Friedrich Rückert en Miguel Declercq


Friedrich Rückert werd op 16 mei 1788 in Schweinfurt geboren. Hij was een taalgenie en een veelschrijver die zijn gelijke niet kent, maar dat heeft zijn blijvende roem eerder tegengewerkt dan bevorderd. Ook een zeer vlijtige hedendaagse lezer stuit dan al gauw op de grenzen van zijn opnamecapaciteit. Bovendien heeft veel van zijn werk een didactisch karakter (waar de omstandigheid dat hij 10 kinderen had niet vreemd aan zal zijn). Zin beroemdste werk in dit verband is  de Weisheit des Brahmanen dat in de periode 1836 – 38 verscheen in zes delen.

 

Populair werd hij met zijn Geharnischten Sonetten die hij onder het pseudoniem Freimund Reimar schreef tegen de napoleontische bezetting. Deze sonnetten werden echter pas later, na de beeindiging van de “ Befreiungskriege“ gepubliceerd. Aangrijpend zijn de Kindertotenlieder waarin hij klaagt over de vroegtijdige dood van twee van zijn lievelingskinderen in 1833/34. Verschillende van deze gedichten zijn door Mahler op muziek gezet en zo bij een groter publiek bekend gebleven. Wat echter minder mensen weten is dat hij wel meer dan 400 van deze Kindertotenlieder schreef. Rückert stierf op 31 januari 1866.

 

Uit de Kindertotenlieder:

Du bist ein Schatten am Tage
Und in der Nacht ein Licht;
Du lebst in meiner Klage
Und stirbst im Herzen nicht.

Wo ich mein Zelt aufschlage
Da wohnst Du bei mir dicht;
Du bist mein Schatten am Tage
Und in der Nacht mein Licht.

Wo ich auch nach Dir frage
Find ich von Dir Bericht,
Du lebst in meiner Klage
Und stirbst im Herzen nicht.

Du bist ein Schatten am Tage
Und in der Nacht ein Licht;
Du lebst in meiner Klage
Und stirbst im Herzen nicht. 

                 *

 Wenn dein Mütterlein

 tritt zur Tür herein,

 Und den Kopf ich drehe,

 ihr entgegen sehe,

 Fällt auf ihr Gesicht

 erst der Blick mir nicht,

 Sondern auf die Stelle,

 näher nach der Schwelle,

 Dort, wo würde dein

 lieb Gesichten sein,

 Wenn du freudenhelle

 trätest mit herein,

 Wie sonst, mein Töchterlein.

 

 Wenn dein Mütterlein

 tritt zur Tür herein,

 Mit der Kerze Schimmer,

 ist es mir, als immer

 Kämst du mit herein,

 huschtest hinterdrein,

 Als wie sonst ins Zimmer!

 O du, des Vaters Zelle,

 Ach, zu schnelle

 erloschn
er Freudenschein!

 

Uit de Geharnischte Sonnette:

 

Was schmiedst du, Schmied? »Wir schmieden Ketten, Ketten!«
Ach, in die Ketten seid ihr selbst geschlagen.
Was pflügst du, Bau’r? »Das Feld soll Früchte tragen!«
Ja, für den Feind die Saat, für dich die Kletten.
   

Was zielst du, Schütze? »Tod dem Hirsch, dem fetten.«
Gleich Hirsch und Reh wird man euch selber jagen.
Was strickst du, Fischer? »Netz dem Fisch, dem zagen.«
Aus eurem Todesnetz wer kann euch retten?
   

Was wiegest du, schlaflose Mutter? »Knaben.«
Ja, dass sie wachsen und dem Vaterlande,
Im Dienst des Feindes, Wunden schlagen sollen.
   

Was schreibest, Dichter, du? »In Glutbuchstaben
Einschreib’ ich mein und meines Volkes Schande,
Das seine Freiheit nicht darf denken wollen.«   

 

 

Dit werd vertaald door ons aller Nicolaas Beets, maar hij vermocht de vorm van het sonnet daarbij niet te behouden!

Onder ’t vreemde juk

(Uit Rückert’s Geharnischte Sonnette, verechenen ten jare 1814.)

 

Wat smeedt gij, Smid? „Wij smeden enkel keetnen.”
Helaas, uw eigen hand omklemt een boei.”
Wat ploegt gij Boer?
„Opdat de veldvrucht groei!”
Ja, voor den vijand tarw, voor u brandneetlen

 

Wat zoekt gij, Weiman? „Haar en veer, ten buit.”
Hoor ’t jachtrumoer van die Uw leven zoeken.
Wat doet gij, Visscher?
„’t Watervolk verkloeken.”
Wie breekt het net; dat om uw leden sluit?

 

Wat wiegt gij, Moeders! en verbiedt u ’t slapen ?
„Een frissche teelt van forsch gespierde knapen.”
Ja om, in ’s Vreemdlings dienst, hun Vaderland
Ten bloede toe te slaan met eigen hand.

 

Wat schrijft gij, Dichter? „’k Grif in gloênde letteren
Mijn eigen en mijns volks ondelgbre schand,
Dat wij aan onzen kerkerwand
De onteerde hoofden niet verpletteren!”  

 

Nicolaas Beets

 

 

Friedrich Rückert (16 mei 1788 – 31 januari 1866)

En zomaar, omdat ik hem door een typfout in Google ineens tegen kwam:

Miguel Declercq (Oostende 1976) publiceerde gedichten in de meest diverse literaire tijdschriften; van kleine, soms gefotokopieerde blaadjes, over Deus Ex Machina en Yang, tot Nederlandse bladen als De Revisor, Maatstaf en Parmentier. Vooral Yang speelde een belangrijke rol in de ‘ontdekking’ van Declercq. Behalve poëzie publiceerde hij in Yang ook een fragment uit de roman waaraan hij werkte. Dat werd opgemerkt door uitgeveri
j De Arbeiderspers. Redacteur Peter Nijssen belde Declercq op en nodigde hem uit voor een gesprek in Amsterdam. Bij die afspraak had Declercq zijn poëziebundel Person@ges meegebracht. De Arbeiderspers besliste om die poëziebundel eerst uit te geven. Pas later vernam Miguel Declercq dat Bart Vanegeren, toen scout voor De Arbeiderspers, de uitgever op zijn tijdschriftenpublicaties gewezen had. Na Person@ges in 1997 verschijnt de roman Wat Chloé overkwam in het voorjaar 1999 bij De Arbeiderspers. Person@ges werd bekroond met de Hugues C. Pernath-prijs.

 


Condomen, geld, placebo’s, sigaretten, keelgeluid,
een yoghurtwitte ladyshave, meringueputti, vier
oranjeschillen, chips, prothesen, een injectiespuit,
frambozen door een blik omarmd, een glitterjurk, papier,
pantoffelhouten kelkenbakjes, hasjiesj, nagellak,
een jampot die bonbons bevat, een serpentinepruik,
madonna van de sites, gelei, Flaubert, een lip, Balzac,
een watertrampolinebed, een glazen onderbuik,
muziek, ivoren oorringen, een linnenkist, een leeg
aquarium met kalkaanslag, rood ondergoed, een blauw
tapijt, een rocking chair, gebak, omhuld met bladerdeeg,
een dobbelsteen, bottines, snippers, as en vliegertouw
verblijven hier onaangetast. Er is geen hand die duidt.
Quarkmatig zwermt het avondlicht over de kamer uit.

 

 

Miguel Declercq  ( uit: Person@ges (1997)  

 

 

 

Miguel Declercq