Schwitters, Baderoon, Mungoshi


Kurt Schwitters was een Duits kunstenaar die beroemd werd met zijn collages. Schwitters volgde een opleiding aan de kunstacademie in Dresden. Hij wordt gerekend tot de dadaïsten, hoewel hij zich niet bij een bestaande stroming wilde aansluiten. Door het nazisme verkeerde hij een deel van zijn leven in ballingschap.  

Die Blume Anna is een zogenaamd Merz gedicht. Zo noemde Schwitters de techniek om uit reclame, krantenartikelen en papierafval collages samen te stellen. Dit gedicht ontstond in 1919 en werd door Schwitters op een heel aktieve manier verspreid. Er bestaan meerdere versies van. Een daarvan hing hij zelf als reclame voor zijn nieuwe dichtbundel in 1920 op aan de reclamezuilen in Hannover waar hij toen woonde. Het gedicht inspireerde in de 20e eeuw talloze dichters en schrijvers om op hun beurt Anna gedichten te schrijven of er in hun werken toespelingen op te maken.

Die Blume Anna

O du Geliebte meiner 27 Sinne, ich liebe
dir – du deiner dich dir, ich dir, du mir,
– Wir?
Das gehört (beiläufig) nicht hierher.
Wer bist du, umgewühltes Frauenzimmer?
Du bist – – bist du? Die Leute sagen,
du wärest. – Laß sie sagen, sie wissen
nicht, wie der Kirchturm steht. Du trägst
den Hut auf deinen Füßen und wanderst
auf die Hände, auf den Händen wanderst du.
Halloh deine roten Kleider in weiße Falten
zersägt, rot liebe ich Anna Blume, rot liebe
ich dir. – Du deiner dich dir, ich dir, du
mir – Wir?
Das gehört (beiläufig) wohl hierher.
Rote Blume, rote Anna, wie sagen die Leute?
“Du wärest?” – Preisfrage:
1. Anna Blume hat ein Vogel.
2. Anna Blume ist rot.
3. Welche Farbe hat der Vogel.
Blau ist die Farbe seines gelben Haares.
Rot ist das Girren deines grünen Vogels.
Du schlichtes Mädchen im Alltagskleid, du
liebes grünes Tier, ich liebe dir. – Du
deiner dich dir, ich dir, du mir – Wir?
Das gehört (beiläufig) in die kalte Glut.
Anna Blume, Anna, A-N-N-A, ich kaue
deinen Namen. Wenn ich dich kaue, über-
quellen meine 27 Sinne. Dein Name tropft
wie weiches Rindertalg. Weißt du es
Anna, weißt du es?
So wisse: Man kann dich auch von hinten
lesen, und Du, du herrlichste von allen,
du bist von hinten wie von vorne: A-N-N-A.
Du deiner dich dir, ich dir, du mir – Wir?
Das gehört (beiläufig) in die Glutenkiste.
Rindertalg träufelt streicheln über meinen
Rücken. Anna Blume, du tropfes Tier, ich
liebe deine Einfalt, ich liebe dir! 

Kurt Schwitters
(20 juni 1887 – 8 januari 1948)

 

Tijdens het 37e Poetry International Festival is er opnieuw ruime aandacht voor poëzie uit Afrika: zo zijn er acht Afrikaanse dichters te gast, wordt de Defence of Poetry-lezing uitgesproken door de Ugandese Taban Lo Lyiong en is er een speciaal programma gewijd aan de orale tradities in de poëzie. Hieronder twee van de dichters uit Afrika.

Gabeba Baderoon publiceerde wereldwijd in diverse tijdschriften en debuteerde in 2005 met ‘The Dream in the Next Body’. Ze is literatuur- en mediawetenschapper en wijdde haar proefschrift aan de representatie van de Islam in Zuid-Afrikaanse kunst en media. De jury van de Daimler-Chrysler Poëzieprijs 2004 prees haar respect voor traditionele Zuid-Afrikaanse poëzie. Haar werk kenmerkt zich door helderheid en eenvoud van taal. Onlangs verscheen haar tweede bundel ‘A Hundred Silences’.  

 

The Dream in the Next Body

From the end of the bed, I pull
the sheets back into place.

An old man paints a large sun striped
by clouds of seven blues.
Across the yello
w centre each
blue is precisely itself and yet,
at the point it meets another,
the eye cannot detect a change.
The air shifts, he says,
and the colours.

When you touched me in a dream,
your skin an hour ago did not end
where it joined mine. My body continued
the movement of yours. Something flowed
between us like birds in a flock.

In a solitude larger than our two bodies
the hardening light parted us again

But under the covering the impress
of our bodies is a single, warm hollow.  

Gabeba Baderoon (Kaapstad 1969)

 

Charles Mungoshi werd geboren op een boerderij in de buurt van de Zimbabwaanse plaats Chivu. Na zijn schooltijd werkte hij aanvankelijk in de bosbouw. Later werd hij redacteur bij het Literature Bureau en bij het Zimbabwe Publishing House. Van 1985-1987 was hij als Writer in Residence verbonden aan de Universiteit van Zimbabwe. Tegenwoordig leeft hij van het schrijven en redigeren van boeken en scenarios’s. Mungoshi is, zoals zoveel Afrikaanse schrijvers, tweetalig. Hij schrijft en publiceert zowel in het Shona als in het Engels. Als dichter is Mungoshi minder bekend. Hij publiceerde slechts één dichbundel: The Milkman Doesn’t Only Deliver Milk (1981) en leverde verder incidenteel bijdragen aan collectieve bloemlezingen als And Now the Poets Speak (1981)

Dotito is our brother

Dotito is our brother
He is strange
He will not play with us on the streets.
He doesn’t want to go with us to the community centre.
He doesn’t want to play the hoola-hoop.
He likes to sit under the mango-tree
all day long
all alone
drawing strange things that look like people
but aren’t really people.

He is at the bottom of his class
and each time we go for games
in the play-ground, he disappears.
He loves the rain.

He could walk for hours in a heavy downpour
and never notice. Father caned him for it once.
And now when it rains he just sits by the window
looking out. Sometimes talking,
opening his mouth and saying strange things
to the rain.

When he is tired of talking to the rain,
he blows breath onto the glass pane,
and draws the same weird things
on scraps of paper.

People who don’t know him
think he is deaf. He isn’t although we
aren’t sure he won’t be. Soon.

