Czeslaw Milosz

 De Poolse dichter en schrijver Czeslaw Milosz, die in 1980 de Nobelprijs voor literatuur won en lang een symbool was van het verzet tegen het communisme in Polen, werd op 30 juni 1911 in Litouwen geboren als zoon van Poolse ouders. Milosz werd algemeen beschouwd als de beste hedendaagse Poolse dichter. Naast vijftien dichtbundels heeft hij ook essays en twee romans op zijn naam staan. Vele jaren was zijn werk in Polen verboden en werd het uitsluitend ondergronds uitgegeven. Toen Milosz de Nobelprijs werd toegekend stond in het juryrapport dat zijn werk van een “compromisloze scherpte” was. Milosz verhuisde eerst naar Polen en na 1952 naar Frankrijk omdat hij het niet eens was met de Poolse communistische regering. Later vertrok hij naar de Verenigde Staten. Na de val van het communisme in 1989 keerde hij terug naar Krakau en werd hij  ereburger van de ‘literaire’ stad in het zuiden van Polen. Door de jaren heen is ‘het kwaad’ het belangrijkste thema in het werk van Milosz geweest. In een wereld die hij nooit anders kon zien dan als een slagveld van ideologieën, vond hij de oorsprong van het kwaad aanvankelijk in de sociale verhoudingen, maar al gauw zag hij het kwaad als iets wat in de wereld besloten lag. Een van de romans van Milosz, die ook in het Nederlands is vertaald, is ‘Het dal van de Issa’. In deze roman beschrijft hij hoe een Poolse jongen opgroeit op het Litouwse platteland. Czeslaw Milosz stierf op 14 augustus 2004 in Krakau.

 

„Preface” (Treatise on Poetry)

 

First, plain speech in the mother tongue.
Hearing it, you should be able to see
Apple trees, a river, the bend of a road,
As if in a flash of summer lightning.

And it should contain more than images.
It has been lured by singsong,
A daydream, melody. Defenseless,
It was bypassed by the sharp, dry world.

You often ask yourself why you feel shame
Whenever you look through a book of poetry.
As if the author, for reasons unclear to you,
Addressed the worse side of your nature,
Pushing aside thought, cheating thought.

Seasoned with jokes, clowning, satire,
Poetry still knows how to please.
Then its excellence is much admired.
But the grave combats where life is at stake
Are fought in prose. It was not always so.

And our regret has remained unconfessed.
Novels and essays serve but will not last.
One clear stanza can take more weight
Than a whole wagon of elaborate prose.

 

„Incantation” (City without a Name)

 Human reason is beautiful and invincible.
No bars, no barbed wire, no pulping of books,
No sentence of banishment can prevail against it.
It establishes the universal ideas in language,
And guides our hand so we write Truth and Justice
With capital letters, lie and oppression with small.
It puts what should be above things as they are,
Is an enemy of despair and a friend of hope.
It does not know Jew from Greek or slave from master,
Giving us the estate of the world to manage.
It saves austere and transparent phrases
From the filthy discord of tortured words.
It says that everything is new under the sun,
Opens the congealed fist of the past.
Beautiful and very young are Philo-Sophia
And poetry, her ally in the service of the good.
As late as yesterday Nature celebrated their birth,
The news was brought to the mountains by a unicorn and an echo.
Their friendship will be glorious, their time has no limit.
Their enemies have delivered themselves to destruction.

 

Czeslaw Milosz (30 juni 1911 – 14 augustus 2004)

 

Paul Verlaine en de Saint-Exupéry

In 2002 publiceerde Peter Verstegen een selectie van door hem zelf vertaalde gedichten van Paul Verlaine, door hem ook zorgvuldig in een biografische context geplaatst. Daar lees ik op deze lange zomeravond met veel plezier in. Rond 1888 ging het gerucht dat Arthur Rimbaud dood was. De jonge garde Decadenten had toen geëist dat zijn stoffelijk overschot zou worden opgespoord en overgebracht naar Parijs, om bijgezet te worden in het Panthéon. Hierna was het tot Parijs doorgedrongen dat Rimbaud zich als handelaar gevestigd had in het Oostafrikaanse Harar. Het volgende gedicht van Verlaine is dus eigenlijk een – prachtig – In Memoriam.

