Konstantínos Petros Kaváfis, Alejandra Pizarnik, Walter Kempowski, Kurt Pinthus

Konstantínos Petros Kaváfis (hij tekende zelf met de naam ‘Cavafy’) was een bijzonder oorspronkelijk Nieuwgrieks dichter. Hij werd geboren te Alexandrië (Egypte) op 29 april 1863 als jongste zoon van een welgestelde koopliedenfamilie in de Griekse kolonie. Zijn beide ouders stamden uit Istanbul. Nadat zijn vader in 1870 was overleden, vertrok het gezin voor een tijdje naar Engeland, waar Kavafis een deel van zijn jeugd doorbracht en een Engelse opvoeding meekreeg. Teruggekeerd naar Alexandrië in 1877, moest Chariklia Kavafis in 1882 andermaal met haar kinderen de stad verlaten wegens onlusten in Egypte, en ging zij weer bij haar vader in Istanbul wonen. Opnieuw keerde zij, ditmaal definitief, naar Alexandrië terug, waar Kavafis tot aan haar dood in 1899 bij zijn moeder bleef inwonen. In 1892 was hij intussen gaan werken als ambtenaar, een saaie en onderbetaalde job, die hij niettemin dertig jaar heeft volgehouden. Het familiefortuin was sinds de dood van zijn vader langzaam weggesmolten.

Kavafis is nooit gehuwd geweest. Hij overleed te Alexandrië, uitgerekend op zijn zeventigste verjaardag, op 29 april 1933.

Kavafis is omstreeks zijn twintigste begonnen met verzen te schrijven. Hij publiceerde zijn gedichten op losse bladen, die hij slechts aan goede vrienden bezorgde. Uiterst kritisch als hij was, en voortdurend twijfelend aan zijn dichterlijk talent, achtte hij veel werk niet rijp voor publicatie of werkte hij het herhaaldelijk om. Soms voegde hij die losse bladen wel eens samen tot een bundeltje, maar tijdens zijn leven is er geen enkele officiële bundel van hem verschenen.

Zijn hele oeuvre werd voor het eerst in 1935 gebundeld. Zijn stijl is sober en suggestief. Voortdurend objectief denkend, drukt hij zich uit met een eenvoud die het prozaïsche benadert. Kenmerkend is enerzijds de nostalgie en (homo-)erotiek in de persoonlijke gedichten, anderzijds de decadente schoonheid van historische onderwerpen die hij op een suggestieve manier schildert. Vooral na de Tweede Wereldoorlog is de belangstelling voor zijn werk sterk toegenomen.

 

Verborgenheden

Laat niemand uit wat ik deed en zei
proberen af te leiden wie ik was.
Er was een belemmering, die vervormde
de daden en de wijze van mijn leven.
Er was een belemmering, die weerhield mij
vele keren als ik wou gaan spreken.
Mijn meest onopgemerkte daden,
en mijn meest verhulde geschriften –
daaruit alleen zal men mij begrijpen.
Maar misschien is het niet zoveel moeite,
zoveel inspanning waard om mij te kenen.
Later – in een volmaakter samenleving –
zal stellig iemand anders, zoals ik geschapen,
verschijnen en handelen in vrijheid.
Vertaling Hans Warren en Mario Molegraaf

MuurgedichtLeiden

Verborgenheden’ als muurgedicht aan de Turfmarkt in Leiden.

 

De verbonden schouder

Hij zei dat hij zich gestoten had tegen een muur, of was gevallen.

Maar het is waarschijnlijk dat er een andere oorzaak was

voor de gewonde en verbonden schouder.

 

Door een wat heftige beweging

om een paar foto’s van een plank te pakken,

foto’s die hij van dichtbij bekijken wilde,

raakte het verband los, en er druppelde wat bloed.

 

Ik verbond de schouder weer, en bij het verbinden

treuzelde ik wat: hij had immers geen pijn,

en ik vond het prettig om het bloed te zien. Iets

van mijn liefde was dat bloed.

 

Toen hij weg was vond ik voor zijn stoel

een bebloede lap, een stukje van het verband,

een lap om zo maar in de vuilnisbak te gooien,

en die ik aan mijn lippen bracht,

en die ik lange tijd daar hield –

het bloed der liefde aan mijn lippen.

 

 

mei 1919

 

 

 

Orofernes

Hij wiens gezicht op het vier-drachme-stuk
de indruk van een glimlach maakt,
dat mooi, verfijnd gezicht,
dat is Orofernes, Ariarathes’ zoon.

Als jongen hebben ze hem uit Kappadocië verjaagd,
uit het groot, voorvaderlijk paleis,
en ze stuurden hem om op te groeien
naar Ionië, en om daar, bij vreemden, uit het oog te raken.

O, verrukkelijke nachten van Ionia ,

waar hij zonder schroom, en geheel en al op Griekse wijze,

het genot ten volle leerde kennen.