Behind the closed door of their bedroom
father and mother whisper about him in the dark,
but we aren’t supposed to hear it,
we know what they have begun to think
about Dotito.

We are a little afraid.

Strange people point and stare at us in the street –
even when Dotito isn’t with us.
We know what they are saying too,
even when we don’t see them open their mouths.
They are talking about how we are
Dotito’s people.



© 1988 Charles Mungoshi
From: The Milkman Doesn’t Only Deliver Milk
Publisher: Baobab Books, Harare
ISBN 1 77909 006 4

Charles Mungoshi (Chivu, 1947)

 

TIP: Piet Gerbrandy en Elma van Haren lezen op woensdagavond om 20.15 uur en rond 21.30 uur voor uit hun werk. Dit is via een livestream op internet te volgen.

 

 

 

Rushdie, Ahmadi en Sepehri

De Indiase schrijver Ahmed Salman Rushdie werd op 19 juni 1947 geboren in Bombay. Op vroege leeftijd verliet hij India en hij woont nu al meer dan dertig jaar buiten zijn geboorteland. De rode draad in zijn werk is zijn haat-liefdeverhouding met India en zijn vertrek naar het Westen. Rushdie zegt door zijn schrijven zijn geboorteland te willen beschrijven en doorgronden. Rushdie groeide op in een anglofiel Indiaas middle-class milieu. Zijn vader was een in Cambridge geschoolde islamitische zakenman die de Britse beschaving als superieur beschouwde. Rushdie begon zijn opleiding aan Bombay’s Cathedral School en ging vooral om met kinderen van verschillende nationaliteiten. De goede herinneringen die hij heeft aan Bombay komen terug in het beeld dat hij van de stad schetst in zijn werk. Zijn vierde boek, De duivelsverzen (The Satanic Verses), won The Whitbread Novel Award in 1988. Dit boek was aanleiding voor Ayatollah Khomeini van Iran een fatwa uit te roepen over Rushdie in 1989. Hij werd beticht van het beledigen van de islam, de profeet en de koran. De Ayatollah loofde een bedrag uit van drie miljoen dollar voor zijn leven en Rushdie moest zich een aantal jaren terugtrekken uit het publieke leven.

Citaten: 

“The idea of the sacred is quite simply one of the most conservative notions in any culture, because it seeks to turn other ideas — uncertainty, progress, change — into crimes.”

 

(Herbert Reade Memorial Lecture (February 6, 1990)

 

“I’ve been worrying about God a little bit lately. It seems as if he’s been lashing out, you know, destroying cities, annihilating places. It seems like he’s been in a bad mood. And I think it has to do with the quality of lovers he’s been getting. If you look at the people who love God now, you know, if I was God, I’d need to destroy something.”

 

(Real Time with Bill Maher TV show (October 7, 2005)


Salman Rushdie (19 juni 1947)

 

 

Om tegenwicht te bieden tegen het beeld van Iran dat dankzij maatregelen als die tegen Salman Rushdie in het Westen bestaat presenteer ik op Rusdies verjaardag maar eens twee Iraanse dichters. De eerste, Pegah Ahmadi, is deze dagen ook op Poetry International te gast. Pegah Ahmadi werd op 28 juni 1974 in Teheran (Iran) geboren en studeerde Perzische taal- en letterkunde aan de universiteit van Teheran. Haar laatste bundel ‘Mijn deze dagen is de keel’ (2004) bevat historische elementen die als metafoor dienen voor maatschappelijke ontwikkelingen. Zij heeft in haar laatste gedichten bewust afstand genomen van een vrouwelijke taal en toont een volwassen en rijpe taalgebruik. Daarover zegt Ahmadi: ’Er komt een moment in je leven dat het sentimentalisme geen antwoord kan geven op de dagelijkse vragen. Je wordt geconfronteerd met de zwaarte van je cultuur en de diepte van je geschiedenis en wordt gedwongen aandacht te schenken aan de verantwoordelijkheid die de maatschappij met zich meebrengt. Daar kunnen persoonlijke ervaringen of abstracte spelletjes niet meer tegenop.’  Ahmadi schrijft poëzierecensies, vertaalt Amerikaanse poëzie, onder andere de gedichten van Sylvia Plath, en is momenteel eindredacteur van het poëzietijdschrift Paperik.   

 

 

I’m neither a satellite nor an Internet

 

A poem always
moves up to the wall opposite my room
makes a circle in the middle of the kitchen
roams in the veranda
turns into a brook
and says:
“I’m neither a satellite nor an Internet
I’m not the loudspeaker of the world
nothing makes me glad
except when leaves grow again in this withered flowerpot
and thinking about a rendezvous
I am only a poem
to comb my hairs
and to walk inside you!…

 


Pegah Ahmadi (28 juni 1974)

 

 

Een dezer dagen kreeg ik een Iraanse felicitatiekaart waarop een gedicht stond van Sohrab Sepehri. Reden om daar eens nader mee kennis te maken.

Sohrab Sepehri werd 1928 in Kashan, Iran geboren en studeerde schilderkunst. Na zijn studies was hij enige tijd in dienst van de staat maar gaf in 1964 zijn betrekking op om zich uitsluitend aan de poëzie en de schilderkunst te wijden. Sepehri reisde veel en verbleef ook enige tijd in the Verenigde Staden en in Parijs. In 1979 werd vastgesteld dat hij kanker had. Zijn reis naar Engeland voor behandeling was tevergeefs. Hij stierf een jaar later in Teheran en werd in Kashan, zijn geliefde geboortestad, begraven.

 

 

Adres

 

Waar is de woning van de Vriend?
vroeg de ruiter bij het opgaan van de zon.
Even verwijlde de hemel toen
en een voorbijganger die een takje licht tussen zijn lippen had
schonk het aan het duistere zand,
wees met zijn vinger naar een populier en sprak:

”Op enkele passen van de boom
is er een paadje met bomen
groener dan de droom van God,
en de liefde is daar zo blauw
als de veren van de rechtschapenheid.
Als je het paadje ten einde loopt
ben je de puberteit voorbij.
Wat verder kom je bij de bloem van de eenzaamheid,
op twee stappen van de bloem blijf je staan,
aan de voet van de eeuwige bron,
waaruit de legenden van de aarde ontstaan.
Een doorzichtige, panische angst zal je daar overvallen
en in de intieme vloeibaarheid van de ruimte
zal je een geritsel vernemen:
je zal een kind zien dat in een hoge pijnboom klom
en uit het nest van het licht een jong neemt
vraag dan het kind:
”Waar is de woning van de Vriend?”    

