Louis Couperus, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Louis was de jongste uit een gezin met elf kinderen. Toen Louis negen jaar was verhuisde het gezin naar Nederlands-Indië, waar vader Couperus voor zijn pensionering werkzaam was. Na zijn terugkeer in Nederland kon Louis moeilijk wennen. In 1881 verliet hij de hbs en ging voor de akte mo-Nederlands studeren. In 1886 behaalde hij het diploma. Het debuut van Couperus als dichter, met ondermeer Een lent van vaerzen (1884), was geen succes. Willem Kloos raadde hem aan om zich toe te leggen op proza. Couperus werd dan gaandeweg een goed en gevierd romanschrijver.  “Eline Vere” (1889) werd een groot succes. De roman werd bekroond met de prijs van het D.A. Thiemefonds.

Na een verblijf in Parijs trouwde Louis Couperus met zijn nicht Elisabeth Baud en ging in Hilversum wonen. Na 1992 leidde het echtpaar een zwervend bestaan. Een reis door Indië inspireerde Couperus tot het schrijven van “De stille kracht” (1900).

 

Narcis

 

Aan de boord ener beke

Zie ik leliën dromend staan,

Wijl golfjens om haar stengels

Schuimend gaan.

 

Een rei als van nymfen,

Die zich beuren uit de beek,

Een rei als van sneeuwwitte bruidjens

Zo kuis, zo bleek.

 

En in heur midden heft zich

Een enkele narcis,

die kwijnt op zijn stengelke

Van droevenis.

 

De leliën smachten van minne,

Voor die geluwe narcis;

Zij geuren haar zoetste geuren,

Zo zwoel…zo fris.

 

En de goedgele blomme nijgt zich

Steeds verder naar de vliet,

Tot hij in de zilvren spiegel

Zijn beeldtnis ziet.

 

Zo kou en zo kil in het water…

Zijn zoenen prangt

De bloem op het beeld, waar minnend

Hij over hangt.

 

En de leliën lispelen droeve,

Dat nog steeds met des jongelings lust

De bloeme zijne beeldtnis

Op ’t water kust…

 

 

Baadster

 

Een blanke nymf steeg ze uit het marmren bad,

En toefde op de eerste treê; heur armen beurden

En wrongen ’t blonde hair, dat druipend nat

Nog van den amber der violen geurde.

 

Hoe ’t rozig-blond van ’t blozend rozeblad

De sneeuw haars teedren lichaams warmer kleurde,

Terwijl van paerlen vloeyende en omspat,

Zij lelie was, die in den dauwe treurde!

 

Daar stond ze, steunende op het slanke been,

Zoo, dat bevallig zich de heupe rondde,

Nu de armen hoog de dartle lokken bonden.

 

Daar stond ze, glanzend-wit als marmersteen,

Geheel omsluyerd in den korenblonde:

Antieke vaas met gouden veile omwonden.

Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)

 

Saul Bellow (geboren 10 juni 1915 te Lachine, een voorstad van Montreal, Canada) was een joods-Amerikaans schrijver. Zijn boeken beschrijven en onderzoeken isolatie en spirituele dissociatie van zijn hoofdpersonen.

Hij werd geboren in Canada uit Russische ouders. Hij groeide op in Chicago, en studeerde sociologie en antropologie. Na zijn afstuderen deed hij onderzoek aan de universiteit van Wisconsin, en diende hij in de koopvaardij tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij heeft daarna zelf lesgegeven aan de universiteiten van onder andere Minnesota, Princeton, Boston en Chicago.

Zijn eerste boek, Dangling Man, werd uitgegeven in 1944, en een aantal succesvolle fictie- en nonfictiewerken volgden. Of het nu gaat om romantische, financiële of andere problemen, de chaos die een typische hoofdpersoon doormaakt leidt onvermijdelijk tot diepe existentiële vragen, maar ook tot hilarische en humoristische situaties. Bellow refereert in zijn boeken aan de grote filosofen en denkers zonder dat dit de leesbaarheid van zijn boeken vermindert. Een goed voorbeeld hiervan is Mr. Sammler’s Planet.

Bellow won de Nobelprijs voor de Literatuur in 1976 voor Humboldt’s Gift. In 1988 ontving hij de hoogste Amerikaanse kunstonderscheiding, de National Medal of Arts.

