Ovidius, Friedrich Hölderlin, Henrik Ibsen, David Malouf, Christoph Ransmayr, Gerard Malanga, Henning Heske, Touré, Jens Petersen


De Romeinse dichter Publius Ovidius Naso werd geboren op 20 maart 43 v. Chr. uit een welgestelde ridderfamilie te Sulmo, nu het stadje Sulmona in de Abruzzen, op 100 km ten oosten van Rome. Hij had een broer die net één jaar ouder was. De beide jongens kregen een verzorgde opvoeding, ze studeerden onder meer retorica en rechten, eerst in Rome en later in Athene. In een politieke of juridische carrière had Ovidius helemaal geen interesse, maar des te meer voor literatuur, tot ongenoegen van zijn vader, die het niet eens was met zijn literaire aspiraties. Niettemin debuteerde hij op 18-jarige leeftijd met zijn Amores, en maakte al vroeg naam als minnedichter, één van de vele groten tijdens de “gouden eeuw” van keizer Augustus. Hij was goed bevriend met Tibullus en Propertius. Ook Horatius behoorde tot zijn kennissen, deze droeg soms voor uit eigen werk. Met Vergilius, die de oudere generatie vertegenwoordigde, heeft hij één enkele keer kennis gemaakt. Ovidius was welgesteld genoeg om zich volledig aan de dichtkunst te wijden. Algauw volgden de Ars Amatoria (de kunst van het liefhebben) en de Remedia Amoris (remedies tegen de liefde), zijn bekendste dichtbundels. Hij kon zich een luxueus en losbandig leventje in de mondaine grootstad Rome veroorloven, hij was een echte societyfiguur. Als gevierd dichter hield hij regelmatig voordrachten uit eigen werk, wat zijn roem alleen maar vergrootte. Over zijn dood is weinig bekend. In zijn werk vindt men echter geen verwijzingen naar gebeurtenissen van na – 17 na Chr. Daarom gaat men er vanuit dat hij kort nadien gestorven is.

 

Uit: Amores I, 5; (Vertaling door M. d’Hane-Scheltema)

Hoogzomer was het en het middaguur juist aangebroken.
Ik lag wat uit te rusten languit op mijn bank,
het ene raamluik op een kier, het andere dichtgetrokken,
gefilterd licht, zoals soms wel in bossen hangt

of zoals hoort bij schemertijd, als Phoebus’ zon gaat kwijnen
of nacht al afscheid neemt en dag nog komen moet,
kortom, een licht dat lijkt te schijnen voor bedeesde meisjes,
wanneer hun aarzelende schaamte dekking zoekt.

Plots kwam Corinna binnen in een wolk van lichte kleren,
het haar sloot golvend om haar hals van parelmoer;
de koningin van Babylon, voortschrijdend naar het bruidsbed,
zo mooi. Zo mooi als Laïs, veelaanbeden hoer.

Ik rukte aan haar kleren die toch al niet veel verhulden.
Zij, zich verwerend, snoerde ze juist strakker aan,
maar ’t was de afweer van een vrouw die niet wil triomferen
en zich met zelfverraad gemakkelijk laat verslaan.

Haar kleren vielen op de grond. Daar stond ze en mijn ogen
zagen haar weelde, de volmaakte lijn ervan;
haar schouders en haar armen, die ik zien mocht, die ik streelde,
haar tepels – wat een willig speelgoed in mijn hand!

Die strakgespannen buik onder haar stijf-omsnoerde borsten,
die heupen, wat een heupen! En haar meisjesbeen!
Maar moet ik alles noemen? Ik zag niets dat niet ontroerde
en trok haar naakt heel dicht tegen mijn naaktheid aan …

Wat volgt weet iedereen. Wij vielen uitgeput in slaap en
nu mag het vaak in ’t middaguur hoogzomer slaan!

 

 

Ovidius
Ovidius (20 maart 43 v. Chr. – 17 na Chr.)