 

 

 

Op de denkwijze van een Vriend

                                                        voor K. Tuna

 

De maan
bootste de kleur van koper na
en kwam op als droefheid om een verklaring.
De cipres
was als een duidelijk gehinnik van de aarde.
Zoals een welwillend begrip
beschaduwde de gesnoeide pijnboom
de eenvoudige pagina van het seizoen
en las van de hagendoorn het Koefisch schrift.
Uit de duistere gronden
steeg van de kosmos de geur op van het begrip.
De Vriend
raakte de dingen aan,
de sluier van het verstand
ervoer de zin van de stromende rivier
en alsof hij tot zichzelf sprak zei hij:
er bestaat geen duidelijker woord.
Aan de oever van het stroompje
dacht ik:
Hoe onverhinderd is deze nacht de weg
naar de opgang der dingen.

 

 

 


Sohrab Sepehri (7 oktober 1928 – 20 april 1980)

Zelfportret

 

Poetry International


Drie dichters die gisteravond optraden tijdens de opening van Poetry International in Rotterdam.

F. van Dixhoorn (Hansweert, 1948) woont en werkt in Middelburg. Hij publiceerde gedichten in Raster en De Revisor. Voorjaar 1994 debuteerde Van Dixhoorn bij De Bezige Bij met de bundel Jaagpad / Rust in de tent / Zwaluwen vooruit. Deze drie reeksen poëzie bestaan uit gedichten van zestien regels ieder, waarin korte spreektaalzinnen in verrassende, raadselachtige verbindingen bij de lezer wisselende emoties oproepen. In 1997 verscheen Dixhoorns tweede bundel, Armzwaai/ Grote keg/ Loodswezen I, in 2000 gevolgd door de bundel Takken molenwater/ Kastanje jo/ Hakke tonen/ Uiterton/ Molen in de zon. In 2003 verscheen de meest recente bundel Dan op de zeevaartschool. (bron: de Bezige Bij) 

Loodswezen I (fragment)

  1. even alleen
    in blad komen
    bloeien verkleuren
    blad verliezen
  2. pas dood
  3. voor degenen die verder
    naar het westen reizen
    blijf ik
    twintig minuten staan
  4. aldus stormt het
    vallen de bladeren
    uit de bomen
    in het water
    en leef ik op
  1. ik jij wij in het voorjaar
    word ik rustiger
    komen de bladeren
    aan de bomen
    kan ik haar niet meer zien
  2. voor mij zeker
    een loods
    houdt onregelmatig werk
    dan: eeuwige grijns
  3. alleen vervangen
    door meteen
    wanneer je straks
    op de boulevard
    amorata tegenkomt
    doe haar dan de groeten
    van mij en zeg haar dat
    loods zwart
    weer naar zee is

 

Voor een internetleeservaring van deze poëzie ga je naar deze site van F. van Dixhoorn.

F. van Dixhoorn

 

August Kleinzahler publiceerde een tiental poëziebundels en won enkele belangrijke literaire prijzen, o.a. in 2004 de Canadese Griffin Poetry Prize voor zijn meest recente bundel ‘The Strange Hours Travelers Keep’. Hij woont sinds 25 jaar in San Francisco en is tegenwoordig muziekrecensent bij een Californisch dagblad.

Ruined Histories   

You so love these photographs, too well perhaps,
and rush to frame the moment, press the shutter,
and get along with this dollhouse saga
you had rehearsed before it ever came to be.

Ah, Little Girl Destiny, it’s sprung a leak
and the margins are bleeding themselves away.
You and I and the vase and stars won’t stay still.
Wild, wild, wild–kudzu’s choked the topiary.

Looks like your history is about to turn
random and brutal, much as an inch of soil or duchy.
Not at all that curious hybrid you had in mind:
Jane Austen, high-tech and a measure of Mom.

You’re lost, desolate as Savannah after Sherman.
The lavender sachet, marbled storybooks,
the ring Grandma left you, poor Damien’s love letters . . .
It’s just your eyes, ass, me and a broken Nikon.   

 

High School Confidential

Maria I love you Jesus
Your red lips you . . . Better
Than Angela but don’t say
can I walk you home later
Or maybe we could meet at Tito’s
So no one will see I like your
New shoes and blouse I notice
You every day talking with
Your friends before lunch
Did you see Felipe with those
guys last week I can’t believe
You ever really liked him

My mother works till 8
And her ugly boyfriend’s
Down in Fresno (I hope
Maybe he drops dead) so
Would you like to stop by
I could put on some music
Special favorites I think you
Would like them too you seem
So nice I mean when I look
At you you seem so nice so
Kind and pretty big brown eyes
Maria I love you Jesus

August Kleinzahler
 

 

Jaan Kaplinski werd in 1941 in de Estische universiteitsstad Tartu geboren, zijn moeder was danseres en later vertaalster, zijn vader lector Pools aan de universiteit. Na zijn studie Frans en taalkunde werkte Kaplinski aan de universiteit in Tartu, in de botanische tuin in Tallinn en als freelance schrijver. In de jaren 1992-1995 was hij lid van het Estische parlement, in 1997 gasthoogleraar in Tampere in Finland en Writer in residence in Wales. Sindsdien woont hij als freelancer op een boerderij in Zuid-Estland. 

Vertaling van “Õhtu toob tagasi kõik” (Evening brings everything back), fragment



*
The snow’s melting. The water’s dripping.
The wind’s blowing (gently).
The boughs are swaying. There’s a fire in the stove.
The radiators are warm.
Anu is doing exercises on the piano.
Ott and Tambet are making a snowman.
Maarja is preparing a lunch.
The wooden horse is looking in from the window.
I am looking out of the window.
I am writing a poem.
I am writing that today is Sunday.
That the snow’s melting. That the water’s dripping.
That the wind’s blowing, etc., etc.


