Simon Carmiggelt, Wilhelm Müller, James Whitcomb Riley


Simon Carmiggelt werd geboren op 7 oktober 1913 in Den Haag. Carmiggelt groeide op in zijn geboortestad Den Haag. Zijn moeder Jeanne had een hoeden- en pettenwinkel; zijn vader Herman was reiziger in vleeswaren. Hij had een oudere broer, Jan. Hij kwam uit een socialistisch, sterk anti-fascistisch milieu. Carmiggelt begon als journalist, aanvankelijk bij Het Vaderland, in 1932 bij Vooruit, de Haagse editie van het socialistische Het Volk als toneel- en filmrecensent. Daar begon hij Haagse cursiefjes te schrijven, onder de titel Kleinigheden. Via vrienden raakte hij in Amsterdam betrokken bij het illegale pamflet Het Parool, waar hij instond voor de productie en de verspreiding. Stuk voor stuk riskante bezigheden en bijgevolg werd Carmiggelt tijdens een razzia door de bezetter opgepakt en in de gevangenis geworpen.

 

Na de bevrijding werd Het Parool een heus dagblad en kreeg Carmiggelt er de leiding over de kunstrubriek. Hij schreef toneel- en filmrecensies en begon ook zijn cursiefjes, aanvankelijk drie keer per week, later elke dag. De eerste Kronkel verscheen op 25 oktober 1946 en tot aan zijn dood in november 1987 zijn er ruim 10.000 verschenen. Onder het pseudoniem Karel Bralleput publiceerde hij ook gedichten.

 

 

DE HUMORIST

Als knaap heb ik mijn eerste grap verzonnen
Mijn moeder riep: ’Dat wordt een humorist.
‘De brave vrouw. Zij heeft zich niet vergist.
Een schelmse carrière was begonnen.

O, in de aanvang ging het somtijds stroef
en viel de kwinkslag wel eens in het water.
Die vroege gein!. ‘k Moest erom lachen, later.
Want zelfs herinnering stemt mij niet droef.

Al schaterend schiep ik een klein bedrijfje,
waar de cliënt een mopje kan bestellen.
Ik scherts maar voort. Ik kan ze niet meer tellen.
Bij dag of nacht – ik bak een vrolijk schrijfje.

Al mijn agressies kan ik in dit vak
profijtelijk tot jeukpoeder vermalen.
Maar zou ik daarbij wel de tachtig halen?
Als dat gelukt, ben ik een monter wrak.

 


De Amsterdamse kroeg

Ik hou zo van een oude, Amsterdamse kroeg,
die diepe bedstee in het veilig vaderhuis.
Hier is het ’s winters warm en ’s zomers pluis.
Hier krijg je vaak te veel en nooit genoeg.

Ik hou zo van die plompe, Nederlandse mannen
die, ernstig drinkend, diepe onzin zeggen
en met een vage glimlach weten uit te leggen
waarom zij door het leven zijn verbannen.

Ik hou zo van die zware, moedeloze kastelein
die, met de blik van een verschopte herdershond,
het kleine glas tilt naar zijn grote mond.
Hij is mijn trouwe vriend – dat móét hij zijn.

Ik hou zo van de rafelige, oude vrouwen,
die voor wat losse centen hier een glimlach kopen
en dan, conspiratief, weer naar hun krotje lopen,
het flesje vol, om verder voort te bouwen.

Ik hou zo van de afgetrapte honden
die roerloos wachten naast des meesters voet,
tot hij, uit armoe, weer de straat op moet
met balsem op zijn alledaagse wonden.

Ik hou zo van het fonkelende drinken
En het ‘ nou ja’ dat in je hart ontluikt.
Klein wordt de wereld, als ge wat gebruikt,
omdat de verten in het niets verdrinken.

Ik hou zo van het eenzaam doch omringd
zitten te staren naar een tijd, die was
en langzaam doodbloedt in het spiegelglas.
Hoor ’ t stemmenkoor, dat Kloos bezingt.

Ik hou zo van een oude, Amsterdamse kroeg
en van het zwijgend met gedachten spelen.
Alleen, het sluitingsuur, voor mij en velen,
komt steeds te laat en altijd weer te vroeg.

