Gottfried Keller, Anna Enquist, Miltos Sachtouris, Dom Moraes, Hermann Bahr, Jean-Marie Déguignet, A. J. Cronin, Lorenz Diefenbach, Ferdinand Brunetière, Robert Pinget

De Zwitserse schrijver Gottfried Keller werd geboren in Zürich op 19 juli 1819. Keller was de zoon van een schrijnwerkersbaas (timmerman) uit Zürich, die reeds overleed toen Keller vijf was. Keller wou graag kunstschilder worden; hij verliet Zürich en trok naar München met de bedoeling te gaan leven van het schilderen van landschappen. Hij had weinig succes en moest onverrichter zake naar Zürich terugkeren, waar hij jarenlang bij zijn moeder en zuster bleef wonen, in zware financiële nood. Keller kwam in contact met Freiligrath en Herwegh, schrijvers uit de Vormärz. In 1848 verleende de regering van Zürich hem een beurs om twee jaar te Heidelberg te studeren. Na zijn studie in Heidelberg leefde hij vijf jaar te Berlijn en schreef de eerste versie van zijn autobiografische roman, Der grüne Heinrich. Toen hij naar Zürich terugkeerde, slaagde hij er niet in van de pen te leven en woonde nog zes jaar thuis; zijn roman, een burgerlijk-pessimistisch antwoord op de Bildungsroman naar het model van Goethes Wilhelm Meisters Wanderjahre, werd nauwelijks verkocht. In Die Leute von Seldwyla creëerde hij een satirische pendant van de kleinburgerlijke maatschappij: het is een verzameling novelles in twee delen, waaronder Frau Regel Amrain, Pankraz der Schmoller, Romeo und Julia auf dem Dorfe — een herziening van deze klassieke stof —, Spiegel das Kätzchen, Die mißbrauchten Liebesbriefe, Das verlorene Lachen, Der Schmied seines Glückes, Die drei gerechten Kammacher en een van zijn beroemdste novelles, Kleider machen Leute. Onverwachts werd Keller in 1861 door het kanton Zürich tot staatsschijver benoemd, een functie die hij tot 1876 bekleedde. Als blijk van erkenning werd hij in 1878 ook ereburger van Zürich.

Uit: Der grüne Heinrich

“Das Essen dampfte auf dem Tische, es war ganz still in der Stube, die Mutter wartete, aber ich brachte keinen Laut hervor. Sie wiederholte ihr Verlangen, aber ohne Erfolg; ich blieb stumm und niedergeschlagen, und sie ließ es für diesmal bewenden, da sie mein Benehmen für eine gewöhnliche Kinderlaune hielt. Am folgenden Tage wiederholte sich der Auftritt, und sie wurde nun ernstlich bekümmert und sagte: »Warum willst du nicht beten? Schämst du dich?« Das war nun zwar der Fall, ich vermochte es aber nicht zu bejahen, weil, wenn ich es getan, es doch nicht wahr gewesen wäre in dem Sinne, wie sie es verstand. Der gedeckte Tisch kam mir vor wie ein Opfermahl, und das Händefalten nebst dem feierlichen Beten vor den duftenden Schüsseln wurde zu einer Zeremonie, welche mir alsobald unbesieglich widerstand. Es war nicht Scham vor der Welt, wie es der Priester zu nennen pflegt; denn wie sollte ich mich vor der einzigen Mutter schämen, vor welcher ich bei ihrer Milde nichts zu verbergen gewohnt war? Es war Scham vor mir selber; ich konnte mich selbst nicht sprechen hören, und habe es auch nie mehr dazu gebracht, in der tiefsten Einsamkeit und Verborgenheit laut zu beten.

»Nun sollst du nicht essen, bis du gebetet hast!« sagte die Mutter, und ich stand auf und ging vom Tische weg in eine Ecke, wo ich in große Traurigkeit verfiel, die mit einigem Trotze vermischt war. Meine Mutter aber blieb sitzen und tat so, als ob sie essen würde, obgleich sie es nicht konnte, und es trat eine Art düsterer Spannung zwischen uns ein, wie ich sie noch nie gefühlt hatte und die mir das Herz beklemmte. “

keller

Gottfried Keller (19 juli 1819 – 15 juli 1890)

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Enquist werd geboren op 19 juli 1945 in Amsterdam als Christa Boer. Zie ook mijn blog van 19 juli 2006.

