Pol Hoste, Jacques Bens, Flannery O’Connor, Jacques Audiberti, Peter van Straaten, Erica Pedretti, Jaime Sabines, Filip De Pillecyn


De Vlaamse schrijver Pol Hoste werd geboren in Lokeren op 25 maart 1947. Hoste studeerde aan de Rijksuniversiteit Gent en is licentiaat Germaanse filologie. Sinds 1994 is hij zelfstandig schrijver. Hoste werkte mee aan radio- en televisieprogramma’s over kunst en cultuur. Hij is recensent Nederlandse literatuur en publiceerde een vijftigtal literaire bijdragen in Vlaamse en Nederlandse tijdschriften en is ook actief als theaterschrijver Hoste ontving de Cultuurprijs van de Stad Gent, de Dirk Martensprijs van de Stad Aalst en de Arkprijs van het Vrije Woord.

 

Uit: Flame goes Frankfurt

 

“Op een dag in de lente schreef Flame een brief. Charlotte, schreef hij, hierbij stuur ik u alles wat ooit van mij is vertaald want ik heb gehoord dat ge naar de beurs van Frankfurt gaat waar de grote uitgevers van de wereld samenkomen om eens te bekijken welke boeken ze van elkaar zullen laten vertalen en uitgeven.In de krant las ik dat ge in Vlaanderen aangesteld zijt om onze literatuur in het buitenland beter bekend te maken en naar ik vernam zal het Nederlands dit jaar speciaal veel aandacht krijgen.

Het is nog lente, lieve Charlotte, dus waarschijnlijk zijt ge nu als verantwoordelijke voor het Vlaamse programma volop afspraken aan het maken met de belangrijkste uitgevers om het werk van onze schrijvers voor te stellen. Hier is een staalkaart van mijn werk in het Engels, het Frans, het Spaans en het Duits. Laat eens iets weten.

Dagen gingen voorbij maar Charlotte liet niets van zich horen. Zware voorjaarsbuien schoven over de bleke lucht boven Vlaanderen die zo dun was als kraantjeswater en Flame had veel verdriet want hij was schrijver.

Maar toen de zomer weer in het land kwam en met ooievaars en zwaluwen de mensen verblijdde, trok Flame naar Brussel. Hij werd in de stad binnengelaten en begaf zich terstond naar de Dienst Letteren.

‘Dienst,’ sprak hij, ‘ik heb gehoord dat ge veertig miljoen gaat besteden aan de promotie van de Vlaamse literatuur in het buitenland dit najaar. Ik hoop toch dat ge dat tenminste laat doen door mensen uit het boekenvak die weten welke buitenlandse uitgevers belangstelling hebben voor Nederlandstalig literair werk, of door lieden met voldoende handelsgeest die over veel persoonlijke contacten beschikken in de uitgeverswereld om op de beurs van Frankfurt met die veertig miljoen van onze belastingbetalers goede zaken te doen en de Vlaamse literatuur in het buitenland te verspreiden.’

 

 

HOSTE
Pol Hoste (Lokeren, 25 maart 1947)

 

De Franse dichter en schrijver Jacques Bens werd geboren op 25 maart 1931 in Cadolive (Bouches-du-Rhône). Hij groeide op in Marseille, waar hij later zijn studie zoölogie moest afbreken wegens ziekte. Hij was medeoprichter van L’ Ouvroir de Littérature Potentielle (l’Oulipo)

In 1960, samen met Raymond Queneau, François Le Lionnais en Jean Lescure. Van 1960 tot 1963 werkte hij onder redactie van Queneau aan de l’Encyclopédie de la Pléiade. Tussen 1981 en 1990 was hij secretaris-generaal van de Société des Gens de Lettres. Ook verzorgde hij lange tijd de kruiswoordraadsels voor L’Express en Lire.

 

Mélancolique

 

Je vais donc retrouver mes anciens horizons,

Cette odeur pas perdue des vents et des maisons.

J’ai l’air d’abandonner, mais n’ayez nulle crainte :

 

Si je quitte Paris, c’est pour le mieux aimer.

 

On incline à brusquer une banale étreinte.

Mais que vaut cet orgueil qui n’est plus de saison ?

Allez donc réunir le cœur et les raisons.

La ville, en souriant, laisse sa rude empreinte :

 

Si je quitte Paris, c’est pour vous mieux aimer.

 

Vous mieux aimer, je ne pouvais y croire, mais

Je vois bien qu’aujourd’hui le présent nous emporte.

Il me faut, pour vous voir, m’éloigner quelque peu.

J’enferme mes regrets, puisque cela se peut,

Après avoir glissé ma clé sous votre porte.

