November (Helen Maria Hunt Jackson)

Dolce far niente

 

 
November’s Last Light door Allison Eklund, 2017

 

November

This is the treacherous month when autumn days
With summer’s voice come bearing summer’s gifts.
Beguiled, the pale down-trodden aster lifts
Her head and blooms again. The soft, warm haze
Makes moist once more the sere and dusty ways,
And, creeping through where dead leaves lie in drifts,
The violet returns. Snow noiseless sifts
Ere night, an icy shroud, which morning’s rays
Will idly shine upon and slowly melt,
Too late to bid the violet live again.
The treachery, at last, too late, is plain;
Bare are the places where the sweet flowers dwelt.
What joy sufficient hath November felt?
What profit from the violet’s day of pain?

 


Helen Maria Hunt Jackson (18 oktober 1830 – 12 augustus 1885)
Een collegegebouw in Amherst, de geboorteplaats van Helen Maria Hunt Jackson

 

Zie voor de schrijvers van de 18e november ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

 

Toon Tellegen, Joost Zwagerman, Joost Oomen, Thomas Möhlmann, Pauline Genee, Klaus Mann, Eugenio Montejo

De Nederlandse dichter Toon Tellegen werd geboren op 18 november 1941 te Brielle. Zie ook alle tags voor Toon Tellegen op dit blog

Hoe meer zielen

Ik heb een ziel
die precies in mij past-

ik doe alles met mijn ziel
klop op mijn ziel en stof hem af
schaaf aan mijn ziel en blaas de krullen weg
boor gaten in mijn ziel en vul ze weer op
met nuchtere gedachten.

Ik wou dat ik meer zielen had
en van een andere soort
oneffen zielen kromme zielen
zielen als spartelende zilvervisjes
als meisjes in een winterjas
zwarte zielen.

Maar mijn ene ziel-
een tamelijk vierkante effen en solide ziel-
vult reeds alle beschikbare ruimte
en krimpt geen milimeter
zolang ik leef.

 

Aan het einde van de dag

Aan het einde van de dag,
als iemand aan komt hollen met de liefde,
als je moe bent en onhandig en toevallig net verward in een warnet
van angsten –
wat moet je doen,
wat moet je met de liefde doen, donzig, schrikachtig,
die iemand je nog brengt?

 

Twee koorddansers

Twee koorddansers.
Zonder publiek.
Onder een blauwe hemel, over een afgrond heen.
Zwaluwen, springerig gras, hier en daar
iets geels.
De een zegt, bijna jubelend, met vuurrode wangen:
‘Niemand zal kunnen zeggen dat wij…’
Een vleugje wind, een rafelig wolkje, een krekel. Niets
bijzonders.
De ander zegt:’…niet diep gevallen zijn.’

Veel later pas gevonden, spreeuwen, modder.

 
Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.

Uit: Gimmick!

“Toen ik Groen over die armetierige shows van twee jaar geleden had verteld, keek ’ie me verbaasd aan. ‘Shit, jij moet gewoon onmiddellijk naar 42nd Street, Walter Raam!’ zei ’ie. ‘Wat heb jij hier de vorige keer gedáán, man? Kom op!’ Dat plan bracht de stemming er weer een beetje in. Want de eerste dag van ons bezoek aan New York was nou niet echt een succes geweest. Groen had in Amsterdam een lijstje met trendy New Yorkse hotels gekregen van een of andere West-Duitser die er kort tevoren was geweest. Maar behalve dat die hotels stuk voor stuk meer dan honderdvijftig dollar per persoon per nacht bleken te kosten, waren ze ook niet echt centraal gelegen. En omdat we allebei weinig zin hadden om met onze bagage rond te banjeren, kwamen we terecht in een ymca vlak bij Columbus Circle en Times Square. Voor Groen was er voor veertig dollar per nacht in die ymca nog een kamer op de derde, en voor mij eentje voor anderhalf keer die prijs op de twaalfde verdieping.
Toen we hadden ingecheckt en eenmaal in de lift stonden, zei Groen: ‘Zo zie je maar weer hoe diep een mens kan zinken. Zitten we godverdomme in een ymca.’
We inspecteerden de kamers, die allebei zo’n beetje even weerzinwekkend waren. Twee bij drie, groezelige matrassen, macabere verlichting, bruin uitgeslagen wasbakken en tralies voor de piepkleine ramen.
‘Nou ja, only prisoners can swing, zal ik maar zeggen,’ mompelde Groen. En: ‘Die ymca’s zijn toch trouwens allemaal nichtenkitten? Als je hier op een liftknop drukt, heb je er volgens mij een ziekte bij.’
Ik had over die New Yorkse ymca’s ook weleens gehoord dat je er soms over neukende groepjes homo’s moest stappen als je over de gang liep. Maar dat bleken geruchten uit vervlogen jaren, de jaren van vóór de aids. Eigenlijk zagen we voornamelijk tandeloze ouwe mannetjes die vierentwintig uur per dag door de talloze gangen en gangetjes liepen te mummelen. En telkens als we de lift instapten, troffen we een onvervalste shopping-baglady die naar aangekoekte braadpannen en naar pis stonk en die keer op keer met grommende stem vroeg naar welke verdieping we moesten. De lift bleek haar onderkomen – ze had in ieder geval haar territoriumgeur doelmatig uitgezet.”

 
Joost Zwagerman (18 november 1963 – 8 september 2015)

 

De Nederlandse dichter Joost Oomen werd geboren in De Bilt op 18 november 1980. Zie ook alle tags voor Joost Oomen op dit blog.

Berenklauw

Mijn leven lang hebben ze me gewaarschuwd
voor de berenklauw
Het is de gevaarlijkste onder de planten
Sommige slachtoffers zijn bekend
die gingen dood

Maar nu trek ik mijn trui op naast de grootste struik
En gooi me in één klap tussen
zijn groene reikende vingers
De zon is op dit uur op zijn felst

Ik voel een felle pijn tussen
mijn beide oksels schieten
Mijn buik wordt bekrast en opgezwollen
vol met koperrode blazen
Ik heb zo’n pijn wanneer ik huil
en ik huil als ik mezelf
weer op het gras wil rollen

Hinkend en snotterend
hol ik langs de vijver naar mijn ouderlijk huis
Ik krijg van de dokter een pil voor de pijn
een zalf voor mijn huiden en een capsule om te slapen
Hij vraagt aan mijn ouders hoe dit heeft kunnen gebeuren
Zij weten het niet, denken na over spelen en vallen

Maar ik weet hoe het zit
Ik weet hoe het was
En ik weet het waarom

Mijn leven lang hebben ze me gewaarschuwd
voor de berenklauw
Het is de gevaarlijkste onder de planten


Joost Oomen (De Bilt, 18 november 1980)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Thomas Möhlmann werd geboren in Baarn op18 november 1975. Zie ook alle tags voor Thomas Möhlmann op dit blog.

Elke koplamp zijn konijn

Ergens in de verte gaan altijd wel
de lichtjes aan een vierpersoonskamer
met een man die over het asfalt nadert

gaan altijd wel de lichtjes aan
als je de deur dicht trekt de motor start
na het zoeken naar de juiste zender
weer rechtop achter het stuur
opnieuw bedenken moet waarheen

de lichtjes aan een vierpersoons
tafel met twee stoelen twee borden
in een kamer met een man die nu alleen
het zout voor de wijn zoekt de weg
voor de wielen moet elders een man
zijn die altijd wel ergens nadert.

 

Momo’s globe

Hij laat alles draaien, laat zijn benen
onder het tafeltje bungelen, om hun as
tollen de continenten en oceanen

de blauwe, bruine en groene vlakken
de miljoenen in het westen, de miljarden
in het oosten, alles draait en verwaait

onder zijn vlakke hand wentelt de wereld
zich geleidelijk stil, richten de bergketens
zich zwaar uit de heuvels op, duikt onder

het water het blauwere water, zingen onder
donker groen de ondoordringbare bossen
stippen de steden zich tegen de voorsteden

tegen de meren en rivieren aan, hij kijkt op
alsof hij je iets laat zien, alsof je iets moet
zien gebeuren, in het stilgevallen klaslokaal

fronst hij kort, controleert geconcentreerd
je ogen, richt zijn blik koppig weer op
de bol als je schudt, dat zijn de mensen niet

zwaait opnieuw de aarde aan, laat zijn vinger
ritmisch over het oppervlak gaan: hier.
En hier. En hier. En hier. En hier.

