Rainer Kirsch, Bruno Jasieński, Shmuel Yosef Agnon, Roger Garaudy, Christina Stead, Clara Viebig

De Duitse dichter en schrijver Rainer Kirsch werd geboren op 17 juli 1934 in Döbeln. Hij studeerde geschiedenis en filosofie in Halle en Jena. Daarna werkte hij o.a. in een drukkerij en in de landbouw. Sinds 1960 is hij zelfstandig schrijver en publiceert hij gedichten. Van 1963 tot 1965 studeerde hij aan het Literaturinstitut “Johannes R. Becher” in Leipzig. Hij geldt als een vertegenwoordiger van de Saksische dichterschool. Van 1960 tot 1968 was hij getrouwd met de dichteres Sarah Kirsch. In 1973 werd hij wegens meningsverschillen over zijn komedie “Heinrich Schlaghands Höllenfahrt” uit de SED gezet. In 1990 werd hij president van de DDR-schrijversbond. Kirsch schrijft ook toneel, verhalen, hoorspelen, essays en kinderboeken en vertaalde werk van o.a. Anna Achmatova, Ossip Mandelstam, Keats en Shelley.

Uit: Die Talare der Gottesgelehrten

„Die Neue Nekrophilie oder Der Brotpreis zieht an
Zu einem work-in-progress-Projekt in Berlin

Es gehört zum Ablauf geglückter Umstürze – von Revolutionen nicht zu reden –, daß nach drei Tagen Hochstimmung die Leute sich am vierten Tag die Augen reiben und aus dem Fenster sehen. Die Luft, stellen sie mit gewisser Verwunderung fest, stinkt wie früher, Dreck liegt auf der Straße wie eh, und der Brotpreis zieht an. Das freilich ist kein Grund nicht zu hoffen, sagen sie sich und lesen die Zeitung; darin steht, wer an all dem wie schuld war und gleichwohl noch frech herumläuft. Sie, die Leute, durchleben derart sämtliche Unerträglichkeiten ihres bisherigen Daseins noch einmal, indes genußvoll und mit dem Bild alsbaldiger Änderung. Diese Beschäftigung währt zwei oder fünf Monate. Danach folgt ein Moment des Blinzelns.
Die neue Ordnung, zeigt sich, ist nicht nur Freiheit, sondern auch Ordnung und braucht eine Polizei; die neuen Büros müssen mit tausend Unordentlichkeiten fertigwerden und sind womöglich noch bürokratischer als die alten; die Banken, überraschenderweise, tun was sie immer vorgaben zu tun: sie verleihen Geld, um es vermehrt zurückzukriegen. Zudem erhebt eine bislang stille Gruppe ihr Haupt, die der Hausbesitzer – die Mieten steigen. Die Leute, ungern enttäuscht, brauchen nochmals Zeit, diese Maßgaben im Kopf sich zu ordnen; sodann setzt allgemeiner Mißmut ein.
Dies nun ist die Stunde der neuen Verwalter der Dörfer und Städte; sie sind ja nicht zu beneiden. Geld ist wenig da, und verlangen sie mehr von oben, bekommen sie keins, oder sie bekommen es und es entwertet sich. Versprechungen, andererseits, helfen fürder nicht – selbst wenn sie wahr wären, glaubte ihnen niemand. Was bleibt, ist der Kampf auf dem Feld des Nicht-Seienden – der Kampf gegen Namen, die Umbenennung.“

 

Kirsch

Rainer Kirsch (Döbeln, 17 juli 1934)

 

De Poolse futuristische schrijver Bruno Jasieński (eig. Wiktor Zysman) werd geboren op 17 juli 1901 in Klimontov. In 1929 schreef hij de roman Palę Paryż (Engels: I Burn Paris), waarin hij de ineenstorting en het verval van Parijs en van kapitalistische samenlevingen in het algemeen beschrijft en ook de daarbij horende sociale spanningen. Het boek was ook een humoristische reactie op het pamflet van Paul Morand “I Burn Moscow” dat kort daarvoor verschenen was. Gepubliceerd werd het boek in de linkse krant L’Humanité en daarna werd het meteen in het Russisch vertaald. Jasieński werd er in Frankrijk beroemd mee, maar de roman was ook de belangrijkste aanleiding om hem uit Frankrijk te verbannen. In Luxemburg en België was hij ook niet welkom en hij verbleef in Frankfurt am Main tot de ban werd opgeheven. Daarop keerde hij wel weer naar Frankrijk terug, maar hij werd opnieuw uitgewezen. In 1929 vestigde hij zich in Leningrad waar hij begroet werd als een nationale held.

