Wilhelm Busch, Henry James, Bliss Carman, Ina Boudier-Bakker, Staf Weyts


De Duitse dichter en tekenaar Wilhelm Busch werd geboren in Wiedensahl op 15 april 1832. Zijn bekendste creaties zijn Max und Moritz (1865) en Die fromme Helene (1872). Wilhelm Busch kwam uit een groot middenstandersgezin in het kleine Nedersaksische dorp Wiedensahl. Hij leerde voor ingenieur, maar ging naar Düsseldorf, Antwerpen en München om kunstschilder te worden. In zijn leven produceerde hij meer dan duizend schilderijen, maar met een nevenactiviteit werd hij beroemd: de buitengewoon grappige en verrassend moderne getekende verhalen, die zich laten lezen als een strip. Ze werden gepubliceerd in de Fliegende Blätter.

Uit: Max und Moritz

Mancher gibt sich viele Müh’
Mit dem lieben Federvieh;
Einesteils der Eier wegen,
Welche diese Vögel legen;
Zweitens: Weil man dann und wann
Einen Braten essen kann;
Drittens aber nimmt man auch
Ihre Federn zum Gebrauch
In die Kissen und die Pfühle,
Denn man liegt nicht gerne kühle.

 

 

mm-01-01

 

 

Seht, da ist die Witwe Bolte,
Die das auch nicht gerne wollte.

 

 

mm-01-02

 

 

Ihrer Hühner waren drei
Und ein stolzer Hahn dabei.

Max und Moritz dachten nun:
Was ist hier jetzt wohl zu tun?
Ganz geschwinde, eins, zwei, drei,
Schneiden sie sich Brot entzwei,

 

 

In vier Teile, jedes Stück
Wie ein kleiner Finger dick.
Diese binden sie an Fäden,
Übers Kreuz, ein Stück an jeden,
Und verlegen sie genau
In den Hof der guten Frau. –

Kaum hat dies der Hahn gesehen,
Fängt er auch schon an zu krähen:

Kikeriki! Kikikerikih!! –
Tak, tak, tak! – Da kommen sie.

 

Hahn und Hühner schlucken munter
Jedes ein Stück Brot hinunter;

Aber als sie sich besinnen,
Konnte keines recht von hinnen.

In die Kreuz und in die Quer
Reißen sie sich hin und her,

Flattern auf und in die Höh’,
Ach herrje, herrjemine!

 

 

 

 

Busch
Wilhelm Busch (15 april 1832 – 9 januari 1908)

 

De Amerikaanse schrijver Henry James werd geboren in New York op 15 april 1843. James was de zoon van Henry James sr. en de jongere broer van psycholoog en filosoof William James. Hij groeide op in een intellectueel milieu van filosofen en politici die vrienden of bekenden van zijn vader waren. Hieronder waren mensen als Henry David Thoreau, Nathaniel Hawthorne en Ralph Waldo Emerson. Toen James nog jong was reisde hij al door Europa. Hij kreeg les van een tutor in Parijs, Londen, Bologna, Bonn en Genève. Hierna op de leeftijd van 19 jaar, begon hij
aan een rechtenstudie aan Harvard. Hij heeft deze studie niet afgemaakt. Hij was meer geïnteresseerd in literatuur en verdiepte zich in de Engelse, Duitse, en Franse literaire klassiekers. De Russische schrijvers las hij in vertaling. James bracht de grootste tijd van zijn leven door in Europa waar ook de meeste van zijn romans zich afspelen. Aan het einde van zijn leven werd hij Brits staatsburger. Hij was teleurgesteld in de Verenigde Staten vanwege het feit dat ze zich niet mengden in de Eerste Wereldoorlog en drukte op deze wijze zijn verbondenheid uit met zijn nieuwe vaderland. James is drager van de Britse onderscheidingsorde Order of Merit.