 
Thomas Möhlmann (Baarn, 18 november 1975)

 

De Nederladse schrijfster Pauline Genee werd geboren op 18 november 1968 in Heemskerk. Zie ook alle tags voor Pauline Genee op dit blog.

Uit: Russische stilte

“Op een heldere junidag waren we vanaf Sint-Petersburg noordwaarts gegaan, en een witte nacht varen later legde onze boot aan in Petrozavodsk. We zaten net op het muurtje in de haven te bedenken wat we met onze vrije tijd op de wal zouden doen, toen een man van een jaar of veertig, ongeschoren en een slecht gebit, hinkend op ons af kwam.
‘Willen de dames de absolute stilte horen?’
We waren al een tijdje in dit land en verbaasden ons niet meer zo snel. Je zit in een haven ergens in het Noorden van Russisch Karelie en een onbekende, sjofel uitziende man met een houten been stelt je voor om je de absolute stilte te laten horen – wat is daar zo raar aan dan?
‘We hebben al best veel stilte gehoord’, zei Mop blasé.
Ja, dat vond ik ook. Op de meren was het heel stil geweest. Doodstil. Maar toch, als je echt goed luisterde was er altijd wel iets: gezoem van de motor, voetstappen van de medepassagiers, gedempte gesprekken in de belendende hut, gepiep van de bungelende scheepslampen.
De man schudde zijn hoofd. ‘Jullie begrijpen het niet, dit is anders.’
Hij zou ons met een bootje meenemen naar de andere kant van de inham, daar was een eilandje met een kale berg. Die zouden we beklimmen, en daar, ergens op de top, op een plek tussen de bomen die alleen hij kon vinden, heerste die absolute stilte die hij ons wilde laten horen.
‘Ik zorg er voor dat jullie op tijd terug zijn bij dit schip.’
Het tochtje in de motorboot duurde een minuut of tien. Het was fris, we stonden rechtop in de boot, zittend hadden we nog nietiger afgestoken tegen de groene bergwand. Het meer lag bewegingsloos en als een gladde spiegel om ons heen. De kleine rimpeling die ons bootje in het oppervlak maakte was maar heel even te zien, alsof het door een onzichtbaar vlies meteen weer werd gladgetrokken.
We legden aan bij een kleine steiger. Langzaam stierf het geluid van de motor weg. Er daalde iets op ons neer: dit was stiller dan ik het ooit had gehoord. Maar de man zei: ‘njet zdjesj, davaj’- hier niet, kom. Hij legde een vinger over zijn lippen en wenkte ons achter hem aan te lopen.”

 
Pauline Genee (Heemskerk, 18 november 1968)
Heemskerk – Kasteel Assumburg

 

De Duitse schrijver Klaus Mann werd op 18 november 1906 geboren in München als oudste zoon van Thomas en Katia Mann. Zie ook alle tags voor Klaus Mann op dit blog.

Uit: Mephisto

„Kolossal“, sagte schließlich einer von den beiden jungen Leuten leise – diesmal ohne jeden Sarkasmus, sondern wirklich beeindruckt, beinah verängstigt von dem riesenhaften Aufwand, der ihn umgab. Das Flimmern der von Lichtern und Wohlgerüchen gesättigten Luft war so stark, dass es ihm die Augen blendete. Ehrfurchtsvoll, aber misstrauisch blinzelte er in den bewegten Glanz. ,Wo bin ich nur?’ dachte der junge Herr – er kam aus einem der skandinavischen Länder —. ,Der Ort, an dem ich mich befinde, ist ohne Frage sehr lieblich und verschwenderisch ausgestattet; dabei aber auch etwas grauenhaft. Diese schön geputzten Menschen sind von einer Munterkeit, die nicht gerade vertrauenerweckend wirkt. Sie bewegen sich wie die Marionetten – sonderbar zuckend und eckig. In ihren Augen lauert etwas, ihre Augen haben keinen guten Blick, es gibt in ihnen soviel Angst und soviel Grausamkeit. Bei mir zu Hause schauen die Leute auf eine andere Art – sie schauen freundlicher und freier bei mir zu Hause. Man lacht auch anders bei uns droben im Norden. Hier haben die Gelächter etwas Höhnisches und etwas Verzweifeltes; etwas Freches, Provokantes, und dabei etwas Hoffnungsloses, schauerlich Trauriges. So lacht doch niemand, der sich wohl fühlt in seiner Haut. So lachen doch Männer und Frauen nicht, die ein anständiges, vernünftiges Leben führen…’
Der große Ball zum dreiundvierzigsten Geburtstag des Ministerpräsidenten fand in allen Räumen des Opernhauses statt. In den ausgedehnten Foyers, in den Couloirs und Vestibülen bewegte sich die geputzte Menge. Sie ließ Sektpfropfen knallen in den Logen, deren Brüstungen mit kostbaren Draperien behängt waren; sie tanzte im Parkett, aus dem man die Stuhlreihen entfernt hatte. Das Orchester, das auf der leergeräumten Bühne seinen Platz hatte, war umfangreich, als sollte es eine Symphonie aufführen, mindestens von Richard Strauss. Es spielte aber nur, in keckem Durcheinander, Militärmärsche und jene Jazzmusik, die zwar wegen niggerhafter Unsittlichkeit verpönt war im Reiche, die aber der hohe Würdenträger auf seinem Jubelfeste nicht entbehren wollte.
Hier hatte alles sich eingefunden, was in diesem Lande etwas gelten wollte, niemand fehlte – außer dem Diktator selbst, der sich wegen Halsschmerzen und angegriffener Nerven hatte entschuldigen lassen, und außer einigen etwas plebejischen Parteiprominenten, die nicht eingeladen worden waren. Hingegen bemerkte man mehrere kaiserliche und königliche Prinzen, viele Fürstlichkeiten und fast den ganzen Hochadel; die gesamte Generalität der Wehrmacht, sehr viel einflussreiche Finanziers und Schwerindustrielle; verschiedene Mitglieder des diplomatischen Korps – meistens von den Vertretungen kleinerer oder weit entfernter Länder —; einige Minister, einige berühmte Schauspieler – die huldvolle Schwäche des Jubilars für das Theater war bekannt – und sogar einen Dichter, der sehr dekorativ aussah und übrigens die persönliche Freundschaft des Diktators genoss.“

 
Klaus Mann (18 november 1906 – 21 mei 1949)
Portret, geschilderd door Manns tante, Olga Pringsheim, 1926

 

De Venezolaanse dichter en schrijver Eugenio Montejo werd geboren in Caracas op 18 november 1938. Zie ook alle tags voor Eugenio Montejo op dit blog.

Meine Liebe

In einem anderen Körper geht meine Liebe durch diese Straße,
ich spüre ihre Schritte im Regen,
sie geht und träumt schon seit einiger Zeit in mir…
In ihrem Flüstern erklingen Echos meiner Stimme,
ich erkenne sie wieder.
Sie ist jetzt so alt, wie ich damals war,
eine Lampe, die aufleuchtet, wenn wir uns begegnen.
Meine Liebe, die schöner wird durch das Übel der Zeit,
meine Liebe auf der Terrasse eines Cafés,
weiße Hibiskusblüten in den Händen,
gekleidet, wie es im neuen Jahrtausend üblich ist.
Meine Liebe, die bleiben wird, wenn ich aufbreche,
mit einem anderen Lächeln und anderen Augen,
wie eine Flamme, die von einer Kerze auf eine andere überspringt,
um weiter die blaue Erde zu erhellen.

 

Vertaald door Timo Berger

 

Die Bäume

Die Bäume sprechen wenig, wie man weiß.
Ihr ganzes Leben verbringen sie meditierend
und bewegen ihre Äste.
Es genügt, sie im Herbst zu betrachten,
wenn sie sich in den Parks versammeln:
es unterhalten sich nur die Ältesten,
die, die Wolken und Vögel verteilen,
aber ihre Stimme verliert sich im Laub
und sehr wenig erreicht uns, fast nichts.

