Nescio, Dan Brown, Erich Maria Remarque, Jacques Delille, Tadeusz Konwicki, Xavier Grall, Henry Rider Haggard

De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Van 1897 tot 1899 zat hij op de Openbare Handelsschool aan de Keizersgracht. Daarna had hij verschillende kantoorbaantjes. Hoewel hij in zijn beroep succesvol was, vervulde het hem bepaald niet met enthousiasme. Zijn oeuvre geeft hier meer dan eens blijk van. In de jaren 1901-1903 was Nescio betrokken bij het project “Tames”. Met een aantal vrienden had hij een idealistische kolonie met deze naam opgericht, in de buurt van Huizen. Dit in navolging van de kolonie Walden, opgericht door Frederik van Eeden. Nescio was, ondanks zijn baan als handelsman (hij werd directeur van de Holland-Bombay Trading Company) overtuigd lid van de SDAP. Nescio (de naam betekent Ik weet (het) niet) schreef voornamelijk verhalen. Zijn eerste boek, waarin de drie verhalen: Dichtertje, De uitvreter en Titaantjes’ zijn opgenomen, verscheen in 1918. Zijn talent werd echter niet meteen gewaardeerd. Zo werd het verhaal De uitvreter in 1910 door tijdschrift Nederland teruggestuurd. In september 1910 stuurt Nescio een uitgebreide versie naar het literaire tijdschrift De Gids. Dit tijdschrift publiceert het verhaal in januari 1911.

PLEZIERTREIN

“Ik heb nog een oudere herinnering.
Donderdag 30 Juli 1896. Kijkt u het maar na in een oue almanak en u zult zien dat ’t klopt. Bestaan er nog almanakken? En winkels: tabak, snuif en sigaren?
Donderdag 30 Juli 1896. Ik zie nog de blauwe aanplakbiljetten. Goedkoope trein naar Nijmegen, 2e en 3e klas, ƒ 1,- heen en weer. En ik voel weer heel even de oude verwachting van toen, toen die dag nog komen moest.
Het geluid van de houtduif. Een weg in een vreemd land, hooge boomen alom. Het moet bij Berg en Dal zijn geweest. En het koeren van de houtduif. En de vreemde ontroering.
Dat is alles.
De rest is zakelijkheid. De menschen van de pleziertrein, die je overal tegenkwam. De Duivelsberg. En even weer een vreemde ontroering: die ruimte en dat licht. Alles was vreemd. Een opgetogen meisje, volwassen. Ze kan nog leven, ik leef ook nog. Een te duidelijke stem: “Zooiets zie je bij ons op de Jodenbreestraat toch niet.” Een steil pad naar beneden, te steil, m’n vader komt zittende terecht, halverhoogte.
En tegen den avond, de weg naar ’t station, al die groepjes menschen: de pleziertrein. Een man die op den rand van ’t trottoir staat en z’n hoofd beweegt en dan kotst. De pleziertrein.
In de nacht staan we stil op de rails. Het raampje is open, wij hooren ’t gelal uit de andere uit de andere wagens. Een man zit bij het portier. Waar zijn we? Hij wipt op om z’n kop uit ’t raampje te steken en praat naar binnen: “Maarsbergen!” Klap op z’n derrière. “Waarom berg je ‘m dan niet op?” Pleziertrein.
Maar ’t zachte koeren van die duif in de eeuwigheid. Dat steeds maar weer herleeft als ik een duif hoor koeren en soms alleen al als ik hoog-opgaand weelderig geboomte zie. Nijmegen, m’n vader, dat stuk weg, die boomen daar en die duif die koerde.
En de weemoed. Lang nadat die dag niet meer komen moest, hingen hier en daar nog die blauwe biljetten. Donderdag 30 Juli 1896. Goedkoope trein naar Arnhem en Nijmegen. De zoete pijnlijke en onbegrepen weemoed dat ’t voorbij was en dat Donderdag de 30ste Juli 1896 nooit meer komen zou.
Dat is alles.
Een vreemd gevoel van onvergankelijkheid.”