 

 

 

bens
Jacques Bens (25 maart 1931 – 26 juli 2001)

 

Flannery O’Connor werd geboren op 25 maart 1925 in Savannah, Georgia. Haar vader stierf toen zij 15 jaar oud was aan lupus (Systemic lupus erythematosus, een auto-immuniteitsziekte) die in de familie erfelijk was. O’Connor bezocht de Peabody Laboratory School en daarna de Georgia State College for Women, waar zij afstudeerde in Engels en sociologie (dat laatste vak zou zij satirsch behandelen in The Violent Bear It Away). In 1946 werd zij toegelaten tot de prestigieuze Iowa Writers’ Workshop. O’Connor schreef twee romans en 31 korte verhalen, evenals kritieken. Zij was typisch een schrijfster uit het zuiden in de trant van William Faulkner met een stijl die wel Southern Gothic genoemd wordt. Haar romans waren Wise Blood (1952) en The Violent Bear It Away (1960). A Good Man Is Hard to Find and Other Stories verscheen in 1955 en Everything That Rises Must Converge werd na haar dood uitgegeven. Zij stierf in 1964 aan dezelfde ziekte als haar vader.

 

Uit: A Good Man Is Hard to Find and Other Stories

 

“The children’s mother had begun to make heaving noises as if she couldn’t get her breath. “Lady,” he asked, “would you and that little girl like to step off yonder with Bobby Lee and Hiram and join your husband?”

“Yes, thank you,” the mother said faintly. Her left arm dangled helplessly and she was holding the baby, who had gone to sleep, in the other. “Hep that lady up, Hiram,” The Misfit said as she struggled to climb out of the ditch, “and Bobby Lee, you hold onto that little girl’s hand.”

“I don’t want to hold hands with him,” June Star said. “He reminds me of a pig.”

The fat boy blushed and laughed and caught her by the arm and pulled her off into the woods after Hiram and her mother.

Alone with The Misfit, the grandmother found that she had lost her voice. There was not a cloud in the sky nor any sun. There was nothing around her but woods. She wanted to tell him that he must pray. She opened and closed her mouth several times before anything came out. Finally she found herself saying, “Jesus. Jesus,” meaning, Jesus will help you, but the way she was saying it, it sounded as if she might be cursing.

“Yes’m,” The Misfit said as if he agreed. “Jesus shown everything off balance. It was the same case with Him as with me except He hadn’t committed any crime and they could prove I had committed one because they had the papers on me. Of course,” he said, “they never shown me my papers. That’s why I sign myself now. I said long ago, you get you a signature and sign everything you do and keep a copy of it. Then you’ll know what you done and you can hold up the crime to the punishment and see do they match and in the end you’ll have something to prove you ain’t been treated right. I call myself The Misfit,” he said, “because I can’t make what all I done wrong fit what all I gone through in punishment.”

There was a piercing scream from the woods, followed closely by a pistol report. “Does it seem right to you, lady, that one is punished a heap and another ain’t punished at all?”

“Jesus!” the old lady cried. “You’ve got good blood! I know you wouldn’t shoot a lady! I know you come from nice  people! Pray! Jesus, you ought not to shoot a lady. I’ll give you all the money I’ve got!”

 

 

OConnOR
Flannery O’Connor (25 maart 1925 – 3 augustus 1964)

 

De Franse schrijver en dichter Jacques Audiberti werd geboren op 25 maart 1899 in Antibes. Hij begon met 12 jaar gedichten te schrijven. Toen hij 15 was verschenen er regelmatig bijdragen van hem in de lokale krant Réveil d’Antibes. Rond 1925 kwam hij naar Parijs waar hij eerst voor kranten schreef als Le Journal en Petit Parisien. In 1930 verscheen zijn eerste bundel Empire et la Trappe, in 1938 zijn eerste roman, Abraxas, en een tweede gedichtenbundel Race des hommes. Ondanks het schrijven van grotere werken bleef Audiberti ook als journalist schrijven, al kon hij daarmee gedurende WO II m,aar nauwelijks zijn brood verdienen. Na de oorlog werd hij overwegend als theaterauteur bekend. Tot 1961 schreef hij minstens 20 stukken. In 1964 kreeg hij de Prix des Critiques“.