Es ist schwierig, ein schmales Buch zu füllen
mit den Gedanken der Bäume.
In ihnen ist alles vage, bruchstückhaft.
Heute zum Beispiel, beim Hören des Schreis
einer schwarzen Drossel, bereits auf dem Weg nach Hause
(des letzten Schreis von ihr, die keinen Sommer mehr erwartet),
verstand ich, dass aus ihrer Stimme ein Baum sprach,
einer von so vielen,
aber ich weiß nicht, was ich mit jenem Schrei anfangen soll,
weiß nicht wie ihn aufschreiben.

 

Vertaald door Helwig Brunner en Susana Romano-Sued


Eugenio Montejo (18 november 1938 – 5 juni 2008)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e november ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Margaret Atwood, Seán Mac Falls, Jaap Meijer, Richard Dehmel, William Gilbert, Hans Reimann, Mireille Cottenjé

De Canadese schrijfster Margaret Atwood werd geboren in Ottawa op 18 november 1939. Zie ook alle tags voor Margaret Atwood op dit blog.

Uit: Hag-Seed

“Monday, January 7, 2013.
Felix brushes his teeth. Then he brushes his other teeth, the false ones, and slides them into his mouth. Despite the layer of pink adhesive he’s applied, they don’t fit very well; perhaps his mouth is shrinking. He smiles: the illusion of a smile. Pretense, fakery, but who’s to know?
Once he would have called his dentist and made an appointment, and the luxurious faux-leather chair would have been his, the concerned face smelling of mint mouthwash, the skilled hands wielding gleaming instruments. Ah yes, I see the problem. No worries, we’ll get that fixed for you. Like taking his car in for a tuneup. He might even have been graced with music on the earphones and a semi-knockout pill.
But he can’t afford such professional adjustments now. His dental care is low-rent, so he’s at the mercy of his unreliable teeth. Too bad, because that’s all he needs for his upcoming finale: a denture meltdown. Our revelth now have ended. Theeth our actorth … Should that happen, his humiliation would be total; at the thought of it even his lungs blush. If the words are not perfect, the pitch exact, the modulation delicately adjusted, the spell fails. People start to shift in their seats, and cough, and go home at intermission. It’s like death.
“Mi-my-mo-moo,” he tells the toothpaste-speckled mirror over the kitchen sink. He lowers his eyebrows, juts out his chin. Then he grins: the grin of a cornered chimpanzee, part anger, part threat, part dejection.
How he has fallen. How deflated. How reduced. Cobbling together this bare existence, living in a hovel, ignored in a forgotten backwater; whereas Tony, that self-promoting, posturing little shit, gallivants about with the grandees, and swills champagne, and gobbles caviar and larks’ tongues and suckling pigs, and attends galas, and basks in the adoration of his entourage, his flunkies, his toadies … Once the toadies of Felix.
It rankles. It festers. It brews vengefulness. If only … Enough. Shoulders straight, he orders his gray reflection. Suck it up. He knows without looking that he’s developing a paunch. Maybe he should get a truss.
Never mind! Reef in the stomach! There’s work to be done, there are plots to be plotted, there are scams to be scammed, there are villains to be misled! Tip of the tongue, top of the teeth. Testing the tempestuous teapot. She sells seashells by the seashore.
There. Not a syllable fluffed.
He can still do it. He’ll pull it off, despite all obstacles. Charm the pants off them at first, not that he’d relish the resulting sight. Wow them with wonder, as he says to his actors. Let’s make magic! And let’s shove it down the throat of that devious, twisted bastard, Tony.”

 
Margaret Atwood (Ottawa, 18 november 1939)

 

De Iers-Amerikaanse dichter Seán Mac Falls werd geboren op 18 november 1957 in Boston. Zie ook alle tags voor Seán Mac Falls op dit blog.

Jackdaws

The Jackdaw is a bird in its own right
And not a second rate crow.
If I were a member of the Feather Assembly
And the bird tongue fluent in my gob
I’d condemn co-operation, co-flight, co-travel
In wood, in air, in ploughed land and grass land.
I’d advise, and recommend strongly
An independent organisation for Jackdaws.

 
Seán Mac Falls (Boston, 18 november 1957)

 

De dichter en historicus Jakob (Jaap) Meijer (pseudoniem Saul van Messel) werd geboren in Winschoten op 18 november 1912. Zie ook alle tags voor Jaap Meijer op dit weblog.

’’bitte Vorsicht”

in de garderobe van mijn droom
controleer ik mijn syndroom:

de J in mijn pas
de ster op mijn jas

 

indrukken

de moeten van mijn jodenster
dateren al van eeuwen her

ik voel hem ook vandaag nog goed
die moet


Jaap Meijer (18 november 1912 – 9 juli 1993)

 

De Duitse dichter Richard Dehmel werd geboren op 18 november 1863 in Wendisch-Hermsdorf. Zie ook alle tags voor Richard Dehmel op dit blog.

Der Fluß

In den abendgelben Fluß
grub mein Ruder schwarze Trichter;
ohne Won und ohne Kuß
sahn wir auf die Wellenlichter,
sahn wir eine dunkle Bucht
still das kahle Ufer spiegeln,
sahn der Berge starre Wucht
seine wirbelvolle Flucht
vor uns, hinter uns verriegeln.

Als wir dann um Mittemacht
in der Stadt mit Flüsterlauten
auf der hohen Brückenwacht
standen und hinunterschauten,
schienen uns die schwarzen Mauem
in dem grauen Wasserschacht
ihren Einsturz zu belauem.

Still, die Sonne kommt herauf.
Klar verfolgen meine Träume
bis zum Meer hin seinen Lauf;
fern durch morgenrote Bäume
steigt der blaue Nebel auf.

 

Am Scheideweg

Ich wollt dir die Stirn küssen
und dir sagen: hab Dank!
Aber da war ein Licht in deinen Augen
wie Morgenglut auf unerklommenen Bergwäldern;
und dem haben wir folgen müssen,
schweigend.

 
Richard Dehmel (18 november 1863 – 9 februari 1920)
Kamer in het Richard- und Ida-Dehmel-Haus in Hamburg

 

De Engelse toneelschrijver, librettist en illustrator Sir William Schwenck Gilbert werd geboren in Londen op 18 november 1836. Zie ook alle tags voor William Gilbert op dit blog.

The Englishman

He is an Englishman!
For he himself has said it,
And it’s greatly to his credit,
That he is an Englishman!
For he might have been a Roosian,
A French, or Turk, or Proosian,
Or perhaps Itali-an!
But in spite of all temptations,
To belong to other nations,
He remains an Englishman!
Hurrah!
For the true-born Englishman!

 

Only Roses

To a garden full of posies
Cometh one to gather flowers;
And he wanders through its bowers
Toying with the wanton roses,
Who, uprising from their beds,
Hold on high their shameless heads
With their pretty lips a-pouting,
Never doubting – never doubting
That for Cytherean posies
He would gather aught but roses.

In a nest of weeds and nettles,
Lay a violet, half hidden;
Hoping that his glance unbidden
Yet might fall upon her petals.
Though she lived alone, apart,
Hope lay nestling at her heart,
But, alas! the cruel awaking
Set her little heart a-breaking,
For he gathered for his posies
Only roses – only roses!

 
William S. Gilbert (18 november 1836 – 29 mei 1911)

 

De Duitse schrijver en satircus Albert Johannes (Hans) Reimann werd geboren op 18 november 1889 in Leipzig. Zie ook alle tags voor Hans Reimann op dit blog.