19 Februari 1942

Nescio

Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)

 

De Amerikaanse schrijver Dan Brown werd geboren in Exeter, New Hampshire, op 22 juni 1964. Zijn boeken behoren tot het genre van de fact fiction, waarbij een fictief verhaal wordt verteld tegen een herkenbaar en realistisch decor. Brown groeide op op de campus van de Philips Exeter Academy, één van de meest prestigieuze kostscholen van Amerika. Zijn vader was daar leraar wiskunde. Brown studeerde Engelse literatuur en kunstgeschiedenis aan het Amherst College (Massachusetts), waar hij in 1986 zijn diploma haalde. Daarnaast studeerde hij ook nog in het Spaanse Sevilla. Na zijn studie gaf hij – in de voetsporen van zijn vader – enige tijd Engelse les aan de Philips Exeter Academy, waar hij vroeger zelf ook onderwijs volgde. In 1998 verscheen zijn debuutroman Digital Fortress. Hij brak echter internationaal door met zijn vierde roman The Da Vinci Code, die in 2004.

Uit: The Davinci Code

“Renowned curator Jacques Saunière staggered through the vaulted archway of the museum’s Grand Gallery. He lunged for the nearest painting he could see, a Carravagio. Grabbing the gilded frame, the seventy-three-year-old man heaved the masterpiece toward himself until it tore from the wall and Saunière collapsed backward in a heap beneath the canvas.
As he anticipated, a thundering iron gate fell nearby, barricading the entrance to the suite. The parquet floor shook. Far off, an alarm began to ring.
The curator lay a moment, gasping for breath, taking stock. I am still alive. He crawled out from under the canvas and scanned the cavernous space for someplace to hide.
A voice spoke, chillingly close. “Do not move.”
On his hands and knees, the curator froze, turning his head slowly.
Only fifteen feet away, outside the sealed gate, the mountainous silhouette of his attacker stared through the iron bars. He was broad and tall, with ghost-pale skin and thinning white hair. His irises were pink with dark red pupils. The albino drew a pistol from his coat and aimed the long silencer through the bars, directly at the curator. “You should not have run.” His accent was not easy to place. “Now tell me where it is.”

BROWN

Dan Brown (Exeter, 22 juni 1964)

 

De Duitse schrijver Erich Maria Remarque (eig. Erich Paul Remark) werd geboren op 22 juni 1898 in Osnabrück. Zie ook mijn blog van 22 juni 2006.

Uit: Im Westen nichts Neues

“Ich bin öfter auf Wache bei den Russen. In der Dunkelheit sieht man ihre Gestalten sich bewegen, wie kranke Sturche, wie große Vögel. Sie kommen dicht an das Gitter heran und legen ihre Gesichter dagegen, die Finger sind in die Maschen gekrallt. Oft stehen viele nebeneinander. So atmen sie den Wind, der von der Heide und den Wäldern herkommt.

Selten sprechen sie, und dann nur wenige Worte. Sie sind menschlicher und, ich möchte fast glauben, bruderlicher zueinander als wir hier. Aber das ist vielleicht nur deshalb, weil sie sich unglücklicher fühlen als wir. Dabei ist fur sie doch der Krieg zu Ende. Doch auf die Ruhr zu warten, ist ja auch kein Leben.

Ein Befehl hat diese stillen Gestalten zu unsern Feinden gemacht; ein Befehl könnte sie in unsere Freunde verwandeln. An irgendeinem Tisch wird ein Schriftstück von einigen Leuten unterzeichnet, die keiner von uns kennt, und jahrelang ist unser höchstes Ziel das, worauf sonst die Verachtung der Welt und ihre höchste Strafe ruht. … Jeder Unteroffizier ist dem Rekruten, jeder Oberlehrer dem Schuler ein schlimmerer Feind als sie uns.”

