Walt Whitman

Walt Whitman werd geboren op 31 mei 1819 in Westhills, Long Island, New York. Hij geldt als een van de grondleggers van de moderne Amerikaanse poëzie. Zijn beroemdste werk is Leaves of Grass. Whitman werd als zoon van een timmerman geboren in een boerderij in de buurt van het huidige South Huntington (New York) en was het tweede van negen kinderen. In 1823 trok zijn familie naar Brooklyn, waar hij zes jaar lang naar school ging. Toen hij 12 was begon hij als leerling-zetter te werken. Als autodidact las hij de werken van Homerus, Dante en Shakespeare. Na een leertijd van twee jaar verhuisde Whitman naar Manhatten waar hij in verschillende drukkerijen werkte. In 1835 ging hij terug naar Long Island en werd hij leraar. Ook begon hij in Huntington met een krant, de Long Islander. Toen hij in 1850 terugkeerde naar Brooklyn wekte hij als makelaar en financierde op die manier de uitgave van Leaves of Grass. De eerste uitgave in 1855 telde 12 gedichten. Er volgden verschillende bewerkingen. De tweede uitgave in 1856 telde 34, de derde in 1860 154 gedichten. Tijdens de Amerikaanse burgeroorlog werkte Whitman vrijwillig als hulpverpleger in Washington D.C. Onder invloed van de oorlog onstond de bundel Drum Tabs die in 1865 werd gepubliceerd. In hetzelfde jaar kreeg Whitman een baan op het ministerie van Binnenlandse Zaken, maar hij werd later door de minister ontslagen wegens de “onzedelijkheid van zijn dichtwerk”. Hij ging echter door met publiceren. In 1871 verscheen Democratic Vistas. Na een beroerte in 1873 werd Whitman arbeidsongeschikt. Hij kreeg last van tijdelijke verlammingsverschijnselen. Sindsdien leidde hij een zeer sober bestaan. In 1882 verschenen zijn dagboeken. In 1892 verscheen de negende druk van Leaves of Grass, nu met meer dan 400 gedichten. In zijn gedichten verheerlijkt Whitman de natuur en de democratie van zijn land. Hij behandelt de gelijkberechtiging van de geslachten en onthult biseksuele neigingen. Door de kritiek wordt hij daarop heftig aangevallen. Een grote invloed op Whitman had Ralph Waldo Emerson. Whitmans werk beïnvloedde niet alleen de Amerikaanse literatuur, maar ook het Europese Naturalisme en Expressionisme. Walt Whitman overleed op 26 maart 1893 in Camden, New Jersey.

 

I Hear America Singing

I hear America singing, the varied carols I hear,
Those of mechanics, each one singing his as it should be blithe and strong,
The carpenter singing his as he measures his plank or beam,
The mason singing his as he makes ready for work, or leaves off work,
The boatman singing what belongs to him in his boat, the deckhand singing on the steamboat deck,
The shoemaker singing as he sits on his bench, the hatter singing as he stands,
The wood-cutter’s song, the ploughboy’s on his way in the morning, or at noon intermission or at sundown,
The delicious singing of the mother, or of the young wife at work, or of the girl sewing or washing,
Each singing what belongs to him or her and to none else,
The day what belongs to the day—at night the party of young fellows, robust, friendly,
Singing with open mouths their strong melodious songs.

 

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is walt-whitman.jpg

De jonge Walt Whitman

1

 

In paths untrodden,
In the growth by margins of pond waters,
Escaped from the life that exhibits itself,
From all the standards hitherto published — from the pleasures, profits, conformities,
Which too long I was offering to feed my Soul;
Clear to me now, standards not yet published — clear to me that my Soul,
That the Soul of the man I speak for, feeds, rejoices only in comrades;
Here, by myself, away from the clank of the world,
Tallying and talked to here by tongues aromatic,
No longer abashed — for in this secluded spot I can respond as I would not dare elsewhere,
Strong upon me the life that does not exhibit itself, yet contains all the rest,
Resolved to sing no songs to-day but those of manly attachment,
Projecting them along that substantial life,
Bequeathing, hence, types of athletic love

Afternoon, this delicious Ninth Month, in my forty-first year,
I proceed, for all who are, or have been, young men,
To tell the secret of my nights and days,
To celebrate the need of comrades.

  

 

26

WE two boys together clinging,
One the other never leaving,
Up and down the roads going — North and South excursions making,
Power en
joying — elbows stretching — fingers clutching,
Armed and fearless — eating, drinking, sleeping, loving,
No law less than ourselves owning — sailing, soldiering, thieving, threatening,
Misers, menials, priests, alarming — air breathing, water drinking, on the turn of the sea-beach dancing,
With birds singing — With fishes swimming — With trees branching and leafing, Cities
wrenching, ease scorning, statutes mocking, feebleness chasing,
Fulfilling our foray.  

 

Walt Whitman, Uit: Calamus Poems: Leaves of Grass, Thayer and Eldridge, Boston 1860

 

Walt Whitman (31 mei 1819 – 26 maart 1893)
Portret van Walt Whitman door Thomas Eakins, 1887-88

 

 

A. den Doolaard / Emmanuel Hiel

“Macedonië eert A. den Doolaard met standbeeld en plein”, zo meldde het radioprogramma Met het oog op morgen afgelopen week ter inleiding van een interview met zijn dochters.

In Ohrid (Macedonië, soms ook gespeld als Ochrid) is op 29 mei 2006 een standbeeld onthuld ter ere van A. den Doolaard. Ook zal er een plein worden vernoemd naar de schrijver, die er in 1938 een deel van zijn roman de bruiloft der zeven zigeuners schreef. 