Uit: Joachim Ringelnatz

„Dieser mysteriöse Hamsun-Mensch war ein alkoholfreudiger Raubvogel mit säChsische Beene. Und an die Brust sanken wir gegenseitig hinan und suchten (oder, wie Ringelnatz sich ausdrücken würde: charterten) stantepede einen Kapitalisten, der viele flaschen Weins und die achtfache Anzahl Schnäpse spendieren würde, Zur förderung des gemeinnützigen Unternehmens bestiegen wir eine Straßenbahn. Sie war dicht gefüllt. Wir wurden ins Innere des Wagens bugsiert. Ringelnatz erregte Aufsehen durch die ihm anhaftende Schlipsnadel in form eines Wikinger-Bugspriets oder einer ähnlichen Obszönität. Um die gaffende Menge nicht zu enttäuschen, wendete sich Ringelnatz an mich und fragte mit schallendem Timbre: “Ist eigentlieh deine Schwester wieder aus dem Zuchthaus raus?” So, gab ein Wort das andre und eine Hanebüchenheit die andre, bis wir ausstiegen, ohne daß der Schaffnersmann gewagt hätte, uns zu belästigen. Wir zitterten in eine idyllische Klause und ließen dortselbst den lieben Gott und dergleichen Kapazitäten fromme Allegorien sein. Am übernächsten Tag sandte mir Ringelnatz ein Präsent anläßlich der Wiederkehr meines Eintritts in die Welt. Es waren ein aus stinkender Seife kunstvoll geknetetes Schwein sowie ein Reiniger für die Tabakspfeife, eine aparte Röhrengeschwulst mit Miniatur-Gummiballong. Ein Zettel lag dabei: “Herzliches Gratulatz! Verschäume das Seifenschwein, Halte die Pfeife rein, Ewig dein Ringelnatz.” Die Tränen traten mir jählings in die Augen. Dem unerachtet mußte ich sofort die Reimgungsprozedur an meiner Shag-Pfeife vornehmen. Es war ein Genuß, für den ich manchen TheateTabend hingebe. Dank dir, O Ringelnatz! Aber er hat auch schöne Gedichte geschrieben, die die gesamte Produktion des mit Recht Otto Ernst geheißenen Poeten aufwiegen. Bei Alfred Richard Meyer sind die ,Turngedichte’ erschienen, die zu den klassischen Säulen moderner Humorigkeit gehören. Außerdem: ,Kuttel Daddeldu’ (dem wir des mehreren in der ,Weltbühne’ begegnet sind) und das neueste standardwork: .,Die gebatikte Schusterpastete’.“

 
Hans Reimann (18 november 1889 – 13 juni 1969)

 

De Belgische schrijfster Mireille Cottenjé werd geboren in Moeskroen op 18 november 1933. Zie voor onderstaande schrijvers ook alle tags voor Mireille Cottenjé op dit blog.

Uit:De bevalling

“– Geef ik haar toch die spuit, dokter ?
Waarom ? Heb ik gegild ?
– ’t Is gedaan, zegt de man.
Gedaan ? Wat betekent “gedaan” ? het is uit, weg, ik ben bevrijd ? Bevrijd van wie ? Waarvan ? Van de pijn ? Van Fred ? Het kind ? Van mijn haat ? Mijn liefde ? ik krimp ineen.
– Een wee, zegt de dokter geruststellend. De foetus is los, hij zal je nu gauw verlaten.
Zoals jij mij verlaten hebt: zonder een woord.

– Het komt, zegt de dokter. Persen nu.
Persen ! denk ik met wellust. Eruit, jij, weg, gedaan ! Ha ! waar ben je nu, verwaande kwast, met je “Ik alleen ben belangrijk !” ?
– Een jongetje, zegt de dokter.
Ik lach schamper, eis overmoedig:
– Laat zien !
In mijn palm komt een slijmerig brokje leven. Het vult mijn hele hand. Het heeft een hoofd met duidelijk afgetekend neusje en oogholten en kin, en het heeft armen en benen en vingertjes en teentjes. Het stuiptrekt als een visje op het droge en opeens breekt mijn harde haat als een ijsschots en binnenin me wordt alles week en weerloos als het tere wezentje in mijn hand en ik lik het en kus het en snik : sorry, sorry, sorry en vlij het tussen mijn warme borsten en ben bereid tot ieder offer, zelfs dat van mijn eigen leven, om de klok één uur achteruit te kunnen zetten en mijn kostbaar geheim nog in mijn schoot te voelen en te koesteren als een wolvin haar wollige welp.“

 
Mireille Cottenjé (18 november 1933 – 9 januari 2006)

Iemand als een mensenzoon (Walter Jan Ceuppens)

Bij de 33e zondag door het jaar

 

 
De triomf van het Christendom over heidendom
door Gustave Doré, ca. 1868

 

Iemand als een mensenzoon

“Aggiornamento”, zei de wijze man en wij
we waren jonge veulens, springend, dansend,
rollend, brandend, af en aan als noordzeegolven
in de strakke zoute wind van al die jaren.

Kon niet, mocht niet doorgaan, wijs was dwaas, maar
nu ligt d’oude zondagstraat verlaten en geimplodeerd,
met hier en ginder nog een klaproos,
zielsverloren late bloei. Misschien komt iemand

als een Mensenzoon, de lange, hoge trappen af,
grijpt me, glimlacht breed, omhelst me, kust me vrede,
trekt me van mijn werk vandaan en draagt me,

stuwt me, noemt mijn naam. Verliefde verzen hoor ik,
ogen lichten, woorden stralen. Voel mijn handen,
tast je adem, springend, dansend, lieve Mensenzoon!

 

 
Walter Jan Ceuppens (Mechelen, 1942)
De Sint-Romboutskathedraal in Mechelen

 

Zie voor de schrijvers van de 18e november ook mijn volgende twee blogs van vandaag.

 

Joost van den Vondel, Guido van Heulendonk, Dahlia Ravikovitch, Rebecca Walker, Auberon Waugh

De Nederlandse dichter en schrijver Joost van den Vondel werd geboren op 17 november 1587 in Keulen. Zie ook Zie ook alle tags voor Joost van den Vondel op dit blog.

Op den Heer Hugo de Groot in zijn ballingschap.

Hoe zouw de duysternis dit Hollantsch licht gedoogen,
Dat al te hemelsch scheen in aller blinden oogen?
Het ging een wijle schuil, om klaerder op te gaen.
Wy haten ’t Groote licht; een ander bidt het aen.

 

Waterbel

Het likken der berinnetong
Bootseert allengs ’t wanschapen jong,
Den hals, en achterlijf, en hooft,
En pooten: eer men ’t naeu gelooft
Ontdekt zich ’t oor, dan bek en snuit,
Dan puilen bey zijn oogen uit.
Zoo krijgt dat ongestaltigh vleisch,
Ten leste zijn gedaente en eisch;
En zoo men ’t aanzie, heen en weêr,
Het zwijmt zijn moeder: ’t is een beer;
Zoo krijght dit dier zijn’ eigen naem:
Maer anders sweet de Logenfaem,
Die van een Watergal van Niet,
’t Wanschapen giet en weêr hergiet
Van ’t een in ’t ander harssenvat:
Van elcken blaeskaek houdt het wat:
In ’t einde rijst het hoogh en snel,
En wort een bijstre Waterbel,
Gezwollen van vergalde zucht,
Bekoorende een geheele vlucht
Van snaterbekken met geschreeuw,
De Snip en Aekster, Meeuw en Spreeuw,
En bonte kraey, een zot geraes;
Die pikken op dat ydel aes,
Tot dat het berst aen lucht en windt:
En ieder zich bedrogen vint,
En staekt dat misselijk geschal;
Doch al dit spel heeft ook een val,
Het strekt een Vastenavontgrijns,
Gespikkelt met wat logenschijns,
Geverft, besmeert, vernist, vergult
Met quijl, dat baert en knevel krult.
De Logenfaem, aldus begekt,
Ontduikt den heldren dagh, en trekt
Haer’ langen staert van achter in.
Zy vaert naer Plutoos hofgezin
En ruimt ons lucht met wint en stank.
O, Logenfaem! o valsche klank!
Hoe leit gy elk by d’ ooren om.
De Logen schreeuwt zich zelve stom.

 
Joost van den Vondel (17 november 1587 – 5 februari 1679)
Cover biografie

 

De Vlaamse schrijver Guido van Heulendonk (pseudoniem van Guido Beelaert) werd geboren in Eeklo op 17 november 1951. Zie ook alle tags voor Guido van Heulendonk op dit blog.

