Jeroen Brouwers, Louise Rinser, Ulla Hahn, Jaroslav Hašek, John Boyne, Annie Dillard

De Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië (tegenwoordig Djakarta, Indonesië). Na twee broers en een zus was Jeroen het vierde kind van Jacques Brouwers, boekhouder bij een architectenbureau, en Henriëtte van Maaren , dochter van de musicus Leo van Maaren. Later werd nog een broertje geboren.  Na de Japanse invasie in 1943 capituleerde het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL), en werd vader Brouwers overgebracht naar een krijgsgevangenkamp in de buurt van Tokio. Enkele maanden later belandde Jeroen met zijn grootmoeder, zijn moeder en zus eerst in het Japanse interneringskamp Kramat, en later in het kamp Tjideng, in een buitenwijk van Batavia. Zijn grootouders overleefden de kampen niet. Na de oorlog verbleef het herenigde gezin op Balikpapan (Borneo, nu Kalimantan). Op 14 juni 1947 repatrieerde mevrouw Brouwers met haar kinderen per schip naar Nederland. Het gezinshoofd kwam in 1948 naar Nederland. Tot zijn tiende woonde Jeroen bij zijn ouders op enkele adressen in Den Bosch. Daarna kwam hij terecht op diverse rooms-katholieke kostscholen. Hij haalde zijn MULO-diploma in Delft, waarheen zijn ouders in 1955 waren verhuisd. Na zijn dienstplicht woonde hij in Nijmegen en werkte hij als journalist. Per 1 juli 1962 trad hij in Amsterdam in dienst van de Geïllustreerde Pers, uitgever van onder meer het blad Romance (het latere Avenue), tot de redactie waarvan hij werd ingedeeld. Begin 1964 verhuisde Brouwers naar Brussel, waar hij tot 1976 als reactiesecretaris en later als (hoofd)redacteur aan de slag ging bij uitgeverij Manteau in Brussel. Hij kreeg twee zonen. Met zijn gezin verhuisde de schrijver naar het landelijke Vossem, waar hij tot 1970/1971 bleef wonen. Daarna trok hij naar Huize Krekelbos in Rijmenam. In januari 1976 nam hij, na onenigheid met directeur Julien Weverbergh, ontslag bij Uitgeverij Manteau, verhuisde naar Warnsveld (bij Zutphen) en werd daar full-time schrijver. Een half jaar later vestigde hij zich in huize Louwhoek, Exel, in de Gelderse gemeente Lochem. In 1980 werd zijn dochter Anne geboren. In augustus 1993 verhuisde hij naar het Belgisch-Limburgse Zutendaal, niet ver van Maastricht.

Uit: Memoires IV

“De Manteaubiografie van Greta Seghers is waardeloos omdat de niet in Angèles leven ingevoerde schrijfster al te onkritisch en klakkeloos alle verzinsels van de barones als onbespoten waarheid heeft aanvaard en neergeschreven. Als de biografe nader onderzoek zou hebben verricht, o.a. naar nog meer documenten dan die A. Manteau haar welberaden aanleverde terwijl ze andere zeer leep onder haar vloeiblad verborgen hield, en door belangrijke getuigen en sleutelfiguren te interviewen, wat de biografe vreemd genoeg allemaal heeft nagelaten, zou er allicht een betere, in ieder geval genuanceerdere en waarheidsgetrouwere biografie zijn ontstaan dan het sprookjesboek dat ze heeft afgeleverd. Op zeker moment kreeg de naïeve en goedgelovige Seghers toch door dat de uitgeefster zat te liegen dat ze er bekant van barstte, dat de uitgeefster zo met archiefpapieren goochelde dat het Seghers eindelijk duidelijk werd dat ze werd belazerd waar ze bijstond. Einde van de aanvankelijk zo diepe liefde: de biografe werd de deur en de afrit met de siertralies gewezen, richting ijzeren toegangspoort, en ze hoefde niet meer terug te komen.
Een refrein in het leven van de toen inmiddels tachtigjarige verkoopster van boeken, die met vrienden, vertrouwelingen, medewerkers pleegt om te gaan of het sigaretten zijn, naar willekeur op te steken, uit te blazen, onder de schoenzool te verpletteren. Daarna maakt ze van blijdschap een dansje door het huis.
Angèle en haar angsten: kom haar niet te na want ze is bang van affectie en nog banger om zelf van affectie blijk te moeten geven. Bang dat ze als feitenverdraaister c.q. wegmoffelaarster door de mand zal vallen, wat ze dan ook prompt steeds vaker doet: om goed te liegen is intelligentie vereist, over deze eigenschap beschikt de barones niet in overdreven mate daar ze ervan uitgaat dat iedereen nog dommer is dan zijzelf.”

brouwers

Jeroen Brouwers (Batavia, 30 april 1940)

 

De Duitse schrijfster Louise Rinser werd op 30 april 1911 in Pitzling geboren. Nadat ze haar studie psychologie en pedagogiek had afgerond was ze van 1935 tot 1939 werkzaam als lerares. In 1940 verscheen haar eerste roman Die gläsern Ringe. De jaren daarop mocht ze haar beroep niet uitoefenen. Heinrich Böll noemde de schrijfster ooit ‘het geweten van Duitsland’. In de oorlog zat ze een jaar in de gevangenis en haar man overleed in een strafcompagnie. Na de oorlog trouwde ze met de componist Carl Orff en gaf openlijk blijk van haar sympathie voor de Baader-Meinhof groep. Lang leefde zij als schrijfster en critica in München en Rome. Naast de roman Mitte des lebens die in 1959 verscheen heeft ze nog talrijke andere boeken geschreven, waarvan de meest bekenden zijn; Daniela, Hochebene en Der schwarze Esel.

Uit: Bruder Feuer

“Danke”, sagte ich, “danke, Paola. Können Sie mir noch mehr über Franz erzählen?”
“Ich kam bald danach fort, nach Mailand, zu einer Tante, ich sollte dort den Haushalt lernen, ich musste zwei Jahre dort bleiben und hörte nichts mehr von Franz, aber als ich zurückkam, hörte ich umso mehr und so Verschiedenes, dass ich mir überhaupt keinen Reim darauf machen konnte. Erst nach und nach verstand ich das alles. Die Leute sagten, Franz sei wirklich verrückt geworden, er laufe in einen alten Sack gekleidet in den Bergen herum und rede mit den Tieren. Die andern sagten, er sei ein überspannter Linksradikaler geworden, der eine gewaltlose Revolution predige und Anhänger gewonnen habe, die mit ihm im Gebirge lebten und das Geld verabscheuten und überall Besitzlosigkeit predigten. Andere sagten,
er habe den religiösen Wahn, das Reich Gottes auf Erden gründen zu sollen. Andere sagten, er sei ein Heiliger geworden und büße für die Sünden seiner Jugend. Und andere sagten, er sei ein ideologischer Krimineller, er habe zum Beispiel eine Unterschlagung gemacht und das Geld mit seiner Bande durchgebracht. Aber alles war Unsinn, es war ganz, ganz anders.”
“Was für eine Geschichte mit der Unterschlagung ist das?”
“Einmal sollte Franz im Auftrag seines Vaters ein paar Ballen Stoff nach Foligno bringen und dort verkaufen. Das tat er, aber er brachte das Geld nicht zurück und kam auch selber nicht zurück. Er hatte, das weiß man inzwischen, das Geld zum größten Teil verschenkt, und zwar an einen Priester, dessen Gemeinde so arm war, dass Kirche und Pfarrhaus noch verfallener waren als die Häuser der Armen dort. Und Franz war dort geblieben und half beim Wiederaufbau. Als sein Vater das erfuhr, nachdem er von einer langen Geschäftsreise zurückkam, war er außer sich und ließ seinen Sohn von der Polizei holen und vor Gericht bringen, und es kam zu einer schrecklichen Szene. Der Vater schrie: ‘Du Herumtreiber, Asozialer, Krimineller, gib mir mein Geld zurück!’ Und Franz gab ihm den nur mehr halb vollen Beutel. Dann zog er sich aus, schweigend, Stück für Stück legte er ab und machte ein Bündel daraus und legte es auf den Boden, und als er splitternackt dastand vor allen Leuten, sagte er: ‘Nimm alles zurück, was dir gehört, jetzt bist du von mir frei und ich bin’s von dir, ich habe keinen Vater mehr.’ Dann drehte er sich um und ging fort und kam nie wieder.”

 

RINSER

Luise Rinser (30 april 1911 – 17 maart 2002)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Ulla Hahn werd geboren op 30 april 1946 in Brachthausen. Zij woont in Hamburg en is getrouwd met de Duitse politicus Klaus von Dohnanyi. Zij promoveerde in de  Duitse literatuur. Zij werd bekend als dichteres, maar haar grote succes kwam met haar tweede roman Das verborgene Wort, waarin ze over de naoorlogse jaren in het katholieke Rheinland verteld vanuit het perspectief van een kind, dat uit de geestelijke benauwdheid vlucht in de wereld van boeken en woorden.