À Arthur Rimbaud

Mortel, ange et démon, autant dire Rimbaud,
Tu mérites la prime place en ce mien livre,
Bien que tel sot grimaud t’ait traité de ribaud
Imberbe et de monstre en herbe et de potache ivre.

Les spirales d’encens et les accords de luth
Signalent ton entrée au temple de mémoire
Et ton nom radieux chantera dans la gloire,
Parce que tu m’aimas ainsi qu’il le fallut.

Les femmes te verront grand jeune homme très fort,
Très beau d’une beauté paysanne et rusée,
Très désirable, d’une indolence qu’osée !

L’histoire t’a sculpté triomphant de la mort
Et jusqu’aux purs excès jouissant de la vie,
Tes pieds blancs posés sur la tête de l’Envie !

 

Paul Verlaine

 

Voor Arthur Rimbaud

Mens, engel duivel ook is Rimbaud onbetwist ;
De ereplaats in dit mijn boek staat voor jou open,
Al moest een zotte frik je afdoen als verlopen
Sujet, baardeloos monster, dronken lyceïst

Opkringelende wierook, rijke luitakkoorden
Groeten jou in de tempel der gedachtenis,
Je naam zingt luisterrijk van wat jouw glorie is,
Omdat je mij hebt liefgehad zoals het hoorde.

De vrouwen zien je als een jonge sterke vent,
Van boerse schoonheid, boerenslim ook op zijn tijd,
Begeerlijk en daarbij gevaarlijk indolent.

Je overwon de dood, is al van jou geschreven,
En dat je mateloos maar puur genoot van ’t leven,
Je blanke voeten rustend op de kop van Nijd!

 

Vertaling Peter Verstegen

Uit: Paul Verlaine: Een droom vreemd en indringend,
Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 2002

 

Paul Verlaine en Arthur Rimbaud

 

De Franse beroepspiloot en schrijver Antoine de Saint-Exupéry werd geboren in St. Maurice de Remens op 29 juni 1900. Wereldberoemd werd hij met het boekje Le Petit Prince (De Kleine Prins). In 1931 trouwde hij met Consuelo Suncin Sandoval (San Salvador 1901). Hun huwelijk bleef kinderloos. Consuelo stierf in 1979 te Parijs.

Ook door zijn allerlaatste ‘daad’ bleef zijn naam voortleven: op 31 juli 1944 keerde hij niet terug na een vlucht met een Lockheed Lightning P38J, waarmee hij vanaf Corsica verkenningen had uitgevoerd boven het Rhônedal, een onderdeel van de geallieerde voorbereidingen voor de invasie in Zuid-Frankrijk. Lang bleef zijn verdwijning een mysterie, omdat zijn lichaam noch zijn vliegtuig werden teruggevonden. Op 7 april 2004 vond men echter voor de kust van Marseille op 60 meter diepte de wrakstukken van zijn toestel, waarmee officieel is komen vast te staan dat hij daar is beschoten, neergestort en omgekomen.

 

 

Citaten:

 

 

« Adieu, dit le renard. Voici mon secret. Il est très simple : on ne voit bien qu’avec le cœur, l’essentiel est invisible pour les yeux. »  

 

 

« Je ne te dirai point les raisons que tu as de m’aimer. Car tu n’en as point. La raison d’aimer, c’est l’amour. »   

 

 

« Que m’importe que Dieu n’existe pas. Dieu donne à l’homme de la divinité. »

 

 

Antoine de Saint-Exupéry (29 juni 1900 – 31 juli 1944)

 

 

Hanz Mirck en Rousseau

Hanz Mirck is boekverkoper, vertaler, muzikant, maar vooral schrijver. Hij won diverse prijzen voor zijn proza, poëzie en columns (waaronder de Dunya Poëzieprijs 2004) en debuteerde in 2002 bij uitgeverij Vassallucci met de dichtbundel Het geluk weet niets van mij, die werd genomineerd voor de C’ Buddinghprijs en door Gerrit Komrij en Neeltje Maria Min tot aanrader voor de Nationale Poëzieclub bestempeld. In 2005 verscheen zijn romandebuut Het Godsgeschenk. Een tweede dichtbundel, Wegsleepregeling van kracht verscheen in februari 2006.