 

Citaten:

 

 “A great deal of intelligence can be invested in ignorance when the need for illusion is deep.”

 

 “There is only one way to defeat the enemy, and that is to write as well as one can. The best argument is an undeniably good book.”

 

 “Any artist should be grateful for a naive grace which puts him beyond the need to reason elaborately.”

 

 

Saul Bellow (10 juni 1915 – 5 april 2005)

 

Mensje van Keulen werd geboren te Den Haag op 10 juni 1946 en is woonachtig in Amsterdam. Ze werd geboren als Mensje Francina van der Steen en kreeg als roepnaam Mennie. Ze was van 1970 tot 1972 redacteur van Propria Cures. Daarna maakte ze tezamen met o.a. Gerrit Komrij, Theo Sontrop en Martin Ros jarenlang deel uit van de redactie van het literaire tijdschrift Maatstaf. Diverse boeken van haar hand staan min of meer standaard op de boekenlijsten van veel middelbare scholen. Ze schreef niet alleen voor volwassenen, maar ook diverse kinderboeken.

 

Uit: Bleekers zomer

 

“Annie woonde boven een loodgieter op de Geldersekade. De voorkamer werd vrijwel geheel in beslag genomen door een wit plastic bankstel om een kloostertafel. In de hoek hing een kastje waarin een rij lichte lectuur, het theeservies en de radio stonden. Verder waren de muren, schoorsteen en vensterbanken opgedirkt door schreeuwerige snuisterijen.
Ze schopte haar schoenen uit en kneep in haar voeten. ‘Wou je nog wat drinken, schatje?’
‘Liever niet,’ zei Bleeker en liep naar het achterste vertrek waar ie zich op bed liet vallen. Het kostte hem geen enkele moeite zijn ogen dicht te doen. Wel om ze weer te openen en daar had ie geen zin in. Hij sliep bijna toen Annie z’n schoenen los veterde en ‘m z’n kleren uittrok.
‘Geef es ’n beetje mee,’ zei ze hijgend onder het sjorren aan hem en het dek waar ze hem onder wou hebben.
Hij ging enigszins overeind zitten. Door de spleetjes van z’n ogen zag ie hoe Annie in haar vette nakie de dekens over z’n eigen blote lichaam trok. Daarna kwam ze in bed en kroop onmiddellijk tegen hem aan.
‘Hé,’ fluisterde ze, ‘draai je es even om.’ En toen het stil bleef: ‘Je slaapt toch niet?’ Ze wachtte even. ‘Ik maak je wakker hoor.’
Bleeker had, op slapen na, nergens trek in. Hij haalde zo regelmatig mogelijk adem en bleef, alhoewel dat inspanning kostte, roerloos liggen.
Annie voegde de daad bij het woord en prikte een vinger tussen zijn billen.
‘Aaah,’ kreet hij en draaide zich met ’n slag op z’n rug. Het volgende moment werd ie bedolven onder haar zware bovenlichaam. Ze beet in z’n buik, likte z’n navel, draaide haar vingers in het weinige borsthaar dat ie bezat en gaf niet op ondanks zijn ‘nee nee’ geroep. Ze draaide zich zelfs om en leunde haar handen op z’n heupen, terwijl ze met een been over hem heen stapte om met haar volle gewicht boven op z’n borst te gaan zitten.” 

 

 

Mensje van Keulen (10 juni 1946)

 

Jan Brokken (10 juni 1949, Leiden) is een Nederlands schrijver. Hij is zoon van een Nederlands Hervormd predikant. Brokken groeide op in Rhoon en volgde de School voor Journalistiek in Utrecht. Daarna studeerde hij enige jaren politicologie in Bordeaux. In 1984 debuteerde hij met de roman De Provincie. Hij woonde twaalf jaar op Curaçao.

 

Prijzen: 1988 – Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor De zee van vroeger

             2004 – ICODO prijs voor Mijn kleine waanzin

 

 

Citaten:

 

 “Reizen is naar jezelf kijken tegen een andere achtergrond.” 

 

 “Radicalen hebben of een uiterst conservatieve smaak of helemaal geen.” 

 

Jan Brokken (10 juni 1949)