*
Zwei Dinge erfüllen das Gemüt mit immer neuer und zunehmender Bewunderung und Ehrfurcht, je öfter und anhaltender sich das Nachdenken damit beschäftigt: der gestirnte Himmel über, und das moralische Gesetz in mir.
Kant


Through the cellar ceiling
I hear the shouts of the children,
their feet trampling, sometimes
a buildingblock falling and sometimes
mother’s nagging voice.
Above these voices there are
some more ceilings,
the roof with chimneys and areals,
and heaven that actually begins
here at this very place
beside us, around us
and reaches these same
awe-inspiring stars.
We too are heaven-dwellers,
the contemplating (nachdenkender) philosopher
as well as a child throwing its wood blocks onto floor
and the writer who doesn’t know
whether he feels more awe (
Ehrfurcht)
for the stars in heaven, castles built of wood blocks,
or the heavenly sandstone
outside the cellar walls and below its floor. 

 

Vertaald door de auteur samen met Fiona Sampson

Jaan Kaplinski

 

In Trouw van gisteren een inleiding op het thema van de slotavond op 23 juni.

Dendermonde, Rosei, Ruyslinck

Zijn debuut maakte Max Dendermonde in 1941 met de dichtbundel Tijdelijk isolement. Korte tijd was hij radiopresentator maar ging daarna weer in de journalistiek (o.a. bij Het Parool en de Groene Amsterdammer). Zijn bekendste boek is De wereld gaat aan vlijt ten onder uit 1954. In 1968 schreef hij het boekenweekgeschenk, Kom eens om een keizer.

Bij Eylders, 16 mei 1942

Wie eenzaam is , moet niet naar Eylders gaan :
te midden van de dichters en de dwazen.
Ziet men zich daar gespiegeld in de glazen ,
Een dwaas , zich schamend zonder kleren aan
.

Maar wie niet eenzaam is ,durft naakt te staan ,
Durft dapper mee te drinken en te dazen,
En die verstaat achter de grote frazen
Het zuur van afzonderlijk bestaan.

Wie altijd naakt is zal nooit eenzaam zijn,
die kent zichzelf,is met zichzelve samen ,
een vriendenpaar,te sterk voor het venijn,

te krachtig voor de hatelijke namen,
die daar bij Eylders op het Leidseplein ,
zich vaak bij bier op listig leed beramen;


Een ander leven

Ik droomde vannacht sinds lange tijd van mollige Puck
Die als zo’en eeuwige tijd dood is en begraven
En onze dochter (te jong) nu ook; ze kwam vragen
Geheimzinnig helder, toch los en menselijk,

Of ik goed voor Liset had gezorgd al die jaren
Was het mij die zes en dertig zomers gelukt
Diep te begrijpen waar de moeilijkheden lagen?
Had ik me niet- schrijvend en reizend- te vaak uitgedrukt?
Boos riep ik: je hebt me vies in de steek gelaten
In dat rot jaar toen ik nog maar een jongen was
Het was jou kind ook. Ik miste je. Ik ben verraden

Je hebt nu, zei ze lachend, een andere slager
Melkboer, moed, bomen, vrouw, nageslacht, plicht en gras,
Begrijp je dat? Ik huilde schuldig, maar ontladen.  

Max Dendermonde (17 juni 1919 – 24 maart 2004)

 

De Oostenrijkse schrijver en dichter Peter Rosei is de zoon van een spoorwegambtenaar en een winkelierster. Hij groeide op in Wenen waar hij het gymnasium bezocht en het baccalaureaat behaalde. Hij studeerde rechten aan de universiteit van Wenen. In 1968 promoveerde hij. Van 1969 tot 1971 was hij de secretaris en manager van de Weense schilder Ernst Fuchs. Daarna leidde hij korte tijd een uitgeverij van schoolboeken. Sinds 1972 werkt en woont hij als schrijver in Wenen. In de jaren 1975 tot 1981 woonde hij in Bergheim bij Salzburg.

Werk: o.a Verzauberung (1997), Naturverstrickt (1998), Liebe & Tod (2000), Dramatisches (2002 – 2004), Wien Metropolis (2005)

 

 

 

Viel Früher

 

Wenn du mit der Hand den Tuchzipfel über
die Schulter ziehst, die Brust li
egt auf
dem Arm, faßt die andre Hand nach unten,
dort das Tuch gut festzuhalten.
Wissen
möchte ich, woran ich hänge, was es ist.

 

Gestern brach ein Baum entzwei, es stürmte; ja.
Sei so freundlich: Töte mich! – In den Wolken
öffnet sich kein Loch, aber hinten hebt sich
groß das Grün des Landes, die fernren Schalen
glänzten rot, die Morgenhäutchen; dann Meeres-
wellen.

 

Ich gäb’s gern; was gäb’ ich drum?
Alles. Fische sinken abwärts, schwimm ich
mit. Dort, da unten, brennen Burgen, rot und lautlos.
Deine Finger tauchen auf:
korallrot. – Plötzlich endet das Gedicht.

 

 

 

 

Frage

 

Was denn drinnen ist? Rotes Spritzen?
Die Windhosen ziehn vorüber: Dies zur
Warnung, Passagier! Bei Gott, mein Mes-
ser trifft dich! Mus zerrinnt um den
Mund, an dem Kindsgesicht waren Haare,
einstmals tranken wir heiße Milch mit
Preiselbeeren, Blättchen klebten an
der Schale, in ders dampfte.

 

Wenn der Wellenkiel sich spannt, seine
Knochenstege zeigt am Grat: Wie das
Boot drüberspringt! Bewahr den Mut!
Aus dem Amper schwappt es hoch, mein
Freund: Mit dem Knöchel klopf ich ans
Gehäuse! Wieviel? Aus dem Gang trat
dieser Mann hervor, zielte kurz und
schoß den Sperling tot.

 

Die Kappen der Schuhe sind nicht
aufgedreht: so stehen die Schuhe fest
auf ihren Sohlen.
Sie werfen einen
Schatten: Prima Schuhwerk!

 

 

 

Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1046)

 

Ward Ruyslinck is een pseudoniem voor Raymond Karel Maria de Belser. Hij werd geboren op 17 juni 1929 in Berchem, vlakbij Antwerpen. Hij is opgegroeid in een veilig Katholiek gezin. Toen de tweede wereldoorlog uitbrak, vluchtten ze naar Frankrijk om de Duitsers te ontlopen. Na een paar weken keerden ze echter weer terug. Toen werd in 1943 hun huis gebombardeerd, maar niemand raakte gewond. Toen overleed zijn 19 jarige broer. Hoewel hij nog een kind was, werd hij al vroeg uit de kinderwereld weggerukt. Door de wrede gebeurtenissen en de zinloosheid van de oorlog begon hij aan het bestaan van een rechtvaardige God te twijfelen.

