdrol Charles Laughton.

Zijn reputatie nam toe met de publicatie van Death to the French in 1932 en The Gun in 1933. In 1935 verscheen de klassiek geworden roman The African Queen, in 1951 succesvol verfilmd door John Huston, met hoofdrollen voor Humphrey Bogart en Katherine Hepburn.

In 1937 verscheen The Happy Return, het eerste boek uit de serie rond Horatio Hornblower. De verhalen over Hornblowers carrière en over het leven op zee tijdens de Napoleontische oorlogen bezorgden Forester grote faam, die tot op de dag van vandaag voortduurt. In de jaren ’90 werd een televisieserie gemaakt op basis van de boeken.

 

Uit: The African Queen

 

“The damp heat of the African forest seemed to be in—tensified with the coming of the night, which closed in upon them while they prayed. The hands which Rose clasped together were wet as though dipped in water, and she could feel the streams of sweat running down be—neath her clothes as she knelt, and forming two little pools at the backs of her bent knees. It was this sensation which helped most to reconcile RoseÌs conscience to the absence, in this her approaching middle age, of her corset Ûa garment without which, so she had always been taught, no woman of the age of fourteen and up—wards ever appeared in public. A corset, in fact, was quite an impossibility in Central Africa, although Rose had resolutely put aside, as promptings of the evil one, all the thoughts she had occasionally found forming in her mind of wearing no underclothing at all beneath her white drill frock.

Under the stress of this wet heat that notion even re—turned at this solemn moment of prayer, but Rose spurned it and bent her mind once more with anguished intensity to the prayer which Samuel was offering in his feeble voice and with his halting utterance. Samuel prayed for heavenly guidance in the ordering of their lives, and for the forgiveness of their sins. Then, as he began to utter his customary petition for the blessing of God upon the mission, his voice faltered more and more.”

 

csforester

Cecil Scott Forester (27 augustus 1899 – 2 april 1966)

Christopher Isherwood, Guillaume Apollinaire, Walter Helmut Fritz, Joachim Zelter, Julio Cortázar, Jürgen Kross, Jules Romains, Joachim Helfer, Ludwig Aurbacher, Boris Pahor

De Brits-Amerikaanse schrijver Christopher William Bradshaw Isherwood werd geboren op 26 augustus 1904 in Disley in het graafschap Cheshire in Engeland. Zie ook mijn blog van 26 augustus 2006.

Uit: Goodbye to Berlin (Vertaald door Willem van Toorn)

 

Vandaag was ik vroeg in de avond in de Bülowstrasse. Er was een grote nazi-bijeenkomst geweest in het Sportpalast en er kwamen net groepen jongens en mannen naar buiten met hun bruine en zwarte uniformen aan. Voor me op het trottoir liepen drie SA-mannen. Ze droegen alle drie een nazivlag over hun schouder als een geweer, het doek stijf om de stok gerold – de vlaggenstokken hadden scherpe metalen spitsen, als pijlpunten.
Plotseling stonden de drie mannen tegenover een jongen van een jaar of zeventien, achttien met burgerkleren aan, die zich in tegengestelde richting voorthaastte. Ik hoorde een van de nazi’s schreeuwen: “Dat is hem!” en meteen wierpen ze zich alledrie op de jongen. Hij slaakte een kreet en probeerde weg te komen, maar ze waren hem te vlug af. In minder dan geen tijd hadden ze hem in de schaduw van een huisingang gedrongen en stonden ze over hem heen gebogen; ze trapten en staken op hem in met de scherpe metalen spitsen van hun vlaggen. Dat gebeurde allemaal zo ongelooflijk snel dat ik mijn ogen nauwelijks kon geloven – de SA-mannen hadden hun slachtoffer al laten liggen en baanden zich een weg door de menigte; ze renden naar de trap van de luchtspoorweg. Inmiddels stonden er tientallen mensen te kijken. Ze leken verrast, maar niet bijzonder geschokt – dat soort dingen gebeurde tegenwoordig te vaak. “Allerhand…..”, mompelden ze. Een meter of twintig verderop, op de hoek van de Potsdamer Strasse, stond een groep zwaarbewapende politieagenten. Met hun borst vooruit en hun handen aan hun knuppels waren ze veel te groot om aandacht aan het voorval te schenken…”

isherwood

Christopher Isherwood (26 augustus 1904 – 4 januari 1986)

 

De Franstalige schrijver en dichter Guillaume Apollinaire werd in Parijs geboren op 26 augustus 1880. Zie ook mijn blog van 26 augustus 2006.

