John Coetzee, Thomas Bernhard, Brendan Behan, Herman Pieter de Boer, Maurits Sabbe

   

John Maxwell Coetzee werd geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad als John Michael Coetzee (hij veranderde later zijn doopnaam). Coetzee studeerde wiskunde en Engels aan de universiteit van Kaapstad. Begin jaren zestig verhuisde hij naar Groot-Brittannië, waar hij werkte als computerprogrammeur. Zijn ervaringen werden later verwerkt in het boek Youth (2002). Daarna studeerde hij literatuur aan de University of Texas en vervolgens doceerde hij tot 1983 Engels aan de State University of New York. In 1984 keerde Coetzee terug naar Zuid-Afrika. Hij werd hoogleraar Engels aan de universiteit van Kaapstad en ging daar in 2002 met pensioen. Vervolgens verhuisde hij naar Adelaide (Australië), waar hij een ereaanstelling kreeg als onderzoeker aan de faculteit Engels van de University of Adelaide. Sinds 2002 is hij eveneens professor aan de University of Chicago. Coetzee schreef diverse romans, waarin steeds het thema terugkeert van de eenling die zich staande moet zien te houden binnen een groep. Daarnaast werkte hij als vertaler en heeft hij een aantal kritieken gepubliceerd. In 1976 vertaalde Coetzee de roman Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants in het Engels. Hij was de eerste schrijver die tweemaal de Booker Prize won, voor The Life and Times of Michael K in 1983 en voor Disgrace in 1999. Omdat hij de publiciteit omtrent de prijs wilde mijden is hij de prijzen niet op komen halen.

Uit: Die jungen Jahre (“Youth”, vertaald door Reinhild Böhnke)

„In England beachten ihn die Mädchen nicht, vielleicht weil seiner Person immer noch eine gewisse koloniale Ungeschliffenheit anhaftet, vielleicht nur weil er nicht die richtigen Klamotten anhat. Wenn er nicht in einem seiner IBM-Anzüge steckt, hat er nur seine grauen Flanellhosen und das gründe Sakko, seine aus Kapstadt mitgebrachten Sachen. Die jungen Männer, die er in der U-Bahn und auf den Straßen sieht, tragen dagegen enge schwarze Hosen, spitze Schuhe, knapp sitzende Kastenjacken mit vielen Knöpfen. Sie tragen auch ihr Haar lang, in die Stirn und über die Ohren hängend, während er immer noch die im Nacken und an den Seiten kurz geschnittene Frisur mit dem ordentlichen Scheitel hat, die ihm in der Kindheit von kleinstädtischen Friseuren verpasst wurde und die von IBM gutgeheißen wird. In den Zügen gleiten die Blicke der Mädchen über ihn weg oder werden stumpf vor Verachtung.
Das ist misslich und irgendwie unfair: er würde sich beschweren, wenn er nur wüsste, wo und bei wem. Welche Jobs haben denn seine Rivalen, dass sie sich kleiden können, wie es ihnen passt? Und warum sollte er gezwungen sein, der Mode zu folgen? Zählen innere Qualitäten denn gar nichts?
Das Vernünftigste wäre, er würde sich eine Kluft wie die ihre zulegen und sie an den Wochenenden tragen. Aber wenn er sich vorstellt, dass er solche Sachen anziehen soll, Sachen, die ihm nicht nur wesensfremd vorkommen, sondern auch eher südländisch als englisch, fühlt er, wie sich sein Widerstand verhärtet. Er kann es einfach nicht: es wäre, als lasse er sich auf einen Mummenschanz, eine Verkleidung ein.
London ist voller schöner Mädchen. Sie kommen aus der ganzen Welt: als Au-pair-Mädchen, als Sprachschülerinnen, einfach als Touristinnen. In Bögen schwingen sich ihre Haare zu beiden Seiten ins Gesicht; ihre Augen sind mit dunklen Lidschatten versehen; sie haben etwas sanft Geheimnisvolles an sich. Am schönsten sind die hoch gewachsenen Schwedinnen mit dem Honigteint; aber die Italienerinnen, mandeläugig und zierlich, haben ihren eigenen Reiz. Die Liebe auf Italienisch stellt er sich scharf und heiß vor, ganz anders als die schwedische Liebe, die lächelnd und verträumt sein muss. Aber ob er jemals eine Chance bekommt, das selbst herauszufinden? Wenn er den Mut aufbringen könnte, eine dieser schönen Fremden anzusprechen, was würde er sagen? Wäre es eine Lüge, wenn er sich als Mathematiker vorstellte statt nur als Programmierer? Würden die Aufmerksamkeiten eines Mathematikers ein europäisches Mädchen beeindrucken, oder wäre es besser, ihr zu erzählen, er sei trotz seines langweiligen Äußeren ein Dichter?“