 

Uit Paris fut

 

« La pioche et la truelle des ouvriers disponibles demandent qu’on démolisse et qu’on bâtisse. La population exige, ou du moins ses médecins l’exigent pour elle, qu’on racle, assainisse et cautérise les quartiers ou les fragments de quartiers, décidément malsains et inhabitables. Ce n’est pas sans quelque regret que l’on verra s’en aller ces palais et ces forteresses d’une misère en quelque sorte approuvée et caressée par ses ressortissants.
Crocheteurs, chiffonniers, ribaudes et pochards, et ces honnêtes travailleurs des Halles qui dorment à la bonne franquette dans quelque tanière glaciale, tout ce monde, ou ce qu’il en reste, se sent vraiment de Paris. Les églises noires, dont une fiente blanchie recouvre les corniches comme d’une neige perpétuelle, les ponts, le pavé des passages, la bonne odeur des frites et du lard cuits en plein vent, les uns et les autres en éprouvent avec force les charmes certains. Les vieilles concierges qui règnent sur des cours pareilles à des fonds de citerne, et les ménagères qui, rue des Écouffes, marchandent des carpes, elles savent que s’épanouissent, à Paris, de plus vastes perspectives que celles de leurs ruelles comprimées. Qu’importe ! Il s’est créé, entre la créature humaine et les pierres du cœur de Paris, un réseau de fibres profondes. On tranchera ces fibres, mais beaucoup saigneront.»
 

 

 

AUDIBERTI
Jacques Audiberti (25 maart 1899 – 10 juli 1965)

 

De Nederlandse cartoonist en striptekenaar Peter van Straaten werd geboren in Arnhem op 25 maart 1935. Hij maakt zowel politieke prenten als wel grappen over ‘het (literaire) leven’. Van Straaten doorliep een opleiding aan de Kunstnijverheidschool te Amsterdam.Hij begon zijn carrière in 1958 bij Het Parool, in eerste instantie als reportagetekenaar. Later begon hij ook politieke tekeningen te maken. Hij startte in 1968 met de strip ‘Vader en Zoon’ in Het Parool. Sindsdien verzint hij dagelijks een onderschrift en maakt er een tekening bij voor Het Parool in de serie Dagelijks Leven. Daarnaast publiceerde hij onder meer in Humo, Penthouse en Vrij Nederland.

 

 

 

 

 

VanStraatenCartoon

“Moet ik soms zulke shit gaan schrijven als die net bij de je wegging, hoe heet die idioot…?”

 

 

 

VANSTRAATEN
Peter Van Straaten (Arnhem, 25 maart 1935)

 

De Zwitserse schrijfster en beeldhouwster Erica Pedretti werd geboren op 25 maart 1930 in Šternberk (Tsjechië). In 1945 ging ze naar Zwitserland, leefde echter ook enkele jaren in de VS, voordat zij in 1952 naar Zwitserland terugkeerde. Zij publiceert sinds 1970 en haar beeld- en woordcomposities worden tentoongesteld sinds 1976. In 1984 ontving zij de Ingeborg-Bachmann-Preis en in 1996 de Marie-Luise-Kaschnitz-Preis.

 

Uit: Kuckuckskind, oder Was ich ihr unbedingt noch sagen wollte.

 

“Wer die Gegenwart sieht, hat alles gesehen, was sich Ewigkeiten ereignet hat, es ist alles wie gestern, Tag für Tag und auf unendliche Zeit wird sich dasselbe ereignen. Langeweile, denn alles ist an Art und Wesen gleich, noch keine? Und dann? So ein Tag dauert eine Ewigkeit, und alles hat Zeit, noch Zeit. Immer wieder fängts mit Montag an. Kein Sonnenstrahl heute. Hoffnung auf Dienstag, Mittwoch, Donnerstag, bis Sonntag. Ewigkeiten. Langeweile? Lust? Nachher. Erst dies und das und dann.”

 

 

PEDRETTI
Erica Pedretti (Šternberk 25 maart 1930)

 

De Mexicaanse dichter en schrijver Jaime Sabines Gutiérrez werd geboren op 25 maart 1926 in Tuxtla Gutiérrez, Chiapas. Zijn werk ontstond vanuit zijn fysieke aanwezigheid op plaatsen als de straat, het ziekenhuis of het speelveld. Voordat hij tot schrijven kwam studeerde hij drie jaar medicijnen. Daarna wijdde hij zich aan zijn echte passie: Spanje en Spaanse literatuur. Hij studeerde aan de Universidad Nacional Autónoma de México en aan de Mexican Writers Centre.

Behalve literair was hij ook politiek actief. Sabines ontving diverse onderscheidingen, waaronder de Nationale Literatuur Prijs in 1983.

 

 

Considering it Carefully
They tell me I ought to exercise to lose weight,
that around 50 it’s very dangerous to smoke and be fat,
it’s important to keep your figure,
and fight against time and age.

Well-meaning experts and friends who are doctors
recommend diets and systems
for prolonging life for a few more years.

I thank them with all my heart but I have to laugh
at such vain dodges and petty concern.
(Death also laughs at all such things).