Diep in zijn hart nog altijd man uit Azië;

maar in zijn levenswijze en in zijn spreken Griek,

turkoois als sieraad dragend, als een Griek gekleed,

zijn lichaam geurend van jasmijnzalf,

en van de mooie jongemannen daar in Ionië

de allermooiste, de meest ideale.

Later, toen de Syriërs in Kappadocië

gekomen waren, en hem tot koning maakten,

heeft hij zich op het koningschap geworpen

om van elke dag op nieuwe wijze te genieten,

om gretig goud en zilver te vergaren

en om plezier te hebben en te pralen

bij het zien van stapels fonkelende kostbaarheden.

Wat zorgen om het land betreft, en het regeren –

hij wist niet eens wat om hem heen gebeurde.

 

De Kappadociërs hebben hem al gauw verjaagd,

en hij kwam in Syrië terecht, in het paleis

van koning Demetrius, om zich met niets doen te vermaken.

 

Maar op een dag hebben toch ongewone overwegingen

zijn eindeloze werkeloosheid onderbroken;

hem kwam in herinnering dat hij door Antiochis, zijn moeder,

en door die oude vrouw Stratonike

ook zelf verwant was aan de kroon van Syrië,

en dat hij bijna een Seleucide was.

Voor korte tijd maakte hij zich los uit wellust en uit dronkenschap,

en onhandig, en half in een verdoving

deed hij een poging iets op touw te zetten,

iets te doen, en met een plan te komen,

en het mislukte jammerlijk en hij werd weggevaagd.

 

Zijn levenseind zal zijn vermeld in een geschrift dat is verdwenen;

of misschien ook is de geschiedenis eraan voorbijgegaan,

en heeft ze, met het volste recht, zich niet verwaardigd

iets zo onbeduidends te noteren.

 

Hij die op het vier-drachme-stuk
de gratie van zijn mooie jong zijn achterliet,
een weerglans van zijn dichterlijke schoonheid,
een esthetische herinnering aan een jongen uit Ionia,
dat is Orofernes, Ariarathes’ zoon.

Vertaling door G. H. Blanken

 

Zie ook mijn blog van 3 mei 2006.

Cavafy

Konstantínos Petros Kaváfis (29 april 1863 – 29 april 1923)

 

De Argentijnse dichteres Alejandra Pizarnik werd geboren op 29 april 1936 in Buenos Aires als kind van joodse ouders. Zij studeerde daar aan de universiteit filosofie, literatuurwetenschap en journalistiek en volgde tegelijkertijd schilderlessen bij Juan Batlle Planas. Zij dook vroeg in het literaire leven van de stad en publiceerde haar eerste gedichten in 1955. Van 1960 tot 1964 woonde zij in Parijs waar zij Octavio Paz, Julio Cortázar en vertegenwoordigers van het surrealisme leerde kennen. Vanaf 1970 verslechterde haar gezondheid, ook als gevolg van het misbuik van medicijnen en drugs sinds haar jeugd. Zij stierf aan een overdosos slaapmiddelen, hoewel niet zeker is of zelfmoord de bedoeling was.

THE UNDERSTANDING

Let us begin by saying that Shadow had died. Did Shadow know that Shadow had died? Undoubtedly. Shadow and she were associates for years. Shadow was her only executrix, her only friend and the only one who dressed in mourning for Shadow. Shadow was not so terribly bereaved by the sad event and the day of the burial she celebrated it with a banquet.

Shadow didn’t erase the name of Shadow. The firm was known under the trade name “Shadow and Shadow.” Sometimes the new clients called Shadow Shadow; but Shadow answered to both names, as if she, Shadow, were in effect Shadow, who had died.

 

 

PORTRAIT OF VOICES

 

To my grandmother, Princess Dounia
Fedora Kolikovska, whom I beg to pardon
my lack of interest in magin and my exces-
sive adherence to the samovar.

At dawn I will sleep with my doll in my arms, my doll with gold blue eyes, the one with a tongue as wonderful as a poem for your shadow. “Doll, little character, who are you?”
“I’m not so little. It’s you who are too big.”
“What are you?”
“I am an I, and this, which seems little, is enough for a doll.”
Little marionette of good luck, she writhes in my window according to what the wind wants. The rain has soaked her dress, her face and her hands, which lose their color. But she still has her ring, and with it her power. In the winter she knocks on the glass with her little feet in blue shoes and dances, dances for joy, for the cold, dances to warm her heart, her wooden heart, her heart of good luck. In the night she raises her pleading arms and at will creates a small night lit by the moon.