A. den Doolaard werd geboren in Zwolle op 7 februari 1901. Na het overlijden van zijn vader wordt hij boekhouder bij de Bataafse Petroleum Maatschappij (van 1920 tot 1928). In 1926 debuteert hij met ‘de verliefde betonwerker’, een bundel vitalistische gedichten. In 1928 zegt hij zijn baan op en begint hij met een aantal zwerftochten door de Balkan en Frankrijk, waar hij diverse baantjes heeft zoals steenhouwer, druivenplukker, landarbeider en dokwerker. De ervaringen die hij tijdens deze zwerftochten opdoet, verwerkt hij in romans en krantenartikelen. Al vroeg waarschuwt Den Doolaard tegen het opkomende fascisme. Wanneer de Duitse legers in mei 1940 de lage landen binnenvallen, vluchten Den Doolaard en zijn vrouw per fiets naar het zuiden. Uiteindelijk slagen ze er in om Engeland te bereiken. In Londen werkt Den Doolaard als omroeper bij de radiozenders de Brandaris en Radio Oranje. Na de Tweede Wereldoorlog doet Den Doolaard verslag van de droogmaking van Walcheren, om zich daarna voor enige tijd te vestigen in de Verenigde Staten en Joegoslavië. Vanaf 1954 woont hij in Hoenderloo. Van daar uit onderneemt Den Doolaard nog vele reizen, en verwerkt deze ervaringen in romans, krantenartikelen en reisverslagen. Den Doolaard beschreef zijn werk en leven in ‘Het leven van een landloper’. Hij overleed op 26 juni 1994.

Februari-staking

Zij staakten niet om goed of geld,
Niet om der wille van den brode;
Zij staakten tegen bruut geweld;
Zij staakten om geslagen Joden.

Helden, die in de oorden zijt
Die geen tiran ooit zal betreden,
Verlicht gij de verlorenheid
Van hen in ’t donker hier beneden.

Daal naar hun cellen, voor de nacht
Zich kleurt tot roden stervensmorgen;
Vertel hun van het slapen zacht
In ongebluste kalk geborgen;

Vertel hun, hoeveel beter ’t is
Om zonder kruis en zonder botten
Te wachten op de herrijzenis
Dan laf en levend te verrotten.

Tussen de blinddoek en de dood
Is enkel maar het korte knallen.
Grijp dan hun hand, opdat zij groot
En zwijgend voorovervallen.

Ga met Uw mond tot bij hun oor
En zeg: ‘Dit is de laatste wonde’,
En fluister hun de woorden voor:
‘Mijn God, vergeef ons onze zonden.

‘Wij staakten niet om goed of geld,
‘Niet om der wille van den brode;
‘Wij staakten tegen ’t beulsgeweld:
‘Wij staakten om geslagen Joden.’

A. den Doolaard (7 februari 1901 – 26 juni 1994)  

 

Emmanuel Hiel werd geboren te Sint-Gillis-Dendermonde op 30 mei 1834. Tot 1845 ging hij naar de gemeenteschool in Dendermonde. Hij vond werk als klerk en werd medewerker aan de “Gazet van Dendermonde”. Hij opende een Nederlandstalig boekenwinkeltje, een hele onderneming in die tijd. In 1859 kreeg hij een betrekking op een afdeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, belast met het behartigen van de specifieke Vlaamse culturele aangelegenheden. Later werd hij ook nog hoogleraar in Nederlandse voordracht aan het Koninklijk Conservatorium. In 1869 werd hij bibliothecaris van het Koninklijk Nijverheidsmuseum. Hij knoopte vriendschappelijke betrekkingen aan met o.a. Charles De Coster, Peter Benoit en Hendrik Conscience. Hij was hoofdredacteur van het “Nederduitsch Tijdschrift”. In 1886 werd hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Vooral me libretto’s, geschreven voor Peter Benoit, verwierf hij bekendheid (o.a. de oratoria “Lucifer” en “De Schelde”). Emmanuel Hiel overleed te Schaarbeek op 27 augustus 1899.

Werken: o.a. Gedichten (1874), Flandrialiederen voor ons volk (1886), Symfonieën en andere gezangen (1894).

O, gij voor wie de driften zwijgen

Wanneer de droppels door uw borst
Als door een doek der liefde zijgen
Ter lessing van des kindjes dorst,
Wat zijt ge schoon en opgetogen,
Iets zoets ontstraalt uw dromende ogen.
Iets, dat getuigt hoe gij geniet,
Iets, als in ‘t oge der gazelle,
Wanneer zij in de klare welle
Met lust zich rein weerspiegeld ziet.

Bemerkt ge niet in ‘t teedre wichtje.
Als in de bron, uw evenbeeld,
In wiens onnozel aangezichtje
Nu reeds de reine liefde speelt?
Ik voel het, ‘k ben voor u verdwenen,
Maar toch mijn harte zal niet wenen,
Een kindeke ligt op uw schoot,
Dat gij met feller gloed zult minnen
Dan ‘t woest gestorm
der hete zinnen,
Dat u de mannenliefde bood.

O heilig, driemaal heilig wezen,
Waaruit het vlees zo fris verrijst,
O, laat mij in uw blikken lezen’
De vreugde die uw ziele spijst
Met liefde voor de schone wereld,
Terwijl aan uwe borsten perelt
De melk in volle zuiverheid,
Terwijl uw kindje ligt te woelen
En teer maar innig moet gevoelen
De moeder is de onsterflijkheid.

Emmanuel Hiel (30 mei 1834 – 27 augustus 1899)

Marcel Beyer en Bei Dao

Marcel Beyer werd op 23 november 1965 in Tailfingen / Württemberg geboren. Hij studeerde Duits, Engels en Algemene Literatuurwetenschap in Siegen. Hij is schrijver, uitgever (Vergessene Autoren der Moderne samen met Karl Riha), vertaler en essayist. Tot 1996 woonde hij in Keulen, tegenwoordig in Dresden. Beyer publiceert in verschillende dagbladen en tijdschriften literaire kritieken, essays en journalistiek werk. Hij vertaalde uit en naar het Engels (o.a. Max Ernst, E .E. Cummings, Norbert Hummelt, William S. Burroughs, Gertrude Stein, Kurt Schwitters).

