Théophile Gautier en William Saroyan

Théophile Gautier werd op 31 augustus 1811 geboren in een familie behorende tot de kleine bourgeoisie in Tarbes (departement Hautes-Pyrénées) waar hij zijn eerste lessen kreeg aan de plaatselijke school. Al vlug installeerde de familie zich te Parijs, waar Gautier gedurende korte tijd in 1822 op internaat zat aan het lycée Louis-le-Grand. Omdat hij zich daar zeer ogelukkig voelde, veranderde hij van school en ging vervolgens naar het collège Charlemagne. Daar ontmoette hij Gérard Labrunie (de latere Gérard de Nerval) met wie hij een vriendschap aanknoopte. Gautier vormde met enkele andere schrijvers en kunstenaars (waaronder de Nerval, Pétrus Borel, de schilder Corot) een eigen romantisch cenakel, le petit Cénacle genaamd. Hij las ook de eerste werken van de romantische schrijvers en begon zelf ook te schrijven. Hij las zijn eerste verzen ook voor aan Borel die hem vervolgens vol enthousiasme voorstelde aan Victor Hugo. Deze ontmoeting, op 27 juni 1829, had een grote invloed op Gautier en zou Gautier voorgoed in de richting van een literaire carrière duwen. Gautier bekleedde uiteindelijk een positie waarin hij in contact kwam met vele Franse intelligentsia. Bovendien werd hij beschouwd als een van de (theoretische) leiders van de Parnassebeweging. Baudelaire noemde zich zijn leerling en droeg zijn beroemde dichtbundel Les Fleurs du Mal aan hem op. Gautier stierf op 23 oktober 1872.

 

Plaintive tourterelle

Plaintive tourterelle,
Qui roucoules toujours,
Veux-tu prêter ton aile
Pour servir mes amours!

Comme toi, pauvre amante,
Bien loin de mon ramier,
Je pleure et me lamente
Sans pouvoir l’oublier.

Vole et que ton pied rose
Sur l’arbre ou sur la tour
Jamais ne se repose,
Car je languis d’amour.

Évite, ô ma colombe,
La halte des palmiers
Et tous les toits où tombe
La neige des ramiers.

Va droit sur sa fenêtre,
Près du palais du roi,
Donne-lui cette lettre
Et deux baisers pour moi.

Puis sur mon sein en flamme
Qui ne peut s’apaiser,
Reviens, avec son âme,
Reviens te reposer.

 

 

La Nue

 A l’horizon monte une nue,
Sculptant sa forme dans l’azur:
On dirait une vierge nue
Émergeant d’un lac au flot pur.

Debout dans sa conque nacrée,
Elle vogue sur le bleu clair.
Comme une Aphrodite éthérée,
Faite de l’écume de l’air;

On voit onder en molles poses
Son torse au contour incertain,
Et l’aurore répand des roses
Sur son épaule de satin.

Ses blancheurs de marbre et de neige
Se fondent amoureusement
Comme, au clair-obscur du Corrège
Le corps d’Antiope dormant.

Elle plane dans la lumière
Plus haut que l’Alpe ou l’Apennin;
A son corps, en vain retenue,
Sur l’aile de la passion,
Mon âme vole à cette nue
Et l’embrasse comme Ixion.

La raison dit: « Vague fumée,
Où l’on croit voir ce qu’on rêva,
Ombre au gré du vent déformée,
Bulle qui crève et qui s’en va! »

Le sentiment répond : « Qu’importe!
Qu’est-ce, après tout que la beauté,
Spectre charmant qu’un souffle emporte
Et qui n’est rien, ayant été!

A l’Idéal ouvre ton âme;
Mets dans ton coeur beaucoup de ciel,
Aime une nue, aime une femme,
Mais aime! – C’est l’essentiel! »

 

Théophile Gautier (31 augustus 1811 – 23 oktober 1872)

 

William Saroyan werd geboren op 31 augustus 1908 in Fresno, Californië. Hij was een van de belangrijkste Amerikaanse schrijvers van de 20e eeuw. De zoon van Armeense immigranten begon zijn loopbaan als schrijver met korte verhalen die verschenen tussen 1928 en 1936. Op grond van deze verhalen werd hij door de filmmaatschappij Columbia als script-schrijver ingehuurd. Naast scripts bleef hij romans en toneelstukken schrijven die vooral tijdens de economische crisis van de jaren dertig popul
air waren. In zijn werk vertelde hij vaak de geschiedenis van het opgroeien als zoon van Armeense immigranten. William Saroyan kreeg de Pulitzerprijs voor zijn toneelstuk The Time of your Life en een Acadamy Award voor het script van de film The Human Comedy.

Werk, o.a:  The Time of Your Life, October 1939, The Cave Dwellers, 1957, Here Comes There Goes You Know Who, 1961, Sons Come and Go, Mothers Hang in Forever, 1976

Uit: Growing up in Fresno

“Now, that’s when my real memories of Fresno began. And, I like all that about Fresno. I like the geometry of, the precise geometry, of setting out vines and orchards. And I was astonished by the contrast between the orderliness, if slightly despotic, of The Fred Finch Orphanage, and the total freedom and independence of the lifestyle, if I may use that overworked term, in Fresno. In a certain kind of a way, the postponed arrival of myself into a home of my own at the center of my own family, being in Fresno, surely made me helplessly aware, if not passionately fond, of the place. As we all know, one’s impulses to leave the place of one’s earliest life — I certainly was delighted to leave The Fred Finch Orphanage, and in 1926, a mere 10 years after my arrival in Fresno, I was delighted to leave Fresno, too. And, it wasn’t any too soon, because I really had become fed up, not only with the limitations and the preoccupations of the people of Fresno, but the same limitations and preoccupations of the members of my own family. A very special people, as members of any family are special. It was only later that I came to see from the perspective of faraway cities some of the charm and some of the depth, dimension, and potential meaning of Fresno, all of which has to be created by each member of that Fresno family. The immediate family and then the local family — visitors to the city itself. We are all visitors to whatever city we are in. There isn’t a great deal that can be said about any proximity of Fresno to culture in the sophisticated sense of that word. Culture is actually nothing more than how people say hello to one another and how they feel about one another, and whether or not they have a certain compulsion to be courteous with one another.”

William Saroyan (31 augustus 1908 – 18 mei 1981)