Le poète

Le Christ n’est donc venu qu’en vain parmi les hommes
Si des fleuves de sang limitent les royaumes
Et même de l’Amour on sait la cruauté
C’est pourquoi faut au moins penser à la Beauté
Seule chose ici-bas qui jamais n’est mauvaise
Elle porte cent noms dans la langue française
Grâce Vertu Courage Honneur et ce n’est là
Que la même Beauté

 

 

Paris

J’ai vu Paris dans l’ombre
Hypogée où l’on riait trop
Paris une grande améthyste
Ces soldats belges en troupe
Vieilles femmes habillées en Perrette
Après le pot-au-lait
L’officier-pilote raconte ses exploits
J’ai entendu la berloque

Mais quel sourire celui de celui qui eut sursis d’appel illimité
Ombre de la statue de Shakespeare sur le Boulevard Haussmann
Laideur des costumes civils des hommes qui ne sont pas partis
Les peintres travaillaient
Mon cœur t’adore

 

Apolinnaire

Guillaume Apollinaire (26 augustus 1880 – 9 november 1918)
Guillaume Apollinaire door Marie Laurencin

 

De Duitse schrijver Walter Helmut Fritz werd geboren op 26 augustus 1929 in Karlsruhe, maar groeide op in Waldprechtsweier (Schwarzwald), Rastatt en Karlsruhe. Tot 1954 studeerde hij literatuurwetenschap, filosofie en moderne talen in Heidelberg. Daarna werd hij docent. Sinds 1964 is hij zelfstandig schrijver. Hij schrijft romans, essays, maar toch vooral poëzie. Hij ontving er o.a. de Georg Trakl prijs voor.

Ich nehme dich wahr

Ich nehme dich wahr
in der brennenden Frühe,
die sich niederläßt in der Stadt
und da und dort zu Gladiolen wird.

Ich nehme dich wahr
in den Bewegungen des Raums,
der sich neu zu stufen beginnt,
sobald das Licht der Nacht zuwiderhandelt.

Ich nehme dich wahr
in den Ferien von Linien,
die dabei entstehen,
unsichtbar, zwischen den Dingen.

Ich nehme dich deutlich wahr

 

Weil du die Tage

Weil du die Tage
zu Schiffen machst,
die ihre Richtung kennen.

Weil dein Körper
lachen kann.

Weil dein Schweigen
Stufen hat.

Weil ein Jahr
die Form deines Gesichts annimmt.

Weil ich durch dich verstehe,
daß es Anwesenheit gibt,

liebe ich dich.

Fritz

Walter Helmut Fritz (Karlsruhe, 26 augustus 1929)

 

De Duitse schrijver Joachim Zelter werd geboren in Freiburg im Breisgau op 26 augustus 1962. Hij studeerde Engels en politieke wetenschappen in Tübingen. Na zijn promotie in 1993 doceerde hij o.a. aan de Yale University en aan de universiteit van Tübingen. Toen hij vierendertig was besloot hij schrijver te worden. Na verschillende afwijzingen verschenen zijn eerste boeken “Briefe aus Amerika” en “Die Würde des Lügens” bij de kleine uitgeverij Ithaka. Sinds 1997 is hij zelfstandig schrijver. Zijn verhalend proza wordt gekenmerkt door een neiging naar de satire en het tragikomische.

 

Uit: Schule der Arbeitslosen”

 

»Graben Sie!« Auf einer Schubkarre liegen Spaten und Spitzhacken. Trainer Fest ließ sieaus einem Container holen. »Graben Sie weiter!« Die erste Schulstunde des ersten Schultags hatte kaum begonnen, da ist ihr Trainer aufgestanden und hat APOLLO aus dem Klassenzimmer geführt. »Schnell. Schneller.« Sie gelangten über den Schulhof zum Haupttor, das sich wie von selbst öffnete, hinaus auf die Düsseldorfer Straße, auf der sie in Zweierreihen gingen. Sie wurden von hupenden Autos überholt. So als wäre ihre Anwesenheit auf dieser Straße ganz verfehlt. Es erinnerte an das Bild eines unmotivierten Schulausflugs.