Remarque

Erich Maria Remarque (22 juni 1898 – 25 september 1970)

 

De Franse dichter Jacques Delille werd geboren op 22 juni 1738 in Clermont-Ferrand. Delille was een briljante student en doceerde later Larijn en poezie aan het Collège de France. Zijn naam werd gevestigd met een vertaling van de Georgica van Vergilius in 1770. Zijn eigen gedichten (Les Jardins, 1782; Les Trois Règnes de la nature, 1809) waren vaak gewijd aan de
natuur

 

Le café

Il est une liqueur, au poëte plus chère,
Qui manquait à Virgile, et qu’adorait Voltaire ;
C’est toi, divin café, dont l’aimable liqueur
Sans altérer la tête épanouit le coeur.
Aussi, quand mon palais est émoussé par l’âge,
Avec plaisir encor je goûte ton breuvage.
Que j’aime à préparer ton nectar précieux !
Nul n’usurpe chez moi ce soin délicieux.
Sur le réchaud brûlant moi seul tournant ta graine,
A l’or de ta couleur fais succéder l’ébène ;
Moi seul contre la noix, qu’arment ses dents de fer,
Je fais, en le broyant, crier ton fruit amer,
Charmé de ton parfum, c’est moi seul qui dans l’onde
Infuse à mon foyer ta poussière féconde ;
Qui, tour à tour calmant, excitant tes bouillons,
Suis d’un oeil attentif tes légers tourbillons.
Enfin, de ta liqueur lentement reposée,
Dans le vase fumant la lie est déposée ;
Ma coupe, ton nectar, le miel américain,
Que du suc des roseaux exprima l’Africain,
Tout est prêt : du Japon l’émail reçoit tes ondes,
Et seul tu réunis les tributs des deux mondes.
Viens donc, divin nectar, viens donc, inspire-moi.
Je ne veux qu’un désert, mon Antigone et toi.
A peine j’ai senti ta vapeur odorante,
Soudain de ton climat la chaleur pénétrante
Réveille tous mes sens ; sans trouble, sans chaos,
Mes pensers plus nombreux accourent à grands flots.
Mon idée était triste, aride, dépouillée ;
Elle rit, elle sort richement habillée,
Et je crois, du génie éprouvant le réveil,
Boire dans chaque goutte un rayon du soleil.

delille

Jacques Delille (22 juni 1738 – 1 mei 1813)

 

De Poolse schrijver en regisseur Tadeusz Konwicki werd geboren op 22 juni 1926 in Nowa Wilejka bij Vilnius. Na de dood van zijn vader verhuisde Tadeusz Konwicki naar Kolonia Wileńska. Tijdens de Duitse bezetting volgde hij  middelbare school in ondergrondse studiegroepen. Later vocht hij in een guerillastrijd tegen de Sovjets. Na de oorlog vestigde Konwicki zich in Krakau waar hij Poolse filologie studeerde aan de Jagielloński Universiteit. Vanaf 1945 was hij sterk betrokken bij het weekblad Odrodzenie. Konwicki debuteerde in november 1947 met het verhaal Kapral Koziołek i ja dat in Nurt verscheen. In die tijd schreef hij recensies en reportages voor o.a. Po prostu, Odrodzenie, Wieś en Pokolenie. In 1947 trok hij naar Warschau. In 1948 schreef hij zijn eerste roman Rojsty die over zijn guerilla-tijd handelde en die omwille van thema en boodschap verboden werd door de censuur. In 1950 verscheen zijn roman Przy budowie. Vanaf dit jaar werkte Konwicki ook in de redactie van het tijdschrift Nowa Kultura. In die periodiek verscheen een anonieme tekst met een inleidend stuk van Konwicki, die de naderende ‘Poolse dooi’ aankondigde. Halverwege de jaren vijftig begon Konwicki zich bezig te houden met filmkunst. In 1956 vertrok hij naar China. Zijn ervaringen en waarnemingen werden later in de roman Wniebowstapienie uit 1967 verwerkt. In 1966 werd Konwicki uit de PZPR (Poolse Verenigde Arbeiderspartij) gezet. Wegens zijn verzet tegen de geplande grondwetswijzigingen, tegen de vervolgingen van de leden van de KOR-organisatie (Steun voor Arbeiders) en tegen de bloedige onderdrukking van arbeidersstakingen in Ursus en Radom, mocht hij niet meer officieel publiceren. Sindsdien verschenen zijn romans in het ondergrondse circuit en bij buitenlandse uitgeverijen. Vanaf 1988 verschenen zijn boeken weer in het officiële Poolse circuit.