Opus 126

Beethoven prijst de klokken van Bonn
om hun denderend zwenken. Hij looft
de storm op de Rijn om het schuim.
Nu neemt hij de wallen van Wenen
in langzame driekwartsmaat. Hoe
mensen gaan: ze zwalken, blijven
staan. Het gras voelt stroef.
In loden rust buigt Beethoven
onder de laatste bagatellen.
Vingers krioelen aan de verste boorden
van het toetsenbord. Niets wil hij nog
vertellen, hij versluit zijn lied
vrij van vervulling door de echte klank
in onze oren. Willekeur. Hij krast
de tekens zonder ze te horen.

 

Op het land

Het huis heeft op ons gewacht,
denken wij. De dubbele bomenrij
wuift ons erheen. Fluisterend
schuift de volle rivier
tussen de oevers.
Precies op tijd kruipt de zon
achter de akker. Duisternis
omvat het huis dat ons beschermt.
Wij maken vuur, wij drinken
tussen de muren.
Ik heb mij aan de veiligheid
verkocht en buig mij uit het raam.
Paarden en hanen slapen, water
knipoogt naar de maan en ik betaal
en ik betaal.

 

Winterstop

Als gras in december, doe niet
aan groeien, kruip weg onder
een kille deken. Het is zwart
in de doelmond.

Er wordt gedroomd van zaadschieten,
bloeien met wuivende pluimen. Noppen
ranselen je recht, het mes
maakt je hard.

anna_enquist

Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)

 

De Griekse dichter Miltos Sachtouris of Miltos Sahtouris werd geboren in Athene op 19 juli 1919. Het eerste gedicht onder zijn schrijversnaam, De muziek van mijn eilanden, verscheen in 1941.

The Gifts

Today I put on
a hot red blood
today people love me
a woman smiled at me
a girl gave me a shell
a child gave me a hammer

Today I kneel on the pavement
and nail to the sidewalk
the bare white feet of passersby
they are all crying
but no one is afraid
they all stay where I put them
they are all crying
but gaze up at the heavenly ads
and a beggar woman selling sweetbreads
in the sky

Two of them whisper
what’s he doing is he nailing our hearts?
yes he’s nailing our hearts
well then he must be a poet

 

Vertaald door Karen Emmerich

 

HET STATION
Guillaume Apollinaire indachtig

Het regent voortdurend in mijn slaap
Mijn droom word gevuld met modder
De plaats is donker
En ik wacht op de trein
De stationschef plukt madeliefjes
Die hebben gebloeid op de sporen
Daar het al een hele poos geleden is
Sinds een trein in dit station is binnengelopen
En plots zijn de jaren voorbijgegaan
Ik zit achter een raam
Haar en baard lang geworden
Alsof ik zeer ziek ben
En net wanneer ik weer opnieuw in slaap val
Komt zij langzaam naar mij toe
Met een mes in haar hand
Zij komt voorzichtig naar mij toe
En plant het in mijn rechteroog

 

Vertaald door Henri Thijs

ThMiltosSahtouris

Miltos Sachtouris (19 juli 1919 – 29 maart 2005)

 

De Indiase dichter en schrijver Dominic Francis Moraes werd geboren op 19 juli 1938 in Bandra. Zijn eerste dichtbundel A Beginning verscheen in 1958 in Londen. Met deze bundel won Moreas, die meer dan 30 titels publiceerde, op de leeftijd van 19 jaar de gerenommeerde Engelse Hawthornden Prize. In 1960 verscheen zijn tweede bundel Autumn Choice. In 1976 werd de dichter, die voornamelijk in het Engels schreef ambassadeur bij de Verenigde Naties in New York.

Absences

Smear out the last star.
No lights from the islands
Or hills. In the great square
The prolonged vowel of silence
Makes itself plainly heard
Round the ghost of a headland
Clouds, leaves, shreds of bird
Eddy, hindering the wind.