 

Zie ook mijn blog van 2 mei 2006

 

Uit: Das verborgene Wort

 

“Lommer jonn, sagte der Großvater, laßt uns gehen, griff in die Luft und rieb sie zwischen den Fingern. War sie schon dick genug zum Säen, dünn genug zum Ernten? Lommer jonn. Ich hing mir mein Weidenkörbchen über den Arm und rief den Bruder aus dem Sandkasten. Mit dem Großvater ging es an den Rhein, ans Wasser. Sonntags mit den Eltern blieben wir auf dem Damm, dem Weg aus festgewalzter Schlacke. Zeigten Selbstgestricktes aus der Wolle unserer beiden Schafe und gingen bei Fuß. Mit dem Großvater liefen wir weiter, hinunter, dorthin, wo das Verbotene begann, und niemand schrie: Paß op de Schoh op! Paß op de Strömp op! Paß op! Paß op! Niemand, der das Schilfrohr prüfte für ein Stöckchen hinter der Uhr.
Vom Westen wehte ein feuchter, lauer Wind. Der Rhein roch nach Fisch und Metall, Seifenlauge und Laich, und das Tuten der Schleppkähne, bevor sie an der Raffinerie in die Kurve gingen, war schon jenseits des Dammes in den Feldern und Weiden zu hören.
Ich riß mich los von der Hand des Großvaters, rannte vorwärts, zurück, ergriff seine Hand, ließ sie fahren und hielt sie wieder, fiel hin und stieß mir das Knie, schrie, Freudenschreie, aufsässig und wild. In einem weiten Bogen führte ein Pfad die Böschung hinab durch sumpfige Wiesen, durchs Schilf ans Ufer aus Sand und Kies.
Großvater ging voran, dicht am Wasser entlang. Flache Wellen füllten die Mulden, die sein Klumpfuß im nassen Sand hinterließ, winzige Teiche, eine blinkende, blitzende Spur, wie nur er sie schaffen konnte.
Wo im seichten Wasser am Ufer die Algen schwangen, zeigte er uns den Bart des Wassermannes, ein gewaltiges grünes Gestrüpp, das nichts von seinem Gesicht erkennen ließ und von der Piwipp, einem Bootshaus am gegenüberliegenden Ufer, bis zur Rhenania reichte. Sprang ein Frosch hoch, sagte der Großvater Prosit! und wir riefen Hatschi! Der Riese hatte geniest.
Hürt ihr de Welle? fragte der Großvater und legte den rechten Mittelfinger auf den Mund. Den Zeigefinger hatte er als junger Mann in der Maggifabrik verloren, noch bevor er aus der Schweiz ins Rheinland gewandert war.”

 

Hahn

Ulla Hahn (Brachthausen,  30 april 1946)

 

De Tsjechische schrijver Jaroslav Hašek werd geboren op 30 april 1883 in Praag.Bekendheid verwierf hij met zijn onvoltooid meesterwerk “De avonturen van de Goede Soldaat Švejk”. Dit boek is gebaseerd op de ervaringen van de schrijver in het Oostenrijks-Tsjechische leger in 1915. De roman schildert het portret van een anarchistische, anti-autoritaire, soms zelfs asociale held, een Tsjech die de draak steekt met zijn Oostenrijkse superieuren. Švejk werd het symbool van ie
dereen die in zijn eentje moet vechten tegen onderdrukking.

Uit: Der Urschwejk

  „Man hatte mich zu Beginn des Krieges aus der Offiziersschule des 91. Infanterieregimentes

hinausgeworfen, dann hatte man mir auch die Einjährigfreiwilligenstreifen abgetrennt, und während meine ehemaligen Kollegen Kadetten und Fähnriche wurden und an allen Fronten fielen wie Fliegen, saß ich eingekastelt im Kasernarrest in Budweiß und Bruck an der Leitha, und als man mich endlichfreiließ und mit der Marschkompagnie ins Feld schicken wollte, verbarg ich mich in einem Schober undüberlebte so drei Marschkompagnien. Dann simulierte ich Epilepsie, und man hätte mich fast erschossen, wenn ich mich nicht freiwillig an die Front gemeldet hätte. Von da an lächelte mir das Glück, und als ich auf dem Vormarsch bei Sambor für den Herrn Oberleutnant Lukasch ein Quartier mit einer reizenden Polin und ausgezeichneter Küche fand, wurde ich zur Ordonanz befördert.

Als sich später in Sokal bei unserem Bataillonskommandanten Läuse zeigten, fing ich sie, schmierte meinen Vorgesetzten mit Quecksilbersalbe ein und bekam dafür die große Tapferkeitsmedaille.

Doch bei dem allen weihte mich niemand in die Geheimnisse der Kriegskunst ein. Noch heute weiß ich nicht, wie viele Schlitten für den Transport einer Division leichter Kavallerie erforderlich seien. Von meinen Tschuwaschen wußte das auch keiner, wofür ich sie bedingt mit drei Tagen Arrest bestrafte.

Falls sie es binnen einem Jahre feststellen, wird ihnen die Strafe erlassen. Ich rief den Bürgermeisterzu mir und sagte ihm streng: «Ich habe erfahren, daß Sie mir verheimlichen, wieviel Mann eineDivision leichter Kavallerie zählt.»

 

Hasek

Jaroslav Hašek (30 april 1883–3 januari 1923)

 

De Ierse schrijver John Boyne werd geboren in Dublin op 30 april 1971. Hij studeerde Engels aan Trinity Collegeen creatief schrijven aan de University of East Anglia. Hij schrijft romans en korte verhalen die in diverse bloemlezingen zijn verschenen. The Boy in the Striped Pyjamas kwam op de bestsellerslijst van de New York Times en wordt verfilmd. Boyne woont in Dublin.

Uit: The Boy in the Striped Pyjamas

One afternoon, when Bruno came home from school, he was surprised to find Maria, the family’s maid — who always kept her head bowed and never looked up from the carpet — standing in his bedroom, pulling all his belongings out of the wardrobe and packing them in four large wooden crates, even the things he’d hidden at the back that belonged to him and were nobody else’s business.

‘What are you doing?’ he asked in as polite a tone as he could muster, for although he wasn’t happy to come home and find someone going through his possessions, his mother had always told him that he was to treat Maria respectfully and not just imitate the way Father spoke to her. ‘You take your hands off my things.’

Maria shook her head and pointed towards the staircase behind him, where Bruno’s mother had just appeared. She was a tall woman with long red hair that she bundled into a sort of net behind her head, and she was twisting her hands together nervously as if there was something she didn’t want to have to say or something she didn’t want to have to believe.

‘Mother,’ said Bruno, marching towards her, ‘what’s going on? Why is Maria going through my things?’

‘She’s packing them,’ explained Mother.

‘Packing them?’ he asked, running quickly through the events of the previous few days to consider whether he’d been particularly naughty or had used those words out loud that he wasn’t allowed to use and was being sent away because of it. He couldn’t think of anything though. In fact over the last few days he had behaved in a perfectly decent manner to everyone and couldn’t remember causing any chaos at all. ‘Why?’ he asked then. ‘What have I done?’

Boyne

John Boyne (Dublin, 30 april 1971)

 

De Amerikaanse schrijfster Annie Dillard werd geboren op 30 april 1945 in Pittsburgh. Zij is het bekendst van haar nonfictie, maar schrijft ook gedichten, essays en literaqire kritieken. Nadat zij een keer bijna aan longontsteking was overleden begon zij met het maken van aantekeningen van haar lectuur en haar ervaringen in de natuur die de basis vormden voor Pilgrim at Tinker Creek, het boek waarvoor zij de Pulitzer prijs kreeg in 1975. Ander werk van haar: Holy the Firm, Teaching a Stone to Talk, For the Time Being en haar autobiografie An American Childhood.

Uit: Pilgrim at Tinker Creek

“I was standing more or less in a bush. I was stock-still, looking deep into Tinker Creek from a spot on the bank opposite the house, watching a group of blue-gills stare and hang motionless near the bottom of a deep, sunlit pool. I was focused for depth. I had long since lost myself, lost the creek, lost everything but still amber depth. All at once, I couldn’t see. And then I could: a young muskrat had appeared on top of the water, floating on its back. Its forelegs were folded langorously across the chest; then sun shone on its upturned belly. Its youthfulness and rodent grin…made it an enchanting picture of decadence, dissipation, and summer sloth…But in my surprise at having the light come on so suddenly, and at having my consciousness returned to me all at once and bearing an inverted muskrat, I must have…moved and betrayed myself. The kit…righted itself so that only its head was visible above the water, and swam downstream, away from me.”

dillard

Annie Dillard (Pittsburgh, 30 april 1945)

Konstantínos Petros Kaváfis, Alejandra Pizarnik, Walter Kempowski, Kurt Pinthus

Konstantínos Petros Kaváfis (hij tekende zelf met de naam ‘Cavafy’) was een bijzonder oorspronkelijk Nieuwgrieks dichter. Hij werd geboren te Alexandrië (Egypte) op 29 april 1863 als jongste zoon van een welgestelde koopliedenfamilie in de Griekse kolonie. Zijn beide ouders stamden uit Istanbul. Nadat zijn vader in 1870 was overleden, vertrok het gezin voor een tijdje naar Engeland, waar Kavafis een deel van zijn jeugd doorbracht en een Engelse opvoeding meekreeg. Teruggekeerd naar Alexandrië in 1877, moest Chariklia Kavafis in 1882 andermaal met haar kinderen de stad verlaten wegens onlusten in Egypte, en ging zij weer bij haar vader in Istanbul wonen. Opnieuw keerde zij, ditmaal definitief, naar Alexandrië terug, waar Kavafis tot aan haar dood in 1899 bij zijn moeder bleef inwonen. In 1892 was hij intussen gaan werken als ambtenaar, een saaie en onderbetaalde job, die hij niettemin dertig jaar heeft volgehouden. Het familiefortuin was sinds de dood van zijn vader langzaam weggesmolten.

