Octavio Paz, Marga Minco, John Robert Fowles, Andrew Marvell, Nichita Stănescu, Marge Piercy, Peter Motte

De Mexicaanse schrijver, dichter, en diplomaat Octavio Paz Lozano werd geboren op 31 maart 1914 in Mixcoac, tegenwoordig een deel van Mexico-stad. De jonge Octavio groeide op in een tumultueuze tijd: de tijd van de Mexicaanse Revolutie. Hij werd opgevoed door zijn moeder, Josefina Lozano, een diepreligieuze vrouw, door zijn tante en door zijn grootvader aan vaders kant. In 1943 ontving Paz een Guggenheimbeurs en kon hij in de VS studeren. Aan de Universiteit van Californië in Berkeley studeerde Paz Spaans-Amerikaanse poëzie. Zijn ervaring met het leven in de Verenigde Staten zou de inspiratie zijn voor zijn bekendste werk, El laberinto de la soledad, eigenlijk een boeklang essay.  Terug in Mexico ging hij in 1945 de diplomatieke dienst in. Hij diende op meerdere posten, onder meer in Frankrijk, Zwitserland en Japan. In 1962 werd Paz benoemd tot de Mexicaanse ambassadeur in India. In 1968 legde hij verbolgen zijn functie neer vanwege het bloedbad van Tlatelolco, waar honderden Mexicaanse studenten in opdracht van de regering neergeschoten en gedood werden. In 1990 ontving hij de Nobelprijs voor de literatuur. Paz bleef publiceren tot aan zijn dood in 1998.

 

Uit: In light of India

“We arrived in Bombay on an early morning in November 1951. I remember the intensity of the light despite the early hour, and my impatience at the sluggishness with which the boat crossed the quiet bay. An enormous mass of liquid mercury, barely undulating; vague hills in the distance; flocks of birds; a pale sky and scraps of pink clouds. As the boat moved forward, the excitement of the passengers grew. Little by little the white-and-blue architecture of the city sprouted up, a stream of smoke from a chimney, the ocher and green stains of a distant garden. An arch of stone appeared, planted on a dock and crowned with four little towers in the shape of pine trees. Someone leaning on the railing beside me exclaimed, “The Gateway of India!” He was an Englishman, a geologist bound for Calcutta. We had met two days before, and I had discovered that he was W. H. Auden’s brother. He explained that the arch was a monument erected to commemorate the visit of King George V and his wife, Queen Mary, in 1911. It seemed to me a fantasy version of the Roman arches; later I learned it was inspired by an architectural style that had flourished in Gujarat, an Indian state, in the sixteenth century. Behind the monument, floating in the warm air, was the silhouette of the Taj Mahal Hotel, an enormous cake, a delirium of the fin-de-siècle Orient fallen like a gigantic bubble, not of soap but of stone, on Bombay’s lap. I rubbed my eyes: was the hotel getting closer or farther away? Seeing my surprise, Auden explained to me that the hotel’s strange appearance was due to a mistake: the builders could not read the plans that the architect had sent from Paris, and they built it backward, its front facing the city, its back turned to the sea. The mistake seemed to me a deliberate one that revealed an unconscious negation of Europe and the desire to confine the building forever in India. A symbolic gesture, much like that of Cortés burning the boats so that his men could not leave. How often have we experienced similar temptations?”

Paz

Octavio Paz (31 maart 1914 – 19 april 1998)

 

De Joods-Nederlands journaliste en schrijfster Marga Minco, pseudoniem van Sara Minco, werd geboren in Ginneken op 31 maart 1920. Stammend uit een orthodox joods gezin gaat ze in 1938 werken bij de Bossche Courant. In het begin van de Tweede Wereldoorlog verblijft ze in Assen, Delft en Amsterdam. Ze krijgt een lichte vorm van tbc en belandt in ziekenhuizen in Utrecht en Amersfoort. In het najaar van 1942 komt ze terug in Amsterdam en gaat ze bij haar ouders wonen die door de Duitse bezetters gedwongen zijn om in de Jodenbuurt te gaan wonen. Later tijdens de oorlog worden haar ouders, broer en zus weggevoerd en is zij de enige overlevende, want ze weet te ontsnappen en de rest van de oorlog onder te duiken. Ze krijgt ook een nieuwe naam Marga Faes waarvan ze de voornaam ook later aanhoudt. Na de oorlog gaat ze werken bij een aantal kranten en tijdschriften en in 1957 verschijnt haar eerste boek Het bittere kruid waarin ze schrijft over haar eigen oorlogservaringen.