No vigils left to keep.
No enemies left to slaughter.
The rough roofs of the slopes,
Loosely thatched with splayed water,
Only shelter microliths and fossils.
Unwatched, the rainbows build
On the architraves of hills.
No wounds left to be healed.

Nobody left to be beautiful.
No polyp admiral to sip
Blood and whiskey from a skull
While fingering his warships.
Terrible relics, by tiderace
Untouched, the stromalites breathe.
Bubbles plop on the surface,
Disturbing the balance of death.

No sound would be heard if
So much silence was not heard.
Clouds scuff like sheep on the cliff.
The echoes of stones are restored.
No longer any foreshore
Or any abyss, this
World only held together
By its variety of absences.

Moreas
Dom Moraes (19 juli 1938 – 2 juni 2004)

 

De Oostenrijkse toneelschrijver, romanschrijver, essayist, tijdschriftuitgever, journalist, theaterregisseur, dramaturg en theater-, kunst- en cultuurcriticus Hermann Anastas Bahr werd geboren op 19 juli 1863 in Linz. In juli 1881 sloot Herman Bahr zijn middelbare studies aan het Gymnasium der Benediktiner in Salzburg met het eindexamen af. Enkele maanden later schreef hij zich in op de Universiteit van Wenen om er Klassieke Taal-en Letterkunde en Filosofie te studeren, maar wisselde echter snel van studierichting om staathuishoudkunde te studeren. In 1886 maakte hij voor het eerst kontakt met de Sociaaldemocraat Viktor Adler, die hij overhaalde tot medewerken aan het weekblad Die Gleichheit. Twee jaar later reisde Bahr via München (waar hij Henrik Ibsen ontmoette) naar Parijs. Meteen daarna maakte hij een reis door Zuid-Frankrijk, Spanje en Noord-Afrika. In mei 1890 werd hij door Otto Brahm en Arno Holz naar Berlijn teruggevraagd om mee te werken aan het tijdschrift Freie Bühne für modernes Leben. In oktober 1891 verbleef hij in Wenen, adviseerde daar E.M. Kafka bij zijn nieuwe tijdschrift Moderne Rundschau, en ontmoette o.a. Hofmannsthal, Schnitzler en Beer-Hofmann in Café Griensteidl. In 1906 nodigde Max Reinhardt hem uit als regisseur naar Berlijn te komen. Tijdens een verblijf van twee weken in Berlijn in 1916 ontmoette hij dagelijks Hugo von Hofmannsthal. Na de Eerste Wereldoorlog kreeg Bahr voor korte tijd de verantwoordelijkheid het programma van het Burgtheater op te stellen. In 1922 verhuisde hij naar München, waar zijn vrouw lesgaf aan de Akademie für Tonkunst. In zijn laatste levensjaren ontwikkelde hij steeds sterker wordende supra-nationalistische opvattingen. Hij beoogde een verbond van Europese staten.

Uit: Mit der Nase

„Wir sind jedesmal riesig fidel, sooft sie wieder in den allgemeinen Verkehr zurückerstattet wird. Erstens gibt’s wenige ihresgleichen, so ausschlagend knospenfrisch und von dieser gassenbübisch geschmeidigen und veränderlichen und rastlosen Anmut unter den schweren, stolzen, üppigen Gewändern und mit solchem Erfolg in allen Graden der Liebe geschult, und sie riecht immer sehr gut und jeder vermißt sie schmerzlich, in bösen Fasten und Entbehrungen. Zweitens, weil auch ihre Rede sich recht unanständig benimmt, kommt wenigstens etwas Geist in unsere aufzufrischende Gesellschaft. Drittens hat man einen Vorwand mehr, Sekt zu trinken, Mensch zu sein.
Da beutelt sie uns dann ihre letzten Abenteuer an die gelben Glatzen.
Gestern war sie wieder höchst gemütlich. Besonders nachher, als es schon mehr heute wurde. Da machte sie sich’s bequem. »Angezogene Unterhaltungen« nämlich mag sie nicht leiden; die sind ihr zu »gespannt«. Aus ihrer malerischen Periode her, als sie noch in der Akademie stand, hat sie die Nostalgie des Aktes. Bloß die Handschuhe, das schwarze Mieder und die Strumpfbänder behält sie, »um die Schamhaftigkeit nicht zu verletzen«. Es ist ein geschmackvolles Kostüm, nicht alltäglich, empfehlenswert. Auch praktisch.
Das heizte uns gut ein. Es wurde eine tatkräftige, schaffensfrohe Begeisterung. Alle waren einig; daß es »ein so liebes Viecher!« nicht wieder gibt.“