Kavafis is nooit gehuwd geweest. Hij overleed te Alexandrië, uitgerekend op zijn zeventigste verjaardag, op 29 april 1933.

Kavafis is omstreeks zijn twintigste begonnen met verzen te schrijven. Hij publiceerde zijn gedichten op losse bladen, die hij slechts aan goede vrienden bezorgde. Uiterst kritisch als hij was, en voortdurend twijfelend aan zijn dichterlijk talent, achtte hij veel werk niet rijp voor publicatie of werkte hij het herhaaldelijk om. Soms voegde hij die losse bladen wel eens samen tot een bundeltje, maar tijdens zijn leven is er geen enkele officiële bundel van hem verschenen.

Zijn hele oeuvre werd voor het eerst in 1935 gebundeld. Zijn stijl is sober en suggestief. Voortdurend objectief denkend, drukt hij zich uit met een eenvoud die het prozaïsche benadert. Kenmerkend is enerzijds de nostalgie en (homo-)erotiek in de persoonlijke gedichten, anderzijds de decadente schoonheid van historische onderwerpen die hij op een suggestieve manier schildert. Vooral na de Tweede Wereldoorlog is de belangstelling voor zijn werk sterk toegenomen.

 

Verborgenheden

Laat niemand uit wat ik deed en zei
proberen af te leiden wie ik was.
Er was een belemmering, die vervormde
de daden en de wijze van mijn leven.
Er was een belemmering, die weerhield mij
vele keren als ik wou gaan spreken.
Mijn meest onopgemerkte daden,
en mijn meest verhulde geschriften –
daaruit alleen zal men mij begrijpen.
Maar misschien is het niet zoveel moeite,
zoveel inspanning waard om mij te kenen.
Later – in een volmaakter samenleving –
zal stellig iemand anders, zoals ik geschapen,
verschijnen en handelen in vrijheid.
Vertaling Hans Warren en Mario Molegraaf

MuurgedichtLeiden

Verborgenheden’ als muurgedicht aan de Turfmarkt in Leiden.

 

De verbonden schouder

Hij zei dat hij zich gestoten had tegen een muur, of was gevallen.

Maar het is waarschijnlijk dat er een andere oorzaak was

voor de gewonde en verbonden schouder.

 

Door een wat heftige beweging

om een paar foto’s van een plank te pakken,

foto’s die hij van dichtbij bekijken wilde,

raakte het verband los, en er druppelde wat bloed.

 

Ik verbond de schouder weer, en bij het verbinden

treuzelde ik wat: hij had immers geen pijn,

en ik vond het prettig om het bloed te zien. Iets

van mijn liefde was dat bloed.

 

Toen hij weg was vond ik voor zijn stoel

een bebloede lap, een stukje van het verband,

een lap om zo maar in de vuilnisbak te gooien,

en die ik aan mijn lippen bracht,

en die ik lange tijd daar hield –

het bloed der liefde aan mijn lippen.

 

 

mei 1919

 

 

 

Orofernes

Hij wiens gezicht op het vier-drachme-stuk
de indruk van een glimlach maakt,
dat mooi, verfijnd gezicht,
dat is Orofernes, Ariarathes’ zoon.

Als jongen hebben ze hem uit Kappadocië verjaagd,
uit het groot, voorvaderlijk paleis,
en ze stuurden hem om op te groeien
naar Ionië, en om daar, bij vreemden, uit het oog te raken.

O, verrukkelijke nachten van Ionia ,

waar hij zonder schroom, en geheel en al op Griekse wijze,

het genot ten volle leerde kennen.

Diep in zijn hart nog altijd man uit Azië;

maar in zijn levenswijze en in zijn spreken Griek,

turkoois als sieraad dragend, als een Griek gekleed,

zijn lichaam geurend van jasmijnzalf,

en van de mooie jongemannen daar in Ionië

de allermooiste, de meest ideale.

Later, toen de Syriërs in Kappadocië

gekomen waren, en hem tot koning maakten,

heeft hij zich op het koningschap geworpen

om van elke dag op nieuwe wijze te genieten,

om gretig goud en zilver te vergaren

en om plezier te hebben en te pralen

bij het zien van stapels fonkelende kostbaarheden.

Wat zorgen om het land betreft, en het regeren –

hij wist niet eens wat om hem heen gebeurde.

 

De Kappadociërs hebben hem al gauw verjaagd,

en hij kwam in Syrië terecht, in het paleis

van koning Demetrius, om zich met niets doen te vermaken.

 

Maar op een dag hebben toch ongewone overwegingen

zijn eindeloze werkeloosheid onderbroken;

hem kwam in herinnering dat hij door Antiochis, zijn moeder,

en door die oude vrouw Stratonike

ook zelf verwant was aan de kroon van Syrië,

en dat hij bijna een Seleucide was.

Voor korte tijd maakte hij zich los uit wellust en uit dronkenschap,

en onhandig, en half in een verdoving

deed hij een poging iets op touw te zetten,

iets te doen, en met een plan te komen,

en het mislukte jammerlijk en hij werd weggevaagd.

 

Zijn levenseind zal zijn vermeld in een geschrift dat is verdwenen;

of misschien ook is de geschiedenis eraan voorbijgegaan,

en heeft ze, met het volste recht, zich niet verwaardigd

iets zo onbeduidends te noteren.

 

Hij die op het vier-drachme-stuk
de gratie van zijn mooie jong zijn achterliet,
een weerglans van zijn dichterlijke schoonheid,
een esthetische herinnering aan een jongen uit Ionia,
dat is Orofernes, Ariarathes’ zoon.

Vertaling door G. H. Blanken

 

Zie ook mijn blog van 3 mei 2006.

Cavafy

Konstantínos Petros Kaváfis (29 april 1863 – 29 april 1923)

 

De Argentijnse dichteres Alejandra Pizarnik werd geboren op 29 april 1936 in Buenos Aires als kind van joodse ouders. Zij studeerde daar aan de universiteit filosofie, literatuurwetenschap en journalistiek en volgde tegelijkertijd schilderlessen bij Juan Batlle Planas. Zij dook vroeg in het literaire leven van de stad en publiceerde haar eerste gedichten in 1955. Van 1960 tot 1964 woonde zij in Parijs waar zij Octavio Paz, Julio Cortázar en vertegenwoordigers van het surrealisme leerde kennen. Vanaf 1970 verslechterde haar gezondheid, ook als gevolg van het misbuik van medicijnen en drugs sinds haar jeugd. Zij stierf aan een overdosos slaapmiddelen, hoewel niet zeker is of zelfmoord de bedoeling was.

THE UNDERSTANDING

Let us begin by saying that Shadow had died. Did Shadow know that Shadow had died? Undoubtedly. Shadow and she were associates for years. Shadow was her only executrix, her only friend and the only one who dressed in mourning for Shadow. Shadow was not so terribly bereaved by the sad event and the day of the burial she celebrated it with a banquet.

Shadow didn’t erase the name of Shadow. The firm was known under the trade name “Shadow and Shadow.” Sometimes the new clients called Shadow Shadow; but Shadow answered to both names, as if she, Shadow, were in effect Shadow, who had died.

 

 

PORTRAIT OF VOICES

 

To my grandmother, Princess Dounia
Fedora Kolikovska, whom I beg to pardon
my lack of interest in magin and my exces-
sive adherence to the samovar.

At dawn I will sleep with my doll in my arms, my doll with gold blue eyes, the one with a tongue as wonderful as a poem for your shadow. “Doll, little character, who are you?”
“I’m not so little. It’s you who are too big.”
“What are you?”
“I am an I, and this, which seems little, is enough for a doll.”
Little marionette of good luck, she writhes in my window according to what the wind wants. The rain has soaked her dress, her face and her hands, which lose their color. But she still has her ring, and with it her power. In the winter she knocks on the glass with her little feet in blue shoes and dances, dances for joy, for the cold, dances to warm her heart, her wooden heart, her heart of good luck. In the night she raises her pleading arms and at will creates a small night lit by the moon.