 

Uit: I Burn Paris (Palę Paryż)

 

It all began from a petty sta
te of affairs which, at the time, seemed both utterly insignificant and decidedly private.

On a beautiful November evening, on the corner of Rue Vivienne and Boulevard Montmartre, Jeanette announced to Pierre that she was in desperate need of a pair of evening shoes.

They ambled along, arm in arm, immersed in that random, clumsy crowd of extras that is projected every evening onto the screen of Parisian boulevards by the broken projector of Europe.

Pierre was glum and silent.

He had more than enough reason to be.

That morning the foremen had brought his gutta-percha-stepped patrol of the shopfloor to a sudden halt before Pierre’s machine and, fixing his gaze somewhere in the space above Pierre’s shoulder, had told him to pack up his tools.

This silent hunting had been going on for two weeks. Pierre heard from his workmates that, due to the lousy state of the economy, people had stopped buying cars. Factories were facing the threat of closure. The workforce was being cut by half everywhere. In order to avoid trouble, people were being fired at various times of the day, from different sections of the factory.

After taking their place in the workshop in the morning, nobody could be certain that it would not be their turn that day.

Like dogs sniffing a trail, four hundred pairs of nervous eyes stealthily tracked the foreman’s lumbering steps as he made his way slowly, deliberating, around the workshops, and the furtive eyes strove to avoid meeting his slippery gaze, should it fall upon them. The four hundred people bent over machines as if they sought to shrink and merge with the greyness, in an effort to become imperceptible. Fingers raced each other in hot pursuit on machines heated from hurry, through whose hoarse cry the weeping fingers whined “I’m the fastest! Not me please! Not me!”

 

jasienski

Bruno Jasieński (17 juli 1901 – 17 september 1938)

 

De Hebreeuwse schrijver Shmuel Yosef Agnon (eig. Shmuel Yosef Czaczkes) werd geboren in Buczacs, Galicië (nu in Oekraïne) op 17 juli 1888. Hij was de eerste schrijver in het Hebreeuws die de Nobelprijs voor de literatuur won (in 1966). Agnon is een van de centrale personen in de moderne Hebreeuwse fictie. Hij is ook bekend met het acroniem Shay (van Shmuel Yosef; a zonder betekenis) als voornaam, dus als Shay Agnon. Agnon emigreerde naar het toenmalig mandaatgebied Palestina. Zijn werken behandelen het traditionele joodse leven en de moderne wereld, en trachten de verdwijnende sfeer en tradities van de Europese shtetl en joods-religieuze personages in Jeruzalem vast te leggen.

 

Uit: Only Yesterday 

 

“Like all our brethren of the Second Aliya, the bearers of our Salva­tion, Isaac Kumer left his country and his homeland and his city and ascended to the Land of Israel to build it from its destruction and to be rebuilt by it. From the day our comrade Isaac knew his mind, not a day went by that he didn’t think about it. A blessed dwelling place was his image of the whole Land of Israel and its inhabitants blessed by God. Its villages hidden in the shade of vineyards and olive groves,
the fields enveloped in grains and the orchard trees crowned with fruit, the valleys yielding flowers and the forest trees swaying; the whole firmament is sky blue and all the houses are filled with re­
joicing. By day they plow and sow and plant and reap and gather and pick, threshing wheat and pressing wine, and at eventide they sit every man under his vine and under his fig tree, his wife and his sons and daughters sitting with him, happy at their work and rejoicing in their sitting, and they reminisce about the days of yore Outside the Land, like people who in happy times recall days of woe, and enjoy the good twice over. A man of imagination was Isaac, what his heart desired, his imagination would conjure up for him.

