Francesco Petrarca, Uwe Johnson, Pavel Kohout, Lotte Ingrisch, Erik Axel Karlfeldt, Hans Lodeizen, Cormac McCarthy, Gerard Nolst Trenité

De Italiaanse dichter en schrijver Francesco Petrarca werd geboren in Arezzo op 20 juli 1304. Petrarca was een van de grondleggers van het humanisme. Hij was de zoon van een notaris die tegelijk met Dante om zijn lidmaatschap van de Welfen werd verbannen uit Florence. Petrarca bracht een groot deel van zijn jeugd door in Avignon, waarnaar de familie verhuisde om paus Clemens V te volgen, die daar vanaf 1309 verbleef vanwege het pauselijk schisma. Hij studeerde in Montpellier (1319-1323) en trok vervolgens naar Bologna, waar hij rechten studeerde van 1323 tot 1325. Zijn interesse ging echter meer uit naar het schrijven, een passie die hij deelde met zijn vriend Giovanni Boccaccio. In 1326, na de dood van zijn vader, keerde hij terug naar Avignon. Daar ontving hij de lagere wijdingen en legde zich toe op de studie van de Latijnse klassieken. Op 6 april 1327 (Goede Vrijdag) ontwaarde hij in de kerk St.-Claire een meisje, dat hij als Laura zijn leven lang heeft bezongen in lyrische verzen, die gebundeld zijn in de Canzoniere, in het Italiaans geschreven.

 

Die ogen zo vol vuur door mij beschreven

Die ogen zo vol vuur door mij beschreven,
die armen, handen, voeten en gezicht,
waardoor mijn hart soms zózeer werd ontwricht
dat ik met niemand meer kon samenleven,

die haren met een gouden glans doorweven,
die glimlachjes zo warm op mij gericht,
zijn nu vergaan tot stof, dat ergens ligt
en elk gevoel voorgoed heeft prijsgegeven.

En ik, ik leef, maar doodvermoeid en ’t leven zat
en zonder ’t reddend licht dat op mij wachtte
steeds als de storm mijn schip geteisterd had.

Verdwijn, o liefdeslied, uit mijn gedachten !
Want weg is het talent dat ik bezat:
ik schrijf geen verzen meer, maar jammerklachten !

 

Bedroefd zie ik hoe ik mijn welzijn schaadde

Bedroefd zie ik hoe ik mijn welzijn schaadde

doordat ik ál mijn liefde op aarde had,

en ondanks het geloof dat ik bezat

mezelf niet los kon maken van het kwade.

 

O eeuwige God, die al mijn slechte daden

onzichtbaar met uw vaderhand omvat,

breng mij, verdoolde, weer op ’t rechte pad

en help mij door de kracht van uw genade.

 

Schenk mij na zoveel strijd en zoveel pijn

uw vrede. En stond ik eens voor ’t aardse open,

laat mij bij ’t afscheid goed en deugdzaam zijn !

 

En maak, nu het weldra is afgelopen.

dat ik gelouterd voor uw troon verschijn !

Ik weet dat ik alleen op u kan hopen !

 

Vertaald door Frans van Dooren

 

petrarca

Francesco Petrarca (20 juli 1304 – 19 juli 1374)

 

De Duitse schrijver Uwe Johnson werd geboren op 20 juli 1934 in Cammin (tegenwoordig Kamień Pomorski, Polen). In de jaren vijftig studeerde hij germanistiek in Rostock en Leipzig. Vanwege een gereserveerde houding tegenover de DDR werd hij van de universiteit gestuurd, maar na 17 juni 1953 weer toegelaten. Na de vlucht van zijn moeder naar het westen bleef Johnson eerst in de DDR, maar nadat zijn boek Ingrid Babendererde. Reifeprüfung 1953 door meerde uitgeverijen was afgewezen en zijn debuutroman Mutmassungen über Jakob verschene was bij Suhrkamp volgde hij haar toch. In 1970 verscheen het eerste deel van zijn hoofdwerk Jahrestage waaraan hij tot aan zijn dood zou blijven werken. Deel 2 verscheen in 1971 en deel 3 in 1973. Daarna volgde een schrijfblokade van tien jaar. Vanaf 1974 woonde Johnson in Sheerness on Sea in Kent, Engeland.