 

Uit: De man die zijn vrouw liet schrikken

“Ze zei er nooit iets van. Met geen woord roerde ze het aan. Had ze maar eens één keer laten blijken dat het haar ergerde of dat ze er niet tegen kon. Misschien zou hij er dan niet mee door zijn gegaan.

Schaaver, een grote, zwaargebouwde veertiger met een vriendelijk gezicht en lichtblauwe kinderogen, had de gebogen houding en de traagheid van iemand die al bij voorbaat moe is van eigen en andermans bezigheden. Hij was jong getrouwd met Else, een koele, evenwichtige vrouw, van wie iets kalmerends uitging. Hun huwelijk bleef kinderloos. In de eerste jaren wilden ze geen kinderen, maar toen ze er over begonnen te denken, gaf de dokter hun geen hoop. Else bleek onvruchtbaar.

Op een dag kwam Schaaver thuis en trof zijn vrouw niet zoals gewoonlijk in de zitkamer aan. ‘Hé, waar is ze?’ vroeg hij zich af. In die éne sekonde van verbazing handelde hij. Hij liep naar de muurkast en liet zich tussen de kleren op de grond zakken. Eigenlijk had hij er meteen weer uit willen gaan, maar op dat ogenblik kwam  Else binnen.

‘Laat ik nu nog maar even blijven zitten,’ dacht hij. Hij vond het we
l grappig zijn vrouw door het sleutelgat te bespieden. Het bood hem de kans haar van een heel andere kant te leren kennen. Mensen die alleen in een vertrek zijn gedragen zich dikwijls zeer wonderlijk. Ze gaan soms op één been staan, maken danspasjes of steken hun tong uit. Maar Else deed niets bizonders. Zij dekte de tafel precies zoals ze gedaan zou hebben als hij zichtbaar was geweest. Dat stelde hem teleur”.

 

MINCO

Marga Minco (Ginneken, 31 maart 1920)

 

De Engelse romanschrijver en essayist John Robert Fowles werd geboren in Leigh-on-Sea (Essex) op 31 maart 1926 als zoon van sigarenhandelaar Robert J. Fowles, en onderwijzeres Gladys Richards. Na zijn eerste opleiding genoten te hebben aan Bedford School en Edinburgh University, studeerde hij aan New College, onderdeel van de Universiteit van Oxford. Hij studeerde hier zowel Frans als Duits. Het zwaartepunt van zijn studie kwam echter uiteindelijk bij Frans te liggen. Na zijn studietijd ging Fowles als docent lesgeven in Frankrijk, Griekenland en Engeland. Door het succes van zijn eerste roman kon hij zich toe gaan leggen op het schrijverschap. In 1968 ging Fowles in het graafschap Dorset te Lyme Regis wonen. Het zou het decor worden voor zijn roman The French Lieutenant’s Woman, waarin vooral het havenhoofd “The Cobb” nadrukkelijk aanwezig is. In 1981 werd het boek verfilmd met een scenario van de Britse toneelschrijver en latere Nobelprijswinnaar Harold Pinter. De film werd genomineerd voor een Oscar. Fowles gaf ooit te kennen dat hij erg onder de indruk was van nouveau roman schrijver Alain Robbe-Grillet. Zelf staat hij bekend om zijn invloed op het Postmodernisme. John Fowles stierf in zijn woonplaats Lyme Regis, na een lang ziekbed.

 

Uit: The Journals

 

“63 Fillebrook Avenue, Leigh-on-Sea, 11 September 1949

This so dull life, mingled with hate and annoyance and pity. No attempt here at method or speed. The housework drags on all day – cleaning, hoovering, dusting, making beds, sewing, washing-up and so on. No one ever sits down before suppertime. It is wrong, but the smallness of the rooms and the house is so noticeable now. The nursery stuffed full of things, always untidy; the dining-room dark and gloomy – only the lounge is tolerable, and one never lives there. The cloistered life with no one to talk to, no one to laugh with – here I am like a hermit, and quite unnatural. An absolute craving for new faces, new meetings, new places. I would tell them so much, but a curious obstinacy prevents this. Always an air of mulish hostility.