Und wie bei einem Schulausflug fühlten sie sich auch, ein Schulausflug zu Beginn eines langen Schuljahrs: ein letztes Durchatmen und Vertreten der Beine vor langen, arbeitsreichen Monaten. Selbst das Wetter fügte sich in dieses Bild, an einem der letzten warmen Tage des Jahres. Sie liefen fast ausgelassen in kleinen Unterhaltungen – Unterhaltungen über die Schulzeit, über Schulausflüge, über Lehrer und erste Berufe, über die sie sprachen wie über die erste Liebe …

Am Ende der Düsseldorfer Straße kamen sie zu einem Stück Wiese, auf der ein Container steht, den Fest öffnete, um eine schwer beladene Schubkarre in ihre Mitte zu schieben. Er bedeutete jedem, sich Spaten oder Spitzhacke zu nehmen. Mit einer Schnur legte er einen Umriss über die Wiese. »Graben Sie!«

Die Trainees stehen unbeholfen, wissen kaum, wie Spaten und Spitzhacke zu handhaben sind. Fest zeigt es ihnen. »Graben Sie! Graben Sie weiter! Graben Sie tiefer!« Sie stehen gebückt, können Spaten und Hacken kaum heben, lassen ihr Werkzeug mehr auf den Boden fallen als damit ernsthaft Erde zu lösen. Nur Fest ist es, der wirklich in die Tiefe hackt. Jede seiner Bewegungen ist eine Demonstration: Wie man hackt.“

 

zelter

Joachim Zelter (Freiburg im Breisgau, 26 augustus 1962)

 

De Argentijnse schrijver Julio Cortázar werd geboren op 26 augustus 1914 in Brussel. Zie ook mijn blog van 29 augustus 2006.

 

Uit: Hopscotch

 

“Guy Manod decided to wake up when Ronald and Etienne agreed to listen to Jelly Roll Morton; opening one eye he decided that the back outlined in the light of the green candles must belong to Gregorovious. He shuddered, the green candles seen from a bed made a bad impression on him, the rain on the skylight was strangely mixed with the remnants of his dream-images, he had been dreaming about an absurdly sunny place, where Gaby was walking around nude and feeding crumbs to a group of stupid pigeons the size of ducks. “I have a headache,” Guy said to himself. He was not in the least interested in Jelly Roll Morton although it was amusing to hear the rain on the skylight as Jelly Roll sang: “Stood on a corner, an’ she was soakin’ wet…” Wong would certainly have come up with a theory about real and poetic time, but was it true that Wong had mentioned making coffee? Gaby feeding the pigeons crumbs and Wong, the voice of Wong going in between Gaby’s nude legs in a garden with brightly colored flowers, saying: “A secret I learned in the casino at Menton.” Quite possible, after all, that Wong would appear with a pot full of coffee.

Jelly Roll was at the piano beating the time softly with his foot for lack of a better rhythm section. Jelly Roll could sing “Mamie’s Blues” rocking a little, staring up at some decoration on the ceiling, or it was a fly that came and went or a spot that came and went in Jelly Roll’s eyes. “Eleven twenty-four took my baby away-ay…” That’s what life had been, trains bringing people and taking them away while you stood on the corner with wet feet, listening to a nickleodeon and laughing and cussing out the yellow windows of the saloon where you didn’t always have enough money to go in.”

 

julioCortazar

Julio Cortázar (26 augustus 1914 – 12 februari 1984)

 

De Duitse dichter en schrijver Jürgen Kross werd geboren op 26 augustus 1937 in Hirschberg. Hij woont tegenwoordig in Mainz waar hij een boekhandel bezit. Het leeuwendeel van zijn literaire werk bestaat uit gedichten, maar hij schrijft
ook verhalen, korte toneelstukken en hoorspelen.

 

Werk o.a.: Höllenglut (2002), fremdgut (2004), schneelicht (2005), zufluchten (2007)

 

 

der
sonne wo. stehst du für
licht

 

ein. daß es die fernen beleuchte.
endlich
auch über dich hin.