 

Pizarik

Alejandra Pizarnik (29 april 1936 – 25 september 1972)

 

De Duitse schrijver Walter Kempowski werd geboren in Rostock op 29 april 1929 als zoon van een reder uit Rostock en een Hamburgse moeder. Zijn opleiding volgde hij in Rostock. Hij overleefde het bombardement op Hamburg van 1943 waar hij op dat moment op bezoek was. In 1945 moest hij als 15-jarige dienst nemen in de Duitse Wehrmacht. Na WO II werkte Kempowski in Hamburg en Wiesbaden. Hij berichtte de Amerikanen over de transporten van door de Sovjet-Unie in beslag genomen Oost-Duitse machinerieën. Bij een bezoek aan zijn familie in 1948 werd hij gearresteerd door de inlichtingendienst NKVD en veroordeeld tot 25 jaar tuchthuis in Bautzen. In 1956 werd hij vrijgelaten en vertrok hij naar Hamburg. In een dorp in de buurt van Hamburg werd hij leraar. Zijn eerste succesvolle werk was het autobiografische Tadellöser und Wolf, waarin hij zijn jeugd in Nazi-Duitsland beschreef. Dit was het eerste deel van een 9-delige reeks die ook bekend staat als Deutsche Chronik

 

Uit: Sirius

“So 1. Januar 1989, Neujahr

Wir begingen den Altjahrsabend diesmal ganz traditionell, mit Kappen, Berliner Pfannkuchen und Scherzartikeln, wobei uns das für dieses Brauchtum nötige Brockhauswissen stets zur Seite stand: Bleigießen und Knallbonbons zur Zukunftserforschung, Raketen zur Austreibung von Dämonen. Zum Kotzen! Aber: ohne Folkloristisches kann ich so was überhaupt nicht mehr ertragen. Wie macht man das eigentlich, “feiern”? Das heißt doch wohl “saufen”, oder?
Wir empfingen die Gäste mit Hallo. Jeder setzte einen Papphut auf, und dann gaben wir uns in der Halle bei Kerzenlicht einem “Prasnik” hin, wie wir das im Zuchthaus nannten. In Bautzen bestand der Prasnik aus einer doppelten Portion Brot, in Nartum gab es Räucherfisch, Pfeffermakrelen und natürlich Lachs, mit scharf-süßer Meerrettichsahne, einen herrlichen Obstsalat, mit Rum angemacht, Gänsebrust und die berühmte Fleischbrühe von Hildegard, mit der man Tote wieder fit kriegt. So was sollten sie in Krankenhäusern austeilen!
Den Tischwein (zwei Kisten) hatte ich von Knaus zu Weihnachten bekommen. Ich verstehe ja nichts von Wein, und ich bin immer neugierig, was die Gäste zu meinem “Keller” sagen. Das Urteil fiel günstig aus. Auf seinen Verleger läßt man nicht gern was kommen. – Ich selbst rühre das Arsen-Zeug nicht an, ich trinke solides Bier und Steinhäger. Das Bier hat leider keine “Blume”, weil wir unsere Gläser mit Pril spülen, schmeckt also absolut widerlich. Außerdem heißt es, daß der Hopfen ebenfalls mit Arsen behandelt wird. Die Reklame mit den blankgeputzten Kupferbehältern und den drei “Königstreuen”, und das Wort “Reinheitsgebot” halten mich bei der Stange. Daß die EG-Beamten das Reinheitsgebot aufheben wollen, erbittert mich.”

KEMPOWSKI

Walter Kempowski (Rostock, 29 april 1929)

 

De Duitse schrijver Kurt Pinthus werd geboren op 29 april 1886 in Erfurt. In 1919/1920 publiceerde hij de bloemlezing Menschheitsdämmerung, dat tot een literair standaardwerk werd en waarvan de inleiding de ontwikkelingsgeschiedenis van het expressionisme weergeeft. In 1933 werd het werk van Pinthus door de nazi’s verboden. Hij vluchtte in 1937 naar de VS. Daar werd hij o.a. docent aan de New School for Social Research en wetenschappelijk adviseur bij de verzameling theater van het Library of Congress. In 1967 keerde hij naar de BRD terug waar hij medewerker werd aan het Deutsche Literatur-Archiv van het Schiller-Nationalmuseum.

Uit: Theorie des Expressionismus

“Man fühlte immer deutlicher die Unmöglichkeit einer Menschheit, die sich ganz und gar abhängig gemacht hatte von ihrer eigenen Schöpfung, von ihrer Wissenschaft, von Technik, Statistik, Handel und Industrie, von einer erstarrten Gemeinschaftsordnung, bourgeoisen und konventionellen Bräuchen. Diese Erkenntnis bedeutete zugleich de Beginn des Kampfes gegen die Zeit und die Realität. (…) Aus den Ausbrüchen der Verfluchung (der Zeit) brachen die Schreie und Aufforderungen zur Empörung, zur Entscheidung, zur Rechenschaft, zur Erneuerung…, um durch die Empörung das Vernichtende und Vernichtete ganz zu vernichten, so dass Heilendes sich entfalten konnte. Aufrufe zum Zusammenschluß der Jugend, zum Aufbruch einer geistigen Phalanx ertönten; (…) Und so gemeinsam und wild aus diesen Dichtern Klage, Verzweiflung, Aufruhr aufgedonnert war, so einig und eindringlich posaunten sie in ihren Gesängen Menschlichkeit, Güte, Gerechtigkeit, Kameradschaft, Menschenliebe aller zu allen.”

 

Pinthus

Kurt Pinthus (29 april 1886 – 11 juli 1975)

Alistair MacLean, Ğabdulla Tuqay, Bruno Apitz, Karl Kraus

De Schotse schrijver Alistair Stuart MacLean werd geboren op 28 april 1922 in Glasgow. Hij schreef vele spannende avonturenverhalen en succesvolle thrillers, waarvan The Guns of Navarone en Where Eagles Dare de meest bekende zijn. Van 1941 tot 1946 diende MacLean in de Koninklijke Marine. Daarna ging hij Engels studeren aan de Universiteit van Glasgow, slaagde in 1953, en ging daarna werken als leraar. Tijdens zijn studie aan de universiteit begon MacLean met het schrijven van korte verhalen, om wat extra inkomsten te verdienen. Hij won een schrijfwedstrijd in 1954 met het zeevaardersverhaal Dileas. De uitgeverij Collins vroeg hem een novelle te schrijven en hij gaf hun Zr.MS. Ulysses, een verhaal gebaseerd op zijn eigen oorlogservaringen én die van zijn broer Ian, een Meester Marinier. De novelle was een groot succes en MacLean kon zich al vrij snel geheel wijden aan het schrijven van oorlogsverhalen, spionnenverhalen en andere avonturen.

 

Uit: Circus

 

“A pair of giant hands reached under [the driver’s] armpits, plucked him from his seat as if he were a puppet and deposited him on the floor of the van.

Manuelo applied adhesive to the unfortunate driver’s mouth and then set about fixing a blindfold. He said: ‘I am grieved that we should have to treat an innocent citizen in this manner.’

‘Agreed, agreed.’ Kan Dahn shook his head sadly and tightened the last knot on their victim’s wrists. ‘But the greatest good of the greatest number. Besides,’ he said hopefully, he may not be an innocent citizen’

 

ALISTAIR

Alistair MacLean (28 april 1922 – 2 februari 1987)

 

De Tataarse dichter Ğabdulla Tuqay werd geboren op 28 april 1886 in Qoşlawıç in Kazan, Rusland (tegenwoordig Tatarstan). Zijn vader stierf toen hij vijf maanden oud was. Nadat enkele jaren later ook zijn moeder overleed groeide hij op bij zijn grootvader. In 1895 kwam hij bij een tante en kreeg hij een opleiding aan een Russische school. Hij kwam in contact met de wereldliteratuur en begon gedichten te schrijven. In de herfst van 1907 kwam hij naar Kazan, waar hij kennis maakte met andere Tataarse dichters en schrijvers. Zijn gedichten worden gekenmerkt door de liefde voor zijn vaderland. Tuqay stierf op de jonge leeftijd van zevenentwintig jaar aan tbc.

 

The Shuraleh

(A mythical horned demon,

which inhabits the forests of Qazan.)

 

Past Qazan into the country

There’s a village called Qirlay.

In that village even hens cluck.

God alone could tell you why.

 

Even though I was not born there,

For a while it was my home.

There in spring I tilled and harrowed,

In the autumn reaped the loam.

 

I recall in all directions

Lay the backwood’s broad delight.

Grasslands there of glossy velvet

Dazzled everybody’s sight.

 

And is the village large? О no!

It’s just a hamlet in a ring.

All its daily drinking water

Comes from one, lone tiny spring.

 

Neither cold nor hot, its water

Mild and soft will ever please;

At times it rains, at times it snows,

And sometimes comes a gentle breeze

 

Strawberries red and raspberries redder

Thrive in plenty in the woods.

In a trice you’ll fill your bucket

Brim-full with these earthy goods.

 

Marvellously lined in rows

Stand pines and fir-trees, warriors proud;

Amidst their roots I used to lie

While gazing at a passing cloud.

 

Under birches, under limes grow

Sorrel, mushrooms in a glade;

Lovely flowers bloom and flourish

In the dappled light and shade.

 

Red and scarlet, blue and yellow

Blossoming in sunlit bowers;

All the world is fragrant from

The heady perfume of those flowers.

 

Butterflies which love the blooms

Return to find out now and then

How they fare; then flit and flutter,

Off once more and back again.