Ward Ruyslinck is vooral geliefd bij jongeren met zijn eerste twee boeken, De ontaarde slapers (1957) en Wierook en tranen (1958)

Citaten: 

“Je kunt misschien wel aan de greep van mensen ontsnappen, maar niet aan de greep van een stuk papier waarop je je handtekening hebt gezet. Gezegeld papier is machtiger dan de loop van een geweer.” 

 

‘Ik heb ooit gezegd dat ik de illusie koester dat de mens voor verbetering vatbaar is, maar in de afgelopen zeven jaar ben ik tot een andere conclusie gekomen.'(Hervormd Nederland, 28-8-1999)

 

“Als je één enkele verlustigt, ben je koningin van de wellust, maar als je velen genot geeft, ben je een hoer.”

Ward Ruyslinck (17 juni 1929)

Ulysses, Willemsen, Bart, café de Plak II


Eerste pagina uit Ulysses van James Joyce, een roman die speelt binnen het tijdsbestek van een dag: 16 juni.

 

 

– I —

 

“STATELY, PLUMP BUCK MULLIGAN CAME FROM THE STAIRHEAD, bearing a bowl of lather on which a mirror and a razor lay crossed. A yellow dressinggown, ungirdled, was sustained gently behind him by the mild morning air. He held the bowl aloft and intoned:

–INTROIBO AD ALTARE DEI.

Halted, he peered down the dark winding stairs and called out coarsely:

–Come up, Kinch! Come up, you fearful jesuit!

Solemnly he came forward and mounted the round gunrest. He faced about and blessed gravely thrice the tower, the surrounding land and the awaking mountains. Then, catching sight of Stephen Dedalus, he bent towards him and made rapid crosses in the air, gurgling in his throat and shaking his head. Stephen Dedalus, displeased and sleepy, leaned his arms on the top of the staircase and looked coldly at the shaking gurgling face that blessed him, equine in its length, and at the light untonsured hair, grained and hued like pale oak.

Buck Mulligan peeped an instant under the mirror and then covered the bowl smartly.

–Back to barracks! he said sternly.

He added in a preacher’s tone:

–For this, O dearly beloved, is the genuine Christine: body and soul and blood and ouns. Slow music, please. Shut your eyes, gents. One moment. A little trouble about those white corpuscles. Silence, all.

He peered sideways up and gave a long slow whistle of call, then paused awhile in rapt attention, his even white teeth glistening here and there with gold points. Chrysostomos. Two strong shrill whistles answered through the calm.

–Thanks, old chap, he cried briskly. That will do nicely. Switch off the current, will you? “

 

 

James Joyce (
2 februari 1882 – 13 januari 1941)

 

August Willemsen is een Nederlandse vertaler van Portugese en Braziliaanse literatuur. Daarnaast heeft hij essays, dagboeken en brieven gepubliceerd. Willemsen staat bekend om zijn krachtige gebruik van het Nederlands en zijn puntgave stijl.

Na zijn middelbare school in Amsterdam, ging Willemsen in dezelfde stad naar het conservatorium, richting piano. Dit bleek geen succes en op vrij late leeftijd startte hij een studie Portugees. Door zijn vertalingen van de Portugese dichter Fernando Pessoa raakte hij bekend als een vooraanstaand vertaler. In 1983 werden zijn vertalingen bekroond met de Martinus Nijhoff-prijs. In 1986 ontving hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor Braziliaanse brieven. Op het moment werkt August Willemsen aan een vertaling van het volledige werk van Pessoa. Hier een gedicht van Pessoa in de vertaling van Willemsen:

 

 

Abdicatie

 

Neem mij in uw armen, o eeuwige nacht,
En noem mij – koning die ik ben – uw zoon.
Vrijwillig deed ik afstand van mijn troon
Van dromen, die mij slechts vermoeidheid bracht

Mijn zwaard, mijn armen zijn ontkracht,
een kalme, mannelijke hand heeft het genomen;
Mijn scepter heb ik neergelegd, mijn kroon,
Versplinterde symbolen vroeger macht.

Mijn maliënkolder, nu zo nutteloos,
Mijn sporen, rinkelend en waardeloos,
Heb ik achtergelaten op de koude trap.

’k Ontdeed mij, ziel en lichaam, van mijn koningschap
En keerde terug tot de aloude en kalme nacht
Gelijk het landschap bij het sterven van de dag.   

 

 

 

 

 

August Willemsen (Amsterdam, 16 juni 1936)

 

 

En als toegift bij een andere verjaardag:

 

 

Bart, café de Plak II

 

Hij was zo jong en mooi, ik de verlegen
verkenner van een wereld buiten mij.
Er gingen jaren onverhoeds voorbij,
die toch verleden bergen en bewegen.

 

Ik heb hem zwijgende meer lief gekregen.
Geen ander was daar beter voor dan hij.
Hij danste, schonk de glazen vol en wij
begrepen zonder woorden en wij zwegen.

 

Zo raakte ik te midden van muziek,
gepraat en rinkelen van glas stilaan
met zijn bestaan vertrouwd en zijn ritmiek.

 

Als later elk geluid zal zijn verflauwd,
zal er dit beeld nog zijn: een bar, een kraan
en Bart, die onvermoeid zijn kauwgom kauwt.   

 

 

 

Frans Roumen, Uit: Navel van ’t land, Nijmegen in Gedichten,

Uitgeverij 521, Amsterdam 2005

 

Frans Roumen (16 juni 1957) woont en werkt in Nijmegen

 

 

Volker Braun / Bomans voetbalt

Volker Braun werd op 7 mei 1939 in Dresden geboren. Omdat hij niet meteen een studieplaats kon krijgen werkte hij eerst in een drukkerij en als mijnwerker en machinist. Van 1960 tot 1964 studeert hij filosofie in Leipzig. In 1965 haalt Helene Weigel hem naar het Berliner Ensemble waar zijn eerste stuk wordt opgevoerd, om daarna verboden te worden. Van 1972 tot 1977 werkt hij voor het Deutsche Theater in Berlijn en van 1979 tot 1990 is hij opnieuw medewerker van het Berliner Ensemble.  In 1993 is hij gast van de Villa Massimo in Rome en een jaar later gast van de University of Wales. Hij houdt lezingen over poezie aan de universiteiten Heidelberg, Zürich en Kassel. Braun is lid van de Akademie der Künste Berlin-Brandenburg, de Sächsische Akademie der Künste, de Deutschen Akademie der darstellenden Künste in Frankfurt/Main en de Deutsche Akademie für Sprache und Dichtung in Darmstadt. Volker Braun leeftt in Berlijn.