 

Im Hotel Orient

Wir sind gepuderte Gestalten

auf Polstern in der Sitzecke

halbdunkel, schwarzer Samtverschnitt.

Das sind die wahren Etablissements,

Männer im Unterhemd öffnen die Tür.

Ich bin jedoch nur Augen- / Ohrenkunde:

Gibt es das Räuspern noch? Das Schnupfen?

Das Verhören? „Die waren hungrig“, nachts,

im Nebenzimmer, spät bis Drei.

Und wir sind traurige Figuren

am Lacktisch, Nachtgespräch.

Augen, halboffen. Frisch rasierte Schläfen:

Gibt es das Flüstern noch? Das Rauchen?

Spiele die Koksnase: das mitgegangene

Tütchen Zucker, SANTORA, vor dem

kalkfleckigen Spiegel inhaliert.

MAXIM FUTUR-Spiegelung: Gibt es

das Schlucken noch? Und stehe da

wie aromatisiert: heiß, holundrisch

und schwach.          

 

 

 

Die ungeputzten Zähne

Schlaf, wo ich nicht geschlafen habe. So viele Hände am

Griff, am Becken, und was darunter war. So schwacher

Atem bald, kein Schlaf. Was hätte sein dürfen, was

sollen, was  zwischen meinen Zähnen bleibt, wonach

 

es schmeckt. Schlaf der Entbrannten, der Erwachten.

Was Regenvorhang, fremder Staub und Spucke, was

halber Schnee bis in das Hemd. So viele Hände auf dem

 

Küchentisch, am Fenster, kein Schlaf. Was fremdes Fett

am Heizkörper, am Herd, so klares Dunkel und was hätte

schlafen sollen. So laufe ich im Schneeregen, im Januar

mit wieder ungeputzten Zähnen, wo ich nicht geschlafen habe.

 

 

Marcel Beyer (Tallingen, 23 november 1965)

 

Bei Dao, geboren in 1949, geldt als een van de belangrijkste hedendaagse Chinese schrijvers. In het kader van de democratiseringsbeweging van 1978 werd hij door zijn poezie  tot een symboolfiguur van het protest. Met de oprichting van Jingtian („Vandaag“), het eerste oppositionele literatuurtijdschrift na 1949, schiep hij mede een kristallisatiepunt voor de literaire lente in Peking. Desondanks kon hij tot 1987 als uitgever van verschillende Chinese kranten en literaire tijdschriften blijven werken en kreeg hij in 1988 zelfs nog de Staatsprijs van de Volksrepubliek China voor de beste dichtbundel. Nadat hij zich echter in 1989 in een open brief aan Deng Xiaoping voor de vrijlating van de schrijver Wei Jingsheng had ingezet, vluchtte hij uit China om aan arrestatie, of zelfs een mogelijke terechtstelling te ontkomen. Verschillende gastdocentschappen voerden hem naar Engeland, Denemarken en de VS, waar hij tegenwoordig nog woont. Hij is sinds 1996 erelid van de American Academy of Arts and Letters en werd al een paar keer voor de Nobelprijs voorgedragen.

 

Black Map

in the end, cold crows piece together
the night: a black map
I’ve come home– the way back
longer than the wrong road
long as a life

bring the heart of winter
when spring water and horse pills
become the words of night
when memory barks
a rainbow haunts the black market

my father’s life-spark small as a pea
I am his echo
turning the corner of encounters
a former lover hides in a wind
swirling with letters

Beijing, let me
toast your lamplights
let my white hair lead
the way through the black map
as though a storm were taking you to fly

I wait in line until the small window
shuts: O the bright moon
I’ve come home– goodbyes
are less than reunion
only one less   

 

Ramallah

in Ramallah
the ancients play chess in the starry sky
the endgame flickers
a bird locked in a clock
jumps out to tell the time

in Ramallah
the sun climbs over the wall like an old man
and goes through the flea market
throwing mirror light on
a rusted copper plate

in Ramallah
gods drink water from earthen jars
a bow asks a string for directions
a boy sets out to inherit the ocean
from the edge of the sky

in Ramallah
seeds sown along the high noon
death blossoms outside my window
resisting, the tree takes on a hurricane’s
violent original shape  

Vertaald uit het Chinees door Eliot Weinberger  

   

Bei Dao (Beijing, 2 augustus 1949)

 

 

 

 

Paul Bogaert en Thomas Moore

De Vlaamse dichter Paul Bogaert (1968) publiceerde eerder de dichtbundels welcome hygiëne (1996) en, in een bibliofiele uitgave, toespraak (1998) en AUB (2006). Gedichten uit Circulaire systemen stonden in onder andere De Gids, DWB en Nieuwzuid. toespraak is ook te vinden op internet. Een bespreking van AUB is te vinden  bij Literair Vlaanderen.

Zonder handen

Een achtarmige snelbinder zo aangespannen

dat het vanwege de haken en de spankracht

gevaarlijk is de ogen er dichter bij te houden

dan nodig om het te zien: dit is het beeld

dat u kan helpen in te komen in wat volgt.

Breng het niet in verbinding met uzelf.

Het zijn mijn kaken.

Mocht ik jonger zijn en leven in een ander tijdsgewricht,

ik had u niet geschreven. Ik had u aangeraden

uit de buurt te blijven, de spieren van uw buik

een uurlang te masseren of de beweging van de mond

als iets beperkts te zien. Ik had u links en rechts

gekust. Ik had u

op het hart gedrukt wiens adem naar bagage ruikt, te mijden.