 

Pizarik

Alejandra Pizarnik (29 april 1936 – 25 september 1972)

 

De Duitse schrijver Walter Kempowski werd geboren in Rostock op 29 april 1929 als zoon van een reder uit Rostock en een Hamburgse moeder. Zijn opleiding volgde hij in Rostock. Hij overleefde het bombardement op Hamburg van 1943 waar hij op dat moment op bezoek was. In 1945 moest hij als 15-jarige dienst nemen in de Duitse Wehrmacht. Na WO II werkte Kempowski in Hamburg en Wiesbaden. Hij berichtte de Amerikanen over de transporten van door de Sovjet-Unie in beslag genomen Oost-Duitse machinerieën. Bij een bezoek aan zijn familie in 1948 werd hij gearresteerd door de inlichtingendienst NKVD en veroordeeld tot 25 jaar tuchthuis in Bautzen. In 1956 werd hij vrijgelaten en vertrok hij naar Hamburg. In een dorp in de buurt van Hamburg werd hij leraar. Zijn eerste succesvolle werk was het autobiografische Tadellöser und Wolf, waarin hij zijn jeugd in Nazi-Duitsland beschreef. Dit was het eerste deel van een 9-delige reeks die ook bekend staat als Deutsche Chronik

 

Uit: Sirius

“So 1. Januar 1989, Neujahr

Wir begingen den Altjahrsabend diesmal ganz traditionell, mit Kappen, Berliner Pfannkuchen und Scherzartikeln, wobei uns das für dieses Brauchtum nötige Brockhauswissen stets zur Seite stand: Bleigießen und Knallbonbons zur Zukunftserforschung, Raketen zur Austreibung von Dämonen. Zum Kotzen! Aber: ohne Folkloristisches kann ich so was überhaupt nicht mehr ertragen. Wie macht man das eigentlich, “feiern”? Das heißt doch wohl “saufen”, oder?
Wir empfingen die Gäste mit Hallo. Jeder setzte einen Papphut auf, und dann gaben wir uns in der Halle bei Kerzenlicht einem “Prasnik” hin, wie wir das im Zuchthaus nannten. In Bautzen bestand der Prasnik aus einer doppelten Portion Brot, in Nartum gab es Räucherfisch, Pfeffermakrelen und natürlich Lachs, mit scharf-süßer Meerrettichsahne, einen herrlichen Obstsalat, mit Rum angemacht, Gänsebrust und die berühmte Fleischbrühe von Hildegard, mit der man Tote wieder fit kriegt. So was sollten sie in Krankenhäusern austeilen!
Den Tischwein (zwei Kisten) hatte ich von Knaus zu Weihnachten bekommen. Ich verstehe ja nichts von Wein, und ich bin immer neugierig, was die Gäste zu meinem “Keller” sagen. Das Urteil fiel günstig aus. Auf seinen Verleger läßt man nicht gern was kommen. – Ich selbst rühre das Arsen-Zeug nicht an, ich trinke solides Bier und Steinhäger. Das Bier hat leider keine “Blume”, weil wir unsere Gläser mit Pril spülen, schmeckt also absolut widerlich. Außerdem heißt es, daß der Hopfen ebenfalls mit Arsen behandelt wird. Die Reklame mit den blankgeputzten Kupferbehältern und den drei “Königstreuen”, und das Wort “Reinheitsgebot” halten mich bei der Stange. Daß die EG-Beamten das Reinheitsgebot aufheben wollen, erbittert mich.”

KEMPOWSKI

Walter Kempowski (Rostock, 29 april 1929)

 

De Duitse schrijver Kurt Pinthus werd geboren op 29 april 1886 in Erfurt. In 1919/1920 publiceerde hij de bloemlezing Menschheitsdämmerung, dat tot een literair standaardwerk werd en waarvan de inleiding de ontwikkelingsgeschiedenis van het expressionisme weergeeft. In 1933 werd het werk van Pinthus door de nazi’s verboden. Hij vluchtte in 1937 naar de VS. Daar werd hij o.a. docent aan de New School for Social Research en wetenschappelijk adviseur bij de verzameling theater van het Library of Congress. In 1967 keerde hij naar de BRD terug waar hij medewerker werd aan het Deutsche Literatur-Archiv van het Schiller-Nationalmuseum.

Uit: Theorie des Expressionismus

“Man fühlte immer deutlicher die Unmöglichkeit einer Menschheit, die sich ganz und gar abhängig gemacht hatte von ihrer eigenen Schöpfung, von ihrer Wissenschaft, von Technik, Statistik, Handel und Industrie, von einer erstarrten Gemeinschaftsordnung, bourgeoisen und konventionellen Bräuchen. Diese Erkenntnis bedeutete zugleich de Beginn des Kampfes gegen die Zeit und die Realität. (…) Aus den Ausbrüchen der Verfluchung (der Zeit) brachen die Schreie und Aufforderungen zur Empörung, zur Entscheidung, zur Rechenschaft, zur Erneuerung…, um durch die Empörung das Vernichtende und Vernichtete ganz zu vernichten, so dass Heilendes sich entfalten konnte. Aufrufe zum Zusammenschluß der Jugend, zum Aufbruch einer geistigen Phalanx ertönten; (…) Und so gemeinsam und wild aus diesen Dichtern Klage, Verzweiflung, Aufruhr aufgedonnert war, so einig und eindringlich posaunten sie in ihren Gesängen Menschlichkeit, Güte, Gerechtigkeit, Kameradschaft, Menschenliebe aller zu allen.”

 

Pinthus

Kurt Pinthus (29 april 1886 – 11 juli 1975)