 

Uit: The Ambassadors

 

“Strether’s first question, when he reached the hotel, was about his friend; yet on his learning that Waymarsh was apparently not to arrive till evening he was not wholly disconcerted.  A telegram from him bespeaking a room “only if not noisy,” reply paid, was produced for the enquirer at the office, so that the understanding they should meet at Chester rather than at Liverpool remained to that extent sound.  The same secret principle, however, that had prompted Strether not absolutely to desire Waymarsh’s presence at the dock, that had led him thus to postpone for a few hours his enjoyment of it, now operated to make him feel he could still wait without disappointment.  They would dine together at the worst, and, with all respect to dear old Waymarsh–if not even, for that matter, to himself–there was little fear that in the sequel they shouldn’t see enough of each other.  The principle I have just mentioned as operating had been, with the most newly disembarked of the two men, wholly instinctive–the fruit of a sharp sense that, delightful as it would be to find himself looking, after so much separation, into his comrade’s face, his business would be a trifle bungled should he simply arrange for this countenance to present itself to the nearing steamer as the first “note,” of Europe.  Mixed with everything was the apprehension, already, on Strether’s part, that it would, at best, throughout, prove the note of Europe in quite a sufficient degree.”

 

 

James
Henry James (15 april 1843 – 28 februari 1916)

 

De Canadese dichter Bliss Carman werd geboren in Fredericton, in de provicincie New Brunswick op 15 april 1861. Hij studeerde aan de University of New Brunswick, de University of Edinburgh, Harvard University en New York University Carman was invloedrijk als redacteur en schrijver van bladen als de Independent, de Cosmopolitan, de Atlantic Monthly, en de Chap Book

Ook werd hij bekend door zijn bloemlezingen zoals The World’s Best Poetry (10 delen, 1904) en The Oxford book of American Verse (1927).

 

 

A SON OF THE SEA

 

I was born for deep-sea faring;

I was bred to put to sea;

Stories of my father’s daring

Filled me at my mother’s knee.

I was sired among the surges;

I was cubbed beside the foam;

All my heart is in its verges,

And the sea wind is my home.

All my boyhood, from far vernal

Bourns of being, came to me

Dream-like, plangent, and eternal

Memories of the plunging sea.

 

 

THE OUTLAW

 

Oh, let my lord laugh in his halls
When he the tale shall tell!
But woe to Jarlwell and its walls
When I shall laugh as well!
And he that laughs the last, lads,
Laughs well, laughs well!

He’s lord of many a burg and farm
And mickle thralls and gold,
And I am but my own right arm,
My dwelling-place the wold.
But when we twain meet face to face,
He will hot laugh so bold.

The shame he chuckles as he shows
This time he need not tell;
I’ll give his body to the crows,
And his black soul to Hell.
For he that laughs the last, lads,
Laughs well, laughs well!

 

 

 

Carman
Bliss Carman (15 april 1861 – 8 juni 1929)

 

De Nederlandse schrijfster Ina Boudier-Bakker werd geboren in Amsterdam op 15 april 1875. In 1902 schreef ze haar debuut, de novelle Machten, maar ze veroverde pas echt haar plaats tussen de grote Nederlandse auteurs met haar roman Armoede, die zij in Utrecht schreef. Ook daar schreef ze in 1930 haar nu bekendste boek, De Klop op de Deur, dat in 1970 werd bewerkt voor de televisie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog legde zij elke daad van terreur vast in verzen, die ze vlak na de oorlog heeft voorgedragen in de Pieterskerk. Na de oorlog werd het leven van Boudier-Bakker beïnvloed door ziekte van haar man en haarzelf en door de dood van haar man in 1952. Daar liet ze zich niet door uit het veld slaan en ze heeft nog een flink aantal werken geproduceerd, waaronder Finale (1957) dat een groot succes was. Ina’s oeuvre werd in 1963 bekroond met de Tollens-prijs.

Uit: De klop op de deur

 

“DONKER de gekartelde dakenlijn tegen een lichte maanlucht, rezen de achtergevels der Warmoesstraathuizen vlak aan het havenwater op. In de flauwe kabbeling spiegelde zich hun grillige lijn – gleed een roode schijn het zwart in, waar een venster onbedekt bleef. Van de schepen, gemeerd aan den wal, vonkten enkel de lichtjes in den top van den mast – een rookzuiltje uit een kombuis kronkelde op.

