Willem de Merode, Jean Paul, Siegfried Kapper, Peter Hacks, Hubert Fichte, Youssef Rzouga, Günter Vallaster

Dit Blog bestaat vandaag precies een jaar. Dank aan het nog steeds groeiende aantal bezoekers voor hun interesse en reacties van het afgelopen jaar.

De eerste bijdrage ging over de dichter en schrijver Willem de Mérode. Niet omdat dit zijn geboortedag was, maar omdat hij aan de wieg stond van dit Blog hieronder dus een toepasselijk gedicht van hem op deze eerste lentedag.

 

LENTE

De hemel luwt, de lente staat te komen.
De visch spat als een vonkenzwerm omhoog.
De vogel tooit zich met den regenboog.
En eensklaps bloeien de verstokte boomen.

Een roode bliksem slaat dwars door het bloeien.
Een rood gewaad heeft mijn bestaan verschrikt.
Verbleekt heb ik den chaos ingeblikt.
Boven den oergrond hang ik ijl te bloeien.

MERODE

Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)

 

De Duitse dichter en schrijver Jean Paul werd op 21 maart 1763 in Wunsiedel in het Fichtelgebergte geboren als zoon van een lutheraans dominee, organist en schoolmeester, en groeide in armzalige omstandigheden op. Hij bezocht het gymnasium in Hof en vatte in 1781 een studie in de theologie aan in Leipzig, die hij echter in 1784 niet langer kon bekostigen. Zijn eerste publicatie, een reeks erudiete satires, was zonder succes gebleven, en in 1785 overleed zijn vader, waarna hij twee jaar bij zijn moeder bleef wonen in zware financiële nood. In 1787 werd hij privéleraar op het slot Töpen. In 1790 richtte hij een basisschool te Schwarzenbach op, ondertussen verder romans schrijvend.

Geleidelijk bereikte Johann Paul Richter, die zich als eerbetoon aan Rousseau ”Jean Paul” had genoemd, erkenning en financiële stabiliteit met zijn humoristische schrijfselen, waarvan het ”Leben des vergnügten Schulmeisterleins Maria Wutz” autobiografische kenmerken heeft. Zijn grote doorbraak kwam in 1795 met ”Hesperus’‘. Het daaropvolgende jaar trok hij naar Jena en Weimar en ontmoette er Goethe en Schiller. Na zijn moeders dood in 1797 leidde hij een peripathetisch bestaan met grote literaire activiteit; hij kwam in contact met de vroege Romantiek en las de werken van Herder, van wie hij een goede vriend werd. Hij woonde een tijd in Leipzig en Hildburghausen, en vervolgens in Weimar en Berlijn, alwaar hij in 1801 huwde met Karoline Mayer; vervolgens woonde hij nog te Coburg. Tijdens deze zwerfperiode ontstond zijn grootste roman, ”Titan”, een satire op het absolutisme. Uiteindelijk, in 1804, vestigde hij zich in Bayreuth, waar hij tot zijn dood gebleven is.

Uit: Hesperus oder 45 Hundposttage

Die Sekte des vierten Maies konnte sich mit jener schon messen, da sie auch ein Kollegium von drei Gliedern ausmachte. Die Anhänger waren die kochende Appel (Apollonia, die jüngste Tochter), deren Küchen-Ehre und Back-Belobebrief dabei litt, daß der Gast früher ankam als die Weißhefen; sie konnte sich denken, was eine Seele empfindet, die vor einem Gaste steht, die Hände voll Spick- und Nähnadeln, neben der Platte der Fenstervorhänge, und ohne sogar die Frisur des Hutes und des Kopfes, der darunter soll, nur halb fertig zu haben. Der zweite Anhänger dieser Sekte, der am meisten gegen den Dienstag hätte reden sollen – ob er gleich am wenigsten redete, weil ers nicht konnte und erst kürzlich getauft war -, sollte am Freitag zum ersten Male in die Kirche getragen werden; dieser Anhänger war das Patchen des Gastes. Der Kaplan wußte zwar, daß der Mond seinen Gevatterbitter, den P. Ricciolum, bei den Erden-Gelehrten herumschicke und sie als Paten seiner Flecken ins Kirchenbuch des Himmels bringe; aber er dachte, es ist besser, sich seinen Gevatter schon in einer Nähe von 50 Meilen zu nehmen. Der Aposteltag des Kirchgangs und der Festtag der Ankunft des Herrn Gevatters wären also schön ineinander gefallen; aber so führte das Wetter (das hübsche) den Gevatter vier Tage eher her! – “

Jeanpaul

Jean Paul (21 maart 1763 – 14 november 1825)

 

De Tsjechische schrijver en vertaler Siegfried Kapper werd op 21 maart 1820 geboren in Smichov. Hij bezocht het gymnasium in Praag en studeerde daarna filosofie. Na zijn opleiding doceerde hij eerst in Rusland, later in Wenen, waar hij ook aan een studie medicijnen begon. Teleurgesteld door de politieke ontwikkelingen in zijn vaderland vestigde hij zich in 1847 in Kroatië. Tijdens de revolutie van 1848 – 1849 keerde hij naar Wenen terug en werkte er als journalist. Na het neerslaan van de revolutie emigreerde hij weer en trok hij lang door het zuiden van Europa. Uiteindelijk vestigde hij zich als arts in Jung-Bunzlau ten noorden van Praag.

