Schmidt, Achterberg, Balzac, Malot

Een rijke oogst aan literaire verjaardagen vandaag.

Wie kent haar niet, Annie M.G. Schmidt?

 

De snob

Ik dank de hemel voor het woord niveau,
want met dat woord kan ik me distantiëren.
Ik kan mij niet … dat is nu eenmaal zo …
met Jan en Piet en Klaas gaan occuperen,

want mijn niveau is steeds omhoog gegaan,
het is nu zoetjesaan zó hoog geworden:
Ik kan er zelf niet bij. Ik hang er áán!
Van uit die hoogte kijk ik op de horde.

En voor mijn naaste buurman voel ik niets,
mijn buurman mag dan nog zo’n nobel mens zijn,
mijn buurman heeft nog nooit gehoord van Keats,
ik ben geen snob, maar ergens moet een grens zijn.

Dat ik de dichter Piet persoonlijk ken
en zelfs twee worstjes met hem heb gegeten,
dat maakt dat ik iets heel bijzonders ben,
dat moet de wereld dan ook maar eens weten.

Voor ik iets mooi vind, kijk ik om me heen,
ik laat me niet ontroeren, voor het safe is.
Vindt Simon Vestdijk het ook mooi? O, neen?
Dan weet ik dus al zeker dat het scheef is.

Ik hang hier al zo lang. Ik word wèl moe.
Ik zou zo graag eens Hollands Glorie lezen…
maar mijn niveau laat dat volstrekt niet toe,
dus moet het maar weer Joyce of Huxley wezen.

Annie M.G. Schmidt

uit: Invers, poëzie moet uit haar boeken treden, Erik Heyman, Koen Stassijns , Ivo van Strijtem, NV Standaard Uitgeverij 1994   

 

Annie M.G. Schmidt (20 mei 1911 – 21 mei 1995)

 

Er zijn van die dichtregels die je voorgoed anders naar de werkelijkheid doen kijken:

“Den Haag, je tikt er tegen en het zingt” is er zo een van Gerrit Achterberg.

 

Passage

Den Haag, stad, boordevol Bordewijk
en van Couperus overal een vleug
op Scheveningen aan, de villawijk
die kwijnt en zich Eline Vere heugt.

Maar in de binnenstad staan ze te kijk,
deurwaardershuizen met de harde deugd
van Katadreuffe die zijn doel bereikt.
Ik drink twee werelden in ene teug.

Den Haag, je tikt er tegen en het zingt
In de passage krijgt de klank een hoog
weergalmen en omlaag een fluistering
tussen de voeten over het graniet;
rode hartkamer die in elleboog
met drie uitmondingen de stad geniet.  

Achterberg
Gerrit Achterberg (20 mei 1905 –  17 januari 1962)

 

Een prozaschrijver is niet gemakkelijk in een paar regels te representeren. Van Honoré de Balzac blijven talloze citaten voortleven:

  

« Oublier est le grand secret des existences fortes et créatrices. »

 

« L’amour est la poésie des sens »       

 

« Ce qui rend les amitiés indissolubles et double leur charme est un sentiment qui manque à l’amour : la certitude.»

   

 

“Entre la poire et le fromage Bianchon arriva, par d’habilles préparations, à parler de la messe, en la qualifiant de momerie et de farce.
– Une farce, dit Desplein, qui a coûté plus de sang à la chrétienté que toutes les batailles de Napoléon et que toutes les sangsues de Broussais !
La messe est une invention papale qui ne remonte pas plus haut que le VIe siècle, et que l’on a basé sur Hoc est corpus. Combien de sang n’a-t-il pas fallu établir la Fête-Dieu par l’institution de laquelle la cour de Rome a voulu constater sa victoire dans l’affaire de la Présence Réelle, schisme qui pendant trois siècles a troublé l’Eglise ! Les guerres du conte de Toulouse et des Albigeois sont la queue de cette affaire. Les Vaudois et les Albigeois se refusaient à reconnaître cette innovation.”

 

Honoré de Balzac / La Messe de l’Athée / 1836   

 

 
Honoré de Balzac (20 mei 1799 – 18 augustus 1850)    

 

 

Net als met Robinson op zijn verlaten eiland kon ik als kind helemaal opgaan in de wereld van Remi uit “Alleen op de wereld” van Hector Malot.

Toch maar een fragment uit “Alleen op de wereld”:

“We gingen terug, tegen de scherpe wind in en ik begreep, dat we verdwaald waren. Vreselijk! verdwaald in ’n stikdonkere, koude nacht…..
Onwillekeurig bleef ik staan, doch Vitalis trok me mee. “Kom,” zei hij, “volhouden!”
We liepen een eind de weg terug, die we pas waren langs gekomen.
“Zie je nu een bosje bomen?”
“Ja, daar links van de weg, zie ik ze.”
“En lopen er wagensporen door de weg?”
“Nee, wagensporen kan ik niet ontdekken!”
“’t Schijnt wel, dat ik blind ben,” mompelde Vitalis, terwijl hij zich over de ogen streek. “Kom Remi, laten we dan recht op die bomen aanlopen!”
Zo deden we en toen riep ik opeens: “Ik zie een muur!”
“Je zult een hoop stenen zien,” meende Vitalis.
Maar ik hield vol, dat het een muur was en toen hij met de handen langs de muur had getast, moest hij toegeven, dat ik gelijk had.
“Zoek nu eens naar de wagensporen.”
Ik kroop over de grond en zocht naar de sporen, maar te vergeefs.
“Dan is de toegang tot de steengroeve dichtgemetseld!” stelde Vitalis vast, “houd maar op met zoeken, we komen er niet in.”
“Maar wat moeten we dan beginnen?” vroeg ik angstig.
“Ik denk, dat we hier moeten sterven, Remi….”
“Sterven?”
“Ja, jongen, dat is vreselijk voor jou, want je bent nog zo jong. Kom, laten we proberen Parijs weer te bereiken, dan gaan we naar het politiebureau. Ik had ons dat willen besparen, maar het moet.”
We sloften verder, maar al spoedig kon hij niet meer.
Ons pad liep nu langs een schutting en in die schutting was een deur, die openstond. Daar achter lag een hoge mestvaalt met veel stro, zoals tuinders die ’s winters op hun land hebben liggen.
“Laten we daar gaan zitten,” hijgde Vitalis.
“Maar ’t is zo koud en…”
“De mesthoop beschut ons tegen de wind en de sneeuw en we kunnen onder het stro kruipen”.
Ik haalde het stro zoveel mogelijk op een hoop en we gingen er in zitten, dicht tegen elkaar aan.
“Neem Capi bij je, Remi, het dier zal je verwarmen,” zei Vitalis nog. Ik legde wat stro over ons beiden heen en kroop vlak tegen hem aan. Daarop boog hij zich over mij heen en gaf mij een kus. Het was de tweede maal, dat hij dit deed en het was helaas ook de laatste maal…”   


Hector Malot
(20 mei 1830- 17 juli 1907)

P. C. Hooftprijs uitgereikt aan H. C. ten Berge

Op vrijdag 19 mei 2006 werd in het Letterkundig Museum de P.C. Hooftprijs uitgereikt aan H. C. ten Berge voor zijn gehele oeuvre.. H. C. ten Berge (Eigenlijk: Johannes Cornelis) werd geboren in Alkmaar op 24 december 1938. Zie ook alle tags voor H. C. ten Berge op dit blog.

De P.C. Hooftprijs is een jaarlijkse oeuvreprijs die afwisselend bestemd is voor een dichter, een prozaschrijver of een essayist. In 2005 was de belangrijke literaire prijs voor Frédéric Bastet, onder meer biograaf van Louis Couperus. De laatste dichter die de prijs in de wacht sleepte, was H.H. ter Balkt (2003).

Dorp in lentestemming

Nu de wijven
Schutteldoeken uit het telraam
Van hun mager a b c
Hoe innemend de haat kraait, de vliesdunne wrevel

Bij donker alleen met de rook
Het gebaar voor de spiegel
De baltsende vogel vergaat
In het vuur van haar bloot

Ah de muis in haar hand de beminde
Die klautert en klimt
In haar adem

Het lichaam staat groot
Voor zijn beeld, en alleen
Het wordt oud, tot schrikbeeld verkild
Tegen glas aangedrukt

Gekooid in verbeten geween.

 

De laatste modernist

Hij wilde bij maanlicht vulkanen bestijgen
maar dronk een glas wijn bij het vuur.

Hij dacht zich op jacht in het schemerige noorden
maar stond in een sneeuwbui van meeuwen op pas geploegd land.

Hij moest nog een meesterwerk scheppen
maar viel in slaap bij muziek van Ooitweer en Voorheen.

Hij droomde een mes in de strot van de poolvos
maar priemde een balpen door kringlooppapier.

Hij tartte het weer en de wereld, verachtte de god van de vader
maar zag dat ook zijn naam stilaan verdween.

Hij strooide ze rond, explosies van kleuren, vermetele beelden,
maar hoorde blasfemische echo’s vol spot.

Hij wist zich op weg naar de hemel
maar stuitte op plaksterren aan het plafond.

Hij dacht aan een lichaam volleerd in de liefde
maar lag naast een lijf dat niks wou.

Hij schiep zich een ijstijd, massale sterfte, beelden van leegte
en bijtende kou op de rand van haast niets,

Maar onbegrensd, in zoiets als een ruimte
die iedereen huiverend mijdt.

Hij zocht wat hij vond: het kleinste detail en het grote gebaar,
een zin die versmolt, een beeld dat bevroor –

Elk woord lag volmaakt in de mond
maar verkleumd zocht een hand naar de hand van een vrouw.

O, dat er een eind aan kwam!

De laatste modernist te zijn
die z’n ziel aan een ijzige demon verpandt.

 

Slechtzittend gedicht

Achter brillen met geschilderde pupillen
worden doordeweekse daden uitgedacht.

‘Hoe eensgezind spannen zij samen.’

Blank gebolsterd, ruw van pit
weet men zich op zondag voor de heer
verschoond en opgewit;
de eigen lijven achter eigen borrels, bijbels
en bloedeigen boerenwijven.

‘Sla neer de kracht van wie afvallig rebelleert’

Beter dwalen ten hele
dan weer ten halve gekeerd.

Jij blijft zitten waar je zit
en herinnert je de coca-
coladoppen in de ogen van Egyptische kamelen.

 
H. C. ten Berge (Alkmaar, 24 december 1938)