Bredero, P.C. Hooft, Sully Prudhomme, César Vallejo, René Daumal, Hooshang Golshiri, Jakob Haringer, Haldun Taner, Zoë Jenny

De Nederlandse dichter en toneelschrijver Gerbrand Adriaensz. Bredero werd geboren op 16 maart 1585 in Amsterdam. Bredero volgde behoorlijk onderwijs, zo leerde hij Frans en sprak hij waarschijnlijk Engels en Latijn. Daarna ging hij in de leer bij de Antwerpse kunstschilder François Badens die in Amsterdam woonde. Het beroep van schilder werd indertijd maatschappelijk erkend, in tegenstelling tot dat van dichter. Er zijn tot nu helaas geen gesigneerde werken van hem bekend. Er wordt aangenomen dat hij rond zijn 20ste jaar omging met leden van d’Eglantier, met name de leden van de Brabantse kamer. Daarnaast ging hij om met dichters en schilders in Amsterdam en de directe omgeving daarvan. Vanaf ongeveer 1611 had hij zich een positie verworven als een belangrijk toneelschrijver. Hij maakte in 1616 kennis met Hugo de Groot, aan hem werd de druk Rodd’rick ende Alphonsus opgedragen. Hij was daarnaast bevriend met P.C. Hooft. Ook volgde hij Samuel Coster, deze richtte de Duytsche Academie op.

 

Liedeken

 

En had ick noyt bemint de witte reyne deughd,
So waar ick niet verlieft op u Maagd’lijcke jeught,
Soo waar myn hart noch vry van quelling en verdriet,
Soo voelden ick in my oock dese vreuchde niet

 

Och welcken blyschap ist, wanneer als ick aanschou
U suyver schoon aanschijn, o eerwaardighe Vrou,
Och die met u ghesicht u eerbaerheyt verrijckt,
Waar door myn hart int sien van vreuchde gantsch beswijckt.

 

In wat een droeve stroom wart ick gedompelt dan,
Als ghy, mijn lieve helft, u aanghesicht drayt van
U minnaer die u mint, soo u wel is bekent.
Maar u afkeericheyt veroorsaeckt mijn ellent.

 

Dat al de Weerelt eert, is van my niet gheacht,
Ick haat de hoovaardy, maar u eerlijcke dracht
En stille staticheyt en nederich ghelaat
Verciert u Lief veel meer, als ’t Prachtighe ghewaat.

 

’T opsichtich Poppen goet geeft wel een schoone schijn,
Dan die blinckende deught can in geen cleeren zijn,
Maar in een eerlijck hart en deuchdelijck gemoet,
O Maaghdeken dit is het alderbeste goet.

 

Waart ghy niet opghepronckt met dees Heerlijcken schat,
Ick had u in mijn Ziel oock niet soo lief gehadt,
Ick had u nimmermeer soo achtbaar aanghesien:
De gaven van ’t ghemoet ick meer als ’tLichaem dien.

 

Den gaven van ’t ghemoet en Lichaams schoonheydt schoon,
Stelt ghy voort keurich oogh in ’t licht rijck’lijc ten toon,
Dies blijft ghy myn Princes, in vreughd’ en in gequel,
Ick offer u mijn hart, t’welck snackt na u bevel.

 

Ick hoor u Lief gheheel, ick ben niet langher mijn,
Mijn hart kan langher niet van u verscheyen sijn,
Smelt onse harten t’saam, vereent ons wille nu,
Of laat ons metter daet gaen mengen my in u.

 

bredero

Gerbrand Bredero (16 maart 1585 – 23 augustus 1618)

 

De geschiedkundige, dichter en toneelschrijver Pieter Cornelisz. Hooft werd geboren in Amsterdam op 16 maart 1581.Hooft was de zoon van Cornelis Hooft, burgemeester van de stad Amsterdam. Na een reis door Europa studeerde hij rechten in Leiden. Hooft werd een exponent van de renaissance in Nederland  Hooft was drost van Muiden en baljuw van het Gooiland. Hij was bestuurder en daarnaast ook rechter en woonde gedurende 40 jaar in het Muiderslot, bij het huidige Muiden Vesting. De bekendste werken van Hooft zijn de historische treurspelen Geeraerdt van Velsen uit 1613 en Baeto (1617). Beide toneelstukken hebben het beeld van de Nederlandse geschiedenis sterk beïnvloed: dat van de moord op Graaf Floris V (Geeraert) en dat van de rol van de Bataven bij de totstandkoming van Nederland. Het blijspel Warenar uit 1617 gebaseerd op Plautus` “Aulularia” was vrij succesvol. Hooft schreef ook veel liefdespoëzie, waaronder sonnetten. Het bekendste werk is Emblemata amatoria, liefdesemblemen uit 1611. Hooft begon in 1628 aan de Nederlandsche historiën. Tot zijn dood in 1647 werkte hij er aan. Zevenentwintig delen daarvan zijn verschenen, de laatste zeven postuum.