 

Het geluk weet niets van mij:
het woont, denk ik, teruggetrokken op het land
Niemand vertelt het geluk ooit over
het nut van telefoonboeken. Of over regenjassen,
het lover van geboomte, de liefde
Niets weet het, helemaal niets. Het meisje
tegenover me in de trein slaapt
zonder te hebben gezegd waar ze eruit moet

Kent het geluk de reeën met gespitst oor
die ik gezien heb langs het spoor?

 

Hanz Mirck, Het geluk weet niets van mij
(Amsterdam, Vassallucci, 2001) 

Hanz Mirck (Zutphen, 8 april 1970)

 

Jean-Jacques Rousseau wordt in 1712 in Genève geboren als zoon van een vermaarde horlogemaker. Zijn moeder overleeft de bevalling niet. De eerste tien jaar van zijn leven woont hij eerst bij een tante en daarna bij zijn vader. Als denker wordt Rousseau pas bekend in 1750 wanneer hij een prijsvraag wint die is uitgeschreven door de Academie van Dijon voor een sceptisch geschrift over de zedelijke waarde van de Kunsten en de Wetenschappen. In dit essay, Discours sur les sciences et les arts, stelde hij dat de vooruitgang van kunst en wetenschap niet gunstig was geweest voor de mensheid (in West-Europa). De vooruitgang van kennis had regeringen sterker gemaakt en de individuele vrijheid geknecht. Rousseau concludeerde dat materiële vooruitgang de mogelijkheid van oprechte vriendschap had ondermijnd en vervangen door jaloezie, angst en wantrouwen. Hierin toonde hij zich voor het eerst een tegenstander van de vooruitgang die zo door zijn vrienden van de Encyclopédie en de Verlichting werd nagestreefd. Later zal dit grote verschil van inzicht maken dat hij met die vrienden breekt. Du Contrat Social ou Principes du droit Politique (1762) Dit ‘maatschappelijk verdrag’ berust op het idee van de volkssoevereiniteit, de wil van het gezamenlijke volk (de algemene wil of volonté générale tegenover de volonté particulière van de vorst) als enige en onbeperkte bron van het staatsgezag en daarmee ook van het recht. Tegen het absolutisme. Niet meer een contract tussen individuen en de persoon die als soeverein over hen zal heersen (gangbaar tot in de 17e eeuw), maar een verdrag van vrije individuen onderling die besluiten een gemeenschap te vormen.

Citaten :

« Le plus fort n’est jamais assez fort pour être toujours le maître, s’il ne transforme sa force en droit, et l’obéissance en devoir. » (Du contrat social)

« Renoncer à sa liberté, c’est renoncer à sa qualité d’homme. » (Du contrat social)

« Comme les premiers motifs qui firent parler l’homme furent des passions, ses premières expressions furent des tropes. Le langage figuré fut le premier à naître, le sens propre fut trouvé le dernier […] D’abord on ne parla qu’en poésie; on ne s’avisa de raisonner que longtemps après.» (Essai sur l’origine des langues, III)

Jean-Jacques Rousseau (28 juni 1712 – 2 juli 1778)

Kees Ouwens


De Nederlandse schrijver en dichter Kees Ouwens werd op 27 juni 1944 geboren in Zeist. Kees Ouwens debuteerde in 1968 met “Arcade“. Ouwens schreef ook proza, maar verwierf vooral een plaats in de Nederlandse literatuur als experimenteel dichter. Kees Ouwens beschouwde het schrijven als een zoektocht. Hij speelde met taal en spotte met grammaticale regels. Hierdoor was zijn werk moeilijk te doorgronden en werd zijn werk alleen door echte liefhebbers gelezen. In 2002 verschenen zijn gedichten in de verzamelbundel “Alle gedichten tot dusver“. Een jaar later bundelde uitgever Meulenhoff zijn verhalend proza in “Alle romans tot dusver”. Hier zal het echter bij blijven, want een nieuwe roman en dichtbundel bleven onvoltooid. In 1976 ontving Ouwens de Van der Hoogprijs. Hij werd in 2002 onderscheiden voor zijn gehele oeuvre met de Constantijn Huygensprijs. Ook ontving hij de VSB-prijs voor “Mythologieën“. Kees Ouwens overleed in augustus 2004 op 60-jarige leeftijd na een langdurig ziekbed in Heemstede.