 

Uit: Sofort einsetzendes Geselliges Beisammensein

 

„Die Hindernisse wurden fortgesetzt durch die Kennzeichnung eines der Doppelstockwagen, im hinteren Zugteil, als Nummer 4. Davor und dahinter hatten solche Schilder gefehlt. Im Inneren des Zuges, im Teil der konventionellen Wagen, kam die 4 noch einmal vor. In einem Durchgang lagen zwei Nummernschilder am Boden, jeweils die 2. Durch anhaltendes Suchen nach der uns vorgeschriebenen 3 gelangten wir bequem an die Spitze des Zuges und wollten uns wenigstens auf die Kopf-Qualität des Bahnhofs Leipzig freuen, wenn wir schon falsch sitzen mussten.

Die Freude zu unterstützen, unternahm ich eine Reise zur Getränke-Ausgabe, auf den Eintrag im Fahrplan vertrauend. Das Buffet befand sich im Doppelstockteil, von uns getrennt durch eine verschlossene Tür und blanke Puffer. Diese Aufgabe wurde gelöst durch einen Dauerlauf in Jüterbog, von der Spitze des Zuges zum hinteren Teil, unter anfeuernden Rufen des Begleitpersonals: Junger Mann, steijn Se ein, mr wolln abfahrn! Der Buffetraum bestand aus zwei unteren Teilen des Wagens, gegen die hinteren mit Segeltuch verhängt. Vor der Theke und auf der angrenzenden Bühne fand eine Kundenversammlung statt. Mann aus Aue erklärte sawjetski offizer: Maja schenzina natschalnik; me budet porusski. Ein Junge aus den frühen Erzählungen Hemingways schnitt den Erwachsenen mit Blicken die Augen aus.“

Johnson

Uwe Johnson (20 juli 1934 – 24 februari 1984)

 

De Tsjechische schrijver Pavel Kohout werd geboren op 20 juli 1928 in Praag in wat toen nog Tsjecho-Slowakije werd genoemd. Hij werkte vanaf 1949 twee jaar op de Tsjechoslowaakse ambassade in Moskou. Na zijn terugkeer naar eigen land was hij in zijn geboortestad Praag onder meer actief als publicist, theater en filmregisseur en radioreporter. Zijn doorbraak als toneelschrijver beleefde hij in 1955 met het stuk “Septembernachte”. Ook zijn volgende werk  “ So Ein Liebe” (1958) kende veel succes. Tot aan ´de Praagse lente´ gold Kohout als de meest gespeelde Tsjechische auteur.

Oorspronkelijk was hij een militant Stalinist, maar groeide in de loop der tijd uit tot één der meest opmerkelijke critici van het communisme. Hoewel hij nauwelijks of niet reageerde op de invasie van het Warschau-Pact in 1968 was hij samen met de latere president Vaclav Havel één der opstellers van het mensenrechtenmanifest Charta 77. Dit was zonder enige twijfel een van de belangrijkste redenen dat hij een jaar later uit de communistische partij werd gestoten. Tevens kreeg hij een publicatieverbod. In de ommekeer in zijn denken over het communisme speelde zijn echtgenote Jelena overigens een belangrijke rol.

 

Uit: Sternstunde der Mörder

 

“Als unmittelbar nach dem Jaulen der Sirene die Türklingel schrillte, war Elisabeth Baronin von Pommeren überzeugt, der tschechische Hausmeister sei da, um sie mit dem Fahrstuhl in den Keller hinunterzubringen; sie warf sich den schwarzen Pelz wieder über, den sie eben erst hinhängte, nahm ihr Luftschutzköfferchen, hakte die Sicherheitskette auf und wußte, daß sie
ihrem Mörder geöffnet hatte.
Sie hatte den Mann mit der prallen Schultertasche flüchtig auf dem Vysehrader Friedhof wahrgenommen, es war ihr nichts Ungewöhnliches mehr, daß die Tschechen bereits in aller Öffentlichkeit die Gräber ihrer Nationalheiligen schmückten, den deutschen Okkupanten zum Trotz. Er hatte den Eindruck eines Handwerkers gemacht, der dort auf einen Sprung bei seiner Runde vorbeikam, und sie bemerkte ihn deshalb nur flüchtig, weil sein Gesicht gegen die scharfe Sonne wie das eines Negers wirkte. Jetzt blickte sie in Augen wie aus Glas, farblos und ausdruckslos. Ohne jede Hast keilte er seinen abgewetzten Schuh mit der dicken Gummisohle
zwischen Türflügel und Schwelle und schob ebenso langsam seinen in eine wattierte Bundjacke gezwängten Körper hintendrein. Und schließlich sah sie die lange und seltsam schmale Klinge. Ein Tranchiermesser! erinnerte sie sich.”