 

Vonckende God

Vonckende God, of geest van Godes naeste neven;
Die hart aen hart met vuyr gesuivert innelijft,
Waerin uw gouden grif gloejende wetten schrijft,
Daer niemands wil af schrickt, of tegens denckt te streven;
Ontternt mijn borst, en bidt de voester van mijn leven,
Die met een soete windt mijn tedre sinnen drijft,
Soo lang tot op mijn hart haer ooghe stilstaen blijft,
Aenschouwen wat daer in is van uw handt geschreven:
Daer salse lesen mijn eeuwighe slavernij,
En d’eindeloose macht van d’opperheerschappij
Die haer verheven deuchdt heeft op mijn siel bevochten,
Waer voor haer mijn gemoedt nedrighe jonst betóónt,
En haer gesegent hayr met groene cranssen cróónt,
Van eerlijck laurenhof en soete myrth gevlochten.

 

PCHooft

Pieter Cornelisz. Hooft (16 maart 1581 – 21 mei 1647)

 

De Franse schrijver en dichter Sully Prudhomme (eig. René François Armand Prudhomme) werd geboren op 16 maart 1839 in Parijs. Prudhomme groeide op in Parijs in een Rooms-katholiek gezin en deed aan het Lycée Bonaparte eerst eindexamen in natuurwetenschappen (baccalauréat scientifique) en daarna in literatuur en klassieke talen (baccalauréat de lettres). Na kort werkzaam geweest te zijn als ingenieur bij de vooruitstrevende firma Schneider in Le Creusot voltooide hij een rechtenstudie en werkte, weer kort, als advocaat in Parijs. Aangezien hij al sinds vele jaren gedichten schreef, bezon hij zich in het midden van zijn twintiger jaren over zijn geërfde vermogen en wijdde zich geheel aan de literatuur en de filosofie, waarbij hij de wereld van de techniek en de wetenschap met die van de geest en de schoonheid probeerde te verbinden. In 1881 werd hij als literator beloond met opname in de Académie française, in 1895 als morele autoriteit erkend met de benoeming tot Chevalier de la Légion d’honneur Toen in 1901 de eerste Nobelprijs voor de literatuur werd uitgereikt, sprak het vanzelf dat hij hem kreeg, zo bekend en gewaardeerd was hij in heel Europa.

 

Le vase brisé

Le vase où meurt cette vervaine
D’un coup d’éventail fut fêlé ;
Le coup dut l’effleurer à peine,
Aucun bruit ne l’a révélé.

 

Mais la légère meurtrissure,
Mordant le cristal chaque jour,
D’une marche invisible et sûre
En a fait lentement le tour.

 

Son eau fraîche a fui goutte à goutte,
Le suc des fleurs s’est épuisé ;
Personne encore ne s’en doute,
N’y touchez pas, il est brisé.

 

Souvent aussi la main qu’on aime
Effleurant le coeur, le meurtrit ;
Puis le coeur se fend de lui-même,
La fleur de son amour périt ;

 

Toujours intact aux yeux du monde,
Il sent croître et pleurer tout bas
Sa blessure fine et profonde :
Il est brisé, n’y touchez pas.

 

 

Les yeux

Bleus ou noirs, tous aimés, tous beaux,
Des yeux sans nombre ont vu l’aurore ;
Ils dorment au fond des tombeaux,
Et le soleil se lève encore.

Les nuits, plus douces que les jours,
Ont enchanté des yeux sans nombre ;
Les étoiles brillent toujours,
Et les yeux se sont remplis d’ombre.

Oh ! qu’ils aient perdu le regard,
Non, non cela n’est pas possible !
Ils se sont tournés quelque part
Vers ce qu’on nomme l’invisible ;

Et comme les astres penchants
Nous quittent, mais au ciel demeurent,
Les prunelles ont leurs couchants,
Mais il n’est pas vrai qu’elles meurent.

Bleus ou noirs, tous aimés, tous beaux,
Ouverts à quelque immense aurore,
De l’autre côté des tombeaux,
Les yeux qu’on ferme voient encore.

