Hans Münstermann, Michel van der Plas, Adalbert Stifter

Op vrijdag 10 november maakt juryvoorzitter H.K.H. Prinses Laurentien bekend welk boek bekroond is met de AKO Literatuurprijs 2006. Hier schenk ik de komende tijd al wat aandacht aan de kandidaten op de shortlist. De vijfde is Hans Münstermann.

 

Hans Münstermann (*1947) publiceerde de romans Het gelukkige jaar 1940, Je moet niet denken dat ik altijd bij je blijf, Certificaat van echtheid en De Hitlerkus, waarin Andreas Klein de hoofdrol speelt. Eerder was hij samen met Jacques Hendrikx als Jan Tetteroo de luis in de pels van de Nederlandse literatuur en publiceerde hij al een zestal romans. In 2000 besloot het schrijversduo uiteen te gaan.

 

Helaas zijn er (nog) geen primaire teksten van Hans Münstermann op internet te vinden, maar over het genomineerde boek schrijft De Stem:

 

De bekoring is een heel eigenaardig boek. Ogenschijnlijk gebeurt er heel weinig en tegelijkertijd ook heel veel. In samenvatting lijkt het verhaal eenvoudig, maar onder de oppervlakte wriemelt en wemelt het van spanningen en conflicten en klinkt er een veelkoppig ensemble van tegen elkaar inzingende stemmen. Ik ken maar één vergelijkbare voorganger: La modification van Michel Butor, een roman over een man die per trein op weg is van Parijs naar Rome, aanvankelijk vol verlangen naar zijn minnares, maar bij het binnenrijden van station Termini vastbesloten de relatie te laten voor wat hij is.’

 

HANSMUNSTERMANN

Hans Münstermann (1947)

 

Michel van der Plas (pseudoniem voor Bernardus Gerardus Franciscus Brinke) werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Van der Plas werkte vanaf 1949 vele jaren als journalist bij Elseviers Weekblad. Daarnaast is hij bekend en belangrijk als tekstschrijver voor cabaret (o.a. voor Wim Sonneveld, Frans Halsema en Wim Kan), en schreef hij biografieën over katholieke kopstukken als Guido Gezelle, Jozef Alberdingk Thijm en Anton van Duinkerken. Zijn letterkundige werk kenmerkt zich door een brede belezenheid in de Westerse literatuur en een overvloed aan katholieke thema’s; dit laatste is terug te voeren op zijn sterke, zij het niet onkritische katholieke levensovertuiging en de priesteropleiding die hij in zijn jeugd een aantal jaren volgde. Van der Plas staat in de traditie van de katholieke jongeren, die vóór WO II onder aanvoering van Anton van Duinkerken een belangrijke rol speelden in de Nederlandse letterkunde. De themathiek van Van der Plas komt niet toevallig overeen met die van Godfried Bomans; deze twee mannen zijn jarenlang goede vrienden geweest en ook over Bomans schreef Van der Plas een biografie. Zijn verzamelde gedichten werden uitgegeven in 1974 en in 1979 ontving hij voor zijn gehele toenmalige oeuvre de Tollensprijs. In 1949 was hem, voor zijn gedichtenbundel Going my way al de Jan Campertprijs toegekend. In oktober 1998 werd hem een eredoctoraat verleend aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen. Op 3 december 2004 is Van der Plas voor zijn biografieën en zijn religieuze poëzie benoemd tot Commandeur in de (pauselijke) orde van de H. Gregorius de Grote.

 

      Uit de cyclus: De goede moordenaar

Paradijs. Paradijs. Dat woord was zoek
op aarde en in de hemel, als vergeten,
onuitgesproken sinds het eerste boek,
zelfs onder de stoutmoedigste profeten.

En nu staat het opeens weer, diamant,
tegen de zwarte lucht, en visioenen
van al het zuivere en eeuwig groene
herleven in het jou beloofde land.