 

Coetzee

John Maxwell Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940)

 

De Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard werd geboren op 9 februari 1931 in Heerlen. Bernhard had een zwakke gezondheid. In zijn vroege jeugd werd hij door zijn grootouders opgevoed, en in 1942 te Salzburg op pensionaat gestopt, waar hij boekhoudkunde volgde. Tussen 1951 en 1954 studeerde hij musicologie in Wenen, en volgde daarna in Salzburg les aan het Mozarteum. Ondertussen werkte hij als gerechtelijk verslaggever, en in 1957 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel, Auf der Erde und in der Hölle. Het zijn sombere, evocatieve gedichten met een surrealistische inslag. Bernhard studeerde vervolgens dramaturgie te Salzburg, en ging in het dorpje Ohlsdorf wonen. In 1965 won Bernhard de Bremer Literaturpreis. Hij werd vooral actief als toneelauteur, en schreef theaterstukken aan de lopende band. Stuk voor stuk zijn het verbolgen, verbitterde en duistere schilderingen van de eenzaamheid, vijandelijkheid en stompzinnigheid van de mens, die denkt te kunnen liefhebben, maar in feite op lange termijn alleen nog maar kan haten en verafschuwen. Meer nog, die haat is noodzakelijk, want walging is wat mensen in beweging houdt. Hiermee profileerde Bernhard zich als een uitgesproken cultuurpessimist, met bovendien bijzonder veel zwarte humor en sarcasme. Ein Fest für Boris leverde hem in 1970 de Georg Büchner-Preis op. Zijn voortdurende afwijzing van Oostenrijk en zijn bewoners vonden hoofdzakelijk in intellectuele kringen resonantie. De excentrieke Bernhard dreef het nihilisme van zijn generatie tot het uiterste; ook zelfmoord is een courant thema in zijn werk. Een jaar vóór zijn dood ontketende Bernhard een schandaal met zijn toneelstuk Heldenplatz; hij beweerde dat het Oostenrijk van die tijd nog niets veranderd was ten opzichte van de tijd van het fascisme. Hij had echter ook verdedigers, die hem meer dan ooit loofden. Bernhard werd gehuldigd als een van de grootste auteurs van Oostenrijk. Hij wreekte zich op het land door middel van zijn testament, waarin hij stipuleerde dat, tot vijftig jaar na zijn dood, geen enkel van zijn toneelstukken op Oostenrijkse bodem mocht worden opgevoerd, wat inhoudt dat Bernhard tot 2039 niet in Oostenrijk gespeeld mag worden. Deze wil wordt gerespecteerd.

 

Uit: Der Untergeher

“.. denn die Fensterscheiben waren schwarz vor Schmutz. In dieser schmutzigen Küche wird gekocht, dachte ich, aus dieser schmutzigen Küche wird den Gästen das Essen in das Gastzimmer herausgetragen, dachte ich. Die österreichischen Gasthäuser sind alle verschmutzt und sind unappetitlich, dachte ich, kaum dass man in einem dieser Gasthäuser ein sauberes Tuch auf den Tisch bekommt, ganz zu schweigen von einer Stoffserviette, in der Schweiz beispielsweise eine Selbstverständlichkeit. Auch im kleinsten Gasthaus in der Schweiz ist es sauber und appetitlich, selbst in unseren österreichischen Hotels ist es schmutzig und unappetitlich. Und erst in den Zimmern! dachte ich. Oft überbügeln sie die schon gebrauchte Bettwäsche nur einmal für den nächsten Gast und es kommt nicht selten vor, dass in den Waschbecken noch die Haarbüschel des letzten liegen. Vor den österreichischen Gasthäusern hat es mich immer geekelt, dachte ich. Das Geschirr ist nicht sauber und bei näherer Betrachtung ist das Besteck fast immer schmutzig.”

bernhard_gr

Thomas Bernhard (9  februari 1931 — 12 februari 1989)

 