 

kohout

Pavel Kohout (Praag, 20 juli 1928)

 

De Oostenrijkse schrijfster Lotte Ingrisch (geb. Charlotte Gruber) werd geboren op 20 juli 1930 in Wenen. Zij was getrouwd met de componist Gottfried von Einem voor wie ze diverse libretti en liederen/gedichten schreef. Het bekendst is wel de opera Jesu Hochzeit die bij de eerste opvoering in 1980 een schandaal veroorzaakte omdat hij blasfemisch zou zijn.

 

Uit: REISEFÜHRER INS JENSEITS

 

„Was haben wir alles in der Schule gelernt! Von den Bodenschätzen Australiens angefangen bis zurTrigonometrie. Aber wer von uns berechnet im Lauf seines Lebens jemals die Schenkel eines Dreiecks,schöpft aus der Kenntnis australischer Bodenschätze Lust und Gewinn?

Niemand lehrt uns, zu sterben. Dabei sterben wir alle. Und nur wenige können es, weil sie dafür begabt sind, von selbst. Die meisten halten den Tod für ein Ende mit Schrecken, dem ein Schrecken ohne Ende folgt.

Das stimmt nicht! Der Tod ist ein Märchen.

Haben Sie keine Angst! Der Tod ist ganz anders, als wir immer glaubten. Wir können das Schreckgespenst, das weiter nichts ist als ein Produkt unserer Erziehung und Phantasie, ruhig begraben. Es gibt nämlich keinen Sensenmann, keinen Schlächter. Dramatisiert man den Tod nicht, ist er einfach und leicht. So leicht, dass Sie ihn womöglich gar nicht spüren.

Ärzte und Forscher – allen voran Georges Barbarin – haben die letzten Augenblicke des Menschen genau untersucht. Das Sterben, so lautet die überraschende Botschaft, tut nicht einmal weh. Denn der so gefürchtete Todeskampf ist ja nur ein Kampf ums Leben, in das der Sterbende sich, statt es loszulassen, verkrallt. Wer nicht kämpft, wird auch nicht leiden. Empfangen Sie den Tod wie’ einen Liebhaber, und er vergewaltigt Sie nicht.

Uns verstört der Krampf der Muskeln und Nerven, mit dem der Sterbende sich gegen den Tod wehrt. Doch sind dies rein mechanische Vorgänge, die außerhalb des Bewusstseins stattfinden. Reflexe des Organismus, ein Aufruhr in der Mikrowelt der Zellen, die schon nicht mehr die unsere ist. Der Sterbende selbst bemerkt nichts davon.’

 

ingrisch

Lotte Ingrisch (Wenen, 20 juli 1930)

 

De Zweedse dichter Erik Axel Karlfeldt werd geboren op 20 juli 1864 in Folkärna. Hij studeerde pedagogie in Uppsala en was van 1892 tot 1912 leraar en bibliothecaris. Hij stond onder invloed van de neoromantiek en vond de thema’s en motieven voor zijn gedichten in streekgeschiedenis, in sagen, het volksgeloof en de bijbel.

 

In der Elchzeit

Er kommt jede Nacht auf den Acker am Fluß,
man hat ihn dort äsen gesehen,
den Elch; ich such ihn mit Schweiß und Verdruß
am Tage umsonst zu erspähen.

Jetzt schläft die Aue im Mondscheinflor.
Doch in atemberaubendem Schweigen
wach’ ich, verborgen in Schilf und Rohr:
Wird der mächtige Elchhirsch sich zeigen?

Da tritt er heraus aus dem herbstlichen Schloß
zum abendlich flammenden Feste,
der Könige des Waldes gehörnter Sproß.
Seine Krone streift rauschend die Äste.