Uit: De vooravond

“De letters stonden in het arduin gebeiteld, hoekig, wat gotisch aandoend. Verder niks. Een heel eenvoudige zerk, de passende steen voor iemand die achter zijn leven een punt verkiest, geen uitroepteken. Een zerk zoals ik die wel zie zitten.
Een bde is een bijna dood ervaring, mevrouw Rosenthal, maar dat hoef ik u niet te vertellen. Ik bedoel: u bent helemaal dood. Echt door en door dood. Keiplettersmorsdood, zeiden wij als kind. ‘Hantsjuup, veedief, of ik schiet je keiplettersmorsdood.’ Zo dood bent u. Een halve eeuw geleden gestorven, en toen al, volgens de laatste versie, in stukjes verdeeld en in de Schelde gegooid. Doder kan niet. Wat zal ik hier liggen zeuren over bijna dood ervaringen.
Maar intussen is het 8 april 1991. Ik moet praten, want als de film klopt, zwijg ik morgen voorgoed.
Ik hoop op een minder opvallend einde dan het uwe. Dat was regelrechte grand guignol. Een scenario van Le Grand Masturbateur himself, zo heb ik dikwijls gedacht. Mijn visie op de man kon er niet beroerder door worden. Iets van drek, monsterhoofden, lillende spiegeleieren.
Tegenover mij hangt zijn Raadsel van Hitler. Niet het origineel, natuurlijk. Ik ben rijk, Spaans staatsbezit zou ik best kunnen afkopen. Maar ik ben niet gek. Als er, mevrouw, in tegenstelling tot u, één wens mijn leven niet heeft beheerst, dan was het de drang naar een echte Dalï.
Ik weet niet of u dit Raadsel ooit hebt gezien. Het is gemaakt in 1938. In Duitse winkelstraten knarsten de glasscherven onder de voeten van boodschappende Ariërs. Uw schuilplaats bij de Antwerpse kade stond klaar, het water bewoog rustig onder de keldertralies – beetje naar links, beetje naar rechts, u weet: de Schelde is een getijde-rivier. 1938: u was even oud als de eeuw zelf, en gelukkig. Getrouwd met een sluwe verzekeringsmakelaar, twee knappe kinderen, Pascale en Jérome, God hebbe hun ziel.
Uw Dalí beleefde bewogen tijden: Freud ontmoet, Hollywood veroverd, scenarist voor de Marx Brothers, én… Hitler ontdekt.
Zeg nou zelf, wat een fascinerend moment in een mensenleven: Hitler ontdekken. De arend uit Berchtesgaden. Wat hield uw Dalí van Hitler. Hoe lyrisch heeft hij dat niet verwoord, op zijn eigen, onnavolgbare kritischparanoïde manier: uitgelegd hoe hij vooral viel voor ’s mans rug, nooit zo’n rug gezien als die van Hitler, mevrouw – vlezig, week, en met, toppunt van extase, zo’n leren riempje dat de Führer diagonaalsgewijze over zijn schouder naar zijn gordel had lopen. Dat riempje bezorgde de grote Salvador orgasmes. Vooral omdat, zoals hij Breton vertelde, Hitler volgens hem ook vier teelballen en zes voorhuiden had.”


Guido van Heulendonk (Eeklo, 17 november 1951)

 

De Israëlische dichteres en schrijfster Dahlia Ravikovitch werd geboren op 17 november 1936 in een voorstad van Tel Aviv. Zie ook alle tags voor Dahlia Ravikovitch op dit blog.

The Tale of the Arab Who Died by Fire

When the fire grabbed his body, it didn’t happen by degrees.
There was no burst of heat before,
or giant wave of smothering smoke
and the feeling of a spare room one wants to escape to.
The fire held him at once
—there are no metaphors for this—
it peeled off his clothes
cleaved to his flesh.
The skin nerves were the first to be touched.
The hair was consumed.
“God! They are burning!” he shouted.
And that is all he could do in self-defense.
The flesh was already burning between the shack’s boards
that fed the fire in the first stage.
There was already no consciousness in him.
The fire burning his flesh
numbed his sense of future
and the memories of his family
and he had no more ties to his childhood
and he didn’t ask for revenge, salvation,
or to see the dawn of the next day.
He just wanted to stop burning.
But his body supported the conflagration
and he was as if bound and fettered,
and of that too he did not think.
And he continued to burn by the power of his body
made of hair and wax and tendons.
And he burned a long time.
And from his throat inhuman voices issued
for many of his human functions had already ceased,
except for the pain the nerves transmitted
in electric impulses
to the pain center in the brain,
and that didn’t last longer than a day.
And it was good that his soul was freed that day
because he deserved to rest.

 

Vertaald door Chana Bloch and Chana Kronfeld

 
Dahlia Ravikovitch (17 november 1936 – 21 augustus 2005)
Tel Aviv

 

De Amerikaanse schrijfster, uitgeefster en politiek activiste Rebecca Walker werd geboren op 17 november 1969 in Jackson, Mississippi. Zie ook alle tags voor Rebecca Walker op dit blog.

Uit: Becoming the Third Wave

“Another large man gets on the train.
After exchanging loud greetings with the two men, he sits next to me. He tells them he is going to Philadelphia to visit his wife and child. I am suckered into thinking that he is different. Then, “Man, there’s a ton of females in Philly, just waltin’ for you to give’em some.”
I turn my head and allow the fire in my eyes to burn into him. He takes up two seats and has hands with huge swollen knuckles. I imagine the gold rings on his fingers slamming into my face. He senses something, “What’s your name, sweetheart?” The other men lean forward over the seat.
My instinct kicks in, telling me to get out. “Since I see you all are not going to move, I will.” I move to the first car. I am so angry that thoughts of murder, of physically retaliating against them, of separatism, engulf me. I am almost out of body, just shy of being pure force. I am sick of the way women are negated, violated, devalued, ignored. I am livid, unrelenting in my anger at those who invade my space, who wish to take away my rights, who refuse to hear my voice. As the days pass, I push myself to figure o u t what it means to be a part of the Third Wave of feminism. I begin to realize that I owe it to myself, to my little sister on the train, to all of the daughters yet to be born, to push beyond my rage and articulate an agenda. After battling with ideas of separatism and militancy, I connect with my own feelings of powerlessness. I realize that I must undergo a transformation if I am truly committed to women’s empowerment. My involvement must reach beyond my own voice in discussion, beyond voting, beyond reading feminist theory. My anger and awareness must translate into tangible action.”


Rebecca Walker (Jackson, 17 november 1969)

 

De Britse schrijver journalist en polemist Auberon Alexander Waugh werd geboren op 17 november 1939 in Dulverton, Somerset. Zie alle tags voor Auberon Waugh op dit blog.

Uit: Will This Do? An Autobiography

“The house at Combe Florey had not prospered under her single occupation of it. She put it on the market, and then decided she did not want to sell it, but rather than withdraw it, which would have involved paying a house agent, she decided to adopt a policy of discouraging would-be purchasers. Broken windows were never mended. She left buckets in the middle of the floor to suggest that the ceilings leaked, and never took them away. My father had left some extravagantly opulent carpets, woven at Wilton on his in­structions from original designs for the 1851 Great Exhibition. When her beloved spaniel, Credit, made a mess on one of them in the six years after his death, my mother would leave it there, let it solidify, fossilize, before moving it. Later, she forgot about them.
Credit was famous for the size of his turds, which might easily have been human ones. When Christopher Sykes came to stay soon after we moved into Combe Florey, I found one of them in his bathroom, and assumed he had had an accident.
It may have been the dog, or the old-fashioned sinks that she in­sisted on installing, but the wing where she lived soon developed an arsenal of smells. None of her family was put off, but I remem­ber friends being mildly appalled. ‘Bit of a pong in the widow’s pad’, complained Richard Ingrams when she had welcomed him there one evening, slightly tipsy.
* * * *
She died quite suddenly of pneumonia on 17 June 1973. My brother James, then a soldier, had been staying with her in the wing. He had to leave early to return to his soldiering, went in to her room early to say goodbye, and found her dead. She had just suffered a spell of pneumonia, but had seemed to be better, spending her last afternoon on earth cutting roses from the front of the house.”

 
Auberon Waugh (17 november 1939 -16 januari 2001)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e november ook mijn vorige blog van vandaag.

Christopher Paolini, Pierre Véry, Archibald Lampman, Max Barthel, Jelko Arts

De Amerikaanse schrijver Christopher Paolini werd geboren in Los Angeles County, California, op 17 november 1983. Zie ook alle tags voor Christopher Paolini op dit blog.