 

 

krossfoto

Jürgen Kross (Hirschberg, 26 augustus 1937)

 

De Franse schrijver Jules Romains, pseudoniem van Louis Henri Farigoule, werd geboren op 26 augustus 1885 in  La Chapuze. Zie ook mijn blog van 26 augustus 2006.

 

New York

 

New York, bouquet de bourgeons

Et furie de floraison.

Notre cime, notre ombelle.

New York, par où sort la sève,

Le bouillon d’en haut, l’écume,

La jeune bave sucrée.

 

Les murs poussent, blancs, rapides,

Comme moelle de sureau ;

0 substance encore humide

Les buildings de trente étages,

De cinquante, cent étages,

Dressent par-dessus notre age

Des pylônes de bureaux.

 

Un flot de verre étincelle,

Une nuée de mica.

Les vitres volent, pollen

De ce printemps implacable.

Leur tourbillon qui s’élève
Colle après les parois neuves
Des durs palais verticaux. 

 

jules-romains

Jules Romains (26 augustus 1885 – 14 augustus 1972)

 

De Duitse schrijver Joachim Helfer werd geboren in Bonn op 26 augustus 1964. Hij groeide op in het Hessische Schwalbach. Helfer studeerde Engels in Hamburg. Na reizen door Europa, Afrika en de VS vestigde hij zich als zelfstandig schrijver in 1990 in Hamburg. Hij ontving diverse prijzen, waaronder in 2000 de Irmgard-Heilmann-Preis.

 

Werk o.a: Du Idiot (1994), Cohn & König (1998), Nicht Himmel, nicht Meer (2002), Nicht zu zweit. Drei Novellen (2005)

 

Uit: Nicht Himmel, nicht Meer

 

„An der Sonne schien es mir für März zu warm zu sein, und Silvio hatte auf dem Heimweg von der Schule außer Schneeglöckchen und den Scheinwerfern eines ohne Kennzeichen an den Straßenrand gestellten Wartburgs auch ein Gewächs zertreten, das sonst bis zum Wochenende die Osterferien eingeläutet hätte. Daß mich mein Vater aber mit der Ankündigung bei den Garagen abfing, er wolle mit mir zum Baden fahren, war trotz allem übertrieben. Bei Tagesanbruch hatte er sein Rad hervorgeholt und es zwischen den neuen Autos der Nachbarn auf den Sattel gestellt; jetzt waren Kette, Ritzel, Naben geölt und die Speichen der alten Mühle blitzblank geschmirgelt, und wenn er das Hinterrad sirrend auf Hochtouren brachte, tanzten die Frühlingsstrahlen darin. Mir wurde kalt ums Herz, als ich ihn so sah: in der hellblauen Jacke, in der er früher morgens als erster aus dem Haus gegangen und oft erst spätabends vom Dienst heimgekommen war, die nun aber verschmiert und ausgebeult an ihm herabhing. Eine Kindheit lang hätte ich es genossen, ihm beim Werkeln zuzusehen, wenn er einmal Zeit für mich gehabt hätte, die ewige Sonntagsgemütlichkeit jedoch, die er seit Monaten Tag für Tag zelebrierte, fand ich längst nicht mehr lustig. Also maulte ich etwas von “Mathe lernen” und setzte, da meine Laune schon die nächste Wende nahm, fröhlich hinzu: “Falls du inzwischen den Überblick verloren hast, heute ist Montag!” ‚Und übernächstes Jahr um diese Zeit mache ich Abi!’ konnte ich mir gerade noch verkneifen – aber zu spät: Mein armer Vater richtete sich auf und schlug mir, was er noch nie getan hatte, mit der Hand ins Gesicht, daß mein Kopf nur so davonflog und gegen ein Garagentor krachte und dann brauste und rauschte, als kreisten einander speisende Wasserfälle darin.”

Helfer

Joachim Helfer (Bonn, 26 augustus 1964)

 

De Duitse schrijver Ludwig Aurbacher werd geboren op 26 augustus 1784 in Türkheim, Schwaben. Zijn bekendste werk is de verzameling verhalen die in 1827 – 1829 anoniem verschenen onder de titel Ein Volksbüchlein. Vooral de verhalen over de Sieben Schwaben werden populair.

