Petra Else Jekel, Henryk Sienkiewicz, Christopher Morley, Benno Barnard, Georg Trakl

De Nederlandse dichteres Petra Else Jekel werd in Arnhem geboren op 5 mei 1980. Op haar twaalfde werd haar interesse voor de dichtkunst gewekt door de bundel Voor wie ik liefheb wil ik heten van Neeltje Maria Min. Al gauw begon ze zelf te schrijven en al in haar middelbare schooltijd won ze enkele poëzieprijzen. Na haar middelbare school is ze kunstgeschiedenis gaan studeren aan de Rijksuniversiteit Groningen. Samen met Daniël Dee was ze voor het jaar 2000-2001 huisdichter van de universiteit. Begin 2006 heeft zij haar studie naar kunstenaarschap getiteld Kunstenaar zonder evenbeeld, in het kader van haar afstuderen als kunsthistoricus aan de Rijksuniversiteit Groningen afgerond. Onderwerp was de vormgeving van het hedendaagse kunstenaarschap en de invloed van gender hierop.

 

 

vanochtend stond er een andere vrouw

op uit mijn droom, het was half zeven en

het was van haar gestommel bij de kleren

kast dat ik ontwaakte. het kraantje in

de hoek stond luidkeels open, bezong

de ochtend door haar zwanenhals, bochten

soepel nemend. mijn dikste badlakens

lagen over tafel uitgespreid, het rook naar

zeep en de scherpe citrusgeur van haar

ontbijt. ik zag haar op de rug, mijn ogen

stokten op haar achterhoofd toen zweet

mij brak heel even voor de wekker zou.

 

 

 

hij praat als een gekapseisd schip

 

dat over zijn eigen railing hangt
golven hoest, in water ver is

hij tekent als die goede boom
die nors en nat om dalweg
kraagt, zijn hand drukt zwaar

secuur het blad, koel grijze kool
krijgt diepte, wortelt mij, zijn
hand garandeert contour, hij

komt steeds nader tot hij weer
verdwijnt, de omtrekslijn bewegend
sluit en schavend tot het mes valt

zijn voelen behelst mijn rug, gezicht, voetzolen
zijn voelen strekt zich uit over mijn veelheid
hij heeft me al betast voor hij me aanraakt
hij heeft mijn nek gebroken voor hij boog

jekel

Petra Else Jekel (Arnhem, 5 mei 1980)

 

De Poolse schrijver en journalist Henryk Adam Aleksander Pius Oszyk-Sienkiewicz werd geboren in Wola Okrzejska op 5 mei 1846. Henryk Sienkiewicz is vooral bekend van de historische roman Quo vadis uit 1895, dat verhaalt over het christendom tijdens de periode van de Romeinse keizer Nero (54 – 68). Een ander bekend werk is de trilogie over de strijd van de Polen voor een eigen land. De verhalen vertellen vooral over de dappere daden van de Polen. Het eerste deel van de trilogie verscheen in 1883 onder de naam Met Vuur en Zwaard. Drie jaar later verscheen De Stortvloed en het laatste boek verscheen in 1887 onder de naam Pan Wołodyjowski. Deze boeken waren behoorlijk populair toen ze uitkwamen, ook buiten Polen. In 1905 ontving hij de Nobelprijs voor de Literatuur, en was daarmee ook de eerste Pool die de Nobelprijs kreeg. Verder reisde Sienkiewicz in zijn leven onder meer door de VS. Van zijn reis door Amerika verscheen in 1959 het boek Portret van Amerika, samengesteld uit brieven die hij had geschreven ten tijde van de reis. Sienkiewicz week bij het uitbreken van de WO I uit naar Zwitserland. Daar stierf hij ook aan het eind van 1916.