De Ierse dichter en schrijver Brendan Behan werd geboren op 9 februari 1923 in Dublin. In 1937 verhuisde de familie naar een nieuwe wijk in Crumlin. Hier werd Behan lid van Fianna Eireann, de jeugdbeweging van de IRA, en hij publiceerde zijn eerste gedichten en proza in het blad van de partij, Fianna: the voice of Young Ireland. In 1939 werd hij gearresteerd in Liverpool in bezit van explosieven die bedoeld waren voor een IRA campagne. Hij kreeg 3 jaar in de gevangenis van Borstal (Kent) en keerde pas in 1941 terug naar Ierland. In 1942 werd hij vervolgd voor de aanslag op twee politieofficieren, en kreeg veertien jaar. Hij werd naar Mountjoy Prison gestuurd, en later naar het Curragh Internment Camp. Hij werd in 1946 vrijgelaten in een algemene amnestie actie voor Republikeinse gevangenen. In 1947 zat hij korte tijd in de gevangenis in Manchester voor de hulp die hij een mederepublikein had gegeven bij diens ontsnapping uit de gevangenis. Behan’s ervaringen met het gevangenislevel staan centraal in zijn carrière als schrijver. In Mountjoy schreef hij zijn eerste toneelstuk, The Landlady, en schreef korte verhalen en andere stukken. Wat van zijn werk werd gepubliceerd in The Bell, het leidend Ierse literaire blad van die tijd. Hij leerde ook Iers in de gevangenis, en na zijn vrijlating in 1946 verbleef hij tijdlang in de Gaeltacht in Galway en Kerry, waar hij gedichten begon te schrijven in het Iers. Aan het begin van de 50er jaren werkte hij als schrijver voor radio en kranten, en had een reputatie gekregen als something of a character in de straten en literaire kringen van Dublin. Zijn grote doorbraak kwam in 1954 toen zijn toneelstuk The Quare Fellow, dat gebaseerd was op zijn ervaringen in de gevangenis, werd opgevoerd in het Pike theater in Dublin. Het toneelstuk stond 6 maanden op de planken. In mei 1956 opende het stuk in het Theatre Royal in Stratford, en bracht de schrijver internationale faam. In 1957 werd zijn Ierse stuk An Giall (De gijzelaar) opgevoerd in het Damer Theatre en werd zijn autobiografische boek The Borstal Boy uitgebracht.

 

Open the window softly

Open the door softly,
Shut it-keep out the draught,
For years and years, I’ve shed millions of tears,
And never but once have I laughed.
It was the time the holy picture fell,
And knocked me old Granny cold,
While she knitted and sang an old Irish song,
It was by traitors poor old Ulster was sold.
So open the window softly,
For Jaysus’ sake, hang an old latch,
Come in and lie down, and afterwards
You can ask me what’s the catch.
Before these foreign-born bastards, dear,
See you don’t let yourself down,
We’ll be the Lion and Unicorn,
My Rose unto your Crown.

 

I remember in september

I remember in September,
When the final stumps were drawn,
And the shouts of crowds now silent
And the boys to tea were gone.
Let us, oh Lord above us,
Still remember simple things,
When all are dead who love us,
Oh the Captains and the Kings,
When all are dead who love us,
Oh the Captains and the Kings.
Far away in dear old Cyprus,
Or in Kenya’s dusty land,
Where all bear the white man’s burden
In many a strange land.
As we look across our shoulder
In West Belfast the school bell rings,
And we sigh for dear old England,
And the Captains and the Kings.
I wandered in a nightmare
All around Great Windsor Park,
And what did you think I found there
As I stumbled in the dark?
It was an apple half-bitten,
And sweetest of all things,
Five baby teeth had written
Of the Captains and the Kings.

 

BEHAN

Brendan Behan (9 februari 1923 – 20 maart 1964)

 

De Nederlandse schrijver Herman Pieter de Boer werd geboren op 9 februari 1928 in Rotterdam. Hij richtte in 1954 samen met Dimitri Frenkel Frank en Hans Ferrée een Amsterdams reclame- en ideeënbureau op. In 1956 viel dit driemanschap uit elkaar. Later werd hij een vast medewerker van het weekblad De Tijd waarvoor hij verhalen en columns schreef. Naast verhalenbundels schreef hij ook (mee) aan gedichten, cabaretprogramma’s, radio en televisie.

Uit: De caissière

“Het waren snikhete dagen, dus slecht bioscoopweer, maar de directie van Cinema City had een Amerikaanse zaalkoeling laten installeren – een bord met ijspegelletters deed daar kond van bij de ingang. Bedrijfsleider Leupen was nieuwsgierig naar het resultaat en ging eens horen bij de kassa, hoe het met de matineeverkoop stond. Hij deed de deur van het hokje open en zei: ‘Wat nu!’

Juffrouw Mitzi, de nieuwe middag-caissière, keek verwonderd op. ‘Hoe bedoelt u?’