Das Eigentum

 

Da bin ich noch: mein Land geht in den Westen.

KRIEG DEN HÜTTEN FRIEDE DEN PALÄSTEN.

Ich selber habe ihm den Tritt versetzt.

Es wirft sich weg und seine magre Zierde.

Dem Winter folgt der Sommer der Begierde.

Und ich kann bleiben wo der Pfeffer wächst.

Und unverständlich wird mein ganzer Text

Was ich niemals besaß wird mir entrissen.

Was ich nicht lebte, werd ich ewig missen.

Die Hoffnung lag im Weg wie eine Falle.

Mein Eigentum, jetzt habt ihrs auf der Kralle.

Wann sag ich wieder mein und meine alle.

 

 

Der 9. November

Das Brackwasser stachellippig, aufgeschnittene Drähte

Lautlos, wie im Traum, driften die Tellerminen        

Zurück in den Geschirrschrank. Ein surrealer Moment:

Mit spitzem Fuß auf dem Weltriß, und kein Schuß fällt.

Die gehetzte Vernunft, unendlich müde, greift

Nach dem erstbesten Irrtum … Der Dreckverband platzt.

Leuchtschriften wandern okkupantenhaft bis Mitte.

    BERLIN

NUN FREUE DICH, zu früh. Wehe, harter Nordost.

 


Volker Braun (Dresden, 7 mei 1939)

 

 

Aan de vooravond van Nederland – Ivoorkust een voetballende Godfried Bomans.

Godfried Bomans, eind jaren zestig, voetballend in de tuin. Bomans’ dochter Eva bewaart goede herinneringen aan het voetballen met haar vader. ‘Met mij was hij altijd aardig. Wij voetbalden vaak in de gang en een tijdje geleden speelden wij wedstrijdjes op het landje achter in de tuin. Hij interesseerde zich wel voor voetballen en we keken ook elke zondag naar de sport. Als we op zondagochtend koffie zaten te drinken vroeg ik altijd: “Papa, wat is er vanavond op de tv?” Dan antwoordde hij: “Sporrrt”, en hij zette dan het wekkertje van zijn horloge op half acht.’
(Herinneringen aan Godfried Bomans, p. 30-31)

Beecher Stowe en René Char

Harriet Beecher Stowe was een Amerikaanse abolitioniste en schrijfster uit Litchfield, Connecticut. Tijdens haar leven schreef zij meer dan 10 werken. Het bekendste hiervan is Uncle Tom’s Cabin, een beschrijving van het leven van Amerikaanse slaven dat tussen 1851 en 1852 in serievorm gepubliceerd werd in het abolitionistische blad de National Era van Gamaliel Bailey. Haar tweede boek was Dred: A Tale of the Great Dismal Swamp.

Beecher-Stowe werd geboren in Litchfield en groeide voornamelijk op in Hartford. Zij was de dochter van Lyman Beecher, een vooraanstaand Congregationalistisch predikant uit Boston, en zuster van eminent pastoor Henry Ward Beecher. In 1832 verhuisde haar familie naar Cincinnati, een andere thuishaven van de abolitionistische beweging, waar haar vader de eerste president werd van het Lane Theological Seminary. Aldaar deed ze eerstehands kennis op over slavernij en de Underground  Railroad en voelde ze zich geroepen De Negerhut van Oom Tom te schrijven, de eerste Amerikaanse novelle met een neger in de hoofdrol.

 

 

Citaten:

 

“I no more thought of style or literary excellence than the mother who rushes into the street and cries for help to save her children from a burning house, thinks of the teachings of the rhetorician or the elocutionist.”

 

Uit: Uncle Tom’s Cabin

“On the shores of our free states are emerging the poor, shattered, broken remnants of families,–men and women, escaped, by miraculous providences, from the surges of slavery,–feeble in knowledge, and, in many cases, infirm in moral constitution, from a system which confounds and confuses every principle of Christianity and morality. They come to seek a refuge among you; they come to seek education, knowledge, Christianity.

What do you owe to these poor, unfortunates, O Christians? Does not every American Christian owe to the African race some effort at reparation for the wrongs that the American nation has brought upon them? Shall the doors of churches and school-houses be shut down upon them? Shall states arise and shake them out? Shall the Church of Christ hear in silence the taunt that is thrown at them, and shrink away from the helpless hand that they stretch out, and shrink away from the courage the cruelty that would chase them from our borders? If it must be so, it will be a mournful spectacle. If it must be so, the country will have reason to tremble, when it remembers that fate of nations is in the hand of the One who is very pitiful, and of tender compassion.“

Harriet Beecher Stowe (14 juni 1811 – 1 juli 1896)

 

René Char werd geboren op 14 juni 1907.  Hij stierf op de gezegende ouderdom van 81 jaar. Hij vervoegde in 1929 de surrealistische groep en sloot zich aan bij Picasso en André Breton. Met deze laatste alsmede met Paul Eluard, schreef hij “Ralentir travaux”. In 1934 publiceerde hij “Le marteau sans maître” en keerde zich langzamerhand af van de surrealistische stroming.  

 

In “Les feuillets d’hypnos “ (1946), beschrijft hij zijn ervaringen in de oorlog. Na de bevrijding publiceert hij “Seuls demeurent” (1945) en “Le poème pulvérisé” (1947) waarmee hij definitief zijn bekendheid en zijn faam vestigde. Hij publiceerde nog regelmatig tot aan zijn dood. Als een ultieme erkenning van zijn oeuvre verscheen zijn verzameld werk in de “pléiade” in 1983 nog tijdens zijn leven.  

René Char behoort tot een van de grootste hedendaagse Franse dichters. Camus zei over hem: “Dit oeuvre is een van de belangrijkste dat ooit werd geproduceerd in de literatuur. Sedert Apolinaire is er in de Franse poëzie geen grotere poëtische revolutie meer geweest die een vergelijking met zijn werk kan doorstaan.”.    

 

 

 

Allégeance

Dans les rues de la ville il y a mon amour. Peu importe où il va dans le temps divisé. Il n’est plus mon amour, chacun peut lui parler. Il ne se souvient plus; qui au juste l’aima?