Op Het Water vingen de smalle huizen, met hun ronde krulnokken, hun trapgevels, hun platte en hooge stoepen, aartsvaderlijk gemoedelijk met een bankje erop en een ijzeren hek ervoor – in hun kleine ruitjes een glimp van de bijna volle maan, die daar langzaam zeilde over de stad door een bewolkten wilden hemel.

Een korten tijd stond hij recht achter het kantwerk van den Oudekerkstoren, lichtte de fijne spijlen en klokken door. Tot hij voortzeilend weer den toren in donker liet, waaruit nu zilverhelder een stem begon te zingen. Het carillon.

Het zong en dreef uit in de lucht, over de huizen van Het Water, waar de menschen in den oudejaarsnacht plotseling stil werden en opluisterden. Het dreef voort, boven de daken, het noorden toe, over het wijde open IJ naar de Zuiderzee. Het raakte in het oosten den Schreierstoren, en zweefde over de Waag en de Nieuwmarkt. Het gleed de torens van de Mozes en Aäronkerk over naar den Amstel tusschen de koele weilanden en de Paden. De lichte wind droeg het aan daar waar de stad het grootst was, het westen in – over het paleis van den Dam en de Nieuwekerk, om zich te verliezen boven den rumoerigen Jordaan.

 

 

 

BOUDIER
Ina Boudier-Bakker (15 april 1875 – 26 december 1966)

 

De Vlaamse schrijver Staf Weyts werd geboren op 15 april 1909 in Mechelen. Weyts was inspecteur bij het Ministerie van Volksgezondheid en bracht een groot deel van zijn leven door in Sint-Kruis bij Brugge. Zoals zovele Vlaamse letterkundigen debuteerde hij met poëzie. Zijn eerste bundel “Gedichten” verscheen in 1928. Hij schakelde echter vlug over naar proza: novellen en romans, maar ook sprookjes en verhalen voor de jeugd. Tot zijn belangrijkste werken behoren “Ontmoeting met Denise” (1954), “Gebed om verzoening” (1960) en “Gevangene van Hedwige” (1963). Werken van hem werden vertaald het Duits, Zweeds en Fins.

Uit: Sneeuw en zonde

 

“Een vraag flitst door haar slaap: ‘Was dat een stem? Was daar soms iemand die haar riep?’ Maar er fluit wind, er ruischt sneeuw, boomen suizen in den nacht, en niets anders was het dan die wind en die sneeuw en de winter die vaart door de boomen.

‘Paula!… Paula!…’

Het is de storm die huilt; de zoevende buien die aanrukken tegen de ramen en reeds zijn haar oogen weer dicht. Het is slapen en toch niet. Het is droomen op de grens tusschen beide, suizelend een verglijden naar diepten waar schaduwen en schimmen zich wonderbaar mengen, en van wijd uit den nacht schuift dan eensklaps midden sneeuwjacht en storm ook het beeld der gevangenis voor haar geest. Twee maal heeft zij er haar man reeds bezocht. Nu schijnen vreeselijke uilen bij den ingang te waken, maar uilen zijn het niet, slechts hongerige meeuwen die bij haar handgeklap opwieken, en dan staat zij ook eensklaps voor een snel stroomend water waarlangs een man op een horen toet.

‘Paula!… Paula!…’

Het is een stem die zij kent! En zie, daar schrijdt die man eensklaps nader. Sneeuw waait om hem heen en zijn aangezicht kan zij nog niet onderscheiden. Aan zijn stap lijkt het Goossenaerts, als hij toet is het echter Wieze, en luider en luider toet hij dan eensklaps doorheen de sneeuw en den wind, en den winter die huilt in de boomen…

‘Paula!… Paula!…’

Zij schrikt op en snokt het licht aan. Maar alles is rustig. Zij is nog thuis, de kinderen slapen en wat zij hoorde was slechts bedrog.”

 

 

 

Weyts
Staf Weyts (15 april 1909 – 12 januari 1985)