 

Vorschneller Schwur

 Schwor ein junges Mädchen:

 Blumen nie zu tragen,

 Niemals Wein zu trinken,

 Knaben nie zu küssen.

 Gestern schwor das Mädchen –

 Heute schon bereut es:

 ,,Wenn ich Blume trüge,

 Wär’ ich doch noch schöner!

 Wenn ich Rotwein tränke,

 Wär’ ich doch noch froher!

 Wenn den Liebsten küßte,

 Wär’ mich doch noch wohler!“

 

(Kappers vertaling van een anonieme Servische tekst, op muziek gezet door Brahms)

 

 

Kapper

Siegfried Kapper (21 maart 1820 – 7 juni 1879)

 

De Duitse schrijver en dichter Peter Hacks werd geboren op 21 maart 1928 in Breslau. In de jaren zestig en zeventig gold hij als de beste toneelschrijver van de DDR. De succesvolste was hij zeker. Hacks doorliep het gymasium in Wuppertal. In 1947 begon hij met de studies sociologie, filosofie,  en literatuur en theaterwetenschappen in München. Daar leerde hij Thomas Mann kennen, maar hij begon er zich ook intensief bezig te houden met het werk van Brecht. Deze ried hem later af om in de DDR te gaan wonen en werken, maar Hacks deed dat in 1955 toch. Hij begon te werken voor het Berliner Ensemble, maar schaarde zich nooit onder de leerlingen van Brecht en kreeg al snel als zelfstandig schrijver voet aan de grond. Het werk werd hem echter door de functionarissen van de DDR die hem niet bepaald mochten, niet gemakkelijk gemaakt. Hij moest grote successen behalen om erkenning te krijgen. Die successen kwamen er ook met o.a. „Der Frieden“, „Die schöne Helena“, „Amphitryon“,Adam und Eva“, „Das Jahrmarktfest zu Plundersweilern“ en „Ein Gespräch im Hause Stein über den abwesenden Herrn von Goethe“. Dat laatste werd zelf een wereldsucces.

 

TAGTRAUM

Ich möchte gern ein Holperstein
In einer Pflasterstraße sein.
Ich stell mir vor, ich läge dort
Jahrhunderte am selben Ort.
Und einer von den Kunsteunuchen
Aus Medien und Kritik
Käm beispielsweise Hacks besuchen
Und bräch sich das Genick.

 

 

BEEILT EUCH, IHR STUNDEN

Beeilt euch, ihr Stunden, die Liebste will kommen.
Was trödelt, was schleppt ihr, was tut ihr euch schwer?
Herunter da, Sonne, und Abschied genommen.
Verstehst du nicht, Tag, man verlangt dich nicht mehr.

Mit seinen Droschken und Schwalben und Hunden
Wird mir das ganze Leben zum Joch.
Schluß mit Geschäften. Beeilt euch, ihr Stunden.
Und wärt ihr Sekunden, ich haßte euch noch.

Ich kann nicht erwarten, den staunenden Schimmer
In ihrem zärtlichen Auge zu sehn.
Verschwindet, ihr Stunden, am besten für immer.
Die Liebste will kommen, die Welt soll vergehn.

 

 

Hacks

Peter Hacks (21 maart 1928 – 28 augustus 2003)

 

De Duitse schrijver Hubert Fichte werd geboren op 21 maart 1935 in Perleberg, Brandenburg. Hij had zowel een opleiding als toneelspeler als ook in de landbouw genoten en werkte af en toe als schaapsherder in de Provence in Frankrijk. Vanaf 1961 woonde hij in Hamburg. Na wat mislukt dramatisch werk publiceerde hij o.a. Der Aufbruch nach Turku (1963), Das Waisenhaus (1965), Die Palette (1968) en Detlevs Imitationen “Grünspan” (1971). Een wezenlijke invloed op zijn werk ging uit van Marcel Proust, Hans Henny Jahnn, die Fichte in 1949 leerde kennen, maar ook van Jean Genet. Zijn verhouding met Jahn en diens invloed op zijn ontdekking van de eigen homosexualiteit heeft Fichte beschreven in zijn laatste tijdens zijn leven nog verschenen roman Versuch über die Pubertät (1974). Sinds 1995 verleent de stad Hamburg ter herhinnering aan de schrijver de Hubert Fichte prijs voor bijzondere literaire verdiensten.