 

Uit: Wie die sieben Schwaben nach Augsburg kommen und sich allda Waffen holen

 

„Als man zählte nach Christi Geburt eintausend und etliche hundert Jahr, da begab sich’s, daß die sieben Schwaben in die weltberühmte Stadt Augsburg einzogen; und sie gingen sogleich zu dem geschicktesten Meister allda, um sich Waffen machen zu lassen; denn sie gedachten das Ungeheuer zu erlegen, welches zur selbigen Zeit in der Gegend des Bodensees übel hauste und das ganze Schwabenland in Furcht und Schrecken setzte. Der Meister führte sie in seine Waffenkammer, wo sich jeder einen Spieß oder sonst was auswählen konnte, was ihm anstand. »Bygost!« sagte der Allgäuer, »sind das auch Spieße? So einer wär mir just recht zu einem Zahnstürer. Meister, nehmt für mich nur gleich einen Wiesbaum von sieben Mannslängen.« »Potz Blitz,« sagte der Blitzschwab, »Allgäuer, progle prahle. dich nicht allzusehr.« Der Allgäuer sah den mit grimmigen Augen an, als wollte er ihn damit durchbohren. »Eigentlich hast du recht, Männle!« sagte der Blitzschwab und streichelte ihm den Kautzen; und ich merke deine Meinung,« sagte er: » Wie alle Sieben für Einen, so für alle Sieben nur Einen.« Der Allgäuer verstand ihn nicht, sagte aber: »Ja!« und den andern war’s auch recht. Und so ward denn ein Spieß von sieben Mannslängen bestellt, und in einer Stunde war er fertig. – Ehe sie aber die Werkstatt verließen, kaufte sich jeder noch etwas Apartes, der Knöpfleschwab einen Bratspieß, der Allgäuer einen Sturmhut mit einer Feder darauf, der Gelbfüßler Sporen für seine Stiefel – sie seien nicht nur gut zum Reiten, sagte er, sondern auch zum Hintenausschlagen.“

 

Ludwig-Aurbacher

Ludwig Aurbacher (26 augustus 1784 – 25 mei 1847)

 

De Sloveense schrijver Boris Pahor werd geboren in Triëst op 26 augustus 1913. Pahor ging school aan het gymnasium in Koper en aan het seminarie in Gorica, waar hij twee jaar lang theologie studeerde. In 1940 werd hij gemobiliseerd en nam deel aan de veldtocht in Libië. Korte tijd later was hij werkzaam als tolk voor de Italianen, ingezet bij de verhoren van gevangen Joegoslavische partizanen in Bogliaco. Na de ineenstorting van het Italiaanse fascisme sloot hij zich bij het Sloveense Bevrijdingsfront (Sloveens: Osvobodilna fronta) aan. In januari 1944 werd hij opgepakt, waarna zijn lijdensweg begon in het Italiaanse concentratiekamp Risiera di San Saba en zijn weg vervolgde via het Franse kamp Natzweiler-Struthof naar de Duitse concentratiekampen Bergen-Belsen en Dachau. Pahor overleefde en keerde terug naar Triëst. Hij liet ook het naoorlogse Joegoslavië niet ongemoeid; in zijn lijftijdschrift Zaliv verschenen keer op keer kritische opstellen. Boris Pahor verwerkt zijn ervaringen in heel zijn werk. Zijn boek Nekropola droeg bij aan de oprichting van het Europese centrum voor gedeporteerde verzetsstrijders (bij Natzweiler-Struthof in Frankrijk).

 

Uit een recensie over Nekropolis in DIE ZEIT, 34/2001:

 

Eine der ersten Szenen, die Pahor sich vergegenwärtigt, gilt einer abendlichen Prozedur im Lager. Einer nach dem anderen steigen die Häftlinge in der Schlafbaracke auf eine Pritsche. Sie schieben die Hose hinunter, das Hemd bis zum Nabel hinauf und lassen im Schein einer Glühbirne das rasierte Geschlecht daraufhin inspizieren, ob in den Spitzen der nachwachsenden Haare Lausnissen kleben. Im Zentrum des Bildes und seiner Beschreibung befindet sich “der beleuchtete Penis”, wie alle anderen Körperteile und Organe gezeichnet vom Verfall.