Exil

Ik ontwierp mij

want ik bemoederde het woord
zoogde de letter
verschoonde het leesteken
en trainde het woord zindelijk

Hun zichtbaarheid was violentie
hun aanblik decimeerde mijn verte
hun schriftuur beletterde mijn verstomming
en hun lectuur belas mij de school

Hun beroerten waren de spelfout van hun vernoeming
hun furie doorbrak de linie van
de reguliere zin

van mijn exil was hun alfabet de
berijming

 

De Omstandigheden

Langzaam maar zeker werd het donker.
En stil. Ik bevond mij in een ruimte.
Ik stond. Daarna lag ik.
Vervolgens sloot ik de ogen.
Nu werd ik slaperig.
Toen het geheel donker was, ontwaakte ik,
waarna ik opstond.
Doelloos trad ik in de buitenlucht.
Daar hoorde ik een stem, die toevallig de mijne was.
Onwillekeurig sprak ik.
Van plezier daarom kletste ik mij met de vlakke hand
op de dijen.
Vervolgens besloot ik te gaan huilen.
De nacht gaf mijn tranen een verrassend aspect.
In het maanlicht werden zij parels.
Bovendien maakte de stilte mijn snikken goed verstaanbaar.
De omstandigheden waren dus gunstig.
Dat maakte me gelukkig.

het begin is er maar is het ik het
zich laten ontbieden? dat de misoogst
van het u, is: ik? de misoogst van het
u: het ik? tegen je pleit ook dan dat
het schone: is: schoon: is: een -isme: is:
dit: is: dat: dood ga je toch: ruim voor de
dood een plaats in: begin alvast met omzien

naar voren, sterf af: wees: wezenlijk,
is: ideaal, is: een idealisme, is: wezenrijk. het
wezen is een idealisme, is: wezenlijk (realisme). rest
wat onspreekbaar is: dat het begin op niets terugvoert
dan dat, daarmee al teveel gezegd is, het, aanvankelijk,
aanvangt (zijn aanvankelijkheid) (dit: dat het werkelijke,
zijn bewijslast afwerpend, je doorstaat: omverplaatst:
bewijst)

de omstreek is ook dan niet sprekend opgevoerd of
toenmalig. de geboortestreek is niet ook beschamend

de eerste die je tegenkomt is de enige die je daarna
nog tegenkomt: de natuur, en je houdt haar staande:
dat je morgen er weer zult zijn, alvast gisteren
was je er vandaag, morgen ben je er
nu al. hoe waar achteraf gesproken hield je nadien het
onvolprezen

Kees Ouwens (27 juni 1944 – 24 augustus 2004)
Tekening: Siegfried Woldhek

 

Mirko Bonné en Pearl S. Buck

Mirko Bonné werd op 9 Juni 1965 in Tegernsee / Oberbayern geboren.
Naast zijn vele radiowerk publiceerde hij de dichtbundels Langrenus (1994) en Gelenkiges Geschöpf (1996) en de roman Der junge Fordt (1999). In het voorjaar van 2002 verscheen de roman Ein langsamer Sturz, in 2003 de dichtbundel Hibiskus Code. Bovendien vertaalde Mirko Bonné uit het Engels werk van de dichters John Keats en E. E. Cummings.