 

Johann Christian Friedrich Hölderlin werd geboren op 20 maart 1770 in Lauffen am Neckar in het Hertogdom Württemberg. Hij studeerde theologie aan het Tübinger Stift, het seminarium van de protestantse kerk in Württemberg), waar hij vrienden werd met de toekomstige filosofen Georg Hegel en Friedrich Schelling. Hölderlin kwam uit een arm gezin, zijn moeder werd tweemaal weduwe. Bij gebrek aan belangstelling voor een geestelijke carrière moest Hölderlin zijn geld verdienen als privéleraar van kinderen van rijke ouders. Tijdens zijn werk als privéleraar van de zonen van Jakob Gontard, een bankier uit Frankfurt, werd hij verliefd op diens vrouw Susette; zij zou zijn grote liefde worden
. Susette Gontard is het model voor Diotima in zijn epistolaire roman Hyperion. Omdat hij zich in het openbaar beledigd voelde door Gontard, werd Hölderlin gedwongen om met zijn baan op te houden. Hij kwam opnieuw in een moeilijke financiële situatie terecht. Reeds op dit ogenblik werd hij gediagnosticeerd met hypochondrie, een geestelijke aandoening die na de dood van Susette Gontard in 1800 zou verergeren. In het begin van 1802 vond hij een baan als privéleraar van de kinderen van de consul van Hamburg in Bordeaux. Hij reisde per voet naar die stad. Zijn reis en verblijf beschreef hij in Andenken (Herinnering), een van zijn bekendste gedichten. Een paar maanden later keerde hij echter terug naar Duitsland.

In 1807 werd hij door velen als krankzinnig bestempeld. Hij werd gebracht naar het huis van Ernst Zimmer, een timmerman uit Tübingen met verstand van literatuur die de Hyperion bewonderde. De daaropvolgende 36 jaar bleef Hölderlin in het huis van Zimmer wonen, in een torenruimte waarin hij de mooie vallei van de Neckar kon overzien. Hölderlin overleed op 73-jarige leeftijd en werd tot zijn dood door de familie Zimmer verzorgd.

 

 

Der Gott der Jugend

Gehn dir im Dämmerlichte,
Wenn in der Sommernacht
Für selige Gesichte
Dein liebend Auge wacht,
Noch oft der Freunde Manen
Und, wie der Sterne Chor,
Die Geister der Titanen
Des Altertums empor,

Wird da, wo sich im Schönen
Das Göttliche verhüllt,
Noch oft das tiefe Sehnen
Die Liebe dir gestillt,
Belohnt des Herzens Mühen
Der Ruhe Vorgefühl,
Und tönt von Melodien
Der Seele Saitenspiel,

So such im stillen Tale
Den blütenreichsten Hain,
Und gieß aus goldner Schale
Den frohen Opferwein!
Noch lächelt unveraltet
Des Herzens Frühling dir,
Der Gott der Jugend waltet
Noch über dir und mir.

Wie unter Tiburs Bäumen,
Wenn da der Dichter saß,
Und unter Götterträumen
Der Jahre Flucht vergaß,
Wenn ihn die Ulme kühlte,
Und wenn sie stolz und froh
Um Silberblüten spielte,
Die Flut des Anio,

Und wie um Platons Hallen,
Wenn durch der Haine Grün,
Begrüßt von Nachtigallen,
Der Stern der Liebe schien,
Wenn alle Lüfte schliefen,
Und, sanft bewegt vom Schwan,
Cephissus durch Oliven

Und Myrtensträuche rann,

So schön ist’s noch hienieden!
Auch unser Herz erfuhr
Das Leben und den Frieden
Der freundlichen Natur;
Noch blüht des Himmels Schöne,
Noch mischen brüderlich
In unsers Herzens Töne
Des Frühlings Laute sich.

Drum such im stillsten Tale
Den düftereichsten Hain,
Und gieß aus goldner Schale
Den frohen Opferwein!
Noch lächelt unveraltet
Das Bild der Erde dir,
Der Gott der Jugend waltet
Noch über dir und mir.

 

 

 

 

HOELDERLIN
Friedrich Hölderlin (20 maart 1770 – 7 juni 1843)

 

De Noorse toneelschrijver en dichter Henrik Johan Ibsen werd geboren op 20 maart 1828. Hij was grotendeels verantwoordelijk voor de opkomst van het moderne realistische drama. Van 1851 – 1857 was hij regisseur bij de schouwburg te Bergen (Noorwegen) en van 1864 – 1891 directeur van het Norske Theater te Oslo. Zijn sprookjesachtige en aangrijpende toneelstuk Peer Gynt (1867) met muziek van Edvard Grieg is zeer beroemd geworden.