Uit: Der Leuchtturmwärter

“Der Leuchtturmwärter ist nahezu ein Gefangener. Außer an Sonntagen darf er sein Felseneiland nicht verlassen. Ein Boot aus Aspinwall bringt ihm einmal täglich Lebensmittel und frisches Wasser und fährt gleich wieder fort; auf der ganzen Insel aber, die kaum einen Morgen groß ist, lebt keine Menschenseele. Der Leuchtturmwärter wohnt im Turm und hält ihn in Ordnung; tagsüber gibt er Zeichen, indem er, je nach Barometeranzeige, verschiedenfarbige Flaggen aushängt, abends dagegen entzündet er das Licht. Das wäre keine große Sache, wenn er nicht, um zu den Feuerstellen hoch oben auf dem Turm zu gelangen, über vierhundert Stufen einer ganz steilen Wendeltreppe bewältigen müßte, und ein Leuchtturmwärter unternimmt solche Ausflüge nicht selten mehrmals am Tag. Überhaupt ist dies ein Klosterleben, ja, es ist das Leben eines Einsiedlers. So kann es nicht verwundern, daß Mr. Isaac Falconbridge in arger Verlegenheit war, einen Nachfolger für den Verstorbenen zu finden, und seine Freude, als sich unerwartet noch am selben Tage ein Bewerber meldete, war nur zu verständlich. Es war ein alter Mann, bestimmt schon in den Siebzigern, dabei rüstig und ungebeugt. Bewegungen und Haltung verrieten den ehemaligen Soldaten. Sein Haar war weiß wie Schnee, das Gesicht sonnenverbrannt wie das eines Kreolen, aber den blauen Augen nach zu urteilen, kam er nicht aus dem Süden. Er sah bedrückt und traurig aus, machte jedoch einen ehrlichen Eindruck.“

 

SIENKIEWICZ

Henryk Sienkiewicz (5 mei 1846 – 15 november 1916)

 

De Amerikaanse journalist, schrijver en dichter Christopher Morley werd geboren op 5 mei1890 in Haverford, Pennsylvania. Hij studeerde aan Haverford College, en van 1910 tot 1913 aan het New College in Oxford. Terug in de VS werkte hij als uitgever en columnist van diverse tijdschriften en kranten. Bovendien publiceerde hij talrijke populaire verhalen en romans zoals Parnassus on Wheels (1917), The Haunted Bookshop (1919), Thunder on the Left (1925) en Kitty Foil (1939) (verfilmd in 1940). Ook organiseerde hij in New York de ‘Three-Hours for Lunch Club’, waaruit de Baker Street Irregulars, een Sherlock Holmes

 

 

Who Ever Loved That Loved Not at First Sight?

 

It lies not in our power to love or hate,
For will in us is overruled by fate.
When two are stripped, long ere the course begin,
We wish that one should love, the other win;

And one especially do we affect
Of two gold ingots, like in each respect:
The reason no man knows; let it suffice
What we behold is censured by our eyes.
Where both deliberate, the love is slight:
Who ever loved, that loved not at first sight?

 

 

The face that launch’d a thousand ships

 

Was this the face that launch’d a thousand ships,
And burnt the topless towers of Ilium?
Sweet Helen, make me immortal with a kiss.
Her lips suck forth my soul: see where it flies!
Come, Helen, come, give me my soul again.
Here will I dwell, for heaven is in these lips,
And all is dross that is not Helena.
I will be Paris, and for love of thee,
Instead of Troy, shall Wittenberg be sack’d;
And I will combat with weak Menelaus,
And wear thy colours on my plumed crest;
Yea, I will wound Achilles in the heel,
And then return to Helen for a kiss.
O, thou art fairer than the evening air
Clad in the beauty of a thousand stars;
Brighter art thou than flaming Jupiter
When he appear’d to hapless Semele;
More lovely than the monarch of the sky
In wanton Arethusa’s azur’d arms;
And none but thou shalt be my paramour!

 

MORLEY

Christopher Morley (5 mei 1890 – 28 maart 1957)

 

Vandaag wat extra ruimte voor een “vergelijkend vertaalonderzoek”. Ik lees momenteel de essays van Benno Barnard die eerder in de NRC verschenen en die in 2006 werden gebundeld in Dichters van het Avondland (Atlas, Amsterdam) Daarbij, schrijft Barnard, kon hij de verleiding niet weerstaan enkele favorieten opnieuw te vertalen.

Grodek

’s Avonds klinken de herfstige bossen
Van dodelijke wapens, de gouden vlakten
En blauwe meren, waarboven de zon
Donkerder wegrolt; omsluit de nacht
Stervende soldaten, de wilde klacht
Van hun gebroken monden.
Maar stil vloeit in het weidedal
Het vergoten bloed bijeen, rode bewolking,
Waarin een toornende God woont, maanachtige koelte;
Alle straten monden uit in zwarte ontbinding.
Onder gouden takken der nacht en sterren
Wankelt de schim van de zuster door het zwijgende woud,
Om de geesten der helden te groeten, de bloedende hoofden;
En zachtjes klinken in het riet de donkere fluiten van de herfst.
O trotsere droefheid! jullie ijzeren altaren
De hete vlam van de geest voedt vandaag een geweldige smart,
De ongeboren nakomelingen.