Hermann_Bahr_1891

Hermann Bahr (19 juli 1863  – 15 januari 1934)

 

De Franse schrijver Jean-Marie Déguignet werd geboren op 19 juli 1834 in Guengat in een zeer arme familie . Déguigne begon zichzelf te leren lezen terwijl hij werkte als schaapherder voor de burgemeester van  Kerfeunteun, nadat hij in zijn jongere jaren bedelaar was geweest. Dat deed hij door gebruik te maken van een catechismus en een boek over het leven van de heiligen. Rond zijn 35e sprak en las hij niet alleen Bretons en Frans, maar ook Latijn, Italiaans, Spaans en zelfs wat Engels. Een eerste versie van zijn Mémoires d’un paysan bas-breton, verscheen in de  Revue de Paris  in 1904. Veel ervan ging echter verloren. Het werk werd opnieuw ontdekt en uitgegeven in 1998 onder de titel Histoire de ma vie.

Uit : Histoire de ma vie

« Il y en avait quelques vieux qui avaient servi le grand Napoléon et s’ils ne connaissaient pas l’histoire de ce destructeur de peuples, des rois et des empires, en revanche ils connaissaient toutes les légendes qui couraient sur lui en Bretagne à cette époque ; légendes qui prenaient d’autant plus d’intérêt alors qu’on ne parlait partout que de son neveu qui allait peut-être faire comme lui.
Il fallait entendre ces vieux raconter ces choses extraordinaires, surnaturelles qu’ils affirmaient avoir vues. Maintes fois ils avaient vu l’homme au petit chapeau traverser les airs avec son cheval blanc pour aller voir la position de l’ennemi.
Ils l’avaient vu jeter un jeu de cartes dans l’air, et aussitôt une armée imaginaire se formait en présence de l’ennemi, sur laquelle celui-ci épuisait en pure perte toutes ses munitions.

Il était parti en Égypte à l’insu de tout le monde en attirant à lui par magie une armée et une escadre. Et là-bas en Égypte quand les soldats étaient découragés par la fatigue, la chaleur et la soif, du bout de son épée il leur
montrait de belles villes et de grands lacs d’eau limpide qui n’existaient pas mais cela encourageait les soldats. Il était revenu en France, de là en se rendant invisible, lui et le bateau sur lequel il était. Mais là, les vieux se disputaient durement. Les uns soutenaient qu’il avait traversé toute l’escadre anglaise comme la foudre, en écartant leurs navires pour s’ouvrir un passage, mais sans que les Anglais ne vissent rien. Les autres soutenaient qu’il avait passé par-dessus les Anglais à travers les airs et ne descendit sur les eaux que lorsqu’il fut loin d’eux. »

deguignet

Jean-Marie Déguignet (19 juli 1834 – 29 augustus 1905)

 

De Schotse schrijver Archibald Joseph Cronin werd geboren op 19 juli 1896 in Cardross, Dunbartonshire. Cronin is vooral bekend gebleven als de schrijver van The Citadel and The Keys of the Kingdom, twee boeken die verfilmd werden. Beide films kregen een Oscar nominatie.