Der Autor nähert sich der Szene von außen, in einer Art Kamerabewegung. Er zeigt das Gruppenbild, geht dann immer näher an den Unterleib eines Untersuchten heran. Er bedient sich, nicht nur an dieser, sondern an dutzend anderen Stellen seines Buches, der Sichtweise jenes Mediums, des Films, das in der Fähigkeit zu schockieren und zu dokumentieren ein besonderes Prestige besitzt. Zugleich aber bezweifelt Pahor den Zusammenhang von Abbildungsdirektheit und Erinnerungswahrheit: “Es ist fast besser, dass es keinen solchen Film gibt, weil die dürren Wesen mit dem nackten Schritt heute manch einem wie eine Schar dressierter Hunde erscheinen könnten, die der Herr leicht dazu abrichten konnte, einander – aufrecht mit den Hinterbeinen auf der Pritsche stehend – das Schambein zu beriechen.” Gerade das direkte Bild kann die Entwürdigung vertiefen. Denn es folgt der Fantasie der Täter, die dieses Bild gleichsam “erfunden” haben. Ebenjene Abhängigkeit der Abbildung sprengt Boris Pahor im Verlauf der folgenden Textseiten. Er stellt dem Dokumentationsprinzip und seinem verstrickten Naturalismus ein anderes, das lyrische Prinzip der Metaphernkette gegenüber.”

 

pahor07

Boris Pahor (Triëst, 26 augustus 1913)

 

Martin Amis, Johann Herder, Maxim Biller

De Engelse schrijver Martin Amis werd geboren op 25 augustus 1949 in Cardiff, South Wales. Hij is de zoon van de schrijver Kingsley Amis. Martin Amis werd vooral bekend door zijn tweede roman Dead Babies uit 1975. De titel van het boek veroorzaakte zoveel opschudding en afkeer dat de uitgeverij de titel veranderde voor de paperback versie in Dark Secrets. Zijn werk wordt dan ook gekenmerkt door moreel en mentaal geweld. Dit heeft hij gemeen met de schrijversgeneratie uit de jaren vijftig, the Angry Young Men. Amis experimenteert graag: met vorm, stijl, maar ook inhoud. Hij gebruikt Amerikaans Engels, straat-Engels en dialecten van verschillende minderheidsgroepen in zijn romans.

Uit: Yellow Dog

“The couple stood embracing in a high-ceilinged hallway. Now the husband with a movement of the arm caused his keys to sound in their pocket. His half-conscious intention was to signal an ?.impatience to be out. Xan would not publicly agree, but women naturally like to prolong routine departures. It is the obverse of their fondness for keeping people waiting. Men shouldn’t mind this. Being kept waiting is a moderate reparation for their five million years in power . . . Now Xan sighed softly as the stairs above him softly creaked. A complex figure was descending, normal up to the waist, but two-headed and four-armed: Meo’s baby daughter, Sophie, cleaving to the side of her Brazilian nanny, Imaculada. Behind them, at a distance both dreamy and self-sufficient, loomed the four-year-old: Billie.
Russia took the baby and said, ‘Would you like a lovely yoghurt for your tea?’
‘No!’ said the baby.
‘Would you like a bath with all your floaty toys?’
‘No!’ said the baby, and yawned: the first lower teeth like twin grains of rice.
‘Billie. Do the monkeys for Daddy.’
‘There were too many monkeys jumping on the bed. One fell down and broke his head. They took him to the doctor and the doctor said: No more monkeys jumping on the BED.’
Xan Meo gave his elder daughter due praise.
Daddy’ll read to you when he comes back,’ said Russia.”

 

martinAmis

Martin Amis (Cardiff, 25 augustus 1949)

 

De Duitse schrijver, theoloog en cultuur-filosoof Johann Gottfried von Herder werd geboren in Mohrungen op 25 augustus 1744. Zie ook mijn blog van 25 augustus 2006.

