Menno Wigman en James Baldwin

Nu we de warmste juli maand ooit achter ons hebben plaats ik hier een zomergedicht waarin Menno Wigman terugkijkt op een andere juli maand, uit de bundel Zomers stinken alle steden:

 

Bijna Dertig

Nee, die juli bracht bepaald geen
revolutie in mijn bed. Hoe de zomer
zich ook gaf, het leek te laat om nog
een nieuwe hartstocht op te lopen.

Dus dook ik onder voor het zwermen
van de lust en heulde vrolijk
met de slaap. Bijna dertig dacht ik,
wordt mij toch iets helder. En ik zag
hoe alle parken overbloeiden,
hoe de hitte uit de hemel sloeg,

hoe de horde joeg op ander bloed
en zich vergrijpen wilde aan
een blonde levensgloed. En ik zag af.
Versliep de revolutie in mijn bed.
Vergat alvast te leven.

 

Menno Wigman (Beverwijk, 10 oktober 1966)

 

De op 2 augustus 1924 in Harlem geboren James Arthur Baldwin was de stiefzoon van een priester en combineerde een levenslange interesse in het geloof met politiek en seksueel activisme. Zijn romandebuut uit 1953, Go Tell It on the Mountain (genoemd naar een beroemde ‘negro spiritual’), was gebaseerd op zijn ervaringen als jeugdpriester in de Pinkstergemeente. Het was het verslag van twee dagen uit het leven van de veertienjarige John Grimes, die zoekt naar zijn identiteit in een door religieuze twist verscheurde familie. Zijn boek Giovanni’s Room speelt zich af in Parijs, waar Baldwin zelf een tijd gewoond heeft. 

Uit: Giovanni’s Room

`You may laugh,’ she said, humorously, `but there s something in what I say. I began to realize it in Spain — that I wasn’t free, that I couldn’t be free until was attached — no, committed — to someone.’

`To someone? Not something?’

She was silent. `I don’t know,’ she said at last, `but I’m beginning to think that women get attached to something really by default. They’d give it up, if they could, anytime, for a man. Of course they can’t admit this, and neither can most of them let go of what they have. But I think it kills them – perhaps I only mean,’ she added, after a moment, `that it would have killed me.’

`What do you want, Hella? What have you got now that makes such a difference?’

She laughed. `It isn’t what I’ve got. It isn’t even what I want. It’s that you’ve got me. So now I can be — your obedient and most loving servant.’

I felt cold. I shook my head in mock confusion. `I don’t know what you’re talking about.’

‘Why,’ she said, `I’m talking about my life. I’ve got you to take care of and feed and torment and trick and love — I’ve got you to put up with. From now on, I can have a wonderful time complaining about being a woman. But I won’t be terrified that I’m not one.’ She looked at my face, and laughed. `Oh, I’ll be doing other things,’ she cried. `I won’t stop being intelligent. I’ll read and argue and think and all that — and I’ll make a great point of not thinking your thoughts –and you’ll be pleased because I’m sure the resulting confusion will cause you to see that I’ve only got a finite woman’s mind, after all. And, if God is good, you’ll love me more and more and we’ll be quite happy.’ She laughed again. `Don’t bother your head about it, sweetheart. Leave it to me.’

 

James Baldwin (2 augustus 1924 – 1 december 1987)