 

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is paul.jpg

Paul Bogaert (1968)

 

Thomas Moore, zoon van een schoenmaker, werd geboren op 28 mei 1779 in Dublin. Hij was een dichter, satiricus, componist en musicus van naam. In zijn 10 delen omvattende Irish Melodies (1807 – 34) vindt men ook 130 gedichten die op muziek gezet zijn door Moore en Sir John Stevenson. Veel van de muziek was gebaseerd op oudere Ierse melodieën. Irish Melodies was zo populair dat Moore er gedurende 25 jaar 500 pond per jaar mee verdiende. Hoewel hij bekend was door zijn muziek, werd hij ook als dichter gevierd. Voor zijn gedicht Lalla Rookh (1817) ontving hij 3000 pond – een record voor die tijd. Zijn reputatie was te vergelijken met die van Byron en Shelley.

She is far from the land  

She is far from the land where her young hero sleeps,
And lovers are round her, sighing;
But coldly she turns from their gaze, and weeps,
For her heart in his grave is lying.

She sings the wild song of her dear native plains,
Every note which he loved awaking; —
Ah! little they think, who delight in her strains,
How the heart of the Minstrel is breaking.

He had lived for his love, for his country he died,
They were all that to life had entwined him;
Nor soon shall the tears of his country be dried,
Nor long will his Love stay behind him.

Oh! make her a grave where the sunbeams rest,
When they promise a glorious morrow;
They’ll shine o’er her sleep, like a smile from the West,
From her own loved island of sorrow.
   

 

The Last Rose of Summer   

’TIS the last rose of summer
  Left blooming alone;
All her lovely companions
  Are faded and gone;
No flower of her kindred,
  No rosebud is nigh,
To reflect back her blushes,
  To give sigh for sigh.

I’ll not leave thee, thou lone one!
  To pine on the stem;
Since the lovely are sleeping,
  Go, sleep thou with them.
Thus kindly I scatter 
  Thy leaves o’er the bed,
 Lie scentless and dead.
 
So soon may I follow,
  When friendships decay,
And from Love’s shining circle
  The gems drop away.
When true hearts lie withered
  And fond ones are flown,
Oh! who would inhabit
  This bleak world alone?    


Thomas Moore (28 mei 1779 – 25 februari 1852)

Ali Abdollahi en L.F. Céline


Ali Abdollahi werd op 30 maart 1968 in Chorassân (Iran) geboren. Hij studeerde Duitse Taal – en Literatuurwetenschap aan de universiteit in Teheran en studeerde af op het onderwerp Konkrete Poesie im Deutschunterricht. Van 1993 tot 2001 presenteerde hij als medewerker van Radio Iran een programma over Perzische en Duitse literatuur. Daarnaast werkte hij als universitair docent, journalist en vertaler van o.a. Rilke, Nietzsche en Hesse. Hij publiceerde :  Die Frösche sterben im Ernst – Deutsche Lyrik vom Anfang bis heute (2003), Immerfort gehe ich im Dunkeln (1997) en So kommt sie nicht mehr (2003).    

 

de herinneringen van isolement

mijn rechter schoen

is met vakantie gegaan

nu ben ik noch vier-

noch tweevoeter

 

in primordiale drie-eenheid

lees ik Nietzsche

’s avonds komt hij in mijn droom

en zegt:

 

ik zal je uiteindelijk

onder mijn snor vertrappen!

de telefoon is al dagenlang

op het antwoordapparaat

red me uit de handen van de hardnekkige verhuurder!

 

ik krab mijn been

met een breinaald

 

ik heb geen genoegen ontleend aan rechts

links was altijd links

ik ben moe, doodmoe

van deze driedelige tegenstand:

rechtshandig, links denkend

nulgelovig

 

 

Abdollahi

bahman 81 (april 2002), Teheran

 

vertaling: Amir Afrassiabi
© Amir Afrassiabi/ISCK , Het beschrijf  

 

Garzizoensgedichten

Lange nachten,

verhalen over verboden liefde,

kleine pleziertjes

en vervalste vrijgeleiden.

 

Overdag

auto van de commandand wassen,

gangen schrobben

en officieren gehoorzamen.

 

Nu zijn ze verzameld

onder de esdoorn.

Uit het zicht van de commandand

gaat een sigaret

van hand tot hand.

 

Terwijl de rook

in de lucht rondcirkelt

benijden ze

met hun vloeken

de vrijheid van de vogels.                  

 

Susanne Baghestani  vertaalde dit gedicht uit het Farsi in het Duits. De vertaling van Duits naar Nederlands is van Frans Roumen.

 

Ali Abdollahi (30 maart 1968)

 

Louis Ferdinand Céline, pseudoniem van Louis Ferdinand Destouches, werd geboren op 27 mei 1894 te Courbevoie in een familie die tot de kleine middenstand behoorde. Na de lagere school had hij het ene baantje na het andere; herhaaldelijk werd hij ontslagen. In de avonduren studeerde hij totdat hij in 1917 zijn middelbareschooldiploma had bemachtigd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog raakte hij zwaar gewond, waardoor hij voor de rest van zijn leven invalide was. Vanaf 1918 studeerde Céline medicijnen en in 1924 volgde zijn promotie, waarna hij arts werd in een Parijse armenwijk.

Tijdens het werk aan zijn dissertatie had Céline zijn aanleg voor het schrijven ontdekt en vanaf 1928 werkte hij aan ‘Voyage au bout de la nuit’ (1932) zijn meesterwerk.  Vier jaar later verschijnt Mort à crédit  en na deze twee romans is Céline een gevestigde naam.  

Tijdens de Tweede Wereldoorlog schrijft Céline een dertigtal ‘open brieven’ aan diverse Duitsgezinde kranten en tijdschriften, waarin hij openlijk getuigt van zijn antisemitisme.  Na de Tweede Wereldoorlog heeft h
ij meermalen beklemtoond dat hij met de openbaarmaking van zijn politieke en raciale standpunten slechts beoogde dat Frankrijk uit de in zijn ogen onontkoombare oorlog zou blijven.