 

 

Vertaling door Frans Roumen

 

 

Grodek

’s Avonds weerklinken de herfstige bossen
Van dodelijke wapens, de gouden vlakten
En de blauwe meren, waarboven de zon
Duisterder wegrolt; omsluit de nacht
Stervende krijgers, het wilde klagen
Van hun gesneuvelde monden.
Maar stil verzamelt het weidedal
Wolken van rood, waarin een toornende god woont,
Het vergoten bloed, maanachtige koelte;
Alle wegen monden uit in zwarte ontbinding.
Onder gouden takwerk van nacht en sterren
Zwalkt de ziel van de zuster door het zwijgende woud,
Ze groet hen, de geesten der helden, de bloedende hoofden;
En zacht weerklinkt in het riet de donkere fluit van het herfsttij,
O trots van het rouwen! gij ijzeren altaren
De hete vlam van de geest voedt vandaag een geweldige smart,
De ongeboren telgen..

 

Vertaald door Benno Barnard

 

 

 

Grodek

Am Abend tönen die herbstlichen Wälder
Von tödlichen Waffen, die goldnen Ebenen
Und blauen Seen, darüber die Sonne
Düstrer hinrollt; umfängt die Nacht
Sterbende Krieger, die wilde Klage
Ihrer zerbrochenen Münder.
Doch stille sammelt im Weidengrund
Rotes Gewölk, darin ein zürnender Gott wohnt
Das vergoßne Blut sich, mondne Kühle;
Alle Straßen münden in schwarze Verwesung.
Unter goldnem Gezweig der Nacht und Sternen
Es schwankt der Schwester Schatten durch den schweigenden Hain,
Zu grüßen die Geister der Helden, die blutenden Häupter;
Und leise tönen im Rohr die dunkeln Flöten des Herbstes.
O stolzere Trauer! ihr ehernen Altäre
Die heiße Flamme des Geistes nährt heute ein gewaltiger Schmerz,
Die ungebornen Enkel.

 

 

Georg Trakl

 

Commentaar: Hier en daar is Barnards vertaling zeker mooier, zoals de passage

“Maar stil verzamelt het weidedal
Wolken van rood, waarin een toornende god woont,”

en “telgen” in plaats van “nakomelingen” is een aardige vondst (die echter wel de betekenis van een directe bloedband suggereert die Trakl wilde vermijden)

Elders zijn wel vraagtekens te plaatsen: “gesneuveld” is veel explicieter dan “gebroken” (zerbrochenen Münder), „Flöten“ is toch echt meervoud,  de vergrotende trap van „stolzere“ valt weg en ook „ de ziel van de zuster“  is naar mijn gevoel teveel een interpretatie. Trakl had heus wel „Seele“ geschreven als hij dat bedoeld had.

 

Het is wel sympathiek dat hij in zijn essay Frans Roumen ruimhartig citeert. Die essays (o.a. ook over Emile Verhaeren, T.S. Eliot, Hendrik Marsman, W. H. Auden en Paul Celan) zijn trouwens onderhoudend, leerzaam en niet zonder zelfironie geschreven.

 

Uit: Een junkie uit de dubbelmonarchie

 

„ Hij was achttien toen hij zonder diploma van school werd verwijderd. De enige studierichting die voor hem openstond was farmacie. Het daaraan voorafgaande practicum van drie jaar bracht hij in een Salzburgse apotheek door, Zum Weissen Engel geheten, een nog steeds bestaande kelder vol bruine stopflessen. Zelden is een kat bij zoveel spek tegelijk gezet als de volontair Trakl: hij had
evengoed in een opiumkit kunnen gaan werken.

Bij de narcotica kwam de wijn en bij beide de drang om de bourgeoisie te epateren. Hij pommadeerde zijn haar, liet koteletten staan en bezocht samen met de beter gesitueerde bohème van zijn leeftijd demonstratief de bordelen in de Judengasse – in die tijd was het in Trakls milieu vrijwel onmogelijk om op een ‚natuurlijke’ manier met het fleuwvallende geslacht om te gaan. Dubbele monarchie, dubbele moraal: hoerenlopen was ook een bevredigende methode om Karl Kraus te eren, die in Die Fackel het hele keizerlijke –en koninklijke filisterdom tegen zich in het harnas joeg – een Komrij, maar dan met een tegenstander.“

 

 

Zie ook mijn blog van 3 februari 2007.

 

 

 

Barnard

Benno Barnard (Amsterdam, 21 november 1954)