Sämtliches

Strikte Eklipsen, Finsternisskripte
Dunklem verschrieben oder einmal
gezielt mit erhabenem Impetus
alles zuscheißen. Schau, Herbst
und Sommer schießen in die Waage,

an jedem Morgen und Himmel beginnts
mit Greisen, gelbem Laub und nichts
als Gefühl für den Aufstand. Ich bin da,
und das gefällt. Andocken an Mittags
Täuschungsmanövern und Kiefern der
Leute, die mahlend lächelnd dastehen,
ein Wort verlieren über Gewohnheiten
mit Tieren, ohne sie – o du erahnest ja
Sämtliches in den Solchenmomenten,
aber Dieses nur weißt du: Dass alles,
was einfällt ins Licht und Gedächtnis,
die strikte Eklipse verhindert. Ausfall
funktionierender Sozialisation, Schritte,
Mauern, Brückenbogen, schon kleine
orangerote Säuberungsmaschine
des Stadtwerks, die langsam wird.

 

Umbruch

Getrabt, mit grünen Hufen, kam,
über den buckligen Moränenrücken,
das Wetter. Und das Wetter,
das andere, in der Erde, rief,
dem Wetter, dem ersten, zu:
Frühling!

Die Bergmänner verwandelten sich
zu Wegerich. Der Brennesselbusch,
im Schatten der alten Gärtnerei,
keiner wird es glauben, ist
mein Vater.

Während man noch in der Zeitung
von Veränderungen liest,
schlagen die Regenschirme Wurzeln
im Autobus. In den Kellern
fällt Schnee, und das Unkraut,
hört man, fordert, wie die Asseln,
Gerechtigkeit.

 

Sag dir zweierlei

Sag dir, Schuld an allem sind sie:
Anfälle von Schwermut, Attacke
Kleptomanie, wenn überall aufhört,
was nie recht begann. Umgekehrt,
es muss etwas endlich beginnen,
und das endet und endet nicht mehr.
Sag dir, Schuld an allem bist du:
Verweigere jeden Beitrag, kliere
Tischnachbarn auf die Serviette,
hamstere das ganze Amsterdam,
betreibe ernsten Wasserhandel
mit der Moorlandschaft Gemüt.

Mirko Bonné (Tegernsee, 9 juni 1965)

 

Pearl Comfort Sydenstryker-Buck was een Amerikaanse schrijfster. Toen ze drie maanden oud was, ging ze met haar ouders naar de Chinese provincie Jiangsu, waar haar ouders missionaris waren. Pearl bracht de eerste jaren van haar jeugd in China door, maar in 1900 verliet de familie het land, omdat het daar door de Boxeropstand te gevaarlijk werd voor buitenlanders. Vanaf de jaren ’20 publiceerde Pearl Buck verhalen en essays. In 1930 publiceerde ze haar eerste roman, East Wind, West Wind. Haar beroemdste roman, The Good Earth, werd gepubliceerd in 1935. Pearl Bucks boeken spelen zich vooral in China af. Zij was de eerste vrouw die de Pulitzer Prijs voor fictie won met haar boek De goede aarde. In 1938 won ze als eerste Amerikaanse vrouw de Nobelprijs voor de Literatuur.

Citaten: 

“Some are kissing mothers and some are scolding mothers, but it is love just the same, and most mothers kiss and scold together.”

“It may be that religion is dead, and if it is, we had better know it and set ourselves to try to discover other sources of moral strength before it is too late.”

“The person who tries to live alone will not succeed as a human being. His heart withers if it does not answer another heart. His mind shrinks away if he hears only the echoes of his own thoughts and finds no other inspiration.”

 

Pearl S. Buck (
26 juni 18926 maart 1973)

 

Ingeborg Bachmann en George Orwell

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ingeborg Bachmann, de dochter van een onderwijzer,  was een vooraanstaande exponent van de Duitstalige literatuur na de Tweede Wereldoorlog. Geboren werd ze in Klagenfurt (Oostenrijk) op 25 juni 1926. Zij studeerde in Innsbruck, Graz en Wenen tussen 1945 en 1950, waar ze zich vooral op de filosofie en psychologie toelegde. Zij doctoreerde met een proefschrift over Martin Heidegger, en ging vervolgens voor de radio werken. In 1952 las ze haar eigen gedichten voor op een bijeenkomst van de Gruppe 47: dit luidde een snelle opmars van haar carrière in. Reeds een jaar later ontving ze de prijs van de Gruppe, voor haar dichtbundel Die gestundete Zeit, een grimmig, pessimistisch werk, met de beroemd geworden frase: „es kommen härtere Zeiten“ (hardere tijden komen eraan).