Uit: The Fork, The Witch, and the Worm

“Eragon stared across his desk at Angela the herbalist, studying her.
She was sitting in the dark pinewood chair the elves had sung for him, still clad in her furs and travel cloak. Flakes of melted snow beaded the tips of the rabbit-hair trim, bright and shiny by the light of the lanterns.
On the floor next to the herbalist lay the werecat, Solembum, in his feline form, licking himself dry. His tongue rasped loudly against his shaggy coat.
Billows of snow swirled past the open windows of the eyrie, blocking the view. Some slipped in and dusted the sills, but for the most part, the wards Eragon had set kept out the snow and cold.
The storm had settled on Mount Arngor two days past, and it still showed no signs of letting up. Nor was it the first. Winter on the eastern plains had been far harsher than Eragon expected. Something to do with the effects of the Beor Mountains on the weather, he suspected.
Angela and Solembum had arrived with the latest batch of traders: a group of bedraggled humans, travel-worn and half frozen to death. Accompanying the herbalist had also been the dragon-marked child Elva—she who carried the curse of self-sacrifice Eragon had inadvertently laid upon her. A curse instead of a blessing, and every time he saw her, he still felt a sense of responsibility.
They’d left the girl on the lower levels, eating with the dwarves. She’d grown since Eragon had last seen her, and now she looked to be nearly ten, which was at least six years in advance of her actual age.
“Now then, where’s the clutch of bouncing baby dragons I was expecting?” said Angela. She pulled off her mittens and then folded her hands over her knee and matched his gaze. “Or have they still not hatched?”
Eragon resisted the urge to grimace. “No. The main part of the hold is far from finished— as you’ve seen—and stores are tight. To quote Glaedr, the eggs have already waited for a hundred years; they can wait one more winter.”


Christopher Paolini (Los Angeles County, 17 november 1983)

 

De Franse schrijver Pierre Véry werd op 17 november 1900 in Bellon geboren. Zie ook alle tags voor Pierre Véry op dit blog.

Uit: Signé Alouette

«Noël rêva toute la nuit d’aveugles. Des aveugles sarcastiques, qui le poursuivaient à travers des paysages chaotiques, le long de sentiers vertigineux en bordure de précipices. Si vite qu’il s’enfuît, il en surgissait toujours un pour lui barrer le chemin. À croire que ces montagnes de cauchemar étaient remplies de faux aveugles à lunettes noires, barbe noire et moustaches à la gauloise qui se ressemblaient comme des sosies ; ils le menaçaient avec leur canne blanche qui devenait subitement une épée, un fusil, une sarbacane et ils se ruaient sur lui avec des rires d’ogres, le saisissaient, bondissaient dans l’abîme ; il leur poussait aussitôt de gigantesques ailes noires et ils l’emportaient, volant lourdement, en cercles, vers les entrailles de la terre et cette chute n’avait pas de fin… Noël s’éveillait en sueur. Marylayne dut lui faire prendre un comprimé de gardénal. Elle était rentrée, passé trois heures du matin, d’une réception organisée par l’Association des auteurs de films. Il y avait un ministre, un super-préfet, deux préfets, deux sous-préfets, tout le Théâtre, tout le Cinéma, toute la Presse. Bref : le Tout-Paris. Et trois grands metteurs en scène américains. Une soirée merveilleuse. Mais épuisante… Sortir du premier sommeil et des draps bien douillets, à quatre heures du matin, pour administrer un somnifère à un gamin agité : quelle fatigue ! Ce Noël choisissait toujours bien mal son moment. – Vous devriez montrer cet enfant à un psychiatre, Hubert. Je vous assure qu’il n’est pas normal. – Vous êtes injuste envers lui, Françoise-Paule. Il est nerveux, voilà tout. – Eh bien, que ne l’envoyez-vous pour une année à Font-Romeu, dans un home d’enfants ? Les Wheller-Laroche y ont envoyé le leur et ils en sont ravis. En tout cas, je ne me sens pas la vocation d’infirmière, que voulez-vous ! Elle s’était rendue ensuite dans la chambre de Charles. Il souriait aux anges, en dormant. Marylayne avait effleuré d’un baiser infiniment maternel le petit front si pur et s’était retirée sur la pointe des pieds, tout émue. »

 
Pierre Véry (17 november 1900 –  12 oktober 1960)
Cover

 

De Canadese dichter Archibald Lampman werd geboren op 17 november 1861 in Morpeth, Ontario. Zie ook alle tags voor Archibald Lampman op dit blog.

Love-Doubt

Yearning upon the faint rose-curves that flit
About her child-sweet mouth and innocent cheek,
And in her eyes watching with eyes all meek
The light and shadow of laughter, I would sit
Mute, knowing out two souls might never knit;
As if a pale proud lily-flower should seek
The love of some red rose, but could not speak
One word of her blithe tongue to tell of it.

For oh, my Love was sunny-lipped and stirred
With all swift light and sound and gloom not long
Retained; I, with dreams weighed, that ever heard
Sad burdens echoing through the loudest throng
She, the wild song of some May-merry bird;
I, but the listening maker of a song.

 

The Martyrs

Oh ye, who found in men’s brief ways no sign
Of strength or help, so cast them forth, and threw
Your whole souls up to one ye deemed most true,
Nor failed nor doubted but held fast your line,
Seeing before you that divine face shine;
Shall we not mourn, when yours are now so few,
Those sterner days, when all men yearned to you,
White souls whose beauty made their world divine:

Yet still across life’s tangled storms we see,
Following the cross, your pale procession led,
One hope, one end, all others sacrificed,
Self-abnegation, love, humility,
Your faces shining toward the bended head,
The wounded hands and patient feet of Christ.

 
Archibald Lampman (17 november 1861 – 10 februari 1899)
Cover

 

De Duitse dichter en schrijver Max Barthel werd geboren in Dresden-Loschwitz op 17 november 1893. Zie ook alle tags voor Max Barthel op dit blog.

Uit:Der Putsch

„Grauer Tag im November
Der Bürgerkrieg war schon oft durch die Stadt gestampft, hatte die Straßen und Häuser verwundet, den Bahnhof erdrosselt, die Brücken gesperrt und die Einwohner ängstlich gemacht. Schon lange standen die Polizisten vor den großen Warenhäusern, den Gummiknüppel neben der Pistole im Gürtel, und schon lange sicherten die Juweliere ihre blitzenden Schaufensterauslagen durch eiserne Gitter. Wenn man vor jenen Geschäften stand, konnte man meinen, sie seien große, leuchtende und lichtsprühende Käfige, in denen die edlen und strahlenden Steine weiter nichts seien als kristallisierte Tränen.
An einem grauen Novemberabend marschierten fünfzig Mann durch diese herbstliche Stadt. Sie kamen ohne Fahnen und Armbinden, ihre Kleider waren abgetragen oder Uniformen aus dem letzten Krieg, sie waren wie ein dunkler Gewalthaufen mit umgehängten Gewehren, eine zur Erde herabgesunkene Sturmwolke. Nein, sie brauchten keine Fahnen und auch keine Armbinden, für die Marschierenden war immer noch Krieg. In Berlin und im Land hatten die Generale geputscht. Die Regierung der Republik war auf der Flucht.
Die fünfzig Arbeiter wurden von einem Matrosen angeführt und kamen aus dem Volkshaus, in dem die Führer schon vom frühen Morgen an über den Putsch in Berlin, den Abwehrstreik und über Lenin und Marx zusammensaßen und diskutierten. Es gab einen linken Flügel und einen rechten Flügel und jeder Flügel spannte sich weit, wenn der andere zusammengefaltet war. Der große Saal, in dem gestritten und gekämpft wurde, verschwamm im blauen Tabakrauch, löste sich auf, war wie ein Schiff, das den Hafen verlassen hatte und schwankend ins offene Meer hinaustrieb.
Mitten in einer wilden Rede, Lewitzki sprach, ein junger Feuerkopf, hatten die fünfzig Mann den Saal verlassen. Sie nahmen ihre Gewehre und wollten keine Reden mehr hören. In Berlin putschten die Generale? Die Zeitungen waren verboten, es wurde gekämpft, was soll da alles Geschwätz über Taktik und Theorie? Irgendwo war in einer Rede der Plan aufgetaucht, der Gewalt die Gewalt entgegenzusetzen, natürlich, es war ja Generalstreik und da mußte eine Zeitung herausgebracht werden. Ja, darüber wurde gerade gesprochen, als sich die fünfzig Mann erhoben. Morgen sollte der Streik alle Zeitungen lahmlegen, also vorwärts marsch, damit unsere eigene Zeitung gedruckt werden kann. Vorwärts marsch nach dem »Tageblatt« des Herrn Korff. Der Matrose Becher nahm seine Leute und marschierte davon. Gewalt gegen Gewalt! Überall begann man, die Arbeiter in das Dunkel zurückzujagen, aus dem sie an einem Novembertag aufgebrochen waren, überall, auch in dieser Stadt, und hier nannte sich der Haupttreiber Korff: Generaldirektor, Zeitungsbesitzer und kleiner Napoleon.“


Max Barthel (17 november 1893 – 28 juni 1975)
Cover

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter en schrijver Jelko Arts werd geboren in Den Bosch in 1991. Zie ook alle tags voor Jelko Arts op dit blog.