24 September\. Two beautiful things. A big, spacious sunset sky – elegant and not ostentatious, but curiously in the east, to the west nothing but a bank of low, dark clouds. The end of a Spergularia in the microscope – like a minute green saturn.1 A tiny shining ball with a ring of gauzy skin around it. Also the sails of some Thames barges half-hidden by mist. A curious thing. About to throw a piece of screwed-up paper into the yellow jug which serves as waste-paper basket, I said to myself, ‘As much chance as you have of being genius.’ It fell into the jug without a murmur, a 20 to 1 chance, at the least.

Another day of silence, listening to other people’s trivialities – a dreadful hour at night when all the completely banal information gained from a visit of relatives is repeated and reviewed. Two mathematical impossibilities I should like to see. One, a graph of the words spoken by me each day over a year – the rise and fall would be eye-opening. Near zero here, and normal everywhere else. Two, a count of words spoken by my mother and myself – David and Goliatha!”

 

FOWLES

John Robert Fowles (31 maart 1926 – 5 november 2005)

 

De Engelse dichter Andrew Marvell werd geboren in Winestead, Yorkshire op 31 maart 1621 in Londen, 16 augustus 1678) Hij wordt gerekend tot de metaphysical poets, een groep waartoe ook John Donne, George Herbert, Henry Vaughan en Abraham Cowley behoorden. Marvell, de zoon van een geestelijke, bezocht het gymnasium in Hull en studeerde in Cambridge. Na de dood van zijn vader in 1640 bracht hij vier jaar door op het vasteland van Europa, waarbij hij ook Holland bezocht. In die periode begon hij poëzie te schrijven. In 1651 werd hij huisleraar voor de dochter van Lord Fairfax. Hij verbleef daar twee jaar en produceerde er zijn beste werk, waaronder Upon Appleton House, The Garden en het befaamde liefdesgedicht To his Coy Mistress. Vervolgens werd hij huisleraar in Eton, voor een beschermeling van Oliver Cromwell. In 1657 werd hij tweede Latijns secretaris van Oliver Cromwells Commonwealth en raakte bevriend met John Milton. Hij toonde respect voor Cromwell in werken als Horatian ode upon Cromwell’s return from Ireland en Death of the Lord Protector. In 1659 werd hij parlementslid voor Hull en dat bleef hij voor de rest van zijn leven.

 

YOUNG LOVE

I.
Come little infant, love me now,
While thine unsuspected years
Clear thine agèd father’s brow
From cold jealousy and fears.

II.
Pretty s
urely ‘twere to see
By young Love old Time beguiled,
While our sportings are as free
As the nurse’s with the child.

III.
Common beauties stay fifteen ;
Such as yours should swifter move,
Whose fair blossoms are too green
Yet for lust, but not for love.

IV.
Love as much the snowy lamb,
Or the wanton kid, does prize,
As the lusty bull or ram,
For his morning sacrifice.

V.
Now then love me : Time may take
Thee before thy time away ;
Of this need we’ll virtue make,
And learn love before we may.

VI.
So we win of doubtful Fate,
And, if good she to us meant,
We that good shall antedate,
Or, if ill, that ill prevent.

VII.
Thus as kingdoms, frustrating
Other titles to their crown,
In the cradle crown their king,
So all foreign claims to drown ;

VIII.
So to make all rivals vain,
Now I crown thee with my love :
Crown me with thy love again,
And we both shall monarchs prove.

 

Marvell

Andrew Marvell (31 maart 1621 – 16 augustus 1678)

 

De Roemeense dichter en essayist Nichita Stănescu werd geboren op 31 maart 1933 in Ploieşti. Daar maakte hij zijn middelbare school af en vervologens studeerde hij Roemeense letterkunde in Boekarest. Zijn literaire debuut maakte hij in het tijdschrift Tribuna. Stănescu was redacteur bij de bladen Gazeta Literară, România Literară en Luceafărul. Zijn eerde dichtbundel, Sensul iubirii (Engels “The Aim of Love”),  verscheen in 1960. De laatste tijdens zijn relatief korte leven verschenen bundel was was Noduri şi semne (Engels: “Knots and Signs”) in 1982.

 

Knot 19

Be aware that I can kill,
that I can crush with my heel the sweet head
of the peaceful rising star,
because of this I’ve turned to painting houses!

Be aware that I take no pity on myself,
that I mix my blood with birch trees!
I bring this to your attention with dispatch!
Watch what you do!

 

 

Sign 12

Little by little she became a word,
bundles of soul on the wind,
a dolphin in the clutches of my eyebrows,
a stone provoking rings in water,
a star inside my knww,
a sky inside my shoulder,
and I inside I.

