Johan Andreas dèr Mouw

Johan Andreas dèr Mouw werd  geboren op 24 juli 1863 in Westervoort. Hij studeerde en promoveerde te Leiden in de klassieke letteren, en was leraar aan het gymnasium te Doetinchem, totdat een conflict inzake zijn antichristelijke theorieën, met een felle lastercampagne, een dubbele poging tot zelfmoord en een rechtszaak daaraan in 1902 een eind maakte. Daarna woonde hij als privé-leraar in Den Haag. Als dichter is hij ook wel bekend onder het pseudoniem Adwaita

IJl ligt de wilgenschaduw op de wei

IJl ligt de wilgenschaduw op de wei;
Het slootje-in plonst, lichtgroene boog, een kikker;
Over het riet beweegt zich blauw geflikker,
Wanneer de wind zijn wimpels schuift op zij.

 

In ’t gras bij ’t water, naast de wilgenrij,
Speelt een blond jochie ernstig met een knikker;
Wegjaagt in ’t bongerdje een vogelverschrikker
De Zondagsstilte over de boerderij.

 

Houdt even op de droogratelende r,
Dan is ‘t, of zich de stilte van heel ver
Hier samentrekt en plots’ling vreemd verdicht:

 

Op ’t lege zand voor te gesloten stal,
In ’t vierkant tuintje, in ’t bongerdje, overal,
Is ’t of een vraag en een verwond’ring ligt.

 

 

’t Is zomer, zondagmorgen, een toneel

‘T is zomer; Zondagmorgen. Een toneel
Zie ‘k plots’ling voor me uit verre jongensjaren:
Ik lig in ’t gras; er liggen rozeblaren
Overal om me, roze en wit en geel;

 

Mijn moeder speelt piano, ’t laatste deel
Van Gounod’s Faust. En ’t leek op eens, als waren
Aan ’t trillen ergens in mij zelf de snaren,
En ’t bonsde door mijn borst tot aan mijn keel.

 

En ‘k huilde en huilde, tot mijn moeder kwam,
En me aaide en kuste en me in haar armen nam,
En ‘k gaf, gelukkig, haar de liefste naam. –

 

‘K zie rozen. Ik word grijs. De herinnering
Voel ‘k trillen in mijn keel, en ’t is me, als zing
Ik stil: Anges des cieux, portez mon âme.

 

 

‘k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid

‘k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.
Ik doe in huis het een’ge dat ik kan:
‘K gooi mijn vuilwater weg en vul de kan;
Maar ‘k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.
Zij zegt, dat dat geen werk is voor een man.
En ‘k voel me hulp’loos en vol zelfverwijt,
Als zij mijn lang verwende onpraktischheid
Verwent met wat ze toverde in de pan.

 

En steeds vereerde ik Hem, die zich ontvouwt
Tot feeërie van wereld, kunst en weten:
Als zij me geeft mijn bordje havermout,
En ‘k zie, haar vingertoppen zijn gespleten,
Dan voel ik éénzelfde adoratie branden
Voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.

 

Johan Andreas dèr Mouw (24 juli 1863 – 8 juli 1919)