 

Uit: PEER GYNT

PEER GYNT.
Lautlos horchend, hör’ ich seinen
Huf im harten Firnschnee knirschen,
Seh’ vom einen Horn die Zacken,
Wind’ mich durch Geröll und Wacken
Vorwärts, und, verdeckt von Steinen,
Seh’ ich einen Prachtbock, – einen,
Wie man ihn seit Jahrer zehn,
Sag’ ich Dir, hier nicht gesehn!

AASE.
Gott bewahre, nein!

PEER GYNT.                 Ein Knall!
Und den Bock zusammenbrennen!
Aber knapp, daß er zu Fall,
Sitz’ ich auch schon rittlings droben,
Greif’ ihm in sein linkes Ohr,
Reiß’ mein Messer schon hervor,
Ihm’s gerecht ins Blatt zu rennen; –
Hui! da hebt er an zu toben,
Springt, pardauz, auf alle Viere,
Wirft zurück sein Horngeäst,
Daß ich Dolch und Scheid’ verliere,
Schraubt mich um die Lenden fest,
Stemmt ’s Gestäng’ mir an die Waden,
Klemmt mich ein wie mit ‘ner Zang’, –
Und so stürmt er, wutgeladen,
Just den Gendingrat entlang!

AASE (unwillkürlich.)
Jesus -!

PEER GYNT.
            Mutter, hast Du den
Gendingrat einmal gesehn?
Wohl ‘ne Meile läuft er drang
Hin, in Sensenrückenbreite.
Unter Firneis, Schuttmoränen,
Schnee, Geröll, Sand, kunterbunter,
Sieht Dein Aug’ auf jeder Seite
Stumme, schwarze Wasser gähnen,
An die fünf-, die siebenzehn-
hundert Ellen rank hinunter.
Dort lang stoben pfeilgeschwind
Er und ich durch Wetter und Wind!
Nie ritt ich solch Rößlein
, traun!
Unsrer wilden Fahrt entgegen
Schnob’s wie Sonnenfunkenregen.
Adlerrücken schwammen braun
In dem schwindeltiefen Graun
Zwischen Grat und Wasserrande, –
Trieben dann davon wie Daun.
Treibeis brach und barst am Strande;
Doch sein Lärm ging ganz verloren;
Nur der Brandung Geister sprangen
Wie im Tanze, – sangen, schwangen
Sich im Reihn vor Aug’ und Ohren!

 

 

ibsen1
Henrik Johan Ibsen (20 maart 1828 – 23 mei 1906)

 

De Australische schrijver David Malouf werd geboren op 20 maart 1934 in Brisbane. Hij schreef onder andere Johnno, An Imaginary Life, Harland’s Half Acre, The Great World en Remembering Babylon. Voor The Great World ontving hij in 1991 de Commonwealth Writers’ Prize. Remembering Babylon werd bekroond in 1996 met de eerste International IMPAC Dublin Literary Award. Malouf schrijft ook gedichten en libretti voor opera’s.

 

Uit: Remembering Babylon

 

“ ONE DAY IN the middle of the nineteenth century, when settlement in Queensland had advanced little more than halfway up the coast, three children were playing at the edge of a paddock when they saw something extraordinary. They were two little girls in patched gingham and a boy, their cousin, in short pants and braces, all three barefooted farm children not easily scared.

They had little opportunity for play but had been engaged for the past hour in a game of the boy’s devising: the paddock, all clay-packed stones and ant trails, was a forest in Russia-they were hunters on the track of wolves.

The boy had elaborated this scrap of make-believe out of a story in the fourth grade Reader; he was lost in it. Cold air burned his nostrils, snow squeaked underfoot; the gun he carried, a good sized stick, hung heavy on his arm. But the girls, especially Janet, who was older than he was and half a head taller, were bored. They had no experience of snow, and wolves did not interest them. They complained and dawdled and he had to exert all his gift for fantasy, his will too, which was stubborn, to keep them in the game.”

 

 

malouf
David Malouf (Brisbane, 20 maart 1934)

 

De Oostenrijkse schrijver Christoph Ransmayr werd geboren op 20 maart 1954 in Wels. Van 1972 tot 1978 studeerde hij filosofie en etnologie in Wenen en daarna was hij cultuurredacteur en freelance schrijver voor verschillende tijdschriften. Vanaf 1982 is hij zelfstandig schrijver. Na het verschijnen van zijn roman Die letzte Welt maakte hij uitgebreide reizen naar Azie, Zuid- en Noordamerika en Ierland. In 1997 hield Ransmay de openingsrede bij de Salzburger Festspiele. Hij las voor uit het voor deze gelegenheid geschreven verhaal Die dritte Luft oder Eine Bühne am Meer.