 

 

Carmiggelt
Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)

 

De Duitse, romantische dichter Wilhelm Müller werd geboren op 7 oktober 1794 in Dessau. Hij werd vooral bekend vanwege zij vaak sociaal-kritische liederen. Vanwege zijn engagement bij de onafhankelijkheid van de het Griekse volk, dat toen nog onderdeel uitmaakte van Turkije, kreeg hij de bijnaam de Griechen Müller, hoewel hij nooit in het land is geweest. Deze betrokkenheid kwam door zijn bekendheid met het werk van Lord Byron, dat hem sterk beïnvloedde.

Wilhelm Müller werd al tijdens zijn leven (en soms nog vandaag de dag) als een middelmatige dichter afgedaan. Volgens de jongste ideeën werden dergelijke verhalen door censors in de wereld gebracht om schrijvers die (te) populair dreigden te worden de mond
te snoeien. Müller was inderdaad een meester in het tussen de regels door uiten van kritiek. De cyclus Die Winterreise (door Franz Schubert op muziek gezet) is een beschrijving van de door de restauratie “bevroren” maatschappij. Ook van zijn hand verscheen de cyclus Die schöne Müllerin.

 

Der Lindenbaum

 

Am Brunnen vor dem Tore
Da steht ein Lindenbaum:
Ich träumt in seinem Schatten
So manchen süßen Traum.

Ich schnitt in seine Rinde
So manches liebe Wort;
Es zog in Freud und Leide
Zu ihm mich immerfort.

Ich mußt auch heute wandern
Vorbei in tiefer Nacht,
Da hab ich noch im Dunkel
Die Augen zugemacht.

Und seine Zweige rauschten,
Als riefen sie mir zu:
»Komm her zu mir, Geselle,
Hier findst du deine Ruh!«

Die kalten Winde bliesen
Mir grad ins Angesicht,
Der Hut flog mir vom Kopfe,
Ich wendete mich nicht.

Nun bin ich manche Stunde
Entfernt von jenem Ort,
Und immer hör ich’s rauschen:
Du fändest Ruhe dort!

 

 

 

Wohin?

 

Ich hört ein Bächlein rauschen
Wohl aus dem Felsenquell,
Hinab zum Tale rauschen
So frisch und wunderhell.

Ich weiß nicht, wie mir wurde,
Nicht, wer den Rat mir gab.
Ich mußte gleich hinunter
Mit meinem Wanderstab.

Hinunter und immer weiter,
Und immer dem Bache nach,
Und immer frischer rauschte,
Und immer heller der Bach.

Ist das denn meine Straße?
O Bächlein, sprich, wohin?
Du hast mit deinem Rauschen
Mir ganz berauscht den Sinn.

Was sag ich denn von Rauschen?
Das kann kein Rauschen sein:
Es singen wohl die Nixen
Dort unten ihren Reihn.

Laß singen, Gesell, laß rauschen,
Und wandte fröhlich nach!
Es gehn ja Mühlenräder
In jedem klaren Bach.

 

mueller
Wilhelm Müller (7 oktober 1794 – Dessau, 1 oktober 1827)

 

James Whitcomb Riley werd geboren op 7 oktober 1849 in Greenfield, Indiana. Riley werd al snel een enorm populaire dichter en had misschien nog meer succes met de eigen voordracht van zijn gedichten. Van 1910 tot 1915 waren de “Hoosiers” (de inwoners van Indiana, ook wel “rednecks”) helemaal weg van hem en eerden ze hem met publieke huldigingen op zijn verjaardag, proclamaties van “Riley Day” in diverse steden in de gehele staat en een verklaring van de gouverneur dat hij hun “most beloved citizen” was. Toen hij stierf had Riley meer dan duizend gedichten geschreven en een paar dozijn prozaschetsen van bekenden.

 

 

To a boy whistling

The smiling face of a happy boy
With its enchanted key
Is now unlocking in memory
My store of heartiest joy.

And my lost life again to-day,
In pleasant colors all aglow,
From rainbow tints, to pure white snow,
Is a panorama sliding away.

The whistled air of a simple tune
Eddies and whirls my thoughts around,
As fairy balloons of thistle-down
Sail through the air of June.

O happy boy with untaught grace!
What is there in the world to give
That can buy one hour of the life you live
Or the trivial cause of your smiling face!

 

 

 

 

Riley
James Whitcomb Riley (7 oktober1849 – 22 juli 1916)