Friedlich in des Mondnebels wallendem Strom
ragt er aus Acker und Wiese,
phantastisch, bizarr, wie ein Phantom,
ein Schemen, ein Vorzeitriese.

Und hier, wo er herrscht in Hain und Flur,
scheint er mehr selbst als meinesgleichen,
ein stolzerer Sohn der stolzen Natur,
erstgeboren in ihren Bereichen.

Da legt sich bezähmt mein Jägerblut,
ich spüre Weichheit, anstelle von Lust
auf den tödlichen Schuß, und zielt’ ich auch gut
in diese mondhelle Brust.

Einen solchen Preis zu gewinnen mit Trug,
wär Verrat. Drum entfern’ ich mich leise.
Doch morgen sind wir wieder am Zug,
du Hoher, auf alte Weise.

Dann spielen wir rein. Deine Läufe sind stark,
hast ehrlichen Vorsprung gewonnen,
wenn ich dich erreiche über Heide und Mark,
ist die Mondscheinstimmung zerronnen.

Dann geht es ums Ganze und nicht um Betrug,
dann bring’ ich das schwirrende Korn
zur Ruhe in deinem festen Bug
und stoße gewaltig ins Horn.

Dann will ich rechnen der Enden Zahl,
die stolz du getragen bis heute,
und heim geleiten ins bergende Tal
am Abend die fürstliche Beute.

 

Vertaald door Hilda von Born-Pilsach

 

karlfeldt

Erik Axel Karlfeldt (20 juli 1864 – 8 april 1931)

 

De Nederlandse dichter Hans Lodeizen werd geboren op 20 juli 1924 in Naarden. Zie ook mijn blog van 20 juli 2006.

 

allemaal steden

de stad weifelt over de huizen

de morgen vaart over de daken

de stad binnen

de zon staat op tussen de huizen

onder carillonmuziek

de mensen wandelen in het donker;

 

aan het strand van de verten,

ligt de stille zee der lucht,

waarin het schip van een kerktoren,

flikkert

in de buik van de stad

drinken wij koffie

 

en de stad zeilt verder

 

 

ik ben het zuiverste dier op aarde

 

ik ben het zuiverste dier op aarde

ik slaap met de nacht als met mijn lichaam

en de nacht wordt groter in mijn hart


in het donkere weefgetouw van je vingers

borduur ik een nacht van eenzaamheid

veelkleurig veeleisend veranderlijk


ik ken alle tranen van de eenzaamheid

sla mij maak mij open

ik ben een roos van vrolijkheid


kom hier vertrouw mij

ik gooi de wind vol sterren


als een boot van overvloed

in de spaarzaamheid van de zee


nu ben je niet gekomen

en zachtjes ga ik dicht

 

toen ik de middagen in zijn kamer

 

toen ik de middagen in zijn kamer
doorbracht en in zijn lichaam
rondliep of neerzat, een boek las
of sliep, toen ik de weg van zijn oor
kende en de rivier van zijn ogen
binnenvoer toen ik met zijn handen
speelde en over zijn lippen liep
toen ben ik mezelf vaak tegengekomen,
lachend en huilend of dingen zeggend.

 

Lodeizen

Hans Lodeizen (20 juli 1924 – 26 juli 1950)

 

De Amerikaanse schrijver Cormac McCarthy werd geboren op 20 juli 1933 in Providence, Rhode Island. Vóór zijn schrijversloopbaan werkte hij als advocaat en diende hij vier jaar in de US Air Force. Momenteel woont de schrijver in El Paso, Texas. In 1959 en 1960 publiceerde hij twee korte verhalen en in 1965 een eerste roman, The Orchard Keeper. Van 1965 tot 1967 reisde McCarthy naar Ierland, op zoek naar zijn roots. Daarna bezocht hij diverse andere Europese landen. In 1967 keerde hij terug naar de VS. In 1968 publiceerde hij zijn tweede roman, Outer Dark. In 1973 schreef hij het filmscript voor de film The Gardeners Son. In 1977 volgde de roman Suttree, volgens vele kritieken zijn beste roman ooit.

Zijn bekendste roman, Blood meridian, or the evening redness in the West, verscheen in 1985. Eind 2006 verscheen de apocalyptische roman The Road.