Op 21 februairi 1950 wordt hij veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf en een boete van 50.000 francs. Op 25 april 1951 krijgt Céline amnestie. Hij vestigde zich als arts te Meudon, waar hij op 1 juli 1961 overleed.

Célines antisemitisme en heulen met het fascisme, gevoed door zijn woede over het degenererende Frankrijk en over het kapitalisme, veranderen niets aan zijn grote verdiensten op literair gebied.      

 

L’âme, c’est la vanité et le plaisir du corps tant qu’il est bien portant, mais c’est aussi l’envie d’en sortir du corps dès qu’il est malade ou que les choses tournent mal. On prend des deux poses celle qui vous sert le plus agréablement dans le moment et voilà tout !
(Voyage au bout de la nuit, p.52, Folio n°28)

 

L’amour c’est comme l’alcool, plus on est impuissant et soûl et plus on se croit fort et malin, et sûr de ses droits.
(Voyage au bout de la nuit, p.78, Folio n°28)

 

 

Nous sommes, par nature, si futiles, que seules les distractions peuvent nous empêcher vraiment de mourir.
(Voyage au bout de la nuit, p.204, Folio n°28)

 

 

 

 

Louis Ferdinand Céline (27 mei 1894 – 1 juli 1961)

 

Björn Kuhligk en Edmond de Goncourt


Björn Kuhligk (geboren op 1 januari 1975 in Berlijn) behoort tot de opmerkelijkste jonge Duitstalige dichters. Zijn werk verscheen niet alleen in talrijke bloemlezingen en tijdschriften, maar ook in de bundels „Es gibt hier keine Küstenstrassen“ (2000), „Am Ende kommen Touristen“ (2002) und „Großes Kino“ (2005).

De meeste van zijn gedichten draaien, half humoristisch half pathetisch om liefde, sex, geboorte, dood, drinken, reizen, Berlijn en muziek en bestaan vaak uit aan elkaar geknoopte beeldfragmenten, gedachtesplinters, bezinningsmomenten en afzonderlijke woorden. Precieze observaties worden door middel van een gekund eenvoudig taalgebruik in poëtische beelden omgezet.  

Samen met de Berlijnse dichter Jan Wagner gaf Kuhligk in 2003 de bloemlezing „Lyrik von Jetzt“ uit die alom een goede ontvangst ten deel viel.

Prijzen: o.a  de  Poetensitz der Edition Passagen (1999), Rheda-Wiedenbrücker Förderpreis (1998), 2. Preis des Allegra-Literaturwettbewerbs, Preisträger des 5. Open-mike der Literaturwerkstatt Berlin (1997).

Kuhligk  woont en werkt in Berlijn en is naast schrijver en dichter ook boekhandelaar.

 

 

 

Während des Freitagsgebetes

                   

                                        (für Katja Krauß)

 

 

WÄHREND DES FREITAGSGEBETES

die kopftuchgebückten Frauen

auf den Feldern, von den Minaretten

fallen die Worte wie Ringe um die Häuser, abends

stellen sich Sprenger an, die zerfallenen

Gewächshäuser, eine Ansammlung

Zelte, vor denen zwei Kinder am Feuer

bei Nacht der Swimmingpool, pauschal-beleuchtet

bis ins Hellblau, das Anschlagen der Zikaden 

in den Dörfern stehen Häuser leer, auf den Dächern

rostende Wassertonnen, LADIES

AND GENTLEMEN: MR. GERMANY, dann

der Clubtanz, Hände hoch und rechts und links

und Beine breit, IHR NAME AUF EINEM REISKORN

die Sonne seilt sich, das kennt man hier, wie jeden Abend

hinter den Bergen ab, SIE WERDEN ES NICHT VERGESSEN

die Fotoserie, in der ein Pärchen am Meer

und freundlich auf das Wasser blickt

über den nackten Oberkörpern am Morgen

drei Kampfjets Richtung Osten  

dann der Clubtanz, Hände hoch und rechts

und links, irgendjemand macht das Foto            

 

 

Die Liebe in den Zeiten der EU

 

Wie ein Grenzschutz wieder

eine Linie zieht, das muß, es

darf geschossen werden, das

muß, das darf gefilmt werden

 

wie erdfremd dieser Kontinent

mit Sternchen am Revers, wie der

die Abwehr aufbaut, Mutti macht

noch schnell den Abwasch

 

als im Süden die ersten Turnschuhe

angespült wurden, später zwei, drei

Zweibeiner gefischt wurden, das muß

es darf zurückgefeuert werden

 

 

 

Björn Kuhligk

 

Op 26 mei 1822 werd Edmond De Goncourt geboren. De Franse schrijvers, de broers Edmond Louis Antoine en Jules Alfred Huot De Goncourt , werden bekend door romans en dagboeken. Doordat de broers financieel geen zorgen hadden konden ze hun leven geheel in dienst van de literatuur stellen.

Naast een werk dat handelt over de periode van de Franse revolutie, hielden de broers zich vooral bezig met het beschrijven van hun eigen tijd. Niet all
een de literatuur zelf, maar ook de mode, de muziek en de dagelijkse gewoontes werden door Edmond en Jules de Goncourt minutieus beschreven in hun dagboeken.

Edmond zette na de dood van Jules in 1870 het werk alleen voort. Na zijn dood kwam de nalatenschap van De Goncourt in handen van een stichting, die jaarlijks de prestigieuze Prix Goncourt-prijs uitreikt voor Franse literatuur.  

