Albrecht Rodenbach, Dylan Thomas, Sylvia Plath

Albrecht Rodenbach werd geboren te Roeselare op 27 oktober 1856. Hij stamde uit een gegoede burgerfamilie die afkomstig was uit Andernach in het Duitse Rijnland. Na de lagere school volgt hij de leergangen in het Klein Seminarie. Hier wordt zijn Vlaamsgezindheid gewekt, vooral onder impuls van Hugo Verriest die een diepgaande invloed op hem heeft. Dit leidt onvermijdelijk in het schooljaar 1874-75 tot een conflict tussen leerlingen van Verriests Poësisklas en de Fransgezinde directeur. Op het jaarlijkse schoolfeest weigerden de leerlingen Franse liederen te zingen en zongen zij het door Rodenbach getoondichte “Nu het lied der Vlaamse zonen” met de gekende strijdkreet “Vliegt de blauwvoet, storm op zee”. Deze actie kreeg de naam “De grote stooringe” en was de start van de zogenaamde “Blauwvoeterie”. Dit weerhield Rodenbach niet om toch nog primus in de Retorica te worden. Na het voleindigen in 1876 van zijn middelbare studies ging hij dan in Leuven rechten studeren. Mede door zijn toedoen worden in 1877 twee algemene studentenlanddagen bijeengeroepen te Gent. Met zijn Leuvense studiegenoten richtte hij “Het Algemeen Vlaams Studentenverbond” op. Hun doelstellingen waren de vernederlandsing van het onderwijs en gelijke rechten voor de Vlamingen. Rodenbach stierf in Roeselare op 23 juni 1880 aan de tering, 23 jaar oud.

 

ZONDAG

Liedeken op duitsche wijze.

Over dorp en over veld
’t helderklingend kloksken schelt;
oud en jong, de dorpelingen
naadren langs de wegelingen,
ieder op zijn best gepint,
vro en welgezind.

Wierookwalm en orgelklang,
stille bede en kinderzang
smelten in harmonisch stijgen
t’ midden een godvruchtig zwijgen,
en eenvoudig wordt aanhoord
Gods eenvoudig Woord.

Later zit de mannenschaar
in der linden schaûw te gaâr,
en zij klappen, smooren, drinken;
bachten d’hage wederklinken
vreugdekreten bij ’t gerol
der geschoten bol.

Door de reine blauwe lucht
rijst er menig blij gerucht;
kinderreien zingen klingen
op het hof in bonte kringen
onder breeden eikentrans
lustig aan den dans.

Over dorp en over veld
de avond spreidt, de beêklok schelt;
de avond heeft zijn vreugden mede
voor des braven landmans stede:
ziel te vreden, hert gerust,
stillen avondlust.

 

RODENBACH

Albrecht Rodenbach (27 oktober 1856 – 23 juni 1880)

 

Dylan Thomas werd geboren op 27 oktober 1914 in Swansea in Wales. Dylan Thomas gaat op zijn elfde naar de middelbare school, waar zijn passie voor poëzie en literatuur zich duidelijk manifesteerde. Na enkele maanden publiceert de schoolkrant zijn eerste gedicht The Song of the Mischievous Dog. Op zijn twaalfde publiceert The Western Mail het gedicht His Requiem van Thomas. Later blijkt dit gedicht gewoon plagiaat te zijn. Na zijn schooltijd (in 1931) gaat hij voor The South Wales Daily Post werken, een plaatselijke krant. Daar is hij achtereenvolgens corrector, reporter en free-lance medewerker. Intussen sluit hij ook vriendschap met de dichter Vernon Watkins, met wie hij de rest van zijn leven een literaire relatie zal blijven behouden. Thomas toont zich in die tijd ook een non-conformist: hij drinkt veel te veel, houdt zich niet aan afspraken, kleedt zich als een bohémien… Stuk voor stuk zaken die volgens hem beantwoorden aan het beeld van een dichter. Dylan Thomas schrijft verder en af en toe worden ook gedichten van hem gepubliceerd. Eind 1933 en begin 1934 schrijft hij zo’n 30 gedichten waarvan er 13 zijn eerste bundel halen. In 1934 verschijnt die eerste dichtbundel, 18 Poems, die in literaire kringen op veel bijval kan rekenen. Intussen huurt hij een kamer in Londen, waar hij zijn losse levenswandel verder zet en zich ontpopt tot een zwaar drinker. Zijn tweede bundel, 25 Poems, die ook een pak gedichten bevat uit de productieve periode 1933-1934, verschijnt in 1936, terwijl Thomas in armoede in London en Wales leeft. De terugkerende thema’s in zijn poëzie zijn leven, dood, nostalgie en het verlies van onschuld.

Especially when the October wind

Especially when the October wind
With frosty fingers punishes my hair,
Caught by the crabbing sun I walk on fire
And cast a shadow crab upon the land,
By the sea’s side, hearing the noise of birds,
Hearing the raven cough in winter sticks,
My busy heart who shudders as she talks
Sheds the syllabic blood and drains her words.

Shut, too, in a tower of words, I mark
On the horizon walking like the trees
The wordy shapes of women, and the rows
Of the star-gestured children in the park.
Some let me make you of the vowelled beeches,
Some of the oaken voices, from the roots
Of many a thorny shire tell you notes,
Some let me make you of the water’s speeches.

Behind a pot of ferns the wagging clock
Tells me the hour’s word, the neural meaning
Flies on the shafted disk, declaims the morning
And tells the windy weather in the cock.
Some let me make you of the meadow’s signs;
The signal grass that tells me all I know
Breaks with the wormy winter through the eye.
Some let me tell you of the raven’s sins.

