Theodore Roethke, Thomas Mann

Theodore Roethke werd geboren in Saginaw, Michigan, in 1908. Als  kind bracht hij veel tijd door in de tuinbouwkassen van zijn vader en oom. De impressies die hij daar op deed zouden later de onderwerpen en de beelden in zijn poëzie beïnvloeden. Roethke studeerde magna cum laude af aan de universitteit van Michigan in 1929. Voor zijn eerste boek, Open House (1941), had hij tien jaar nodig en het kreeg een kritisch onthaal. Hij bleef spaarzaam publiceren, maar langzaamaan  groeide zijn reputatie met elke nieuwe uitgave, waaronder The Waking dat de Pulitzer Prize kreeg in 1954. Hij bewonderde de werken van dichters als Emerson, Thoreau, Whitman, Blake, en Wordsworh, als ook van Yeats and Dylan Thomas. Roethke had nauwe literaire vriendschapsbanden met zijn collega dichters W. H. Auden, Louise Bogan, Stanley Kunitz, and William Carlos Williams. Hij doceerde aan verschillende colleges en universiteiten, zoals Lafayette, Pennsylvania State, and Bennington, en werkte tot slot aan de universiteit van Washington, waar hij de mentor was van een generatie dichters uit het Noordwesten, zoals David Wagoner, Carolyn Kizer, and Richard Hugo. Theodore Roethke overleed op 1 augustus 1963.

The Waking

I wake to sleep, and take my waking slow.
I feel my fate in what I cannot fear.
I learn by going where I have to go.

We think by feeling. What is there to know?
I hear my being dance from ear to ear.
I wake to sleep, and take my waking slow.

Of those so close beside me, which are you?
God bless the Ground! I shall walk softly there,
And learn by going where I have to go.

Light takes the Tree; but who can tell us how?
The lowly worm climbs up a winding stair;
I wake to sleep, and take my waking slow.

Great Nature has another thing to do
To you and me, so take the lively air,
And, lovely, learn by going where to go.

This shaking keeps me steady. I should know.
What falls away is always. And is near.
I wake to sleep, and take my waking slow.
I learn by going where I have to go.  

 

Night Journey

Now as the train bears west,
Its rhythm rocks the earth,
And from my Pullman berth
I stare into the night
While others take their rest.
Bridges of iron lace,
A suddenness of trees,
A lap of mountain mist
All cross my line of sight,
Then a bleak wasted place,
And a lake below my knees.
Full on my neck I feel
The straining at a curve;
My muscles move with steel,
I wake in every nerve.
I watch a beacon swing
From dark to blazing bright;
We thunder through ravines
And gullies washed with light.
Beyond the mountain pass
Mist deepens on the pane;
We rush into a rain
That rattles double glass.
Wheels shake the roadbed stone,
The pistons jerk and shove,
I stay up half the night
To see the land I love.

Theodore Roethke (25 mei 1908 – 1 augustus 1963)

 

Volgens histoychannel.com bezocht Thomas Mann op 25 mei 1911 het Lido in Venetië. Daar deed hij de inspiratie op voor de novelle Der Tod in Venedig die een jaar later zou worden gepubliceerd. Laten we op deze sombere Hemelvaartsdag dan maar even met hem wegdromen naar zuidelijker sferen.

 

„…so sah er ihn denn wieder , den erstaunlichsten Landungsplatz , jene blendende Komposition phantastischen Bauwerks , welche die Republik den ehrfürchtigen Blicken nahender Seefahrer entgegenstellte : die leichte Herrlichkeit des Palastes und die Seufzerbrücke , die Säulen mit Löw’ und Heiligem am Ufer , die prunkend vortretende Flanke des Märchentempels , den Durchblick auf Torweg und Reisenuhr , und anschauend bedachte er , dass zu Lande , auf dem Bahnhof in Venedig anlangen einen Palast durch eine Hintertür betreten heisse , und dass man nicht anders , als wie nun er , als zu Schiffe , als über das hohe Meer die unwahrscheinlichste der Städte erreichen sollte .“ 

 

….

 

„…manchmal vormittags , unter dem Schattentuch seiner Hütte , hintraeumend ueber die Bläue des Südmeeres , oder bei lauter Nacht auch wohl , gelehnt in die Kissen der Gondel , die ihn von Markusplatz , wo er sich lange verweilt , unter dem gross gestirnten Himmel heimwärts zum Lido führte – und die bunten Lichter , die schmelzenden Klänge der Serenade blieben zurück – , erinnerte er sich seines Landsitzes in den Bergen , der Stätte seines sommerlichen Ringens , wo die Wolken tief durch den Garten zogen , fürchterliche Gewitter am Abend das Licht des Hauses löschten und die Raben , die er fütterte , sich in den Wipfeln der Fichten schwangen.“

 

Uit: Der Tod in Venedig

Het Lido