 

Uit: St. Pauligeschichte

 

„ Davidstraße. – Über der Elbe ein Dunstlicht von Werften und Schiffen. – E
ine Frau zieht vorbei; drei Katzen und fünf Hunde hält sie an kleinen Zügeln. – Der Duft des Flußwassers weht heran. Doch ich will nicht zum Strom hinunter. Um diese Zeit breitet sich am diesseitigen Ufer eine graue, – schwarze, – schwerblaue Einsamkeit zwischen Häuser und Gerüste. – Ich kehre dem Hafen den Rücken –, ich schlage auch nicht den Weg zum Pinnasberg ein, mit den vertrauten und unheimlichen Schenken und schlendre sogar an dem freundlichen Konditorladen voll billiger, kranker Mädchen vorüber.
Mich erfüllt ein unerträglicher Durst in der lauen Vergnügungsunruhe.
Die Lichter der Reeperbahn zucken auf, zittern, – verlöschen und blitzen heftiger wieder hervor. – Eine gleißende, bonbongetönte Fuge.

Ich gehe in die „Lorelei“. Neulich bei meinem nächtlichen Streifzug durch homosexuelle Lokale habe ich sie ausgelassen.
Auf den Tischen stehen Getränkekarten; das Bier hier ist nicht teurer als in jeder gewöhnlichen Kneipe. Es fehlt jener peinliche Geruch der Vereinskrämerei, welcher sich in gewissen Bars schon durch die teuren Getränkepreise aufdrängt.
Auf den zweiten Blick entdecke ich einen prominenten Buchhändler der Hansestadt. Wir begrüßen uns distanziert.
Arbeiter sonst. –
Sie trinken ihr Bier und sehen sich tief in die Augen. An der Theke lehnen sie dicht nebeneinander. – Ich kann ihnen wohl ansehen, daß sie „so“ sind. Dennoch wirken sie natürlich, unauffällig, einfach. Vielleicht sind sie nur ein wenig sentimentaler, als sie es sonst wären.”

FICHTE

Hubert Fichte (21 maart 1935 – 8 maart 1986)

 

De Tunesische dichter Youssef Rzouga werd geboren op 21 maart 1957 in Mahdia. Hij studeerde politieke – en menswetenschappen in Tunis. Hij werkt als journalist en debuteerde als dichter in 1970. Rzouga spreekt Arabisch, Frans, Spaans, Engels en Russisch.

 

Werk o.a.: Je vous transcende par mes tristesses(1978), L’astrolabe de Youssef le voyageur (1986), La plastique de l’âme suivi de l’Epistémè de l’Issue (2003), The ground zéro (2005)

 

 

 

Le Poète / (Rythme d’orient)

 

Le Poète se love
Epars
Gai
Toujours gai
Dans tous ses jardins zen
Et avec un zeste de citron
Il imbibe le ver verdâtre de l’univers
Et le pousse à ramper
Vers l’orbite de six continents mus
Toujours mouvants
Sous les yeux clignotants
D’un épervier toujours incompris.

Accroupi
Entre épée et épée
Le Poète étanche le sang de la carte
Et scie
La hauteur vertigineuse/la tour
D’un certain superman toujours tyran.

Accroupi
Entre épi et épi
Le Poète
-La main heureuse
Et/ou de la main à la main-
Ne récolte
Que l’indomptable révolte de l’âme:
La Paix.

Gai
Toujours gai
D’ici l’an x de la faim
Le Poète ne dort,dans l’ombre,
Que pour surgir
Dans l’autre panique,demain.

Gai
Toujours gai
D’ici l’an fixe de l’infernal paradis/
Le départ,
Le Poète ne cesse
De tout gâcher:
Le chemin qui mêne à Rome,
Le rêve
Et même la vie d’ordure et d’or.

Le Poète ne dort,dans l’ombre,
Que pour rêver
D’un peu de soleil,de plus
Et ce..
Pour partir
Les jours qui viennent
Debout,
Absurde
Et gai
 

  

Rzouga

Youssef Rzouga (Mahdia 21, maart 1957)

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Günter Vallaster werd geboren op 21 maart 1968 in Schruns (Vorarlberg). Hij is sinds 2004 uitgever bij edition ch. Vallaster studeerde germanistiek en geschiedenis en was van 1997 tot 2003 onderzoeksassistent aan de universiteit Innsbruck. Werk o.a.: wiesohelles (visuele poezie), Das fröhliche Wohnzimmer (2001).

 

der reim

der reim
auf dem leim
daheim
(räuma?)

tackt nackt hackt
ding ding ding
(tickt da d’uhr?)

schöne stöhne töne
so fa so fa so fa
(da süßt maine scheune heumahd?)

& sehn den zaun vor lauter zaunpfeln
nicht

 

BeeldgedichtVallaster

Beeldgedicht

 

VALLASTER

Günter Vallaster (Schruns, 21 maart 1968)

2 reacties op ‘Willem de Merode, Jean Paul, Siegfried Kapper, Peter Hacks, Hubert Fichte, Youssef Rzouga, Günter Vallaster

Reacties zijn gesloten.