‘Wat stelt dat voor?’ Hij wees naar beneden, waar haar blote benen in een teiltje staken.

‘Dat ziet u toch? Ik neem een voetbad. Heerlijk met die warmte.’ Ze pakte de glastube die naast haar stempelkussen stond, en las voor:’… twaalf heilzame mineralen en zouten bruisen sprankelend als champagne om uw voeten en tussen uw tenen. Verkwikkend! U voelt u weldra als herboren!’

Het siste en bubbelde gezellig om haar enkels.

‘Ik heb er vier tabletten in gedaan,’ lichtte ze knus toe, ‘lekker veel, mm.’

‘Ja maar, dat is toch wel een beetje raar tijdens uw werk,’ meende de chef.

‘Ach meneer Leupen, niemand ziet het immers?’

Daar had ze gelijk in. Nochtans zei Leupen: ‘Ik heb het liever niet.’

Op dat moment echter kwamen er klanten aan, en in een mum stond er een heel rijtje, dus juffrouw Mitzi had mooi respijt. Mopperend verdween de chef.

De volgende middag kwam hij weer in het kassahokje kijken. Hij moest zich van schrik vasthouden aan de deurpost. De blonde caissière genoot nu niet alleen een voetbad, maar had bovendien haar rok tot het middel opgeschort en zat in haar charmeuse onderbroekje op de stoel. Meneer Leupen z’n mond viel open maar tot enige uitspraak kwam het niet, want er dromden al men­sen bij de kassa, verlangend om het gekoelde theater te betreden.

‘Warm, hè?’ zei juffrouw Mitzi, opkijkend naar Leupen. Ze had een schelmse tinteling in haar ogen, ook dat nog. Hij smeet de deur dicht en begaf zich naar zijn kantoor.”

 

DeBoer

Herman Pieter de Boer (Rotterdam, 9 februari 1928)

 

De Vlaamse schrijver Maurits Sabbe werd op 9 februari 1873 te Brugge geboren als zoon van de liberale voorman en schrijver Julius Sabbe. Hij was de oudste van zeven kinderen. Hij studeerde filosofie en letteren aan de Genste universiteit. Eerst was hij leraar Nederlands aan het Koninklijk Atheneum te Brugge. In 1903 werd hij leraar te Mechelen. Vanaf 1907 gaf hij ook les in de toneelklas van het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen. Vervolgens werd hij in 1919 conservator aan het Plantijnmuseum te Antwerpen en vanaf 1923 was hij hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de universiteit te Brussel. Van zijn hand verschenen romans, verhalen, gelegenheidsgedichten, cantates, liederen, toneelstukken, bundels letterkundige kritiek, studies over litteratuurgeschiedenis,  muziek, drukkunst en de ontwikkeling van het nationaal bewustzijn in Vlaanderen. Zijn scheppend werk is zeer traditioneel en romantisch-realistisch en vertoont geen neiging tot het nochtans in die tijd opkomend naturalism. Het is eerder impressionistisch.

 

Uit: Antwerpen’s Boekenmarkt ten tijde van Keizer Karel

“Antwerpen die reeds op het einde van de 15e eeuw de belangrijkste havenstad der Nederlanden was, zag ten gevolge van Brugge’s volledig verval, en vooral na de ontdekking van de nieuwe wereld haar economische macht en haar hegemonie over onze gewesten steeds groeien. Zij was de natuurlijke stapelplaats van den Spaanschen en Portugeeschen groothandel in het Noorden, het natuurlijke middelpunt waar de nieuwe wereldverkeerswegen elkander ontmoetten, en door haar gulle inschikkelijkheid tegenover de vreemdelingen, door het onbevangen afbreken met de traditie der verouderde privilegies, waaraan Brugge zich bleef vastklampen, door het onbewimpeld huldigen van de ruimste vrijheid op het gebied van den handel en door het capitalisme te erkennen als een van de nieuwe grootmachten der maatschappij, vereenigde zij binnen haar muren naast de Spanjaarden en de Portugeezen de groote geldmagnaten van Zuid – Duitschland, de Hochstetters, de Fuggers, de Welzers, e.a., de Italiaansche bankiers, de Engelsche lakenhandelaars, de Fransche kooplieden en een uitgelezen schare wilskrachtige, ondernemende mannen uit de Nederlandsche gewesten zelf, zoo Waalsche als Dietsche, die in deze stad hun fortuin wilden beproeven”.

Sabbe

Maurits Sabbe (9 februari 1873 – 12 februari 1938)