The one bit of advice that I consider seriously
is to find a young woman to have in bed
because at this altitude
youth can reach us only by contagion

 

 

 

I don’t know if for certain
I don’t know if for certain,
but I imagine that a man
and a woman fall in love one day,
little by little they come to be alone,
something in each heart tells them that they are alone,
alone on the earth they enter each other,
they go on killing each other.
It all happens in silence.
The way light happens in the eye.
Love unites bodies.
They go on filling each other with silence.
One day they wake up, over their arms.
Then they think they know the whole thing.
They see themselves naked and they know
the whole thing.
(I’m not sure about this. I imagine it).

 

 

 

Sabines
Jaime Sabines (25 maart 1926 – 19 maart 1999)

 

Filip De Pillecyn werd te Hamme aan de Durme geboren op 25 maart 1891. Van 1910 tot 1914 volgt hij te Leuven de cursussen Germaanse filologie.Hij vindt er een gunstige teeltbodem voor zijn Vlaamsgezinde en literaire aspiraties en is actief in de Vlaamse studentenbeweging. Hij werkt mee aan het studentenblad “Ons Leven”. Als jonge doctorandus wordt hij aangeworven als redacteur voor het dagblad “De Standaard”. De eerste wereldoorlog komt deze plannen echter dwarsbomen. Bij het begin van de vijandelijkheden wijkt hij uit naar Nederland waar hij bij “De Maasbode” de stiel leert. In 1915 vertrekt De Pillecyn als oorlogsvrijwilliger over Engeland naar Frankrijk. Na de wapenstilstand verblijft hij van 1918 tot 1926 te Brussel. Tot 1922 werkt hij als redactiesecretaris bij “De Standaard”. In 1922 werd hij hoofdredacteur van de nieuwe christelijke arbeiderskrant “De Tijd”. Hij kreeg de smaak goed te pakken want tegelijkertijd geeft hij het satirisch weekblad “Pallieter” uit. Zijn eerste literaire succes boekt hij in 1931 met “Blauwbaard”. Hij maakt ook een prachtige studie over “Stijn Streuvels en zijn werk“. In 1947 wordt hij door de Krijgsraad veroordeeld tot tien jaar hechtenis alhoewel men hem niets anders dan “een rijke culturele bedrijvigheid” tijdens de bezetting ten laste kan leggen. Tijdens zijn gevangenschap wordt hij opnieuw productief en schrijft o.a. “Jan Tervaert”, “De veerman” en “De Jonkvrouw”. Na zijn vrijlating in 1949 neemt hij zijn intrek te Gent. Pas in 1951 verschijnt een nieuw werk, nl. “Rochus”, gevolgd door “Vaandrig Antoon Serjacobs“. Later verschijnen nog “Het Boek van de Man Job” en “Twistgesprek tussen Demer en Schelde”.

 

Uit:  Het boek van Sint-Niklaas

 

VAN HET KIND IN DE WASCHKUIP

 

Niet alleen scholieren, jonge meisjes en aanwassende jongelingen is Sint-Niklaas de beschermer, maar ook van kleine kinderen die nog geen besef hebben van zijn bestaan.

Zoo was er eens een moeder bezig haar kind te wasschen met zacht warm waterken en fijn zeepschuim. En omdat het water niet te rap zou afkoelen had zij ’t badkuipken op het vuur gezet. Zij waschte en plaste dus en ’t kindeken begon te blinken dat het een plezier was, toen de moeder zwaar klokgelui hoorde.

Toen dacht ze eraan dat het juist vandaag de plechtige inhuldiging was van den nieuwen bisschop, Niklaas heette hij. En ze had daar toch reeds zooveel over hooren spreken over dien nieuwen bisschop, dat hij zoo vriendelijk was en zoo goed voor de armen en daar zij ook nieuwsgierig was en zij nog niet de inhuldiging van een bisschop had gezien liet zij liggen wat lag en staan wat stond en liep naar de kerk.

’t Was schoon en aandoenlijk. En de tranen kwamen in de oogen van de vrouw die maar bleef staan kijken tot al het volk terug naar huis liep.

Toen zij op weg was naar huis schoot haar ineens te binnen dat haar kind in zijn badkuipken zat en dat dit heel de tijd op het vuur had gestaan. God! wat zette die vrouw het op een loopen; en zij smeet de deur open en neep dan haar ogen toe omdat ze bang was van wat ze zouden moeten zien hebben.

Maar het water was niet aan ’t koken gegaan en ’t kindeken was niet verbrand. Het zat daar te spelen en te plassen in ’t lauw waterken en was zoo frisch als een bie

Dat had Sint-Niklaas gedaan.”

 

 

Pillecyn
Filip De Pillecyn
(25 maart 1891 – 7 augustus 1962)