 

Uit: Journal meiner Reise im Jahr 1769

 

“Jeder Abschied ist betäubend. Man denkt und empfindet weniger, als man glaubte: die Thätigkeit in die unsre Seele sich auf ihre eigne weitere Laufbahn wirft, überwindet die Empfindbarkeit über das, was man verläßt, und wenn insonderheit der Abschied lange dauret: so wird er so ermüdend, als im Kaufmann zu London. Nur denn aber erstlich siehet man, wie man Situationen hätte nutzen können, die man nicht genutzt hat: und so hatte ich mir jetzt schön sagen: ei! wenn du die Bibliothek beßer genutzt hättest? wenn du in jedem, das dir oblag, dir zum Vergnügen, ein System entworfen hättest? in der Geschichte einzelner Reiche – – Gott! wie nutzbar, wenn es Hauptbeschäftigung gewesen wäre! in der Mathematik – – wie unendlich fruchtbar, von da aus, aus jedem Theile derselben, gründlich übersehen, und mit den reellsten Kän[n]tnißen begründet, auf die Wißenschaften hinauszusehen! – – in der Physik und Naturgeschichte – – wie, wenn das Studium mit Büchern, Kupferstichen und Beispielen, so aufgeklärt wäre, als ich sie hätte haben können – und die Französische Sprache mit alle diesem verbunden und zum Hauptzwecke gemacht! und von da aus also die Henaults, die Vellys, die Montesquieu, die Voltaire, die St. Marcs, die La Combe, die Coyers, die St. Reals, die Duclos, die Linguets und selbst die Hume’s französisch studirt: von da aus, die Buffons, die D’Alemberts, die Maupertuis, die La Caille, die Eulers, die Kästners, die Newtone, die Keile, die Mariette, die Toricelli, die Nollets studirt; und endlich die Originalgeister des Ausdrucks, die Crebillons, die Sevigne, die Moliere; die Ninons, die Voltaire, Beaumelle u. s. w. hinzu gethan – das wäre seine Laufbahn, seine Situation genutzt, und ihrer würdig geworden!”

 

herder

Johann Herder (25 augustus 1744 – 18 december 1803)

 

De Duitse schrijver Maxim Biller werd geboren op 25 augustus 1960 in Praag. Biller is kind van joods-Russische ouders die in 1970 naar Duitsland emigreerden. Hij studeerde in Hamburg en München literatuur en journalistiek en schreef o.a. voor Der Spiegel en Die Zeit. Zijn romans en verhalen werden in verschillend
e talen vertaald. Biller debuteerde in 1990 met de verhalenbundel Wenn ich einmal reich und tot bin.

 Uit: Sieben Versuche zu lieben

 

„Das erste Mal saßen sie im Kindergarten in der Slavíkova nebeneinander beim Essen und zeigten sich unter dem Tisch ihre kleinen Geheimnisse. Sie mußte nur ein bisschen ihre Beine öffnen, er knöpfte seine Hose auf. Im Kindergarten war es immer ziemlich dunkel, und sie sahen nicht viel. Nach dem Mittagessen zogen alle Kinder in den großen Schlafraum. Jirka ging langsam hinter Alena her und war traurig, daß sein Bett nicht neben ihrem stand. Danach spielten sie zusammen, daran konnte er sich noch erinnern, aber er wusste nicht mehr, was sie spielten. Als sie von ihren Eltern abgeholt wurden, sagten sie sich nicht auf Wiedersehen. Sie schauten weg, und am nächsten Tag redeten sie nicht miteinander. Ein paar Tage später kniff Alena sich selbst so lange in den Unterarm, bis er feuerrot war. Sie schrie vor Schmerz, und als sie in den Armen der Kindergärtnerin lag, sagte sie weinend, das sei Jirka gewesen.

Alena und Jirka waren Kinder von Vinohrady. Es war ihnen damals egal, aber später dachten sie beide oft daran. Er wohnte mit seinen Eltern in der Mánesova, oben am Platz, wo die große viereckige Kirche mit der durchsichtigen Uhr stand. Wenn das Fenster in seinem Zimmer offen war, hörte er die Straßenbahnen, die auf der Vinohradská fuhren. Sie wohnte in der Chopinova. Sie musste nur die Chopinova überqueren, schon war sie im Park. Dort sahen sie sich oft, und kurz bevor seine und ihre Familie ’68 in den Westen flüchteten, traf er sie auf der Seite des Parks, von der man auf die Stadt heruntersehen konnte.“

 

maxim_biller

Maxim Biller (Praag, 25 augustus 1960)