Uit: Wit, bruin, restkleuren

“Ik heb een keer in de supermarkt een potje bonen uit de onderste laag van een toren getrokken. De potten vielen als waterballonnen op de grond kapot: een voor een, met grote spetterknallen. Overal lagen ogenbonen. De begeleider zei toen dat ik nog nooit zo iets doms had gedaan. Ik denk dat vandaag nog dommer was.
De andere bewoners was dit niet overkomen denk ik, er is een reden waarom ik eigenlijk niet in mijn eentje naar de glasbak mag. Dat weet ik wel. Tot nu toe ging ik altijd met papa als hij op bezoek was of soms met de afdelingshulp en dan mocht ik de flessen er zo hard mogelijk in te gooien, daar moest ik altijd van lachen. Maar de laatste keer was er een klein meisje voor ons. Ze kwam nauwelijks boven de glasbak uit, maar tilde haar flessen een voor een in het gat en liet ze rustig naar binnen glijden. Na afloop vouwde ze haar tasje netjes op en wandelde weer verder, zonder vader. Daar moest ik net aan denken en papa zei dat ik vandaag dan zelf een plastic tas mocht kiezen en zelf de sleutel van het haakje mocht halen. Ik heb gezegd dat ik dan ook in mijn eentje naar de glasbak wilde lopen.
Het mocht eigenlijk niet. Toen heb ik het nog een keer gezegd en nog een keer, en als ik dan mijn telefoon zou meenemen kon het misschien. Papa heeft met de afdelingshulp overlegd en toen mocht het. Ik was er zo zenuwachtig van dat het fout is gegaan. Misschien omdat ik niet goed oplette. Ik wilde een fles naar binnensteken en ik duwde met mijn hand de rubberen flap opzij. Ik had in die hand nog mijn sleutels en toen liet ik de verkeerde hand los. De sleutelbos gleed de glasbak in.
Zo kwam het dat ik daar zat, want van de schrik was ik helemaal vergeten hoe ik terug moest lopen. De eerste vijf minuten zocht ik nog naar een oplossing. Ik keek een paar keer de glasbak in, maar het was er te donker. Daarna stak ik mijn arm tot aan mijn schouder in het gat, maar ik voelde niets. Ik ging er even bij zitten, op het stoepje voor de basisschool. Het was een koud stoepje en mijn jas is maar dun, dus dacht ik hard na. Toen voelde ik mijn telefoon trillen. Het was papa, maar ik nam niet op”

 
Jelko Arts (Den Bosch, 1991)

Anton Koolhaas, Chinua Achebe, José Saramago, Renate Rubinstein, Craig Arnold, Danny Wallace, Frits van der Meer, Jónas Hallgrímsson, Hugo Dittberner

De Nederlandse schrijver Anton Koolhaas werd op 16 november 1912 in Utrecht geboren. Zie ook alle tags voor Anton Koolhaas op dit blog.

Uit: Zonder Mia

“Nico en Mia heetten ze en ze hadden een tijd van dolle liefde achter de rug. Voor zover er iets vast kan staan, stond dat vast. En nu zat Mia in het nest. Een nieuw nest, maar niet erg mooi. Er lag nog geen ei in, maar toch zat ze er alvast, waarschijnlijk om te wennen. Een musseleven is overigens alleen maar wennen, want keus is er niet veel bij.
Soms, als Nico aan kwam vliegen gaf hij uit de verte al een schreeuw en dan kwam Mia van het nest en zette zich op een gering richeltje, opzij van de plank die het zonnescherm omgaf, en spreidde haar rug mooi breed. Nico nam daarop dan plaats en ze paarden zo fijn mogelijk. Vervolgens vlogen ze samen naar een boom in de tuin en deden het nog eens over, en vlak voordat Mia dan terugging naar het nest, volgde nog een herhaling op de plank boven de markies.
Als Mia dan weer onder de plank en in het nest op het zonnescherm zat, dacht ze met ontroering aan Nico. Er was niets bijzonders aan hem, niets moois, niets vaardigs, niets vermetels, maar hij deed ook niet alsof dat wel zo was.
Er zou allemaal wel niets van terechtkomen. De plaats van het nest was verkeerd. Op een gegeven ogenblik in het voorjaar zou men het zonnescherm neerlaten en daar zat dan aan vast, dat Mia met haar hele nest in de tuin zou vallen. Dat wil zeggen: op het hardstenen stuk dat de overgang vormde van het huis naar de grasmat in de tuin. Mia kon natuurlijk wegvliegen als het zover was, maar eieren kunnen niet vliegen en onbedekte, jonge vogeltjes evenmin. Het kwam nu maar aan op het moment, waarop de mensen van het huis last zouden krijgen van het zonnetje. Viel dat laat, dan kon alles nog goed gaan; kwam het vroeg, ajusies dan. Waarom dan niet een veiliger plaats opgezocht?
Mia wist natuurlijk niet zeker, dat het nest eruit geslingerd zou worden; ze wist trouwens ook niet waar een zonnescherm voor dient en hoe men daarmee handelt. Maar toch had ze van het begin af aan het gevoel, dat alles verkeerd zou lopen. Als je echter leeft naar alles wat er mis kan gaan, kan je wel ophouden. Mussen zeker!
Mia keek naar de slierten van het nest in de wind. Het was guur en voor het ogenblik zat ze er eigenlijk mooi bij. Ze speelde wel eens, dat ze de wind nakeek. Dan staarde ze eerst recht voor zich uit, tot er een flinke windvlaag kwam en dan draaide ze ineens haar kopje snel met de wind mee en keek hem na, als hij uit de slierten vandaan verder trok, de wereld in. Het is niet feestelijk om met de wind mee te gaan, als die guur is; maar het is wel bevredigend om hem na te kijken en zelf aangenaam achter te blijven in een nest onder een houten plank die het verblijfje net even donkerder maakt dan het buiten is.”

 
Anton Koolhaas (16 november 1912 – 16 december 1992)

 

De Nigeriaanse dichter en schrijver Chinua Achebe werd geboren op 16 november 1930 in Ogidi. Zie ook alle tags voor Chinua Achebe op dit blog.

Answer

I broke at last
the terror-fringed fascination
that bound my ancient gaze
to those crowding faces
of plunder and seized my
remnant life in a miracle
of decision between white-
collar hands and shook it
like a cheap watch in
my ear and threw it down
beside me on the earth floor
and rose to my feet. I
made of their shoulders
and heads bobbing up and down
a new ladder and leaned
it on their sweating flanks
and ascended till midair
my hands so new to harshness
could grapple the roughness of a prickly
day and quench the source
that fed turbulence to their
feet. I made a dramatic
descent that day landing
backways into crouching shadows
into potsherds of broken trance. I
flung open long-disused windows
and doors and saw my hut
new-sept by rainbow brooms
of sunlight become my home again
on whose trysting floor waited
my proud vibrant life.

 
Chinua Achebe (Ogidi, 16 november 1930)

 

De Portugese schrijver José Saramago werd geboren op 16 november 1922 in het dorpje Azinhaga in de provincie Ribatejo. Zie ook alle tags voor José Saramago op dit blog.