 

 

“Lu saint Augustin, saint Jérôme, etc. : une des choses qui compromettent le plus Dieu, après la religion, ce sont les livres mystiques. Sorti de la lecture de tous ces mystiques comme d’une maison de fous et d’un hôpital d’âmes.”
(Edmond et Jules de Goncourt / Journal, september 1857)

 

 

“On dit que la vérité embête l’homme et il est juste qu’elle l’embête, parce qu’elle n’est pas gaie. Le mensonge, le mythe, la religion sont bien plus consolants. Il est plus agréable de se figurer le génie sous la forme d’une langue de feu que de le voir une névrose.”
(Edmond et Jules de Goncourt / Journal, 10 januari 1864)

 

 

“Dans toutes les sociétés qui se sont succédé depuis le commencement du monde, il y a eu un athéisme des intelligences supérieures, mais je ne connais pas encore de société ayant subsisté avec l’athéisme des gens d’en bas, des besogneux, des nécessiteux.”
(Edmond et Jules de Goncourt / Journal, april 1882)

 

 

 

Edmond De Goncourt (26 mei 1822    16 juli 1896)  

 

 

Theodore Roethke, Thomas Mann

Theodore Roethke werd geboren in Saginaw, Michigan, in 1908. Als  kind bracht hij veel tijd door in de tuinbouwkassen van zijn vader en oom. De impressies die hij daar op deed zouden later de onderwerpen en de beelden in zijn poëzie beïnvloeden. Roethke studeerde magna cum laude af aan de universitteit van Michigan in 1929. Voor zijn eerste boek, Open House (1941), had hij tien jaar nodig en het kreeg een kritisch onthaal. Hij bleef spaarzaam publiceren, maar langzaamaan  groeide zijn reputatie met elke nieuwe uitgave, waaronder The Waking dat de Pulitzer Prize kreeg in 1954. Hij bewonderde de werken van dichters als Emerson, Thoreau, Whitman, Blake, en Wordsworh, als ook van Yeats and Dylan Thomas. Roethke had nauwe literaire vriendschapsbanden met zijn collega dichters W. H. Auden, Louise Bogan, Stanley Kunitz, and William Carlos Williams. Hij doceerde aan verschillende colleges en universiteiten, zoals Lafayette, Pennsylvania State, and Bennington, en werkte tot slot aan de universiteit van Washington, waar hij de mentor was van een generatie dichters uit het Noordwesten, zoals David Wagoner, Carolyn Kizer, and Richard Hugo. Theodore Roethke overleed op 1 augustus 1963.

The Waking

I wake to sleep, and take my waking slow.
I feel my fate in what I cannot fear.
I learn by going where I have to go.

We think by feeling. What is there to know?
I hear my being dance from ear to ear.
I wake to sleep, and take my waking slow.

Of those so close beside me, which are you?
God bless the Ground! I shall walk softly there,
And learn by going where I have to go.

Light takes the Tree; but who can tell us how?
The lowly worm climbs up a winding stair;
I wake to sleep, and take my waking slow.

Great Nature has another thing to do
To you and me, so take the lively air,
And, lovely, learn by going where to go.

This shaking keeps me steady. I should know.
What falls away is always. And is near.
I wake to sleep, and take my waking slow.
I learn by going where I have to go.  

 

Night Journey

Now as the train bears west,
Its rhythm rocks the earth,
And from my Pullman berth
I stare into the night
While others take their rest.
Bridges of iron lace,
A suddenness of trees,
A lap of mountain mist
All cross my line of sight,
Then a bleak wasted place,
And a lake below my knees.
Full on my neck I feel
The straining at a curve;
My muscles move with steel,
I wake in every nerve.
I watch a beacon swing
From dark to blazing bright;
We thunder through ravines
And gullies washed with light.
Beyond the mountain pass
Mist deepens on the pane;
We rush into a rain
That rattles double glass.
Wheels shake the roadbed stone,
The pistons jerk and shove,
I stay up half the night
To see the land I love.

Theodore Roethke (25 mei 1908 – 1 augustus 1963)

 

Volgens histoychannel.com bezocht Thomas Mann op 25 mei 1911 het Lido in Venetië. Daar deed hij de inspiratie op voor de novelle Der Tod in Venedig die een jaar later zou worden gepubliceerd. Laten we op deze sombere Hemelvaartsdag dan maar even met hem wegdromen naar zuidelijker sferen.

 

„…so sah er ihn denn wieder , den erstaunlichsten Landungsplatz , jene blendende Komposition phantastischen Bauwerks , welche die Republik den ehrfürchtigen Blicken nahender Seefahrer entgegenstellte : die leichte Herrlichkeit des Palastes und die Seufzerbrücke , die Säulen mit Löw’ und Heiligem am Ufer , die prunkend vortretende Flanke des Märchentempels , den Durchblick auf Torweg und Reisenuhr , und anschauend bedachte er , dass zu Lande , auf dem Bahnhof in Venedig anlangen einen Palast durch eine Hintertür betreten heisse , und dass man nicht anders , als wie nun er , als zu Schiffe , als über das hohe Meer die unwahrscheinlichste der Städte erreichen sollte .“ 

 

….

 

„…manchmal vormittags , unter dem Schattentuch seiner Hütte , hintraeumend ueber die Bläue des Südmeeres , oder bei lauter Nacht auch wohl , gelehnt in die Kissen der Gondel , die ihn von Markusplatz , wo er sich lange verweilt , unter dem gross gestirnten Himmel heimwärts zum Lido führte – und die bunten Lichter , die schmelzenden Klänge der Serenade blieben zurück – , erinnerte er sich seines Landsitzes in den Bergen , der Stätte seines sommerlichen Ringens , wo die Wolken tief durch den Garten zogen , fürchterliche Gewitter am Abend das Licht des Hauses löschten und die Raben , die er fütterte , sich in den Wipfeln der Fichten schwangen.“

 

Uit: Der Tod in Venedig

Het Lido

 

Joseph Brodsky en Bob Dylan


Joseph Brodsky werd op 24 mei 1940 geboren in Leningrad als zoon van joodse ouders. In de jaren 50 schreef hij zijn eerste gedichten. In 1964 werd hij wegens “parasiteren” tot vijf jaar dwangarbeid veroordeeld, maar al na 18 maanden weer vrij gelaten. In 1972 werd hem het burgerschap van de Sovjetunie ontnomen. In 1977 kreeg Brodsky de Amerikaanse nationaliteit. 1987 werd hem de Nobelprijs voor literatuur toegekend. Behalve docent aan de universiteit van Colombia en Mount Holyoke College was Brodsky in 1991 en 1992 “Poet Laureate” van de Verenigde Staten. Hoewel zijn gedichten later ook in Rusland verschenen heeft hij nooit naar zijn geboorteland terug willen keren. Hij stierf op 28 januari 1996 in New York en ligt begraven op het eiland San Michele bij Venetië.