The days of his youth departed in his yearning for the Land of Israel. Some of Isaac’s friends had already taken wives and opened shops for themselves, and they’re distinguished in the eyes of folks and are invited to all public events. When they enter the bank, the clerk sits them down on a chair; when they come to a government office, the dignitaries return their greetings. And others of Isaac’s friends are at the university studying all manner of wisdom that sus­ tains those who possess it and magnifies their honor.”

 

agnon1

Shmuel Yosef Agnon (17 juli 1888 – 17 februari 1970)

 

De Franse schrijver, filosoof en politicus Roger Garaudy werd geboren in Marseille  op 17 juli 1913. Hij was van 1945 tot 1962 volksvertegenwoordiger voor de Parti Communiste Français (PCF). Hij maakte vierentwintig jaar lang deel uit van het centraal comité en veertien jaar van het politburo van de PCF. Als directeur van het Centre d’études et de recherches marxistes was hij de voornaamste ideoloog van zijn partij. Zijn in 1965 gepubliceerde werk De l’anathème au dialogue, waarin hij zijn stelling toelicht, dat de mens in het middelpunt staat van het marxisme (een aspect dat volgens hem door het stalinisme was teruggedrongen), bracht hem in conflict met de gangbare marxistisch-leninistische interpretaties, evenals zijn in Lénine (1968) neergelegde visie, dat blijkens Lenin niet de partij, maar de massa de belangrijkste rol toevalt bij de vestiging van een socialistische maatschappij. In Le grand tournant du socialisme (1969) uitte hij felle kritiek op het militair ingrijpen van het Warschaupact in Tsjechoslowakije en de houding van de PCF ten aanzien van de meirevolte in Frankrijk (1968). Op het 19de partijcongres (febr. 1970) werden Garaudy zijn functies ontnomen, waarna hij op 20 mei uit de partij werd gestoten, beschuldigd van revisionisme van Marx en Engels. In 1975 verscheen Parole d’homme (Ned. vert.: Het hart op de tong, 1976), dat handelt over een thema waarmee hij zich al lang bezighield: saamhorigheid van christendom en communisme.  In 1982 bekeert hij zich tot moslim.

 Garaudy schreef in 1995 het werk Les Mythes fondateurs de la politique israélienne. Het boek oogste veel kritiek en leverde veel discussie op. Het zou een propagandawerk zijn voor Holocaustontkenning. Het boek werd in korte tijd vertaald in Midden-Oosterse talen zoals het Arabisch en Perzisch.

Uit: Les Mythes fondateurs de la politique israélienne

 

“We are aware that in our time, the only alternative to dialogue is war, and, as we keep repeating, dialogue requires that from the start, everyone is aware of what is lacking in his faith and that he needs the other to fill this void. This is the condition of any desire for fullness (which is the spirit of any living faith).

Our anthology of Zionist crimes is part of a body of efforts made by those Jews who have tried to defend a prophetic Judaism against a tribal Zionism. What nourishes antisemitism is not the criticism of the policy of aggression, deception and blood of Israeli-Zionism. It is the unconditional support of its policy, which by literal interpretation of the great traditions of Judaism, selects only whatever justifies this policy, elevates it above international law by making sacred the myths of yesterday and today.”

Garaudy

Roger Garaudy (Marseille, 17 juli 1913)

 

De Australische schrijfster Christina Stead werd geboren in Rockdale, New South Wales op 17 juli 1902. Zij schreef 15 romans en diverse verhalenbundels. Zij debuteerde met Seven Poor Men of Sydney in 1934. Haar bekendste roman is wellicht The Man Who Loved Children, gebaseerd op haar jeugdherinneringen, uit 1940.

Uit: House of all nations

 

At this time the socialist friends of Alphendery began to tremble; the wisest predicted a hundred years of domination. Jules even became captious and cruel and couldn’t bear Alphendery to mention socialism or to wish the comfort of it all….

“If the stock exchange is abolished,” said Jules, “men like me will always set up a black bourse: it will come back. What you dream of are opium-den dreams, and besides you’re wasting time … You can make money … That’s what I want you to do … none of yur communist friends has ever made money, and so what brains have they? Forget them. You’re working for me!”