UitZwierzoczłekoupiór (Vertaald door Marzena Książkiewicz)

“My name is Peter, because I was born in the year when all the girls were given Agatha and all the boys Peter as their names. My father works at the Aviation Institute, although he always showed signs of rather musical talents. I wish to explain in the very beginning that my old man is no sort of a spaceman nor a supersonic apparatous test pilot. He does something in the counting machines’ office. Perhaps he simply adds and subtracts or divides and multiplies. I never ask him about it because he is very touchy. Mother does what all mothers do; she cleans, cooks, sometimes does a little washing and keeps worrying all the time. And when she stays at home alone, she takes an easel from behind the wardrobe and buckles down to painting. Father calls it waterproof painting, because mother uses oilpaints. I guess you understand everything, don’t you? It is easy to imagine such a home. And it is difficult to be a good child if you have such parents. I have just remembered that there is one more person living with us – Miss Sofia. I meet her now and then when she is on her way to the bathroom or the kitchen to look for an apple. For Miss Sofia is always on a diet. When she occasionally has dinner with us, she prods the empty plate with her fork so nervously that I am afraid that all of a sudden she will grasp at the dish of potatoes, and devour them with one mouthful, in a fury of a starving person. Miss Sofia never talks to us. I suppose she holds us in utter contempt. Miss Sofia is my big sister. She is in the first form of grammar school, where they teach according to a new experimentale programme. Even father isn’t able to help her with maths. Anyway, she never asks him to”.

konwicki

Tadeusz Konwicki (Nowa Wilejka, 22 juni 1926)

 

De Franse dichter en schrijver Xavier Grall werd geboren op 22 juni 1930 in Landivisiau (Finistère). In zijn werk verheerlijkte hij de Bretagne. In 1973 verliet hij Parijs om de naar de regio van Pont-Aven terug te keren, waar hij zich sterk inzette voor de Bretonse cultuur.

Les marins

Les vieux de chez moi ont des îles dans les yeux
Leurs mains crevassées par les chasses marines
Et les veines éclatées de leurs pupilles bleues
Portent les songes des frêles brigantines

Les vieux de chez moi sont fils de naufrageurs
Leurs crânes pensifs roulent des trésors inouïs
Des voiliers brisés dans les goémons rageurs
Et luisent leurs regards comme des louis

Les vieux de chez moi n’attendent plus rien de la vie
Ils ont jeté les ans, le harpon et la nasse
Mangé la cotriade et siroté l’eau de vie
La mort peut les prendre, noire comme pinasse

Les vieux ne bougeront pas sur le banc fatigué
Observant le port, le jardin, l’hortensia
Ils diront simplement aux Janies, aux Marias
“Adieu, les Belles, c’est le branle-bas”

Et les femmes des marins fermeront leurs volets.

Grall

Xavier Grall (22 juni 1930 – 11 december 1981)

 

De Engelse schrijver Henry Rider Haggard werd geboren in Norfolk op 22 juni 1856. Van 1875 tot 1881 werkte hij in Zuid-Afrika, het decor van veel boeken die hij schreef, zoals King Solomon’s Mines (1885), Allan Quatermain (1887) en She (1887). Het zijn romantische boeken, geschreven in kleurrijk proza.Hij schreef ook een studie over de kolonisatie in Zuid-Afrika en werken over landbouwkundige onderwerpen.

Uit: King Solomon’s Mines

“It is a curious thing that at my age-fifty-five last birthday- I should find myself taking up a pen to try to write a history. I wonder what sort of a history it will be when I have finished it, if ever I come to the end of the trip! I have done a good many things in my life, which seems a long one to me, owing to my having begun work so young, perhaps. At an age when other boys are at school I was earning my living as a trader in the old Colony. I have been trading, hunting, fighting, or mining ever since. And yet it is only eight months ago that I made my pile. It is a big pile now that I have got it-I don’t yet know how big-but I do not think I would go through the last fifteen or sixteen months again for it; no, not if I knew that I should come out safe at the end, pile and all. But then I am a timid man, and dislike violence, and, moreover, I am fairly sick of adventure. I wonder why I am going to write this book: it is not in my line. I am not a literary man, though very devoted to the Old Testament and also to the “Ingoldsby Legends.” Let me try to set down my reasons, just to see if I have any.”

haggard

Henry Rider Haggard (22 juni 1856 – 14 mei 1925)