Especially when the October wind
(Some let me make you of autumnal spells,
The spider-tongued, and the loud hill of Wales)
With fists of turnips punishes the land,
Some let me make you of the heartless words.
The heart is drained that, spelling in the scurry
Of chemic blood, warned of the coming fury.
By the sea’s side hear the dark-vowelled birds.

 

Among Those Killed in the Dawn Raid was a Man Aged a Hundred

 

When the morning was waking over the war
He put on his clothes and stepped out and he died,
The locks yawned loose and a blast blew them wide,
He dropped where he loved on the burst pavement stone
And the funeral grains of the slaughtered floor.
Tell his street on its back he stopped a sun
And the craters of his eyes grew springshots and fire
When all the keys shot from the locks, and rang.
Dig no more for the chains of his grey-haired heart.
The heavenly ambulance drawn by a wound
Assembling waits for the spade’s ring on the cage.
O keep his bones away from the common cart,
The morning is flying on the wings of his age
And a hundred storks perch on the sun’s right hand.

 

 

 

DYLENTHOMAS

Dylan Thomas (27 oktober 1914 – 9 november 1953)

 

Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Sylvia leed gedurende haar gehele volwassen leven aan een ernstige vorm van bipolaire stoornis. In 1950 werd ze met een beurs toegelaten tot Smith College, maar al in haar eerste studiejaar deed ze een zelfmoordpoging. Ze kwam onder behandeling van een psychiatrische instelling (McLean Hospital) en leek goed te herstellen. In 1955 studeerde ze cum laude af.

Plath kreeg opnieuw een beurs, ditmaal om inCambridge te gaan studeren. Ook daar ging ze door met het schrijven van gedichten, die af en toe in de studentenkrant Varsity werden gepubliceerd. In Cambridge ontmoette ze de Engelse dichter Ted Hughes, met wie ze trouwde op 16 juni 1956. Plath en Hughes woonden van juli 1957 tot oktober 1959 in de Verenigde Staten, waar Plath les gaf aan Smith College. In Boston woonde Plath lezingen van Robert Lowell bij, die van grote invloed op haar werk zouden zijn. Toen Sylvia zwanger was verhuisde het echtpaar terug naar het Verenigd Koninkrijk.Ze woonden een tijdje in Londen en streken vervolgens neer in North Tawton, een stadje in Devon. Haar eerste dichtbundel, The Colossus, kwam in 1960 in Engeland uit. In februari 1961 kreeg ze een miskraam, waarnaar ze in een aantal gedichten verwees. Door echtelijke ruzies, vooral naar aanleiding van Hughes’ affaire met dichteres Assia Wevill, leefden Ted en Sylvia na de geboorte van hun eerste kind bijna twee jaar gescheiden.

Plath keerde met haar kinderen, Frieda en Nicholas, terug naar Londen. Ze huurde een woning in een appartementencomplex waar ook William Butler Yeats ooit woonde. Plath was hier erg blij mee en beschouwde het als een goed voorteken toen ze haar scheidingsprocedure inzette. De winter van 1962/1963 was zeer streng en Sylvia werd ziek. Op 11 februari 1963 verstikte ze zichzelf met het gas van haar oven. Voordien had ze nog eten en melk voor haar kinderen klaargezet.

 

Bitter Strawberries

All morning in the strawberry field
They talked about the Russians.
Squatted down between the rows
We listened.
We heard the head woman say,
‘Bomb them off the map.’

Horseflies buzzed, paused and stung.
And the taste of strawberries
Turned thick and sour.

Mary said slowly, ‘I’ve got a fella
Old enough to go.
If anything should happen…’

The sky was high and blue.
Two children laughed at tag
In the tall grass,
Leaping awkward and long-legged
Across the rutted road.
The fields were full of bronzed young men
Hoeing lettuce, weeding celery.

‘The draft is passed,’ the woman said.
‘We ought to have bombed them long ago.’
‘Don’t,’ pleaded the little girl
With blond braids.

Her blue eyes swam with vague terror.
She added petishly, ‘I can’t see why
You’re always talking this way…’
‘Oh, stop worrying, Nelda,’
Snapped the woman sharply.
She stood up, a thin commanding figure
In faded dungarees.
Businesslike she asked us, ‘How many quarts?’
She recorded the total in her notebook,
And we all turned back to picking.

Kneeling over the rows,
We reached among the leaves
With quick practiced hands,
Cupping the berry protectively before
Snapping off the stem
Between thumb and forefinger.

 

Soliloquy of the Solipsist

I?
I walk alone;
The midnight street
Spins itself from under my feet;
When my eyes shut
These dreaming houses all snuff out;
Through a whim of mine
Over gables the moon’s celestial onion
Hangs high.

I
Make houses shrink
And trees diminish
By going far; my look’s leash
Dangles the puppet-people
Who, unaware how they dwindle,
Laugh, kiss, get drunk,
Nor guess that if I choose to blink
They die.

I
When in good humor,
Give grass its green
Blazon sky blue, and endow the sun
With gold;
Yet, in my wintriest moods, I hold
Absolute power
To boycott any color and forbid any flower
To be.

I
Know you appear
Vivid at my side,
Denying you sprang out of my head,
Claiming you feel
Love fiery enough to prove flesh real,
Though it’s quite clear
All you beauty, all your wit, is a gift, my dear,
From me.

plath2

Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963)