Alphendery laughed with contempt. “Jules, don’t worry. You’ve got time. There are plenty of tricks they can and will pull yet: every measure designed not for economic recovery but to put up the market, as if that were the first reality of economics, not merely the mercury of the middle classes…. This is the period of effrontery of capitalism and you think right, Jules, you’ve got the general line!”

“Yes,” said Jules, cooling. “I know it won’t last long, and I won’t last long; my three sons will be engineers, don’t fret! This is the day of the short-play heroes. No more Rhodes and houses of Rothschild!”

 

Stead

Christina Stead (17 juli 1902 – 31 maart 1983)

 

De Duitse schrijfster Clara Viebig werd geboren op 17 juli 1860 in Trier.Toen ze acht was, verhuisde de familie naar Düsseldorf, waar haar vader plaatsvervangend Regierungspräsident werd. Het landschap aan de Moezel en de Rijn zou later een belangrijke rol spelen in haar literaire werk. Toen haar vader in 1883 stierf, ging ze met haar moeder in Berlijn-Zehlendorf wonen, waar ze zang studeerde aan het conservatorium
. In 1894 begon ze verhalen te publiceren in kranten. Twee jaar later trouwde ze met de uitgever Friedrich Theodor Cohn. In de volgende twintig jaar was Viebig zeer productief. Rond de eeuwwisseling zorgde de toen aanstootgevende Eifelroman Das Weiberdorf voor de beslissende doorbraak.Tot 1914 zou er bijna elk jaar een roman of een bundel novelles verschijnen. Ook WO I was geen demper op Viebigs creativiteit. Ze schreef ondermeer de historische romans Unter dem Freiheitsbaum en Der Vielgeliebte und die Vielgehasste. Het nationaal-socialisme bracht de schrijfster tot zwijgen. Tot WO II gaf ze talrijke voordrachten in St. Petersburg, Den Haag, Wenen, Parijs, Luxemburg, Zwitserland, de VS en Duitsland. Midden in de oorlog verhuisde ze naar Mittelwalde in Schlesien. In 1946 keerde ze naar Berlijn terug.

Uit: Vom Weg meiner Jugend.

„Heinrich Heines Stadt – was wußte ich damals von Heinrich Heine! In der Schule hatte ich nichts von ihm gehört.

            Aber es kam ein Tag, da fand die Zwölfjährige unter den Büchern der Mutter, die im guten Zimmer auf einer an der Wand hängenden kleinen Etagere standen, ein Buch, das war rot wie Blut, mit Passionsblumengerank auf dem Deckel und mit einem weißseidenen Bändchen als Lesezeichen. Und die Halbwüchsige schlug’s Büchlein auf und steckte neugierig die Nase hinein: was Interessantes? O ja, etwas Interessantes: weit mehr als das! Sie vergaß, daß sie abstauben sollte, vergaß die so und so vielmal herum, die ihr die Mutter am Strickstrumpf aufgegeben hatte, vergaß das Klavierüben und die fanzösische Übersetzung. Gott sei Dank, daß so selten jemand in die gute Stube kam!

            Auf dem Tritt unterm Fenster kauerte ich, die langen Beine hochgezogen, die Hände um die Knie geschlungen; und auf diesen mageren Kinderknien lag das rote Buch. Ich las und las. Wie warmes, lebendiges Blut quoll es auf von dem roten Büchlein – es stieg mir zu Kopf, es quoll mir zu Herzen, jetzt stand mein Herz fast still vor Qual, jetzt hüpfte es wieder hoch empor vor Seligkeit. O, dieses ,Buch der Lieder’ was etwas andres, als die Gedichte, die man in der Schule lernt! Was waren selbst Schillers Taucher, Freiligraths Blumenrache und Chamissos Löwenbraut hiergegen?! Hier was etwas ganz Neues, nie Gekanntes, nie Gefühltes, nicht einmal Geahntes! Das lebendige Leben mit seinen Freuden und seinem Weh, mit seinem Lieben und seinem Hassen klopfte bei mir an. Über die unberührte Seele stürzten die Empfindungen; die wand und krümmte sich unter der gewaltig einbrechenden Flut, fast wäre sie gern wieder losgekommen – es war ja manches so traurig, so schrecklich – aber, was war das doch so schön!“

 

 

viebig1879

Clara Viebig (17 juli 1860 – 31 juli 1952)