 

May 24, 1980

I have braved, for want of wild beasts, steel cages,

carved my term and nickname on bunks and rafters,

lived by the sea, flashed aces in an oasis,

dined with the-devil-knows-whom, in tails, on truffles.

From the height of a glacier I beheld half a world, the earthly

width. Twice have drowned, thrice let knives rake my nitty-gritty.

Quit the country the bore and nursed me.

Those who forgot me would make a city.

I have waded the steppes that saw yelling Huns in saddles,

worn the clothes nowadays back in fashion in every quarter,

planted rye, tarred the roofs of pigsties and stables,

guzzled everything save dry water.

I’ve admitted the sentries’ third eye into my wet and foul

dreams. Munched the bread of exile; it’s stale and warty.

Granted my lungs all sou
nds except the howl;

switched to a whisper. Now I am forty.

What should I say about my life? That it’s long and abhors transparence.

Broken eggs make me grieve; the omelette, though, makes me vomit.

Yet until brown clay has been rammed down my larynx,

only gratitude will be gushing from it.

 

 

Dutch Mistress

 

A hotel in whose ledgers departures are more prominent than arrivals.

With wet Koh-i-noors the October rain

strokes what’s left of the naked brain.

In this country laid flat for the sake of rivers,

beer smells of Germany and the seaguls are

in the air like a page’s soiled corners.

Morning enters the premises with a coroner’s

punctuality, puts its ear

to the ribs of a cold radiator, detects sub-zero:

the afterlife has to start somewhere.

Correspondingly, the angelic curls

grow more blond, the skin gains its distant, lordly

white, while the bedding already coils

desperately in the basement laundry.

 

 

 

 

 

Joseph Brodsky (24 mei 1940 – 28 januari 1996)

 

Bob Dylan, geboren als Robert Allen Zimmerman op 24 mei 1941 in Duluth, Minnesota,  wordt beschouwd als een van de grootste liedjesschrijvers van Amerika. Zijn oeuvre wordt op een lijn gesteld met dat van Stephen Foster, Irving Berlin, Woody Guthrie en Hank Williams, die deel uitmaken van het Amerikaanse culturele erfgoed. Er gaan steeds meer stemmen op om zijn (song)teksten tot de poëzie te rekenen. Een heuse Oxford Professor, Christopher Ricks, schreef een boek waarin hij een pleidooi houdt voor Dylan als dichter. Het boek heet “Visions of Sin”. Dat boek heb ik niet gelezen, maar ik neig er wel toe hem gelijk te geven, al blijven de “lyrics” mét muziek natuurlijk mooier.

 

the times they are a-changin’  

Come gather ‘round people

Wherever you roam

And admit that the waters

Around you have grown

And accept it that soon

You’ll be drenched to the bone.

If your time to you

Is worth savin’

Then you better start swimmin’

Or you’ll sink like a stone

For the times they are a-changin’.

 

Come writers and critics

Who prophesize with your pen

And keep your eyes wide

The chance won’t come again

And don’t speak too soon

For the wheel’s still in spin

And there’s no tellin’ who

That it’s namin’.

For the loser now

Will be later to win

For the times they are a-changin’.

 

Come senators, congressmen

Please heed the call

Don’t stand in the doorway

Don’t block up the hall

For he that gets hurt

Will be he who has stalled

There’s a battle outside

And it is ragin’.

It’ll soon shake your windows

And rattle your walls

For the times they are a-changin’.

 

Come mothers and fathers

Throughout the land

And don’t criticize

What you can’t understand

Your sons and your daughters

Are beyond your command

Your old road is

Rapidly agin’.

Please get out of the new one

If you can’t lend your hand

For the times they are a-changin’.

 

The line it is drawn

The curse it is cast

The slow one now

Will later be fast

As the present now

Will later be past

The order is

Rapidly fadin’.

And the first one now

Will later be last

For the times they are a-changin’.
  

 

 

 

 

Bob Dylan (24 mei 1941)

Adriaan Roland Holst en Ibsen

Adriaan Roland Holst werd op 23 mei 1888 geboren in Amsterdam. Hij bezocht na de lagere school in Hilversum, waar het gezin zich in 1896 gevestigd had, eerst de gemeentelijke HBS in Amersfoort en vervolgens de in 1903 geopende gem. HBS in zijn woonplaats. Met het in 1906 behaalde diploma vertrok hij naar Lausanne, waar hij gedurende acht maanden als toehoorder colleges in geschiedenis en Franse literatuur volgde. In de zomer van 1908 ging de jonge Roland Holst naar Oxford. Na enig aftasten van de mogelijkheden liet hij zich inschrijven als student in Political Economy. Nog in hetzelfde jaar debuteerde hij met gedichten in De XXe Eeuw. Zijn verblijf in Oxford is door de ontdekking van lers-Keltische literatuur van principiële betekenis geweest voor zijn dichterschap. Hij was reeds eerder onder de indruk gekomen van schrijvers als William Morris en W.B. Yeats. Zijn eerste bundel Verzen verscheen in oktober 1911.

