Koen Stassijns en Guy de Maupassant

Om te beginnen een gedicht voor een zomerse augustusdag en wel van Koen Stassijns:

 

Augustus valt op klompen binnen

en buiten hijgt het gras. Een hond

ijsbeert, kruipt achter zijn tong aan,

de dagen staan droog en beginnen

 

te knagen aan hun dagportie licht.

Zal ik me nu in jouw verwarmen,

mijn woede koelen op je rug vlug

een reis beschrijven zoals je dicht

 

tegen me, schaamteloos over mijn lijf

de mieren van je vingers jaagt,

mij overeind. Wij moeten de trein

 

zien te halen, de kamers luchten

en de buren, de vaat doen, de tuin.

Vooral doen alsof we niet vluchten.

 

 

Koen Stassijns,

 

 

Uit: Het broeien van de zomer

Zomergedichten

Uitgeverij 521, Amsterdam 2001

 

 

Koen Stassijns (Ninove, 1953)

 

Guy de Maupassant is geboren op 5 augustus 1850 in kasteel Miromesnil bij Dieppe, maar heel waarschijnlijk was dat zijn ouders dit kasteel alleen maar eventjes bij zijn geboorte hebben gehuurd, omdat dat mooier zou staan op zijn geboorteakte, dan een geboorte in het vissersdrop Fécamp. Guy gaat in Yvetot naar school en dan later in Rouen, waar hij bekend wordt als dichter. Hierna gaat hij een rechtenstudie in Parijs volgen. Hij moet zijn rechtenstudie onderbreken. Hij moet namelijk in 1870 in dienst van het leger in Rouen. Hij maakte de oorlog dus van heel dichtbij mee. Na de oorlog gaat hij werken op het ministerie. Naast deze baan schrijft hij ook gedichten, die hij aan een goede vriend van zijn moeder laat lezen. Deze man is zelf een bekende schrijver en heet Gustave Flaubert. Het begin van de literaire carriere van Maupassant valt in 1880, bij het verschijnen van de novelle Boule de suif, die door Flaubert als een meesterwerk wordt beschouwd.

Uit: Moiron

 “J’eus une révolte, mais une révolte furieuse ; et puis tout à coup j’ouvris les yeux comme lorsque l’on s’éveille ; et je compris que Dieu est méchant. Pourquoi avait-il tué mes enfants ? J’ouvris les yeux, et je vis qu’il aime tuer. Il n’aime que ça, monsieur. Il ne fait vivre que pour détruire ! Dieu, monsieur, c’est un massacreur. Il lui faut tous les jours des morts. Il en fait de toutes les façons pour mieux s’amuser. Il a inventé les maladies, les accidents, pour se divertir tout doucement le long des mois et des années ; et puis, quand il s’ennuie, il y a les épidémies, la peste, le choléra, les angines, la petite vérole ; est-ce que je sais tout ce qu’a imaginé ce monstre ? Ça ne lui suffisait pas encore, ça se ressemble, tous ces maux-là ! et il se paye des guerres de temps en temps, pour voir deux cent mille soldats par terre, écrasés dans le sang et dans la boue, crevés, les bras et les jambes arrachés, les têtes cassées par des boulets comme des oeufs qui tombent sur une route.

 

Ce n’est pas tout. Il a fait les hommes qui s’entre-mangent. Et puis, comme les hommes deviennent meilleurs que lui, il a fait les bêtes pour voir les hommes les chasser, les égorger et s’en nourrir. Ça n’est pas tout. Il a fait les tout petits animaux qui vivent un jour, les mouches qui crèvent par milliards en une heure, les fourmis qu’on écrase, et d’autres, tant, tant que nous ne pouvons les imaginer. Et tout ça s’entre-tue, s’entre-chasse, s’entre-dévore, et meurt sans cesse. Et le bon Dieu regarde et il s’amuse, car il voit tout, lui, les plus grands comme les plus petits, ceux qui sont dans les gouttes d’eau et ceux des autres étoiles. Il les regarde et il s’amuse. – Canaille, va !”

 

Guy de Maupassant (5 augustus 1850 – 6 juli 1893)