Il cherche son pareil dans le voeu des regards. L’espace qu’il parcourt est ma fidélité. Il dessine l’espoir et léger l’éconduit. Il est prépondérant sans qu’il y prenne part.

Je vis au fond de lui comme une épave heureuse. A son insu, ma solitude est son trésor. Dans le grand méridien où s’inscrit son essor, ma liberté le creuse.

Dans les rues de la ville il y a mon amour. Peu importe où il va dans le temps divisé. Il n’est plus mon amour, chacun peut lui parler. Il ne se souvient plus; qui au juste l’aima et l’éclaire de loin pour qu’il ne tombe pas?

Loyaliteit

In de straten van de stad bevindt zich mijn geliefde.  Het geeft niet waar hij gaat in de versnipperde tijd.  Hij is mijn geliefde niet meer, iedereen kan met hem praten. Hij herinnert het zich niet meer; wie precies hield nu van hem?

Hij zoekt zijns gelijke in de bede van de blikken. De ruimte die hij doorloopt is mijn trouw. Hij tekent de hoop en wijst hem zachtjes af. Hij is dominant zonder dat hij dat wil.

Ik leef diep in hem als een gelukkig wrak. Zonder dat hij het beseft, is mijn eenzaamheid zijn schat.

In de straten van de stad bevindt zich mijn geliefde. Het geeft niet waar hij gaat in de versnipperde tijd. Hij is mijn geliefde niet meer, iedereen kan met hem praten. Hij herinnert het zich niet meer; wie precies hield nu van hem en verlicht hem op afstand opdat hij niet valt?

Vertaling: Henri Thijs  

 

 

René Char (14 juni 1907 – 19 februari 1988)

 

W. B. Yeats


William Butler Yeats  was een Ierse dichter, toneelschrijver en mysticus. Hij was ook een Iers senator in de 20er jaren. In 1923 won hij de Nobelprijs voor Literatuur. Aan het eind van de winter in 1938 verliet hij Ierland in slechte gezondheid. Hij overleed te Roquebrune, met uitzicht op Monaco, op 28 januari 1939, en werd daar begraven. In september 1948 werd zijn stoffelijk overschot naar Ierland gebracht en hij werd opnieuw begraven, nu op de begraafplaats van zijn grootvaders parochie in Drumcliff, county Sligo. Een steen met inscriptie zoals Yeats had aangegeven markeert de plaats: Cast a cold Eye; on Life, on Death. Horseman pass by!

The Second Coming  

TURNING and turning in the widening gyre
The falcon cannot hear the falconer;
Things fall apart; the centre cannot hold;
Mere anarchy is loosed upon the world,
The blood-dimmed tide is loosed, and everywhere
The ceremony of innocence is drowned;
The best lack all conviction, while the worst
Are full of passionate intensity.

Surely some revelation is at hand;
Surely the Second Coming is at hand.
The Second Coming! Hardly are those words out
When a vast image out of Spiritus Mundi
Troubles my sight: somewhere in sands of the desert
A shape with lion body and the head of a man,
A gaze blank and pitiless as the sun,
Is moving its slow thighs, while all about it
Reel shadows of the indignant desert birds.
The darkness drops again; but now I know
That twenty centuries of stony sleep
Were vexed to nightmare by a rocking cradle,
And what rough beast, its hour come round at last,
Slouches towards Bethlehem to be born?

 

O Do Not Love Too Long

SWEETHEART, do not love too long:
I loved long and long,
And grew to be out of fashion
Like an old song.
All through the years of our youth
Neither could have known
Their own thought from the other’s,
We were so much at one.
But O, in a minute she changed –
O do not love too long,
Or you will grow out of fashion
Like an old song.

 

No Second Troy

WHY should I blame her that she filled my days
With misery, or that she would of late
Have taught to ignorant men most violent ways,
Or hurled the little streets upon the great.
Had they but courage equal to desire?
What could have made her peaceful with a mind
That nobleness made simple as a fire,
With beauty like a tightened bow, a kind
That is not natural in an age like this,
Being high and solitary and most stern?
Why, what could she have done, being what she is?
Was there another Troy for her to burn?

 

William Butler Yeats (13 juni 1865 – 28 januari 1939)

Portret van Gavin Bloor.

 

 

Christoph Meckel en Anne Frank

De Duitse dichter en schrijver Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 en bracht zijn jeugd door in Freiburg in de Breisgau, waar hij het gymnasium bezocht tot en met de vijfde klas. In de periode 1954/55 studeerde hij grafische kunst aan de kunstacademie in dezelfde plaats en vanaf 1956 in München. Sinds 1956 is hij zowel graficus  als schrijver. Hij ondernam uitgebreide reizen door Europa, Afrika en Amerika en woonde in Oetingen, in Berlijn, in Zuid-Frankrijk en in Toscane. Zijn grafisch werk werd op talrijke exposities gepresenteerd. Hij is lid van de Akademie der Wissenschaften und der Literatur in Mainz en van de Deutsche Akademie für Sprache und Dichtung in Darmstadt.

Rede vom Gedicht     

Das Gedicht ist nicht der Ort, wo die Schönheit gepflegt wird.

Hier ist die Rede vom Salz, das brennt in den Wunden.
Hier ist die Rede vom Tod, von vergifteten Sprachen.
Von Vaterländern, die eisernen Schuhen gleichen.
Das Gedicht ist nicht der Ort, wo die Wahrheit verziert wird.

Hier ist die Rede vom Blut, das fliesst aus den Wunden.
Vom Elend, vom Elend, vom Elend des Traums.
Von Verwüstung und Auswurf, von klapprigen Utopien.
Das Gedicht ist nicht der Ort, wo der Schmerz verheilt wird.

Hier ist die Rede von Zorn und Täuschung und Hunger
(die Stadien der Sättigung werden hier nicht besungen).
Hier ist die Rede von Fressen, Gefressenwerden
von Mühsal und Zweifel, hier ist die Chronik der Leiden.
Das Gedicht ist nicht der Ort, wo das Sterben begütigt
wo der Hunger gestillt, wo die Hoffnung verklärt wird.

Das Gedicht ist der Ort der zu Tode verwundeten Wahrheit.
Flügel! Flügel! Der Engel stürzt, die Federn
fliegen einzeln und blutig im Sturm der Geschichte!
Das Gedicht ist nicht der Ort, wo der Engel geschont wird.