 

All at once the birds of Allah

Fill the woods with their sweet song.

Ah, those tunes! They tear my heart-strings;

Up into the sky they throng.

 

Bird-song outstrips dancing parties,

Orchestras and sidewalk clubs;

Circuses, theatres, concerts –

All replaced by trees and shrubs.

 

Like the ocean, vast and boundless

Stretch the woodlands in their breadth;

Like the hordes of Chingiz Khan

No limit to their awesome depth.

 

In an instant old men’s stories

Are forgotten; names, domains –

All those glories of the past!

At present nothing much remains

 

Then the curtain slowly rises

And our present lot we see.

Alas! Alas! What happened to us?

Slaves of God we too must be.

 

I’ve talked a little of the summer,

Autumn, winter – that’s my style.

What of girls red-cheeked and black-eyed?

Dusky brows can wait a while!

 

I’ll forgot my recollections

Of the Plough-Day, Harvest-Day.

If I mused too long on those things,

I should surely lose my way.

 

But wait! I dwell on pleasant things

And I may easily go astray.

How could I forget the title

Of this poem is Shuraleh?

 

You will have the tale, my reader.

Have some patience. Be so kind.

When I think about my village,

I quite often lose my mind.

 

You might guess that in those thickets

Many birds and beasts reside:

Bears and wolves, and then the fox

For villainy known far and wide.

 

Hare and squirrel, moose and mink

And other sorts are often met

By the huntsman who dares roam

The wide, broad woodland with his net.

 

In those woods, so thick and gloomy

There live demons – so they say:

Ghostly forms like albasti

And ub’r and even shuraleh !

 

This is the most likely reason

Why those woods are broad and wide.

In this world devised by God

Can any wonder be denied?

 

About such wonders I shall utter

A word or two, If that I may;

Sing a little, lilt a little –

That’s my custom, that’s my way.

 

Once a fellow from the village

Harnessed up and took his horse.

In the moonlight, all alone,

Through the woods he steered his course.

 

Soon he drove into a thicket,

Heaved his axe and set to work,

Feeling trees and chopping branches,

Chipping trunks of bark and cork.

 

The air was silent and quite chilly,

Usual for a summer’s night;

Birds were sleeping in the forest,

Hushed beneath the pale moonlight.

 

With such calm and clement weather

There in good and cheerful mood,

See our fellow working bravely

In the darkness of the wood.

 

Axe in hand, he stopped awhile

To wipe his brow, then jerked his head.

A piercing cry within the forest

Filled him with a sudden dread.

 

Chilled and startled, our poor fellow

Looks and sees a dread sight.

Something strange and eerie greets him,

Comes towards him from the night.

 

What can this be? Ghost or demon?

Fugitive? He could not tell.

Such a foul and ugly creature

As might live this side of hell!

 

See its nose, hooked like a moose’s.

See how from its face it shoots.

Arms and legs all curved and crooked,

Looking more like twins and roots.

 

Eyes deep set in burning sockets,

Sparkling in the moon;

In broadest daylight, even here,

A beast like that would make you swoon

 

Its feet are bare with bony toes;

Its form like man of woman born.

From its forehead of the size

Of a middle finger sticks a horn.

 

Then the fingers, thin and narrow

From its hands stretch straight and long;

Ugly fingers like the devil’s,

Each of them six inches long.

 

Both began to eye each other;

Then our man courageously

Asked the ugly creature, saying:

“What is it you want of me?”

 

The beast replied to him: “Please trust me.

I’m no robber in this wood.

I don’t bar the road to people,

Though to some I bring no good.”

 

“I am fond of tickling humans.

That’s the practice I employ.

When I saw you in my thicket,

I could only jump for joy.”

 

“Come to me; come closer, fellow!

Let me brighten your sad eyes.

Let us play a game of tickling.

Let us laugh till someone dies.”

 

“I’ll not argue”, said the fellow.

“Gladly I shall play, but see

Let me make my own condition.

“I’ve no doubt that you’ll agree.”

 

“Your condition?” said the beast.

“Well, make it now, without delay.

“I shall do whatever’s needed.

But for God’s sake, let us play!”

 

“Listen”, said the man, “I’ll tell you

What is needed right away.

Over there I want to move

That heavy trunk that blocks my way.’

 

“I shall help you”, said the beast.

The work is hard, but I’ll agree.

First we’ll load it on the carriage,

Then we’ll trust in destiny.”

 

The woodsman said: “The work’s begun.

I’ve split the end of the trunk already.

Now can you put your hand inside,

My forest ram, to hold it steady?”

 

The Shuraleh made no objection,

And obedient as a dog,

Clumsily and awkwardly

He hobbled over to the log.

 

Into the cleft he slipped his fingers.

Now, dear reader, can you find

The answer to this simple question:

What did the woodsman have in mind?

 

With the butt-end of his axe

He rammed a wedge beside the hand.

Step by step and knock by knock

His ruse was working as he planned.

 

The Shuraleh sat by the log

His fingers stuffed into the end.

What the forester was up to

He could just not comprehend.

 

Finally the wedge dropped out

And then the heavy log at once,

As the forester had plotted,

Squeezed the fingers of the dunce!

 

The Shuraleh began to howl,

Tried to escape and break away

But how to get of his trap?

He simply could not find the way.

 

Then finally he understood

The nature of this clever hoax

Forced to give up all his efforts,

He began to plead and coax.

 

“Have pity on me. Let me go,

Dear human. Please be kind and fair.

In the future I’ll not worry

Your dear kinsmen. This I swear!

 

“Nor shall I allow the others

To molest your family.

All the other shuralehs will hear me:

“He’s my brother! Let him be!

 

“Ah what awful pain I suffer!

Set me free I beg and pray.

Do you really find such joy

In torturing a Shuraleh?

 

The Shuraleh was squirming, swearing

That one he’d his part.

In the meantime our brave woodsman

Made all ready to depart.

 

He checked the bridle and the harness

Placed his axe upon his mare.

What happened to the Shuraleh

He did not have slightest care.

 

“You are so ruthless. Set me free.

Where do you go? This is no game!

But if you are so hard of heart,

At least tell me your own good name.”

 

“Well then, listen and remember.

I am called “A Year Ago”.

Learn it carefully for the future.

As for me I ought to go!”

 

The Shureleh, all writhing, groaning

Tried to tear himself away,

As he pondered in the future

How he’d make this man his prey.

 

He yelled: “A Year Ago! He squeezed

My fingers with a log. What pain!

Now who will rescue me from here?

And who will save me from this bane?

 

Next morning all the forest cursed him,

Beasts of every shape and kind.

“You’re insane”, they said. “You’re crazy.

Have you gone out of our mind?

 

Why disturb the sleep of others,

Howling, yelling, shouting so?

What’s the point of telling us

That you were squeezed a year ago?”

 

Tuqay

Ğabdulla Tuqay (28 april 1886 – 15 april 1913)

 

De Duitse schrijver Bruno Apitz werd geboren in Leipzig op 29 april 1900. Tijdens WO I was hij een enthousiaste aanhanger van Karl Liebknecht. Toen hij 19 jaar was hield hij een toespraak tot de stakende werknemers van een munitiefabriek waarvoor hij 19 maanden gevangenis kreeg. In 1924 schreef hij zijn eerste toneelstuk Der Mensch im Nacken. In 1927 werd hij lid van de KPD. Na WO I werd hij diverse keren wegens anti-oorlogspropaganda veroordeeld en door de nazi’s in concentratiekampen vastgezet. Na 1945 was hij een van de oprichters van de SED. Als zelfstandig schrijver publiceerde hij in 1958 zijn roman Nackt unter Wölfen, die hem, vertaald in dertig talen, wereldroem opleverde. In 1963 werd het boek door de DEFA verfilmd onder de regie van Frank Beyer. Apitz werkte zelf als acteur en draaiboekauteur aan de film mee. In 1976 verscheen de autobiografische roman Der Regenbogen.

Uit: Nackt unter Wölfen

“Die Bäume auf dem Gipfel des Etterberges troffen vor Nässe und ragten reglos in das Schweigen hinein, das den Berg umhüllte und ihn absonderte von der Landschaft ringsum. Laub, vom Winter ausgelaugt und verbraucht, moderte nassglänzend am Boden. Hier kam der Frühling nur zögernd herauf. Schilder, zwischen den Bäumen aufgestellt, schienen ihn zu warnen. “Kommandaturbereich des Konzentrationslagers Buchenwald, Achtung, Lebensgefahr! Beim weitergehen wird ohne Anruf scharf geschossen.” Darunter ein Totenkopf und zwei sich kreuzende Knochen als Signum. Der ewige Nebelregen klebte auch an den Mänteln der fünfzig SS-Leute, die an diesem Spätnachmittag des März 1945 auf der betonierten Plattform standen, die von einem Regendach geschützt wurde. Diese Plattform, Bahnhof Buchenwald genannt, war das Ende des Eisenbahngleises, das von Weimar nach dem Gipfel des Berges führte. In der Nähe befand sich das Lager. Auf seinem weitgestreckten, nach Norden hin abfallenden Appellplatz waren die Häftlinge zum Abendappell angetreten. Block neben Block, Deutsche, Russen, Polen, Franzosen, Juden, Holländer, Österreicher, Tscheschen, Bibelforscher, Kriminelle…, eine unübersehbare Masse, zu einem exakt ausgerichteteten Riesenquadrat zusammenkommandiert. Heute gab es unter den angetretenden Häftlingen ein heimliches Geflüster. Irgendwer hatte die Nachricht mit ins Lager gebracht, die Amerikaner hatten bei Remagen den Rhein überschritten…… .”