Die gestundete Zeit

Es kommen härtere Tage.
Die auf Widerruf gestundete Zeit
wird sichtbar am Horizont.
Bald musst du den Schuh schnüren
und die Hunde zurückjagen in die Marschhöfe.
Denn die Eingeweide der Fische
sind kalt geworden im Wind.
Ärmlich brennt das Licht der Lupinen.
Dein Blick spurt im Nebel:
die auf Widerruf gestundete Zeit
wird sichtbar am Horizont.

Drüben versinkt dir die Geliebte im Sand,
er steigt um ihr wehendes Haar,
er fällt ihr ins Wort,
er befiehlt ihr zu schweigen,
er findet sie sterblich
und willig dem Abschied
nach jeder Umarmung.

Sieh dich nicht um.
Schnür deinen Schuh.
Jag die Hunde zurück.
Wirf die Fische ins Meer.
Lösch die Lupinen!

Es kommen härtere Tage.   

 

Herbstmanöver

Ich sage nicht: das war gestern. Mit wertlosem
Sommergeld in den Taschen liegen wir wieder
auf der Spreu des Hohns, im Herbstmanöver der Zeit.
Und der Fluchtweg nach Süden kommt uns nicht,
wie den Vögeln, zustatten. Vorüber, am Abend,
ziehen Fischkutter und Gondeln, und manchmal
trifft mich ein Splitter traumsatten Marmors,
wo ich verwundbar bin, durch Schönheit, im Aug.

In den Zeitungen lese ich viel von der Kälte
und ihren Folgen, von Törichten und Toten,
von Vertriebenen, Mördern und Myriaden
von Eisschollen, aber wenig, was mir behagt.
Warum auch? Vor dem Bettler, der mittags kommt,
schlag ich die Tür zu, denn es ist Frieden
und man kann sich den Anblick ersparen, aber nicht
im Regen das freudlose Sterben der Blätter.

Laßt uns eine Reise tun! Laßt uns unter Zypressen
oder auch unter Palmen oder in den Orangenhainen
zu verbilligten Preisen Sonnenuntergänge sehen,
die nicht ihresgleichen haben! Laßt uns die
unbeantworteten Briefe an das Gestern vergessen!
Die Zeit tut Wunder. Kommt sie uns aber unrecht,
mit dem Pochen der Schuld: wir sind nicht zu Hause.
Im Keller des Herzens, schlaflos, finde ich mich wieder
auf der Spreu des Hohns, im Herbstmanöver der Zeit.

 

Alle Tage

Der Krieg wird nicht mehr erklärt,
sondern fortgesetzt. Das Unerhörte
ist alltäglich geworden. Der Held
bleibt den Kämpfen fern. Der Schwache
ist in die Feuerzonen gerückt.
Die Uniform des Tages ist die Geduld,
die Auszeichnung der armselige Stern
der Hoffnung über dem Herzen.

Er wird verliehen,
wenn nichts mehr geschieht,
wenn das Trommelfeuer verstummt,
wenn der Feind unsichtbar geworden ist
und der Schatten ewiger Rüstung
den Himmel bedeckt.

Ingeborg Bachmann (25 juni 1926 – 17 oktober 1973)

 

George Orwell (pseudoniem van Eric Arthur Blair) werd op 25 juni 1903 geboren in India. Als auteur van fictie had hij aanvankelijk niet veel succes, maar vanaf 1939 kreeg hij meer bekendheid. De dierensatire Animal Farm
wordt als zijn beste boek beschouwd. Het is een parabel over de Russische revolutie en hoe ze totaal gedegenereerd geraakt onder invloed van Stalin.

De meeste bekendheid kreeg hij echter met zijn toekomstroman 1984 (Nineteen-eighty-four) waarin hij in 1949 een somber beeld schetste van hoe de samenleving er in zijn ogen 35 jaar later uit zou zien: een totalitaire wereld waarin de menselijke vrijheid geheel aan banden gelegd zou zijn, gecontroleerd door het alziende oog van Big Brother.