 

Uit: The Crossing

 

“He finished his supper and went to bed. Boyd was already asleep. He lay awake a long time thinking about the wolf. He tried to see the world the wolf saw. He tried to think about it running in the mountains at night. He wondered if the wolf were so unknowable as the old man said. He wondered at the world it smelled or what it tasted. He wondered had the living blood with which it slaked its throat a different taste to the thick iron tincture of his own. Or to the blood of God. In the morning he was out before daylight saddling the horse in the cold dark of the barn. He rode out the gate before his father was even up and he never saw him again.

Riding along the road south he could smell the cattle out in the fields in the dark beyond the bar ditch and the running fence. When he rode through Cloverdale it was just gray light. He turned up the Cloverdale Creek road and rode on. Behind him the sun was rising in the San Luis Pass and his new shadow riding before him lay long and thin upon the road. He rode past the old dance platform in the woods and two hours later when he left the road and crossed the pasture to the vaqueros’ noon fire the wolf stood up to meet him.” 

 

McCarthy

Cormac McCarthy (Providence, 20 juli 1933)

 

De Nederlandse letterkundige (berijmd proza, toneel), anglist en taalcriticus Gerard Nolst Trenité werd geboren in Utrecht op 20 juli 1870.  Nolst Trenité was de zoon van een Utrechtse predikant. Na het gymnasium studeerde hij van 1890 tot 1894 aan de Universiteit van Utrecht klassieke letteren, rechten en staatswetenschappen, zonder echter een van deze studierichtingen te voltooien. Avontuurlijk aangelegd, begon hij in 1894 een zichzelf beloofde reis om de wereld, die voortijdig strandde in San Francisco, waar hij huisonderwijzer werd van de kinderen van de Nederlandse consul. Maar twee jaar later was hij terug in Nederland en hervatte zijn studie staatswetenschap, zich tegelijkertijd voorbereidend op de bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs Engels; de betrokken acte behaalde hij in 1898. Van 1901 tot 1918 werkte hij als leraar in Haarlem en bracht hij diverse schoolboeken op de markt voor Frans en Engels. Het lange gedicht The Chaos (bedoeld om de uitspaak te oefenen) verscheen als appendix in de vierde editie van Drop Your Foreign Accent: engelsche uitspraakoefeningen in 1920. Vanaf 1909 tot aan zijn dood in 1946 schreef Trenité in De (Groene) Amsterdammer een taalkundige column onder de naam Charivarius.

 

Uit The Chaos (Fragment)

 

 

Dearest creature in creation
Studying English pronunciation,
   I will teach you in my verse
   Sounds like corpse, corps, horse and worse.

 

I will keep you, Susy, busy,
Make your head with heat grow dizzy;
   Tear in eye, your dress you’ll tear;
   Queer, fair seer, hear my prayer.

 

Pray, console your loving poet,
Make my coat look new, dear, sew it!
   Just compare heart, hear and heard,
   Dies and diet, lord and word.

 

Sword and sward, retain and Britain
(Mind the latter how it’s written).
   Made has not the sound of bade,
   Say-said, pay-paid, laid but plaid.

Now I surely will not plague you
With such words as vague and ague,
   But be careful how you speak,
   Say: gush, bush, steak, streak, break, bleak ,

 

Previous, precious, fuchsia, via
Recipe, pipe, studding-sail, choir;
   Woven, oven, how and low,
   Script, receipt, shoe, poem, toe.

 

Say, expecting fraud and trickery:
Daughter, laughter and Terpsichore,
   Branch, ranch, measles, topsails, aisles,
   Missiles, similes, reviles.

 

Wholly, holly, signal, signing,
Same, examining, but mining,
   Scholar, vicar, and cigar,
   Solar, mica, war and far.

 

From “desire”: desirable-admirable from “admire”,
Lumber, plumber, bier, but brier,
   Topsham, brougham, renown, but known,
   Knowledge, done, lone, gone, none, tone,

 

One, anemone, Balmoral,
Kitchen, lichen, laundry, laurel.
   Gertrude, German, wind and wind,
   Beau, kind, kindred, queue, mankind,

 

Tortoise, turquoise, chamois-leather,
Reading, Reading, heathen, heather.
   This phonetic labyrinth
   Gives moss, gross, brook, brooch, ninth, plinth.

 

Trenite

Gerard Nolst Trenité (20 juli 1870 – 9 oktober 1946)