Uit: Die Zitadelle (Vertaald door Richard Hoffmann)

“An einem Spätnachmittag im Oktober des Jahres 1924 blickte ein schäbig gekleideter junger Mann mit gespannter Aufmerksamkeit durch das Fenster eines Abteils dritter Klasse in dem fast leeren Zug, der sich von Swansea das Penowelltal hinaufarbeitete. Den ganzen Tag war Manson vom Norden her schon auf der Fahrt, war in Carlisle und Shrewsbury umgestiegen, aber auf der Endstrecke seiner mühseligen Reise nach Südwales wurde er von einer immer stärkeren Erregung erfaßt. Er sollte nämlich in dieser fremdartigen, häßlichen Gegend seine erste Stelle als Arzt antreten.
Draußen ging ein schwerer Strichregen zwischen den Bergen nieder, die sich zu beiden Seiten der eingleisigen Bahnlinie erhoben. Die Gipfel waren in grauer Himmelswüste verborgen, die Hänge aber fielen, verunstaltet von großen Schutthalden der Erzbergwerke, schwarz und öde ab. Ein paar schmutzige Schafe streunten darauf umher und suchten vergeblich nach Gras. Kein Busch, kein grüner Fleck war zu sehen. Die Bäume sahen im Zwielicht des scheidenden Tages wie dürre Gespenster aus. An einer Biegung der Strecke blitzte der rote Schein einer Gießerei auf. Er beleuchtete einige Dutzend Arbeiter, die, nackt bis zum Gürtel, mit gestrafftem Rücken ihre Arme zum Schlag erhoben hatten. Obwohl das Bild durch den aufragenden Förderturm eines Bergwerks rasch dem Blick entzogen wurde, hinterließ es doch einen Eindruck von angespannter lebensvoller Kraft.”

A_J_Cronin

A. J. Cronin (19 juli 1896 – 6 januari 1981)

 

De Duitse dichter en schrijver Georg Anton Lorenz Diefenbach werd geboren op 19 juli 1806 in Ostheim, Hessen. Diefenbach was bevriend met Jakob Grimm. Bekend geworden is hij door de, later door de nazi’s op cynische wijze misbruikte spreuk Arbeit macht frei, de titel van een in 1873 in Bremen verschenen roman. De hoofdpersoon in dat boek is een gokker en bedrieger die door geregeld werk weer op het pad van de deugd terugkeert. Diefenbach schreef ook gedichten en talrijke taalkundige werken.

Es kommt die Zeit

Es kommt die Zeit, wo Wanderstraßen reichen
Bis zu der Pole lang verborgnen Küsten,
Sich grüßen die Oasen aller Wüsten,
Nichts unentdeckt blieb in der Erde Reichen.

Wird dann der Forschung Geist die Segel streichen,
Nicht mehr sie zu Columbus-Zügen rüsten?
Der Menschheit Heros tatenlos in Lüsten
Omphales seiner Sehnen Kraft zerweichen?

Äronaute, schiffe dann zu Sonnen
Auf Wegen, die kein Argonaute suchte!
Laßt springen der Saharen tiefe Bronnen,

Daß ihre Flut den wüsten Sand befruchte!
Sind keine Welten übrig zu entdecken,
So lädt das Chaos, neue zu erwecken.

Lorenz_Diefenbach

Lorenz Diefenbach (19 juli 1806 – 28 maart 1883)

 

De Franse schrijver en criticus Ferdinand Vincent-de-Paul Marie Brunetière werd geboren op 19 juli 1849 in Toulon. Na zijn schooltijd in Marseille studeerde hij in Parijs aan het Lycée Louis-le-Grand. Brunetière was een orthodoxe katholiek en zijn politieke overtuigingen waren conservatief. Hij had echter een grote eruditie en was niet bang om van gangbare meningen af te wijken.