Citaten:

” Serious sport has nothing to do with fair play. It is bound up with hatred, jealousy, boastfulness, disregard of all rules and sadistic pleasure in witnessing violence. In other words: it is war minus the shooting. “

” Speaking the Truth in times of universal deceit is a revolutionary act. “

” Political language. . . is designed to make lies sound truthful and murder respectable, and to give an appearance of solidity to pure wind. “

George Orwell (25 juni 1903 – 21 januari 1950)

 

Yves Bonnefoy

Yves Bonnefoy werd in Tours geboren op 24 juni 1923. Zijn eerste belangrijke werk Mouvement et de l’immobilité de Douve verscheen in 1953. Bonnefoy schreef studies over Nerval, Baudelaire en Rimbaud, maar ook over Shakespeare en Leopardi en over schilders uit de Renaissance en de Barok. Hij schreef bovendien over Delacroix en Giacometti, en dan zijn nog niet genoemd de vele hedendaagse kunstenaars met wie hij samen geïllustreerde edities van zijn werk publiceerde. Bonnefoy vertaalde een aantal dichters waaronder Keats, Donne, Leopardi en bovenal Shakespeare, waarvan hij een dozijn toneelstukken in het Frans vertaalde, waarbij elke vertaling begeleid werd door een kritische studie. Ook is hij uitgever van de Dictionnaire des mythologies (1981).  In 1981 werd hij ook in het Collège de France gekozen.

 

Ô poésie,
Je ne puis m’empêcher de te nommer
Par ton nom que l’on n’aime plus parmi ceux qui errent
aujourd’hui dans les ruines de la parole.
Je prends le risque de m’adresser à toi, directement,
Comme dans l’éloquence des époques
Où l’on plaçait, la veille des jours de fête,
Au plus haut des colonnes des grandes salles,
des guirlandes de feuilles et de fruits.

Je le fais, confiant que la mémoire,
enseignant ses mots simples à ceux qui cherchent
à faire être le sens malgré l’énigme,
Leur fera déchiffrer, sur ses grandes pages,
Ton nom un et multiple, où brûleront
en silence, un feu clair,
Les sarments de leurs doutes et de leurs peurs.

 

La maison natale

I

 

Je m’éveillai, c’était la maison natale,
L’écume s’abattait sur le rocher,
Pas un oiseau, le vent seul à ouvrir et fermer la vague,
L’odeur de l’horizon de toutes parts,
Cendre, comme si les collines cachaient un feu
Qui ailleurs consumait un univers.
Je passai dans la véranda, la table était mise,
L’eau frappait les pieds de la table, le buffet.
Il fallait qu’elle entrât pourtant, la sans-visage
Que je savais qui secouait la porte
Du couloir, du côté de l’escalier sombre, mais en vain,
Si haute était déjà l’eau dans la salle.
Je tournais la poignée, qui résistait,
J’entendais presque les rumeurs de l’autre rive,
Ces rires des enfants dans l’herbe haute,
Ces jeux des autres, à jamais les autres, dans leur joie.

 

 

II

 

Je m’éveillai, c’était la maison natale.
Il pleuvait doucement dans toutes les salles,
J’allais d’une à une autre, regardant
L’eau qui étincelait sur les miroirs
Amoncelés partout, certains brisés ou même
Poussés entre des meubles et les murs.
C’était de ces reflets que, parfois, un visage
Se dégageait, riant, d’une douceur
De plus et autrement que ce qu’est le monde.
Et je touchais, hésitant, dans l’image
Les mèches désordonnées de la déesse,
Je découvrais sous le voile de l’eau
Son front triste et distrait de petite fille.
Étonnement entre être et ne pas être,
Main qui hésite à toucher la buée,
Puis j’écoutais le rire s’éloigner
Dans les couloirs de la maison déserte.
Ici rien qu’à jamais le bien du rêve,
La main tendue qui ne traverse pas
L’eau rapide, où s’efface le souvenir.




© 2001, Yves Bonnefoy
Uit : Les planches courbes, 2001

Mercure de France, Paris

Yves Bonnefoy (Tours, 24 juni 1923)