 

Apitz

Bruno Apitz (28 april 1900 – 7 april 1979)

 

De Joods-Oostenrijkse dichter, schrijver en journalist Karl Kraus werd geboren in Jičin, Bohemen, Oostenrijk-Hongarije (thans Tsjechië) op 28 april 1874. In 1899 stichtte hij het eenmanstijdschrift Die Fackel, dat hem in het Wenen voor en na de Eerste Wereldoorlog grote faam bezorgde als ‘opiniemaker’. Hij was links en democratisch, maar bovenal stelde hij zich op als een scherp cultuurcriticus die boven de partijen stond. De Eerste Wereldoorlog maakte hem tot een van de felste tegenstanders van het (toen nog) Oostenrijks-Hongaarse rijk en een onverzoenlijk bestrijder van ‘oorlog en domheid’. Hiervan getuigt zijn toneelwerk Die letzten Tage der Menschheit (1919), een gigantische satire op Oostenrijk en het verloop van de oorlog. Centraal in het stuk staat de Nörgler (mopperaar), een alter ego van Kraus, die voortdurend commentaar levert op de corruptie en de oorlogshetze, veelal in dialoog met de Optimist. Het stuk bevat meer dan 500 personages en zou, indien integraal uitgevoerd, 10 avonden beslaan; reden waarom het lang als leesdrama gold. Hitlers machtsovername in 1933 sloeg Kraus bijna letterlijk met stomheid; wel schreef hij nog een scherpe kritiek tegen het nationaalsocialisme, maar hij zag er geen heil in het uit te geven en staakte zijn uitgave van Die Fackel.

 

Die Lage der Deutschen in Österreich

Sie war, man denke an die Friedenszeiten,

halt immer eine rechte Menschheitsplage.

Nichts hörte man als täglich Zank und Klage,

Vereinskrakeel und Zeitungsstreitigkeiten.

 

Ob Schande! man, ob Hanba! dazu sage,

blieb ein Problem, und einmal zu entscheiden

wer recht wohl hätte von den beiden: beiden

erst recht war eine nationale Frage.

 

Und dies zumal erbitterte die Böhmen:

die Deutschen hatten wahrlich alle Tage

in Östreich ihre ganz besondre Lage,

und jene wollten sich nicht anbequemen.

 

Um endlich auf des Krieges Völkerwage

das Hochgelegene zu Fall zu bringen,

konnt’ ihnen doch der große Wurf gelingen:

die Deutschen hatten nun die Niederlage.

 

Es war geglückt, den Sieger zu besiegen,

und ob er an dem deutschen Gott verzage,

er kam in jene fürchterliche Lage,

in Österreich einmal allein zu liegen.

 

Doch daß dem andern der Triumph behage,

und daß die Katze munter weitermause,

behielt er einen Teil von ihm im Hause,

und daß geteiltes Leid sich leichter trage.

 

Sich selbst bestimmend, hat er’s eingerichtet,

damit kein Zweifel am Gewissen nage

und er mit jenem dieses gleich erschlage;

und also ward der alte Streit geschlichtet:

 

Der Antwort folgt die nationale Frage.

Denn um sich ganz an Österreich zu rächen,

bestimmten sie, die konsequenten Czechen,

den Deutschen selbst nun eine neue Lage.

 

Die liegt nun gut in Tschechien gebettet;

und daß die Qual in alle Neuzeit rage,

die alte Klage, Frage, Menschheitsplage,

sie werden österreichisch fortgefrettet.

 

Und klingts nicht anders doch mit einem Schlage?

Ists nicht die Umkehr aller bösen Geister?

Der Arrestant versperrt den Kerkermeister,

Tag ward aus Nacht und diese folgt dem Tage.

 

Nur offen bleibt die nationale Frage,

ob denn die Katze nicht bei ihrer Jause

sich und der Maus gönnt eine Atempause,

damit die Katze halt, in solcher Lage,

nicht mehr die Maus, doch sich mit ihr vertrage.

 

kkraus

Karl Kraus (28 april 1874 – 12 juni 1936)
Portret door Oskar Kokoschka

VSB Poëzieprijs 2007 voor Tomas Lieske

De Nederlandse dichter en schrijver Tomas Lieske heeft de veertiende VSB Poëzieprijs gewonnen met de bundel Hoe je geliefde te herkennen. De prijs bestaat uit een bedrag van 25.000 euro en een sculptuur. De jury zegt ‘met enthousiasme en overtuiging’ te hebben gekozen voor de bundel waar ‘het taalplezier van afdruipt, waarin het ene na het andere register met het grootste gemak wordt opengetrokken.’ Ook genomineerd waren de bundels van Al Galidi, Dirk van Bastelaere, Anneke Brassinga en Joke van Leeuwen. Tomas Lieske, pseudoniem van Ton van Drunen, groeide op in de Haagse wijk Bezuidenhout en studeerde Nederlands en Theaterwetenschappen. Lieskes literaire debuut vond vrij laat plaats. Hij was 38 toen zijn gedichten voor het eerst in de literaire tijdschriften Tirade en Revisor verschenen. In die periode werd hij ook benaderd om voor Tirade een poëziekroniek te schrijven. Deze essays kwamen terecht in de bundel Een hoofd in de toendra. Lieske had toen al twee dichtbundels op zijn naam staan. Met zijn prozadebuut Oorlogstuinen (1992) verdiende hij de Geertjan Lubberhuizen-prijs. Zijn daarop volgende roman Nachtkwartier werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs 1996, maar het is de roman Franklin waarmee Lieske in 2001 de Libris Literatuur Prijs won. Ook zijn roman Gran Café Boulevard (2003) werd zeer enthousiast ontvangen.

 

Neem de segrijnslak.

Is hij dan eetbaar, zoals zijn voldane familie?
Wordt ook hij gedood door het zout, voor de boter met kruiden?

Slakken zijn reizigers, hun zak met organen
op de rug gebonden. Zo rijk gevuld dat mantel en zak
precies in het huis passen. Tussen de wanden
kalken pijlen en kristallen stelen om het eten te roeren.
Zij zijn op pad, zij bestaan slechts uit huis,
ogen en voet. Pelgrims met een vergeten doel.

Wat moet ik je vertellen om je op te vrolijken?
Zij, de wandelaars weten wat winst en verlies is.
Hun huizen zijn verkocht als sieraad om de hals
van smalle, slagvaardige vrouwen. Betaalmiddel
zijn ze geworden en symbool voor de dood
en het overleven. Zelf gegeten en in hun huis
is olie opgeslagen. Ze dienden
in vreemde muziekkorpsen. Hun geheimste
missie is het leveren van purper aan
de Romeinse keizers. Hun kleinsten
tonen een grote doorzichtigheid:
parelmoeren miniatuurpaleizen
trillen bij de eerste wandelpas. Lijfje
van gelatine, huis van glas.
Met slijm lijmen ze onderweg hun liefdes
en ze schieten hun pijlen gevoelig
in de ander. Jij zwicht, jij
bent mijn segrijnslak. Ik proef je en richt
mijn pijl in je zoetste delen. Geen zout,
geen puntje. Met het voorste lik ik je.


Uit “Grondheer”, Querido 1993

 

 

Lieske_Keuris

Tomas Lieske (Den Haag, 8 juni 1943)

Astrid Roemer, Edwin Morgan, Cecil Day Lewis

De Surinaamse schrijfster Astrid Roemer werd in Paramaribo geboren op 27 april 1947. In 1966 vertrok zij naar Nederland, maar zij keerde terug naar haar geboorteland om daar te werken als onderwijzeres. In 1975 vestigde zij zich opnieuw in Nederland. Zij debuteerde in 1970 onder het pseudoniem Zamani met de poëziebundel Sasa Mijn actuele zijn. De in 1974 verschenen roman Neem mij terug Suriname werd in Suriname uitermate populair. Hij geeft een klassieke emigrantenthematiek: de ontheemding van een Surinamer in Nederland en zijn terugverlangen. Met de novelle De wereld heeft gezicht verloren (1975) hield Roemer zich voor het eerst bezig met wat later haar hoofdproblematiek zou worden: het mysterie van het vrouw-zijn.

 

Uit: Lola of het lied van de lente

 

“Haar ogen gaan naar de klok die precies boven het voeteneinde van het ledikant hangt – ze neemt de tijd en het bijbelwoord van de dag mee uit de slaapkamer. Niets bedenkt ze om het citaat heen – het is reeds duidelijk zoals het er staat en net zo onontkoombaar als het feit dat het acht uur is.