Uit: LA POESIE FRANCAISE DU XIX SIECLE

“Si l’on en voulait croire la plupart des historiens du romantisme, et quelques-uns des romantiques eux-mêmes,–Sainte-Beuve, par exemple, ou Theodore de Banville,–c’est avec et par Andre Chenier que commencerait en France la poésie du dix-neuvième siècle. On ne saurait se tromper davantage. Grand poète et surtout grand artiste, a la manière de Racine ou de Ronsard, il est bien vrai que ces deux traits séparent et distinguent profondément Andre Chenier de tous les versificateurs de son temps, Lebrun,
Delille, et ce Roucher, qu’on lui associe d’ordinaire, payée qu’ils montèrent tous deux le même jour sur l’échafaud, ou encore le chevalier de Parny.
Mais d’ailleurs, il n’a rien d’un “romantique”; et de même que l’élégante et ardente sensualité de son siècle respire dans ses Elégies, c’est encore un “classique,” c’est un contemporain de Ronsard, c’est un païen, c’est un Alexandrin, c’est un élève de Callimaque et de Theocrite, qu’on retrouve dans ses Idylles. Nous ajouterons que sas Poésies, dont on n’a connu pendant plus de vingt-cinq ans que des fragments épars, n’ont vu le jour pour la première fois qu’en 1819; et on pourrait bien signaler quelque trace de leur influence dans les premiers Poèmes d’Alfred de Vigny, qui parurent en 1822, mais on en chercherait en vain dans les premières Odes de Victor Hugo, qui sont de 1822, elles aussi, ou dans les Premières Méditations de Lamartine, qui sont datées de 1820.”

180px-Brunetiere_01

Ferdinand Brunetière (19 juli 1849 – 9 december 1906)

 

De Frans-Zwitserse schrijver Robert Pinget werd geboren op 19 juli 1919 in Genève. Hij wordt vaak gezien als een van de groten van de zogeheten nouveau roman. Pinget was eerst korte tijd advocaat maar vertrok na de oorlog naar Parijs om daar schilder te worden. Dat plan gaf hij een paar jaar later op, om zich volledig aan het schrijven te wijden. Pinget speelde cello en was een groot liefhebber van Bach en andere componisten uit de barok. Zijn belangstelling voor de muziek vond een directe weerslag in zijn oeuvre. Veel van zijn boeken hebben een parlando-toon, bestaan uit een onafzienbare stroom woorden die met veel gevoel voor ritme wordt geuit door een ik-figuur. Deze probeert zich niet mooier voor te doen dan hij is, gooit alles eruit wat hem invalt, met alle gevolgen van dien: herhalingen, contradicties enzovoort. Een van Pingets romans heet ‘Passacaille’ (1969), naar de dansmuziek die volledig is opgebouwd uit variaties op een thema.

Uit: Passacaglia  (Vertaald door Roel te Velde)

“Zo kalm en grijs. Niets dat zich roert. Iets in het mechaniek moet stuk zijn maar te zien is er niets. De klok staat op de schoorsteen, de wijzers staan goed. Iemand in het kille vertrek moest net zijn binnengekomen, het huis was afgesloten, het was winter. Zo grijs en kalm. Moest aan tafel zijn gaan zitten. Verstijfd van de kou, totdat het duister werd. Het was winter, de tuin dor, onkruid op de binnenplaats. Maandenlang zou er geen mens zijn, alles is op orde. De weg erheen loopt langs land waar niets op stond. Er vliegen raven op of eksters, niet goed te zien, nog even en het is duister.

De klok op de schoorsteen is van zwart marmer, de wijzerplaat goudomrand met Romeinse cijfers.

De man die een uur of wat eerder aan die tafel had gezeten die dood was aangetroffen op de mestvaalt zou niet alleen zijn geweest, een man op wacht hield een oogje in het zeil, een boer die te vertrouwen was en die op een grijze, kille dag alleen de overledene had zien zitten, naar de kier van het luik zou zijn gelopen en duidelijk zou hebben gezien hoe hij de klok kapot had gemaakt en toen terneergeslagen op zijn stoel was blijven zitten, met de schouders op tafel en het hoofd in de handen. Wat moet men aan met dit gemurmel, het dringt niet door.

Een door oude gebouwen omgeven binnenplaats, met kasseien bestraat en goed onderhouden, een rechthoek met aan de noordkant dus waar je naar binnen gaat een blankhouten poort en twee groepjes roze hortensia’s, met aan de zuidkant tussen schuur en varkensstal wat meer naar achteren een perk irissen, een feest voor het oog in het voorjaar, aan de westkant het woonhuis, aan de oostkant jonge olmen, in het midden de fontein met zijn uitgesleten ronde bak en als afvoer een monsterfiguurtje.”

robert_pinget1

Robert Pinget (19 juli 1919 – 25 augustus 1997)