 

Uit: Die letzte Welt

 

Cyparis, der Liliputaner, kam um die Mittagszeit aus den Staubwolken der Küstenstraße, aus dem ersten, kalten Staub des Jahres. Im Geschirr seines Planwagens zwei Falben, kam Cyparis das Meer entlang wie in allen Jahren zuvor, schrieb mit der Peitsche fauchende, wirre Zeichen in die Luft und schrie dazu die Namen von Helden und schönen Frauen gegen Tomi: So kündigte der Liliputaner schon von weitem die Lust, den Schmerz und die Trauer und alle Leidenschaften jener Lichtspiele an, die er in der Dunkelheit der nächsten Tage über den abblätternden Kalk der Schlachthausmauer flimmern lassen würde. Cyparis der Filmvorführer kam. Aber es war Frühjahr. Im Keller des Branntweiners oder im Glutschein einer Esse, in Famas Kolonialwarenladen oder im Zwielicht eines Speichers, da und dort in Tomi unterbrach man, was man eben tat, trat vor die Tür oder öffnete das Fenster und blickte dem langsam heranwehenden Staub ratlos entgegen. Der Vorführer. Cyparis kam zum erstenmal im Frühjahr und nicht im August.

Wie in allen Jahren zuvor, mit einem langen Strick an den Planwagen gebunden, trottete auch diesmal ein müder, abgezehrter Hirsch dem Gespann hinterher. Der Liliputaner führte diesen Hirsch in den Dörfern der Küste stets als das Königstier seiner Heimat vor, die nach seinen Erzählungen irgendwo im Schatten des Kaukasus lag; er ließ das Tier zuklirrender Marschmusik auf der Hinterhand tänzeln, zog nach einem solchen Kunststück den schweren Schädel des Hirsches oft zu sich herab, flüsterte ihm in einer seltsamen, zärtliche
n Sprache ins Ohr und verkaufte alljährlich das abgeworfene Geweih an den Meistbietenden in den Dörfern, an irgendeinen Trophäensammler, dem die Abwurfstangen dann zum Wahrzeichen und Skelett einer unerfüllbaren Jagdleidenschaft wurden. Denn in den unwegsamen, dornigen Wäldern dieses Küstenstriches gab es keine Hirsche.“

 

 

Ransmayr
Christoph Ransmayr
(Wels, 20 maart 1954)

 

De Amerikaanse dichter en fotograaf Gerard Joseph Malanga werd geboren op 20 maart 1943 in New York. In 1981 fotografeerde hij de laatste “ farmer”  op Staten Island, Herbert Gericke. Malanga is van 1963 tot 1970 de rechterhand geweest van Andy Warhol met wie hij het tijdschrift Interview oprichtte. Zijn fotoportretten van dichters werden gepubliceerd in The New Yorker, Poetry, en Unmuzzled OX. Malanga verscheen in verschillende films van Warhol als het personage van “ the young poet”.

 

Days of Rome

 

Days of nothingness
Days of clear skies the temperature descending
Days of no telephone calls or all the wrong ones
Days of complete boredom and nothing
is happening
Days of 1967 coming to a close in the frigid condition of chest
cold and cough
drops
Days of afternoons in the life of a young girl
not being on time
Days of daydreams exploding
Days of utter frustration
Days of my film being cursed and myself
with the curse never lifting
Days of closed windows to keep the cold
out the livingroom warm
Days of avoiding lunch for a phone-call
with change of plans for the day
Days of posting letters
Days of no mail today
Days of fatigue and amphetamine highs
Days of Charles Edward Ives
Days of the 4:00 pm doldrums
Days of wonder drugs to challenge the common cold
Days of utter frustration
Days of forgetting

 

 

 

Malanga
Gerard Malanga (New York, 20 maart 1943)

 

 

 

 

WARHOLCAPOTE
Andy Warhol en Truman Capote (Foto: Malanga)

 

De Duitse dichter en essayist Henning Heske werd geboren op 20 maart 1960 in Düsseldorf. Heske studeerde wiskunde, geografie en germanistiek aan de universiteit van Düsseldorf. Hij promoveerde in 1988 op een studie over het aardrijkskunde-onderwijs tijden het nationaalsocialisme. Sinds 2001 is hij medewerker van de door Marcel Reich-Ranicki uitgegeven Frankfurter Anthologie. In 2006 verschenen Fausts Phiole, een verzameling essays over poezie en wetenschap en de dichtbundel Wegintegrale.