Terwijl ze een vierkante tafel met de zijkant van een hand stofvrij maakt, laat ze het gezicht van het bezoek toe: een vrouwenhoofd, ovaal en op de bekende plekken bijgesteld met kosmetika. Hoewel ze in de loop van veertig jaar honderden soorten heeft aangestaard kan zij zich vrij precies herinneren bij welk gezicht een bepaalde kwestie hoort. De vrouw die voor twee uur geboekt staat heeft een konflikt met haar zoon, betreffende een identiteitsprobleem – volgens de huisdokter. Met de vlakke hand strijkt ze het kleed glad over de tafel; het is smetteloos wit en stijf gestreken als een linnen servet. Uit de la van een hoog wandmeubel trekt ze een stofdoek; ze slaat hem ruw uit, alsof ze de gedachten die haar overvallen afschudt – en gaat geruisloos langs het houtwerk, de glazen deurtjes en de accessoires die deze en gene haar wilden geven uit dankbaarheid voor de bewezen diensten. Het meeste heeft ze weggegeven bij verjaardagen van kennissen, anders was haar woning in een pakhuis veranderd.

Als ze met de doek bij de kozijnen komt trekt ze de gordijnen open – donkerrood zijn ze en van dicht fluweel. Er valt licht op het meubilair en met de glasgordijnen voor de ruiten lijken de ramen op schilderijen. Ze kijkt graag naar buiten op elk uur van de dag; het licht is er steeds anders, maar de fragmenten van gebouwen, bomen en lucht die tussen het raamwerk vallen kan ze dromen. Ze slaat de stofdoek weer uit: dat kind dat de hoer is gaan uithangen om haar familie te bewijzen hoeveel mannen ze kan krijgen – ze ziet steeds dát gezicht wanneer ze aan de middagafspraak denkt.

De telefoon – ze aarzelt en besluit toch op te nemen. Te laat. Er is neergelegd. Even staat ze nog met de hoorn in de hand; alsof ze in gedachten is verzonken wrijft ze met de doek over het apparaat. Zodra ze de hoorn op de haak drukt rinkelt het door de woonkamer – ze schrikt en neemt meteen op.”

 

AstridRoemer

Astrid Roemer (Paramaribo, 27 april 1947)

 

De Schotse dichter en vertaler Edwin Morgan werd geboren in Glasgow op 27 april 1920.  Hij was de eerste Poet Laureate van Glasgow en werd in 2004 de eerste nationale dichter van Schotland: The Scots makar.

 

Absence

My shadow —
I woke to a wind swirling the curtains light and dark
and the birds twittering on the roofs, I lay cold
in the early light in my room high over London.
What fear was it that made the wind sound like a fire
so that I got up and looked out half-asleep
at the calm rows of street-lights fading far below?
Without fire
Only the wind blew.
But in the dream I woke from, you
came running through the traffic, tugging me, clinging
to my elbow, your eyes spoke
what I could not grasp —
Nothing, if you were here!

The wind of the early quiet
merges slowly now with a thousand rolling wheels.
The lights are out, the air is loud.
It is an ordinary January day.
My shadow, do you hear the streets?
Are you at my heels? Are you here?
And I throw back the sheets.

 

 

One Cigarette

No smoke without you, my fire.
After you left,
your cigarette glowed on in my ashtray
and sent up a long thread of such quiet grey
I smiled to wonder who would believe its signal
of so much love. One cigarette
in the non-smoker’s tray.
As the last spire
trembles up, a sudden draught
blows it winding into my face.
Is it smell, is it taste?
You are here again, and I am drunk on your tobacco lips.
Out with the light.
Let the smoke lie back in the dark.
Till I hear the very ash
sigh down among the flowers of brass
I’ll breathe, and long past midnight, your last kiss.

 

Morgan

Edwin Morgan (Glasgow, 27 april 1920)

 

De Brits-Ierse dichter Cecil Day Lewis werd geboren in Ballintogher, Ierland, op 27 april 1904. Hij studeerde in Oxford, waar hij behoorde tot een kring van marxistische dichters als W.H. Auden, Stephen Spender en Louis MacNeice. Na WO II wendde hij zich af van het marxisme. In 1968 werd hij Poet Laureate.

 

Consider These, for We Have Condemned Them

 Consider these, for we have condemned them;
Leaders to no sure land, guides their bearings lost
Or in league with robbers have reversed the signposts,
Disrespectful to ancestors, irresponsible to heirs,
Born barren , a freak growth, root in rubble,
Fruitlessly blossoming, whose foliage suffocates,
Their sap is sluggish, they reject the sun.

The man with his tongue in his cheek, the woman
With her heart in the wrong place, unhandsome, unwholesome;
Have exposed the new-born to worse than weather,
Exiled the honest and sacked the seer.
These drowned the farms to form a pleasure-lake,
In time of drought they drain the reservoir
Through private pipes for baths and sprinklers.

Getters not begetters; gainers not beginners;
Whiners, no winners; no triers, betrayers;
Who steer by no star, whose moon means nothing.
Daily denying, unable to dig:
At bay in villas from blood relations,
Counters of spoons and content with cushions
They pray for peace, they hand down disaster.

They that take the bribe shall perish by the bribe,
Dying of dry rot, ending in asylums,
A curse to children, a charge on the state.
But still their fears and frenzies infect us;
Drug nor isolation will cure this cancer;
It is now or never, the hour of the knife,
The break with the past, the major operation

 

DAY-LEWIS

Cecil Day Lewis (Ballintogher, 27 april 1904)

 

Bernard Malamud, Theun de Vries, Hannelies Taschau

De Amerikaanse schrijver Bernard Malamud werd op 26 april 1914 in Brooklyn, New York. Hij was de zoon van Joods-Russische emigranten. Zijn eerste roman, The Natural, dateert uit 1952 en beschrijft op komische wijze de Amerikaanse held als honkbalspeler. Het boek werd later verfilmd. Veel van zijn verhalen beschrijven de lotgevallen van gewone joodse mensen in de stedelijke getto’s. In The Assistant (1957) behandelt hij met humor en inlevingsvermogen het leven van een kleine joodse kruidenier die het moet zien op te nemen tegen de grote concurrentie van de zelfbedieningswinkels in de buurt. Ook dit werk is verfilmd. Voor de roman The Fixer ontving Malamud in 1967 zowel de Amerikaanse National Book Award als de Pulitzer Prijs voor fictie. Het werk werd verfilmd in 1968 met in de hoofrollen o.a. Dirk Bogarde en Alan Bates. In zijn laatste en in vergelijking met zijn eerdere werk opvallende roman, God’s grace (1982), bouwt een overlevende van een atoomoorlog een nieuw leven op te midden van apen.

Uit: The assistant

“Business were now very bad and Morris didn’t know what to do anymore. Then one day there came a man to him and told him that if you set fire to your own house with a strip of cellu-loid you get a lot of money from the insurrance-company. Because with celluloid there wouldn’t be any sign that you start the fire by yourself.
One night in the cellar Morris wanted to set fire to his house, but his clothes began to burn. Frank who was in the cellar stopped the fire and asked Morris to let him stay but he wouldn’t. Morris decided to sell the store and the house. Karp was interested and offered a lot of money.
Ward Minogue came to Bober’s grocery and knocked on the door by Tessa and Nick. He needed something to drink. He was very sick and needed alcohol. He was an alcoholic. Nick told him that Frank didn’t live there anymore and Ward went away. He went to Karp’s liquor store, but Louis Karp wouldn’t gave him any strong drink. Ward became very mad he struck some bottles of whiskey to the cashregister and when he lit a cigaret and threw away his match, the whole place began to burn. That was the end of Karp’s liqour store.
Now he couldn’t buy Morris store anymore, so Morris tried to make the best of it. The Norwegians grocery-store didn’t sell as much as in the beginning. Customers came back to Morris and every-thing went better. But Morris wasn’t completely recoverd. Ida told him to slow down but he didn’t. He took another job in the evenings to get some money. Then one night it snowed very hard and Morris went outside to put away the snow. Ida told him not to do it, but he did. He became very sick. He had a pneumonia and had to go to the hospital. A few days later Morris Bober died. He was burried at the cemetery. Frank was also at the funeral.
Then Frank worked again in the grocery-store. He had a lot of ideas and he began to make sandwitches and lasagna etc. Busi-ness were very good for Frank. He gave the money to Ida and Helen. Helen went to college and talked again to Frank though Frank told her that he was the one who held her father up that night. Eve-rything went good. Frank also began to read the bible. He liked it and one day he came from the hospital. He was circum-cised and after Passover he became a Jew.

Malamud

Bernard Malamud (26 april 1914 – 18 maart 1986)

 

Theun de Vries werd geboren in Veenwouden op 26 april 1907. Hij was een Nederlands en Fries schrijver van vooral historische en sociale romans. Hij was ook actief als dichter en als toneel- en hoorspelschrijver en hij schreef tevens biografieën en essays. In 1936 werd De Vries lid van de CPN, en in 1937 verhuisde hij naar Amsterdam en keerde hij weer terug naar de journalistiek. Hij werd redacteur van De Tribune, (later De Waarheid) en De Vrije Katheder. De Vries zat enige tijd voor de CPN in de Amsterdamse gemeenteraad en de Tweede Kamer, maar werd vervolgens weer fulltime schrijver. Ten tijde van de Koude Oorlog werd zijn lidmaatschap van de CPN hem door collega-schrijvers hoogst kwalijk genomen. Hij rechtvaardigde de communistische staatsgreep in Tsjecho-Slowakije (1948) en het Russische ingrijpen in Hongarije (1956, en in 1953 schreef hij een loflied op Stalin.