In 1920 werd hij redacteur voor poëzie bij De Gids, een functie die hij tot 1933 zou vervullen. De bundels die hij in deze periode publiceerde, laten zien hoe poëzie en leven bij hem in groeiende mate en op volstrekt persoonlijke wijze met elkaar verbonden waren. Uit brokstukken van Keltische (en in mindere zin Griekse) verhalen schiep hij zich een eigen mythe. De kern daarvan is te vinden in De afspraak (1925). In 1937 verschijnt Een winter aan zee. Al in 1938 werd deze bundel bekroond met de D.A. Thieme-prijs voor poëzie. Het uitbreken van de oorlog kwam voor hem niet onverwachts, al had hij zich politiek nooit zo geëngageerd als zijn vrienden M. ter Braak en E. du Perron, die in de meidagen van 1940 stierven. Mogelijk heeft de weigerende houding van die beiden zijn standvastigheid tegenover de bezetter en zijn trawanten verstevigd.

 

Poëzie: De wilde kim (1925); In memoriam Charles Edgar du Perron en Menno ter Braak (1940); In ballingschap [1948]; Onderhuids (1963). Proza: Over den dichter Leopold (1926); Het elysisch verlangen (1928); Tusschen vuur en maan (1932); Een winter aan zee (1937); Uit zelfbehoud (1938); Eigen achtergronden [1944]; Bezielde dorpen (1957); Omtrent de grens (1960); Onder koude wolken (1962); Onderhuids (1963); Uitersten (1967); Met losse teugel (1970); Voorlopig (1976)

 

Verdere prijzen: de Constantijn Huygens-prijs (1948), de P.C. Hooft-prijs (1956), de Prijs der Nederlandse Letterkunde (1958) en de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam (1961 en 1963). Wellicht was de grootste hulde de titel van ‘Prins der dichters’, die hij als eerste na Vondel door brede waardering kreeg toegekend.  Sinds een depressie in 1964 hem noodzaakte tot tweemaal kuren in de Amsterdamse Valeriuskliniek, kwam hij niet meer in zijn Bergense woning terug. Ten slotte vestigde hij zich in de verzorgingsflat Frankenstate te Bergen, waar hij op 6 augustus 1976 overleed.

 

Voorzang

 

I.

Het najaar waait de duisterende landen
regenend over, en oneindig groot
zijn de verlatenheden van den dood.
Bleek schuimt de zee over de lage stranden.

En aan het raam, denkend aan al wat vlood,
hoor ik de klacht dier eeuwen om mijn wanden.
De laatste daad viel uit mijn moede handen:
ik zie hen bleek en roerloos in mijn schoot.

Laten wij niet meer hopen, laten wij
nimmermeer smeken, en o, niet meer smaden –
Dit is het eind, het duisterend getij
van lage wolken en de storm der bladen
Uit onze handen zijn de laatste daden
gevallen, en de regen waait voorbij.

 

II.

Dwazen, die duur van aardsch geluk bedongen,
dat zingend op geen sterven zich bezint:
waar het nu ritselt, da
ar werd eens bemind,
waar nu de raaf krast werd eenmaal gezongen

Wij bouwen, tot het woord ons wordt ontwrongen:
de steden staan op graven in den wind.
En als vergeefschheid zich bevestigd vindt
moet nog de dood ons worden opgedrongen.

Maar wat dan van den droom? Duizenden zwerven
voorbij de wegen naar de bronzen poorten
van gindschen steilen, nooit ontsloten tempel.
Doch daar ook waait de wind en heerscht het sterven,
en harten, eenmaal ruischend van geboorten,
ritselen schuw daar over duistren drempel.

 

III.

De zilvren wind waait door den open nacht
golvend en als een zee: de schuimen slaan
op, waar de gouden duizeling blijft staan
der maan in ’t deinzen van der sterren wacht.

En de aarde is leeggewaaid; naakt en veracht
teruggeworpen als een oude waan;
tusschen haar leegten en de ronde maan
waaien nog schaduwen in schuwe jacht.

Want wervelende werd van overal
zaad en het leven weggewaaid naar ’t hoog en
stralend ijseinde, en nu – oneindigheid –
is er geen ding meer in dit koud heelal
dan maan en wind en mijn wijd open oogen
duizelende langs steilten van den tijd.  

 

Uit: Voorbij de wegen (1920)

 

Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 – 5 augustus 1976)  

 

 2006 is naast het Mozartjaar en Rembrandtjaar tevens het Ibsenjaar. Op 23 mei is het precies 100 jaar geleden dat de Noorse toneelschrijver Henrik Ibsen overleed. Deze gebeurtenis wordt wereldwijd gemarkeerd met tentoonstellingen, congressen, opvoeringen van zijn toneelstukken en lezingen over zijn leven en werk. Het Scandinavisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam organiseert op 1 en 2 juni in samenwerking met de Noorse ambassade een internationaal congres waarbij zowel Ibsens stukken zelf als de opvoeringspraktijk en de ontvangst van deze stukken in het buitenland centraal staan. 

Ibsen heeft gedurende zijn gehele schrijverschap gedichten geschreven, maar vooral tijdens de eerste helft daarvan, tot 1875. Daarna liet hij de poëzie als literatuurvorm praktisch voor wat het was. Voor wie het Noors machtig is valt er op internet wel het een en ander te vinden. Voor de rest van de wereld hier een gedicht in een Engelse vertaling.

 

Burnt ships

 

To skies that were brighter

Turned he his prows;

To gods that were lighter

Made he his vows.

 

The snow-land’s mountains

Sank in the deep;

Sunnier fountains

Lulled him to sleep.

 

He burns his vessels,

The smoke flung forth

On blue cloud-trestles

A bridge to the north.

 

From the sun-warmed lowland

Each night that betides,

To the huts of the snow-land

A horseman rides.   

 

 

‘Burnt Ships’ werd oorspronkelijk geschreven in 1871. De Engelse vertaling is een herdruk uit: Lyrics & Poems from Ibsen. Trans. Fydell Edmund Garrett. New York: E.P. Dutton & Co., 1912. 

  

Henrik Ibsen (20 maart 1828 – 23 mei 1906)