Lodewijk van Deyssel en Fay Weldon

Lodewijk van Deyssel was het pseudoniem van de Nederlandse schrijver Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm. Hij werd geboren op 22 september 1864 in Amsterdam. Samen met onder anderen Willem Kloos, Frederik van Eeden en Herman Gorter behoorde Lodewijk van Deyssel tot de Beweging van Tachtig of de Tachtigers. De eerste publicatie van zijn hand (De Eer der Fransche Meesters} verscheen in 1881 in het tijdschrift van zijn vader De Dietsche Warande. In de periode 1882-1889 werkte hij mee aan het weekblad De Amsterdammer. In 1885 werd hij opgenomen in de redactie van De Nieuwe Gids. Samen met Albert Verwey richtte hij in 1894 het Tweemaandelijks Tijdschrift op en bleef daarvan redacteur na de voortzetting van dit tijdschrift onder de naam De Twintigste Eeuw.

Aanvankelijk was hij sterk aangetrokken tot het Frans naturalisme, later richtte hij zich meer tot mystieke levenswaarden. Hij staat bekend om zijn vlijmscherpe en ironische kritieken.

Zijn bekendste werken zijn: Een Liefde (1887); De kleine republiek (1889); Blank en geel (1902) en Het leven van Frank Rozelaar (1911).

 

Uit: Boekbeoordelingen

 

Ik had het genoegen hier, en daar, aankondigingen te schrijven van Maurits zijn twee eerste romans: ‘Uit de Suiker in de Tabak’ en ‘Hoe hij Raad van Indië werd.’ Ik vond die nog-al goed, erg onderhoudend en aangenaam om te lezen, zonder sympathieke-personen en de Indische menschen er in beschreven met de prettig-scherpe en royaal-brutale woorden van een onbedeesd en goed óplettend heer. Maurits werkte ook bedaard en zoû, steeds bedaard blijvend werken, nog beter hebben kunnen worden dan hij reeds was. En daarom hoop ik nu maar niet, dat mijn aankondigingen een sikkepitje hebben bij-gedragen om Maurits van een talent-vol geduldig laborieus aankomend romanschrijver tot den klein-ambitieus-haastigen, en in zijn haast slordigen, feuilleton-causeur te maken, dien hij zich in zijn latere romans hoe langer hoe meer betoont.

Ik blíjf beweren, dat Maurits nog-al talent had, zelfs dat hij nóg talent heeft. Het is geen kúnst, die romans, nee, nee, en dat hij in de voorrede van zijn tweede werk zegt zich niet met Multatuli te willen vergelijken, wordt nu voorgoed belachelijk, even belachelijk als een orgeldraayer, die zou roepen, dat hij zich niet met Rubinstein wil vergelijken; maar die romans zijn toch leesbaar, en in het degelijke Nederland is dat nog altijd véel.

Maurits heeft nu in ’t geheel zeven romans geschreven, waarvan vijf, meen ik, in den éenen laatsten winter zijn uit-gekomen. Van deze vijf is er een getiteld Goena-Goena, en de andere vier hebben den gemeenschappelijken titel van In en Uit ’s Lands Dienst. Men heeft dezen winter dus het talent van Maurits gelijkmatig en duidelijk minder kunnen merken worden, als berekend gradueel zich kunnen merken degra-deeren; en dit toekomst-vol korporaaltje in het letterkunde-leger is, blijkens de laatste helft van zijn laatste werk, geëindigd met als gemeen-soldaat dronken van domheid in de goot der meest rottige gemeenplaatsen in te slapen.

 

Lodewijk van Deyssel  (22 september 1864 – 26 januari 1952)

 

Fay Weldon werd geboren op 22 september 1931 in Alvechurch, Engeland als Franklin Birkinshaw.Ze groeide op in een literaire familie: zowel haar grootvader Edgar Jepson als haar moeder Margaret (onder het pseudoniem Pearl Bellairs) waren schrijver. Vijf weken na haar geboorte gingen zij en haar moeder terug naar Nieuw-Zeeland. Weldon woonde tot haar veertiende in Auckland, waar haar vader dokter was, maar na de scheiding van haar ouders vertrok Weldon met haar moeder en haar zus Jane naar Engeland. Ze zag haar vader nooit terug. In 1967, publiceerde ze haar eerste roman: The Fat Woman’s joke. In de 30 volgende jaren bouwde ze een succesvolle carrière als schrijfster op. Weldon publiceerde meer dan twintig romans, en bovendien verschillende bundels met korte verhalen, films en artikels in kranten en tijdschriften, en ze werd een bekend gezicht en stem bij de BBC.

 

Uit: Diary – 27 mei 2002

“Talk, talk, talk; self, self, self. A publisher’s publicity round can be disconcerting for one who was brought up not to begin sentences with the word “I”, and I’m in the midst of one. Worse, ceaseless prattle about the self becomes too attractive for comfort. Suppose I never stop? An enforced spell in a Trappestine convent may be needed, but I believe even there the law of silence has been abolished and the nuns are now encouraged to let it all out. “But what do you feel, Sister Teresa, what do you feel?”

 

Monday: a crowded week ahead. When will I ever get any writing done? First, a “State of the Arts” debate held at the South Hampstead School for Girls, together with Gerald Kaufman, Janet Suzman, Alan Yentob, Sir Charles Mackerras, Roger White, and Melvyn Bragg. Once I was a schoolgirl here. Now look! On the platform, if never on the Honour Boards. Gerald Kaufman, in his elegant pale suit and pastel tie, asks how many in the audience have the new BBC Digital channel, and practically everyone puts their hands up. In that case, says Kaufman, the entire nation’s digital TV ownership is concentrated in London NW3. Those of us on the platform claim that everything in our particular section of the cultural garden is blooming; it’s only the other parts that are turning to mud. The audience take leave to doubt it.”

 

Fay Weldon (Alvechurch, 22 september 1931)