 

PRUDHOMME

Sully Prudhomme (16 maart 1839 – t september 1907)

 

De Peruaanse dichter César Vallejo werd geboren op 16 maart 1892 in Santiago de Chuco, Peru. Hij was de jongste van elf kinderen. Met 13 jaar begon hij al gedichten te schrijven. Hij studeerde letterkunde aan de Universidad de la Libertad in Trujillo en kreeg in 1915 zijn gtaad in Spaanse literatuur. Als student werkte hij op een suikerplantage. Daar maakte hij kennis met de uitbuiting van de arbeiders. Na zijn studie leefde Vallejo in Lima, waar hij allerlei linkse intellectuelen leerde kennen. Hij werd leraar, maar verloor zijn baan toen hij weigerde te trouwen met zijn zwangere vriendin. Deze stierf na een abortus, waar Vallejo op aangedrongen had. In deze tijd, 1918, verscheen zijn eerste bundel Los heraldos negros. In 1923 vertrok hij naar Europa en vestigde hij zich in Parijs. De communistische invloeden in zijn werk namen toe en in 1928 reisde hij naar Moskou. In 1931 werd hij lid van het Congres van antifascistische schrijvers en in 1937 richtte hij samen met Pablo Neruda het Latijsamerikaanse comitee ter ondersteuning van de Spaanse republiek op. Na zijn dood in 1938 werd hij begraven op Montparnasse.

 

Es gibt im Leben so schwere Schläge

Es gibt im Leben so schwere Schläge … ich kanns nicht verstehn.
Schläge wie Gottes Zorn. Als ob
vor ihnen alles,
das Treibgut jedes Leids,
in den Brunnen der Seele schwemmte …! Ich kanns nicht verstehn.

 

Es kommt selten. Aber es kommt … sie öffnen tiefe Gräben
im stolzesten Gesicht und auf dem stärksten Rücken.
Vielleicht sind sie die Rosse barbarischer Attilas
oder die schwarzen Boten, die der Tod uns schickt.

 

Sie sind der tiefe Fall des Christus in unsrer Seele,
eines angebeteten Glaubens, den das Geschick beschimpft.
Diese blutigen Schläge sind das Knistern eines
Brotes, das in der Tür des Ofens uns verbrennt.

 

Und der Mensch … so arm … so arm! Er hebt die Augen
wie einer, der eine Hand auf der Schulter fühlt,
er hebt die irren Augen, und alles, was er gelebt hat
staut sich im Schacht des Blicks wie eine Pfütze von Schuld.

Es gibt im Leben so schwere Schläge … ich kanns nicht verstehn.

 

 

 

Schwarzer Stein auf weißem Stein

Ich werde sterben in Paris, mit Wolkenbrüchen,
schon heut erinnre ich mich jenes Tages.
Ich werde sterben in Paris, warum auch nicht,
an einem Donnerstag vielleicht, wie heut, im Herbst.

Ein Donnerstag wird sein; denn heut, am Donnerstag,
da ich dies sage, tun mir meine Knochen weh;
noch nie wie heute hab ich mich allein
und meinen Weg erblickt von unserm Ende her.

Tot ist César Vallejo. Eingeschlagen
habt ihr auf ihn. Er hat euch nichts getan.
Mit einem Stock gabt ihr ihm Saures, Saures

mit einem Tau. Die Donnerstage
sind seine Zeugen, Zeugen seine Knochen,
der Regen, die Verlassenheit, die Strassen …

 

(Het laatste gedicht is vertaald door H.M. Enzensberger)

 

Vallejo

César Vallejo (16 maart 1892 – 15 april 1938)

 

De Franse schrijver en dichter René Daumal werd geboren op 16 maart 1908 in Boulicourt in de Ardennen. Daumal was taalkundige. Hij had nauwe connecties met het Surrealisme van Breton en R. Gilbert-Lecomte. Zijn interesse voor hypnotisme en occultisme voerde leidde bij hem tot een verslaving aan morfine. Daumal, die ook Hemingway vertaalde, rebelleerde zowel in zijn leven als in zijn werk tegen het technologisch intellectualisme en zocht een oplossing in „patafysische ervaringen“ en in oosterse wijsheid.

 

Je suis mort parce que je n’ai pas le désir,
Je n’ai pas le désir parce que je crois posséder,
Je crois posséder parce que je n’essaye pas de donner
Essayant de donner, on voit qu’on n’a rien,
Voyant qu’on n’a rien, on essaye de se donner,
Essayant de se donner, on voit qu’on n’est rien,
Voyant qu’on est rien, on désire devenir,
Désirant devenir, on vit.