Uit: Een gunst van het leven

“ Zelfanalyse is een nuttige bezigheid, in veel gevallen heilzaam, soms ook ongewenst. Dit althans is mijn ervaring: voor schrijvers en kunstenaars in het algemeen kan zo’n analyse vruchtbaar blijken; maar er bestaan vooral tijdens het scheppende proces perioden waarin met dat ‘zelf’ maar aan zichzelf moet overlaten en als daimoon laten werken vanuit het onbewuste.

Een vriendelijke uitnodiging van de redactie van het NLM bracht mij er toe om weer eens af te dalen in mijn schrijvende persoonlijkheid, nu inzonderheid om de relatie tussen mijn Nederlandstalig en Fries werk nader te onderzoeken. Ik doe dat niet voor de eerste keer; en ook voor mijzelf rezen er herhaaldelijk vragen omtrent genoemde relatie. Dat ze verband houden met onderscheidene levensfasen was mij al lang duidelijk; het verband lag zelfs voor de hand.

Geboren als Fries heb ik mijn leven lang Fries gesproken, met Friezen uiteraard. Mijn beslissende literaire inspiratie kreeg ik echter niet vanuit Friesland, maar in Apeldoorn, waarheen ons gezin in 1920 was verhuisd. Het Apeldoorns gymnasium was de haard waar het apollinisch vuur voor mij ging branden: de Friese dichters die ik las moesten het afleggen tegen de glans van de toen moderne Nederlandse literatuur, vooral de poëzie, waarbij namen als die van Willem Kloos, Herman Gorter, He
nriëtte Roland Holst en P.C. Boutens als sterren aan het literaire uitspansel verschenen en mij, door schoonheidsverlangen bezielde puber, hun eclatante voorbeeld gaven. Mijn menselijke en literaire vorming stond in het teken van genoemde dichters; het Fries en alle bijbehorende Friese aangelegenheden kregen voor mij meer en meer een folkloristische kleur en verdwenen bij mijn volwassenheid geheel naar de achtergrond. Ik wilde een Nederlandse schrijver zijn en ik werd het, met alle implicaties van dien.”

DeVries

Theun de Vries (26 april 1907 – 21 januari 2005)

 

De Duitse schrijfster Hannelies Taschau werd geboren op 26 april 1937 in Hamburg. Haar werk omvat gedichten, proza, hoorspelen, toneelstukken en draaiboeken. Haar thema’s zijn ontwikkelingsprocessen van vrouwen, maatschappelijke onderwerpen en de nieuwste geschiedenis van Duitsland.

Niemand Kroch

lieber als ich des Abends
im Winter ins Bett
Eissturm wenn ich den Zeh bewegte
vereist die Augen die Nase
nichts mehr was zu mir gehörte
Zur Kugel gerollt erfand ich
Wärme und Träume
unbesorgt ob auch diesmal alles
gelingen würde
nach Neufundland zu schwimmen
oder die Häuser in Ponta Delgada
umzudrehn
Fenster zum Meer

Taschau

Hannelies Taschau (Hamburg, 26 april 1937)

Walter de la Mare, Ted Kooser, Richard Anders

De Engelse dichter Walter John de la Mare werd geboren op 25 april 1873 in Charlton, Kent. Zijn familie stamde af van Franse Hugenoten. Zijn eerste baan bij een oliemaatschappij  liet hem voldowende vrije tijd om te schrijven. Later werkte hij achttien jaar lang als boekhouder.. Een beurs van de regering maakte het hem mogelijk om zich vanaf 1908 gehel aan het schrijven te wijden. Naast poëzie schreef hij korte verhalen, romans en kinderboeken.

A Song of Enchantment

A song of Enchantment I sang me there,
In a green-green wood, by waters fair,
Just as the words came up to me
I sang it under the wild wood tree.

Widdershins turned I, singing it low,
Watching the wild birds come and go;
No cloud in the deep dark blue to be seen
Under the thick-thatched branches green.

Twilight came: silence came:
The planet of Evening’s silver flame;
By darkening paths I wandered through
Thickets trembling with drops of dew.

But the music is lost and the words are gone
Of the song I sang as I sat alone,
Ages and ages have fallen on me –
On the wood and the pool and the elder tree.

 

Arabia

Far are the shades of Arabia,
Where the Princes ride at noon,
‘Mid the verdurous vales and thickets,
Under the ghost of the moon;
And so dark is that vaulted purple
Flowers in the forest rise
And toss into blossom ‘gainst the phantom stars
Pale in the noonday skies.

Sweet is the music of Arabia
In my heart, when out of dreams
I still in the thin clear mirk of dawn
Descry her gliding streams;
Hear her strange lutes on the green banks
Ring loud with the grief and delight
Of the dim-silked, dark-haired Musicians
In the brooding silence of night.

They haunt me — her lutes and her forests;
No beauty on earth I see
But shadowed with that dream recalls
Her loveliness to me:
Still eyes look coldly upon me,
Cold voices whisper and say —
‘He is crazed with the spell of far Arabia,
They have stolen his wits away.’

delaMareWalter

Walter John de la Mare (25 april 1873 – 22 juni 1956)

 

De Amerikaanse dichter Ted Kooser werd geboren op 25 april 1939 in Ames, Iowa. Hij werd de dertiende Poet Laureate van de VS in 2004 en nog eens herbenoemd in 2005. Kooser schreef tien dichtbundels.

 

Selecting A Reader

 

First, I would have her be beautiful,
and walking carefully up on my poetry
at the loneliest moment of an afternoon,
her hair still damp at the neck
from washing it. She should be wearing
a raincoat, an old one, dirty
from not having money enough for the cleaners.
She will take out her glasses, and there
in the bookstore, she will thumb
over my poems, then put the book back
up on its shelf. She will say to herself,
“For that kind of money, I can get
my raincoat cleaned.”
And she will.

 

 

After Years

 

Today, from a distance, I saw you
walking away, and without a sound
the glittering face of a glacier
slid into the sea. An ancient oak
fell in the Cumberlands, holding only
a handful of leaves, and an old woman
scattering corn to her chickens looked up
for an instant. At the other side
of the galaxy, a star thirty-five times
the size of our own sun exploded
and vanished, leaving a small green spot
on the astronomer’s retina
as he stood on the great open dome
of my heart with no one to tell.

 

tedkooser_large

Ted Kooser (Ames, 25 april 1939)

 

De Duitse schrijver Richard Anders werd geboren op 25 april 1928 in Ortelsburg, tegenwoordig Szczytno, Polen. Anders studeerde germanistiek en geografie in Münster en Hamburg.Hij heeft o.a. als leraar Duits gewerkt in Athene en leeft tegenwoordig als zelfstandig schrijver in Berlijn. In 1998 kreeg hij als eerste de Wolfgang-Koeppen-Preis van de stad Greifswald.

 

Uit: Ich erfahre, daß sich jetzt in der Dichtung nichts mehr reimt

Ich grüße den Kreisjugendführer von Ortelsburg nicht. Er tritt auf mich zu und befiehlt mir, am Nachmittag des nächsten Tages in sein Arbeitszimmer  zu kommen. Ich tue es. Er fragt warum ich ihn nicht gegrüßt habe. Ich sage, ich hätte ihn wahrscheinlich nicht gesehen. Er fragt mich, was ich einmal werden wolle. Ich sage: Dichter. Er sagt mir, ich träumte wohl zuviel. Dichter sollten aber nicht in der Dachkammer sitzen und träumen, sondern für die Volksgemeinschaft dasein.

Während des Rußlandfeldzuges Party in der Villa meiner verstorbenen Großeltern. Weil ich eingesegnet bin, darf ich an dieser Erwachsenenveranstaltung teilnehmen. Junge Offiziere von der kurländischen Front. Meine Tante Ella sitzt auf dem rosa Seidensofa des Musikzimmers und zündet die Kerzen an. Sie liest aus Hölderlins Gesammelten Werken. Anschließend zieht sie das Grammophon auf und setzt eine neue Stahlnadel ein. Wir lauschen Mozarts Kleiner Nachtmusik und unterhalten uns gedämpft in kleinen Gruppen. Serviererinnen in Schwarz und mit weiß gerüschelten Häubchen auf dem Kopf reichen in geschliffenen Kelchgläsern Mosel. Ein junger sympathischer Leutnant erzählt, wie er einem nach einem Angriff schwerverwundet am Boden liegenden Russen mit dem Knobelbecherabsatz den Schädel zertrümmert habe. „Es hat mich zuerst Überwindung gekostet“, sagt er, „aber wer Gefühlen nachgibt, bricht den Fahneneid.“

anders

Richard Anders (Ortelsburg, 25 april 1928)