De engel stapt opzij, de zeven stromen
klateren op in nieuw, gedeeld genot,
de zachte bries ontwaakt in alle bomen,
nu gaat de mens weer wandelen met God,
het zwaard smelt in zijn vlammen, het is vrede,
vrede, het is je aangezegd, nog heden.

 

Uit: Michel van der Plas:  ‘Vreemdeling op doortocht’ (2002)

 

VANDERPLAS

Michel van der Plas (Den Haag, 23 oktober 1927)

 

De Oostenrijkse schrijver Adalbert Stifter werd geboren in Oberplan op 23 oktober 1805. Stifter groeide op als zoon van een vlashandelaar in de bossen van Bohemen. Hij ging naar school in het benedictijns klooster Kremsmünster en studeerde, na zijn vaders dood in 1817, recht en natuurwetenschap in Wenen, maar beëindigde zijn studie niet door toedoen van zware faalangst. In 1837 huwde hij met Amalia Mohaupt, alhoewel hij jarenlang een — enigszins problematische — verloving met Fanny Greypl had gehad, en leefde van bijverdiensten als privéleraar; daarnaast hield hij zich bezig met kunstschilderen en leidde een teruggetrokken bestaan, terwijl hij geleidelijk aan verhalen begon te publiceren. In snel tempo wonnen zijn vertellingen aan populariteit, en hij bundelde ze tussen 1844 en 1850 in zijn eerste boek, Studien. In 1848 was er de mislukte liberale revolutie in Frankfurt; Stifter, ofschoon niet wars van liberale sympathieën — hij kwam meermaals in conflict met het Ministerie van Onderwijs —, kantte zich nadien tegen elke vorm van omwenteling en werd overwegend conservatief. Hij verhuisde naar Linz en werd er van 1850 tot 1865 lid van de schoolraad voor Opper-Oostenrijk. In 1865 kreeg hij levercirrose, een escalatie van jarenlang drankmisbruik; de overheid ontzette hem uit zijn ambt. Als gepensioneerde schreef hij nog de historische roman Witiko, die zeer arm aan handeling is. Dit was zijn tweede roman; Der Nachsommer was uitstekend onthaald, en Nietzsche noemde het de beste roman ooit. De immer besluiteloze Stifter werd steeds angstiger en ongelukkiger; in 1868 sneed hij zich met een scheermes een halsslagader door. Hij overleed twee dagen later.

Uit: Der Nachsommer

„Am Ende eines hölzernen Ganges, der in dem ersten Geschosse des Hauses gegen den Garten hinaus lief, ließ er ein gläsernes Stübchen machen, das heißt, ein Stübchen, dessen zwei Wände, die gegen den Garten schauten, aus lauter Glastafeln bestanden; denn die Hinterwände waren Holz. In dieses Stübchen tat er alte Waffen aus verschiedenen Zeiten und mit verschiedenen Gestalten. Er ließ an den Stäben, in die das Glas gefügt war, viel Efeu aus dem Garten herauswachsen, auch im Innern ließ er Efeu an dem Gerippe ranken, daß derselbe um die alten Waffen rauschte, wenn einzelne Glastafeln geöffnet wurden, und der Wind durch dieselben herein zog. Eine große hölzerne Keule, welche in dem Stübchen war und welche mit gräulichen Nägeln prangte, nannte er Morgenstern, was uns Kindern gar nicht einleuchten wollte, da der Morgenstern viel schöner war.

Noch war ein Zimmerchen, das er mit kunstreich abgenähten rotseidenen Stoffen, die er gekauft hatte, überziehen ließ. Sonst aber wußte man noch nicht, was in das Zimmer kommen würde.

In dem Garten war Zwergobst, es waren Gemüse- und Blumenbeete, und an dem Ende desselben, von dem man auf die Berge sehen konnte, welche die Stadt in einer Entfernung von einer halben Meile in einem großen Bogen umgeben, befanden sich hohe Bäume und Grasplätze. Das alte Gewächshaus hatte der Vater teils ausbessern, teils durch einen Zubau vergrößern lassen.

stifter

Adalbert Stifter  (23 oktober 1805  – 28 januari 1868)