 

 

Field in Spring

Green rings around the eyes, this grass in vibrant motion
arcs tenderly about you, at a distance-
you summon it, then fling it round, broken
by your laugh of youth and innocence.

Stretched under you, this curling dome of grass
would sound its voices in the gravel-
but you are unaware – and now you pass
through foreign stars, a fool.

 

Nichita Stănescu

Nichita Stănescu (31 maart 1933 – 13 december 1983)

 

De Amerikaanse schrijfster en feministe Marge Piercy werd geboren op 31 maart 1936 in Detroit. Zij studeerde o.a. aan de universiteit van Michigan. Haar eerste bundel, Breaking Camp, werd gepubliceerd in 1968.  Haar romans en gedichten draaien vaak om sociale en feministische kwesties, maar de settings verschillen. Body of Glass is een science fiction roman, City of Darkness, City of Light speelt tijdens de Franse Revolutie. Andere romans zoals Summer People en The Longings of Women spelen in de moderne tijd.

 

The Neighbor

Man stomping over my bed in boots
carrying a large bronze church bell
which you occasionally drop:
gross man with iron heels
who drags coffins to and fro at four in the morning,
who hammers on scaffolding all night long,
who entertains sumo wrestlers and fat acrobats–
I pass you on the steps, we smile and nod.
Rage swells in me like gas.
Now rage too keeps me awake.

 

 

 

Attack of the Squash People

 

And thus the people every year
in the valley of humid July
did sacrifice themselves
to the long green phallic god
and eat and eat and eat.
They’re coming, they’re on us,
the long striped gourds, the silky
babies, the hairy adolescents,
the lumpy vast adults
like the trunks of green elephants.
Recite fifty zucchini recipes!

Zucchini tempura; creamed soup;
sauté with olive oil and cumin,
tomatoes, onion; frittata;
casserole of lamb; baked
topped with cheese; marinated;
stuffed; stewed; driven
through the heart like a stake.

Get rid of old friends: they too
have gardens and full trunks.
Look for newcomers: befriend
them in the post office, unload
on them and run. Stop tourists
in the street. Take truckloads
to Boston. Give to your Red Cross.
Beg on the highway: please
take my zucchini, I have a crippled
mother at home with heartburn.

Sneak out before dawn to drop
them in other people’s gardens,
in baby buggies at churchdoors.
Shot, smuggling zucchini into
mailboxes, a federal offense.

With a suave reptilian glitter
you bask among your raspy
fronds sudden and huge as
alligators. You give and give
too much, like summer days
limp with heat, thunderstorms
bursting their bags on our heads,
as we salt and freeze and pickle
for the too little to come.

 

Piercy

Marge Piercy (Detroit, 31 maart 1936)

 

De Vlaamse schrijver, vertaler en publicist Peter Motte werd geboren in Geraardsbergen op 31 maart 1966. Door zijn activiteiten met het tijdschrift De Tijdlijn werd hij bekender als redacteur en uitgever van o.a. Frank Roger en Mark J. Ruyffelaert. Hij stopte met het tijdschrift om zich beter te kunnen bezighouden met zijn activiteiten als vertaler, maar begon ook te illustreren. Hij verzorgde facsimile-edities van August Snieders en Omer K. De Laey, en van Frank Roger.

Motte bracht de sciencefiction, fantasy en horror in Vlaanderen en Nederland onder de aandacht van de Franstaligen door de verhalenbundel La ligne de temps hors série 1.

Uit: De Wereld der Fantasie

“Voor me rees uit de dorre bodem een hoge, smeedijzeren poort op, bovenaan afgerond door een zware, stenen boog en geschraagd door twee kolossale, marmeren zuilen. Vandaar ontspon zich eindeloos een rotsachtige muur, die het panorama met een beslistheid afgrensde alsof niets anders werkelijkheid was.
Maar voor ik me zo dicht bij de barrière bevond, onderzocht ik vanop een heuveltop de doodse vlakte, die slechts hier en daar met distels was begroeid en door het schemerduister sinister leek. Ik meende een flauw, hoopvol licht te zien, dat zich als een verwaaide blauwe nevel over de wal waagde. Dat alleen liet denken, dat buiten dit afschrikwekkende landschap meer moest bestaan, iets dat zich volledig van deze grensrealiteit onderscheidde”.

Motte

Peter Motte (Geraardsbergen, 31 maart 1966)