 

Sternenkult

 

Metalldetektoren finden den Himmel in der Erde,

grün schimmernd aus arsenhaltigem Kupfer:

der Diskus von Nebra, Abbild des Kosmos

mit Sonnenbarke und lunarer Sichel –

eine archäologische Tellermine.

Ausweis paneuropäischer Astronomen

mit Zeremonialhüten aus Gold,

gejagt von Orion und der Sucht.

Die Fährte führt über steinerne Alleen

mit Menhiren, vorbei an Dolmen

und den Kavernen der Externsteine,

direkt zu den verglühenden Sternen

 

 

 

Heske
Henning Heske (
Düsseldorf,  20 maart 1960)

 

De Afrikaans-Amerikaanse schrijver, journalist en cultuurcriticus Touré werd geboren op 20 maart 1971 in Milton, Massachusetts. Tot nu toe schreef hij drie boeken: The Portable Promised Land (2003), een collectie korte verhalen, Soul City (2004), een magisch-realistische roman over het leven in een Afrikaans-Amerikaans Utopia en Never Drank the Kool-Aid (2006), een verzameling van zijn werk voor Rolling Stone, , The New Yorker, The New York Times, the Village Voice, The Believer, Playboy, TENNIS Magazine en andere tijdschriften dat hij schreef tussen 1994 en 2005. Touré is door zijn moeder genoemd naar de president van Guinea, Sekou Touré.

 

Uit: Soul City

 

“ THE TRAIN eased to a stop at Soul City, and Cadillac Jackson smoothed off into a new life. He had a pen in one hand and a pad in the other, hungry to catch every detail. He was from The City and infused with the requisite towering ambition that everyone from The City had. He’d come to Soul City to research the book that would establish him as one of the great writers of his generation. Whether he had the talent to render the world of Soul City honestly remained to be seen. He’d been sent by Chocolate City Magazine, ordered to spend three days, write a short piece about the mayoral election, and get back home. But he had other plans. He’d always wanted to visit the city that boasted “more mojo than any city in the world.” To see the world-famous one-hundred-foot-tall Afro Pick, to hear one of Revren Lil’ Mo Love’s crazy sermons, to get a sack of six at the Biscuit Shop. And he’d always wanted to write a book about Soul City. He knew all the other books had gotten it wrong. No one had really figured out what made Soul City what it was. He vowed not to leave until he knew. Great books had been inspired by Dublin, Venice, Paris, Bombay, and New York. He would add Soul City.”

 

 

toure_sm
Touré (Milton, 20 maart 1971)

 

De Duitse schrijver en arts Jens Petersen werd geboren op 20 maart 1976 in Pinneberg. Na studies in München, Lima, New York en Buenos Aires leeft Oetersen nu als arts in München. Voor zijn roman Die Haushälterin kreeg hij in 2003 al een beurs. In 2005 ontving hij ervoor de Aspekte-Literaturpreis, de Bayerische Kunstförderpreis, de Kranichsteiner Literatur-Förderpreis en in 2007 de Evangelische Buchpreis.Het is een generatieroman die de relatie beschrijft tussen een vader en een zoon, maar het is ook het verhaal van een eerste liefde.

 

Uit: Die Haushälterin

 

“Ich glaubte damals, daß Männer sich von Zeit zu Zeit an einen Tisch setzten und alles miteinander besprachen. Ich hatte das Gefühl, ein solches Gespräch stehe kurz bevor. Aber wir standen um vier Uhr morgens im dunklen Flur, in unseren Pyjamas; ich dachte an seine nackten Füße, an sein Brusthaar oben am Kragen, und plötzlich war er nicht mehr mein Vater, sondern ein Fremder, und ich wollte weg, zurück in mein Zimmer, durchs Fenster nach draußen und über den Zaun.”

 

 

Petersen
Jens Petersen (Pinneberg, 20 maart 1976)