 

Kind

Es zog den Schlüssel aus der Tür.
Es warf ihn in die Sonne und er schmolz.
Das Haus war leer, fort war das letzte Tier.
Es lagen bloß noch ein paar Steine hier
und nachts zum Feuermachen etwas Holz.

Der Morgen war von Tau und Asche kalt.
Es ging auf einen Weg in einen Wald.
Der Engel sah es und vergaß es bald.  

 

Traum

Geerntet der Kirschbaum, der Juni zu Ende,
aber im Traum trug ich Kirschen zurück in die Bäume,
hängte sie zwischen die Blätter und rief:
Die Kirschzeit ist gekommen, bring Körbe und Leitern
und flieg in den Kirschbaum mit mir, wir träumen nicht lange!  

(Christoph Meckel, 12 juni 1935)

 

Dagboek-fragmenten Anne Frank

Hoewel Anne Frank op haar 13e verjaardag niet kan weten dat zij een maand later moet onderduiken, begint zij haar nieuwe dagboek met de volgende zin:

-12 juni 1942-

Ik zal hoop ik aan jou alles kunnen toevertrouwen, zoals ik het nog nooit aan niemand gekund hebben ik hoop dat je een grote steun voor me zal zijn.”

Drie maanden later in haar schuilplaats schrijft zij:

-28 september 1942-

“Ik ben, O, zo blij dat ik je meegenomen heb” .

-28 september 1942-

“Tot nu toe heb ik bijna uitsluitend gedachten in mijn boek geschreven en tot leuke verhalen die ik later eens kan voorlezen is het nooit gekomen. Maar ik zal in vervolg maar niet of minder sentimenteel zijn en mij meer aan de werkelijkheid houden. ”

Anne Frank (12 juni 1929 – maart 1945)

Ben Jonson en William Styron

Ben Jonson werd geboren rond 11 juni 1572. Hij kreeg een opleiding aan de Westminster School door de eminente historicus William Camden en werkte eerst in hetzelfde beroep als zijn stiefvader: metselaar. Dat beviel hem echter in het geheel niet en vervolgens diende in hij in het Engelse leger in Vlaanderen. In 1592 keerde hij naar Engeland terug en trouwde op 14 november 1494 hij met Anne Lewis Jonsons tweede bekende toneelstuk, Every Man in His Humour werd opgevoerd in 1598 bij de Lord Chamberlain’s Men aan het Globe-theater met niemand minder dan William Shakespeare in de bezetting. Ook Jonson werd een beroemdheid. In 1628 werd hij benoemd tot City Chronologer of London. Hij stierf op 6 augustus 1637 en werd begraven in de Westminster Abbey.

Epigrammen:


I. — TO THE READER.


PRAY thee, take care, that tak’st my book in hand,
To read it well—that is, to understand. 

 

XIV. — TO WILLIAM CAMDEN.  

CAMDEN !  most reverend head, to whom I owe
All that I am in arts, all that I know ;
(How nothing’s that ?) ; to whom my country owes,
The great renown, and name wherewith she goes !
Than thee the age sees not that thing more grave,
More high, more holy, that she more would crave.
What name, what skill, what faith hast thou in things !
What sight in searching the most antique springs !
What weight, and what authority in thy speech !
Men scarce can make that doubt, but thou canst teach.
Pardon free truth, and let thy modesty,
Which conquers all, be once o’ercome by thee.
Many of thine, this better could, than I ;
But for their powers, accept my piety
.

 

A CELEBRATION OF CHARIS

IN TEN LYRIC PIECES

I

His Excuse for Loving

Let it not your wonder move,
Less your laughter, that I love.
Though I now write fifty years,
I have had, and have my peers ;
Poets, though divine, are men :
Some have loved as old again.
And it is not always face,
Clothes, or fortune, gives the grace ;
Or the feature, or the youth :
But the language, and the truth,
With the ardor, and the passion,
Gives the lover weight, and fashion.

If you then will read the story,
First, prepare you to be sorry,
That you never knew till now,
Either whom to love, or how :
But be glad as soon with me,
When you know that this is she,
Of whose beauty it was sung,
She shall make the old Man young,
Keep the middle age at stay,
And let nothing high decay ;
Till she be the reason why,
All the world for Love may die.

 

AGAINST JEALOUSY

by Ben Jonson   

Wretched and foolish Jealousy,
How cam’st thou thus to enter me ?
I ne’er was of thy kind :
Nor have I yet the narrow mind
To vent that poor desire,
That others should not warm them at my fire :
I wish the sun should shine
On all men’s fruit, and flowers, as well as mine.

But under the disguise of love,
Thou say’st, thou only cam’st to prove
What my affections were.
Think’st thou that love is help’d by fear ?
Go, get thee quickly forth,
Love’s sickness, and his noted want of worth.
Seek doubting men to please ;
I ne’er will owe my health to a disease.

Ben Jonson (11 juni 1572 – 6 augustus 1637)

 

William Styron werd op 11 juni 1925 in Newport News in de staat Virginia geboren, niet ver van de plaats van de slavenopstand uit 1831, die door Nat Turner werd geleid en die later het thema van zijn beroemdste romans werd. Na zijn studie vocht hij tijdens WOII bij de marine.Daarna schreef hij voor veel Amerikaanse tijdschriften essays en kritieken en publiceerde hij talrijke maatschappijkritische romans die in de verteltraditie staan van William Faulkner en Thomas Wolfe. Voor de roman The Confessions of Nat Turner kreeg hij in 1968  de Pulitzer-Prijs. Zijn bestsellerroman Sophie’s Choice die over de vernietigende gevolgen van de holocaust handelt werd in 1982 verfilmd. Styron worstelde met ernstige klinische depressies en zelfmoordneigingen die hij beschreef in zijn memoires Darkness Visible: A Memoir of Madness (1990).   

Citaten:

“A great book should leave you with many experiences, and slightly exhausted. You should live several lives while reading it.”

“Every writer since the beginning of time, just like other people, has been afflicted by what a friend of mine calls “the fleas of life”-you know, colds, hangovers, bills, sprained ankles and little nuisances of one sort or another.”

“Most books, like their authors, are born to die; of only a few books can it be said that death has no dominion
over them; they live, and their influence lives forever.”

“The good writing of any age has always been the product of someone’s neurosis.”

William Styron (11 juni 1925)