 

Poem

One cannot stay on the summit forever –
One has to come down again.
So why bother in the first place? Just this.
What is above knows what is below –
But what is below does not know what is above

One climb, one sees-
One descends and sees no longer
But one has seen!

There is an art of conducting one’s self in
The lower regions by the memory of
What one saw higher up.

When one can no longer see,
One does at least still know.

daumal

René Daumal (16 maart 1908 – 21 mei 1944)

 

De Iraanse schrijver Hooshang Golshiri werd geboren op 16 maart 1938 in Isfahan. Zijn eerste verzameling korte verhalen, Als altijd (As Always), verscheen in 1958. Zijn tweede boek, Prins Ehtejab (1959) bracht hem roem en werd in 1974 verfilmd. Golshiri schreef onder meer acht romans, vijf bundels korte verhalen, twee literatuurtheoretische werken, essays en kritieken. Daarnaast was hij betrokken bij diverse tijdschriften, gaf hij workshops voor jonge schrijvers en streed hij voor de vrijheid van meningsuiting in Iran. Hij ontving de Hellman–Hammett Prize (Human Rights Watch) in 1997en de Erich Maria Remarque Friedenspreis van de stad Osnabrück in 1999.

Uit: Sketching

“At the end, near the bend, there was an empty place. I thought there was still a chance that we would return together. Shirin did not come. So she had not seen her pedal and move on. She is still going, even if she’s gotten old, like me or even like Shirin, and every morning she goes to the veranda of one of those two-story houses facing the sea, with her white shirt and dark cotton pants, and puts one hand on the railings and turns the other hand into a shade for her upright seaward face so that she could see which of the newcomers on the deck seemed familiar.
It always happens like this, like me now on the veranda overlooking a deserted avenue and my vista is mud rooftops whose uniform color is only disturbed by the turquoise twelve-sided dome of Baba Ismail, and I am waiting for the spring again and the arrival of a postcard from Shirin with a week or ten days’ delay. She also remembers the date of our wedding anniversary and every time sends the same postcard of green pine trees with a small yellow dot sitting in for the sun, as if she had bought ten or twelve of the same card, or maybe even twenty or more, if of course she is still alive by then, or still remembers. The kids, Maziar and Zohre, only write two letters a year, both now in English, and each time they apologize for having forgotten their Persian. And I send neither postcards nor write letters.”

 

GOLSHIRI

Hooshang Golshiri (16 maart 1938 – 5 juni 2000)

 

De Duitse dichter Jakob Haringer werd als Johann Franz Albert geboren op 16 maart 1898 in Dresden. Hij was een moeilijke, eigenzinnige, door Weltschmerz gepijnigde man. Hij schreef gedichte, proza en essays en kan gerekend worden tot het expressionisme. Bovendien vertaalde hij uit het Frans en het Chinees en schreef hij voor kranten. Hij leidde een overwegend zwervend bestaan en moest vaak een beroep doen op de ondersteuning van hem welgezinde schrijvers als Hermann Hesse en Alfred Döblin. In 1938 vluchtte hij vanuit Oostenrijk naar Praag en vandaar naar Zwitserland, waar hij het grootste deel van WO II verbleef.

 

Prolog zum Sterben

… So dir
Auch Vögel zwitschern, Herbstblumen und Mai erglühn —
Freund, wie arm dies alles — Der Freuden
Göttlichste ist ein Menschenherz. Ach das war
Das alte Lied, du liebst mich noch … schöne Kinderchen mit Lauten,
Purzeln über die märzlichen Anlagen. Ein Hirte
Der Ziegen seine Sorgen anvertraut; vertönt
Das letzte Gold eines Knabenhimmels. Im Sarg
Schläfst du vorm Haus der untreuen Liebsten,
Herbstlich zittert´s letzte Gesträuch wie ein Menschenherz ohne Trost und Tag
Das Eismeer der Narrnis erfriert dich Verbrannter
Es ist keine Stunde mehr, wo du der ganzen Welt verzeihst
Und silbernes Flüstern eines verlorenen Paradieses, der
Liebe letztes Lebewohl. Es nebelt —
Erst am Abend funkeln Lichtlein auf —
In den Stunden des Glückes hast du Genossen und Frauen,
In den Gewittern des Narrens weinst du
Verzweifelnd allein

 

HARINGER

Jakob Haringer (16 maart 1898 – 3 april 1948)

 

De Turkse schrijver Haldun Taner werd geboren op 16 maart 1915 in Istanboel. Hij studeerde politieke wetenschappen en economie aan de universiteit van Heidelberg en behaalde een graad in de Duitse letterkunde aan de universiteit van Istanboel. Hij schreef korte verhalen, komedies, satires en introduceerde het theater van Brecht in Turkije. Taner schreef ook cabaretachtige stukken, waarin hij politieke satire combineerde met de technieken van het traditionele Turkse theater. Hij doceerde kunstgeschiedenis en dramatische literatuur aan de universiteit van Istanboel en was een bekende columnist bij diverse kranten.

 

Werk o.a.: Fazilet Eczanesi (The Pharmacy of Goodwill/1960), Lutfen Dokunmayin (Please Do Not Touch/1960), Kesanli Ali Destani (The Ballad of Ali of Keshan/1964), Gozlerimi Kaparim Vazifemi Yaparim (I
Close My Eyes and Do My Duty/1964), Esegin Golgesi (The Shadow of the Donkey/1965), Yasasin Demokrasi (Long Live Democracy/1949), Sishane’ye Yagmur Yagiyordu (It Was Raining in Sishane/1953), On Ikiye Bir Var (One Minute to Twelve)

 

 

Uit: SEBATI BEY’S EXPEDITION TO ISTANBUL

 

“Almost every human being has an addiction to something. If Sebati Bey, a retired quarantine office clerk, had one, it was flowers and more flowers. And with him, it wasn’t just a passion, it was a sickness. If the topic of conversation happened to be the King of England, Queen Victoria would be his first association and, in consequence, Victoria roses. If a carved writing kit should catch his eye somewhere, he would immediately draw closer and examine the wood to see whether it was made of linden or of rosewood. In fact, he divided human beings into two categories: those who love flowers and those who don’t comprehend them. The former were people of taste, sensible, while the latter, again by his own characterization, were deficient and unrefined.
He had no family. Should he go crazy living all alone in Maltepe? So he took an interest in flowers. Maltepe’s weather is well known… In the afternoon, a strong breeze blows, and dries out the whole area. But you will note that Sebati Bey’s determination was such that he grows flowers even in this inconvenient climate.
Recently the husband of his foster sister had obtained Japanese rose seeds from one of his friends. Knowing Sebati Bey’s habits, they set aside a portion for him. For days the old man’s insides churned with impatience. He would go to pick up the seeds. Still, he didn’t dare to make the trip. Just think how far it is from Maltepe to Sarachanebasi! I’ll go tomorrow. I’ll go the day after tomorrow, he said, continuing to put it off. So it was that on this one morning he hit upon a propitious moment and determined to go.
Since the stationmaster knew very well that he seldom went into the city, he joked with him on every trip. “What’s this, Sir, yet again off to prodigality?” And Sebati Bey, his bright red lips smiling from beneath his snowy white beard said, “Get along with you! Would I be unfaithful to my roses?”

 

Taner

Haldun Taner (16 maart 1915 – 7 mei 1986)

 

De Zwitserse schrijfster Zoë Jenny werd geboren op 16 maart 1974 in Basel. Zij groeide op in Basel, Ticino en Griekenland. In 1997 verscheen haar eerste roman Das Blütenstaubzimmer die in zevenentwintig talen werd vertaald. Zij gaf lezingen in de VS, China en Japan. Zij woonde afwisselend in Berlijn en New York. In 1999 schreef Jenny het draaiboek voor de korte film In Nuce. Ein Filmpoem die zij samen met haar broer Caspar realiseerde. Zij was columniste voor Die Zeit, Financial Times en de Schweizer Illustrierte. Sinds 2003 woont zij in Londen. In dat jaar verscheen ook Der Ruf des Muschelhorns.

Uit: Das Blütenstaubzimmer

“Wenn sie nicht mit gekreuzten Beinen und geschlossenen Augen auf der Matratze saß, hockte sie rauchend in der Küche mit Männern, die aufmerksam ihrem Gekreische zuhörten. Eliane lachte nicht; sie kreischte, und ihr Gesicht wurde rot dabei. ich verabscheute sie, wenn sie so in der Küche saß, und auch die Männer, die mich an sich zogen und meine langen Haare berührten.
“Richtige Spaghettihaare”, sagten sie dann und grinsten.
“Lass meine Haare in Ruhe, Arschloch”, fauchte ich und riss mich los.
“Wo hat sie dieses Wort nur wieder her?”, wunderten sie sich gespielt, brüllten wieder los und freuten sich an Elianes rotem Gesicht.”

 

Jenny

Zoë Jenny (Basel, 16 maart 1974)