Uit: Small Memories (Vertaald door Margaret Jull Costa)

“The village is called Azinhaga and has, so to speak, been where it is since the dawn of nationhood (it had a charter as early as the thirteenth century), but nothing re-mains of that glorious ancient history except the river that passes right by it (and has done, I imagine, since the world was created) and which, as far as I know, has never changed direction, although it has overflowed its banks on innumer-able occasions. Less than half a mile from the last houses, to the south, the Almonda, for that is the name of my village’s river, meets the Tejo, which (or, if you’ll allow me, whom) it used to help, in times past and as far as its limited volume would allow, to flood the fields when the clouds unleashed the torrential winter rains, and the dams upstream, brimful and bursting, were obliged to discharge the excess of accumulated water. The land around there is flat, as smooth as the palm of your hand, with no orographic irregularities to speak of, and any dikes that were built served not so much to contain the powerful rush of the river when it floods as to guide it along a course where it would cause least dam-age. From those distant days onward, the people born and bred in my village learned how to deal with the two rivers that shaped its character, the Almonda, which slips past its feet, and the more distant Tejo, half-hidden behind the wall of poplars, ash trees and willows that accompany it, and, for good reasons and bad, both rivers are omnipresent in the memories and conversations of every family. It was here that I came into the world and it was from here, when I was not yet two years old, that my parents, migrants driven by ne-cessity, carried me off to Lisbon and to other ways of feel-ing, thinking and living, as if my having been born in the village were merely the result of some mistake made by chance, some momentary lapse on the part of destiny, a lapse for which destiny still had the power to make amends. This proved not to be the case. The child, unnoticed, had already put out tendrils and sent down roots, and there had been time for that fragile child-seed to place his tiny, un-steady feet on the muddy ground and to receive from it the indelible mark of the earth, that shifting backdrop to the vast ocean of air, of that clay, now dry, now wet, composed of vegetable and animal remains, of detritus left behind by everything and everyone, crushed and pulverized rocks, multiple, kaleidoscopic substances that passed through life and to life returned, just like the suns and the moons, times of flood and drought, cold weather and hot, wind and no wind, sorrows and joys, the living and the not.”

 
José Saramago (16 november 1922 – 18 juni 2010)
Cover

 

De Nederlandse schrijfster en journaliste Renate Rubinstein werd geboren op 16 november 1929 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Renate Rubinstein op dit blog.

Uit: De expert en de mug of wie helpt wie in het onderontwikkelde

“Kort voor Kerstmis kregen we, of liever de heer A. Mus, aan wie het schrijven eigenlijk gericht was, een circulaire van de V.P.R.O. toegestuurd. We lazen: ‘Uit eerbied en bewondering voor hun werk overzee zond de V.P.R.O. in de dagen voor Kerstmis aan een aantal landgenoten bijgaande Kerstgroet…’ We keken elkaar met nieuwe ogen aan. In een omgeving waarin de meeste mensen naar ons toekomen om geld te lenen of een baan voor hun nicht te zoeken (wij maken blijkbaar de indruk beide te kunnen verschaffen), en we de anderen tegen zonsondergang ontmoeten – de auto’s geparkeerd, de kinderen in het zwembad, de kok thuis aan het electrisch fornuis – om ijsgekoelde dranken mee te drinken, in zo’n omgeving doet het goed er aan herinnerd te worden dat wij en alle landgenoten die ‘op de één of andere wijze een functie vervullen in één van de onder- of minderontwikkelde gebieden’, eerbied en bewondering waard zijn.
Wij begonnen ons af te vragen of wij misschien een offer aan het brengen waren. Daartoe was het nodig in wat globaler termen over onze positie te denken. Ons inlevend in Ds Spelberg beseften we ver van huis te zijn, ver van gezelligheid, V.P.R.O. en het vertrouwde uitzicht op regenachtige weiden vol huizen. In plaats daarvan zaten we in de tropen, vechtend zoal niet tegen het oerwoud dan toch tegen aanverwante ellende: kakkerlakken, muggen, zon en, abstracter nog, tegen armoede, onkunde en onbegrip. ‘De gevreesde muskiet tiert in de moerassen’, schreef onlangs iemand over zijn onderontwikkeld land, en het was tenslotte maar een toeval dat wij persoonlijk daar niets tegen deden. Wij zijn er meer speciaal om te vechten tegen het nationale inkomen dat te laag is, maar onze buurman, wiens tuinman aan de overkant bezig is de vinnen van de tweekleurige auto te wassen, is een Malaria Bestrijder – of liever, een organisator van die bestrijding, want voor het platvloerse werk met hakmes en Flitspuit worden geen dure experts uit het buitenland geëngageerd. Evenmin als voor het onderwijzen van voddige kindertjes in het achterland, of het terrassen spitten op geërodeerde berghellingen, of het verplegen van zieken – al dit werk wordt door ons en onze landgenoten niet zozeer gedaan als georganiseerd.
Hoewel ons offer er dus meer een van het hoofd is dan van het lichaam, meer op kantoren gebracht dan op het veld, we geven toch maar ons inzicht, we stellen onze hersens ter beschikking. In nationaal verband gezien, natuurlijk, want de individuele ontwikkelaar bewijst deze diensten in de regel tegen een salaris dat hoger is dan dat van tweemaal zo oude collega’s in het moederland. Maar ook voor de thuisblijvers, de belastingbetalers, het hele moederland, staat er wel iets tegenover.
Want zo tegen Kerstmis, als iedereen, in vrede met elkaar, aan minder fortuinlijken wil denken, beantwoorden de O.O.-landen aan een behoefte die anders onbevredigd zou doorhunkeren.”

 
Renate Rubinstein (16 november 1929 – 23 november 1990)
Hier met Annie M. G. Schmidt (links). Rechts van haar Maarten Biesheuvel en Simon Carmiggelt

 

De Amerikaanse dichter Craig Arnold werd geboren op 16 november 1967 in Temple, Californië. Zie ook alle tags voor Craig Arnold op dit blog.

Incubus (Fragment)

It’s what she doesn’t dream
that scares her, panic she can’t account for, faces
familiar but not known, déjà vu
making a mess of memory, coming to
with a fresh love-bite on her left breast
and the aftershock of granting another’s flesh,
of having gripped, slipped in and fluttered tender
mmm, unbraided, and spent the whole slow day
clutching her thighs to keep the chafe from fading,
and furious at being joyful, less
at the violation, less the danger, than the sense
he’d taken her enjoyment for his own.
That was the time before, the time she swore
would be the last—returning to her senses,
she’d grabbed his throat and hit him around the face
and threw him out, and sat there on the floor
shaking. She hadn’t known how hard it was
to throw a punch without pulling it back.

Now, as they sit together on her couch
with the liquid cooling in the stained chipped cups
that would never match, no matter how hard
she stared at them, he seems the same as ever,
a quiet clumsy self-effacing ghost
with the gray-circled eyes that she once wanted
so badly to defy, that seemed to see her
seeing him—and she has to admit, she’s missed him.
Why? She scrolls back through their conversations,
searching for any reason not to hate him.
She’d ask him, What’s it like being a girl
when you’re not a girl? His answers, when he gave them,
weren’t helpful, so evasively poetic:
It’s like a sponge somebody else is squeezing.
A radio tuned to all stations at once.
Like having skin that’s softer but more thick.

 
Craig Arnold (16 november 1967 – 27 april 2009)
Temple City, Californië

 

De Schotse schrijver, humorist, radio-en televisie presentator Daniel Frederick Wallace werd geboren op 16 november 1976 in Dundee. Zie ook alle tags voor Daniel Wallace op dit blog.

Uit: I Can’t Believe You Just Said That

“Of course, these things happen in war. But Omar suddenly found himself in a world in which men would simply stand three feet away and stare at him while saying nothing, and even where terrorists would ‘casually take your phone off charge to charge their own phone’.
Omar expected better of ISIS. He didn’t like how they would be so ‘childish in their dealings and mannerisms’, nor how they would rifle through other people’s property without asking first. They were always invading his space, and they talked far too loudly when he was trying to sleep.
As far as he could tell, they didn’t find their own behaviour rude at all.
We all have our own standards when it comes to rudeness.

* * *

Politeness is extremely important to me, though sometimes I wonder if I set the bar too high.
I feel rude if I sneeze on a plane. I have lost count of the number of times I have apologised to bins or lampposts if I’ve walked into them. If a dog looks my way as I walk through a park, I feel ashamed if I don’t smile or nod a hello. I don’t think I’d last five minutes with ISIS before I’d be straight to Human Resources!
But never was I more aware of my own standards of rudeness than on the day – and immediate aftermath – of what we’ll call ‘the Hotdog Incident’.
All I wanted was a sausage. What I got instead was an afternoon of incredible stress and the desire to do something about it. The desire, as it would turn out, to write this book. Initially I tried to exorcise my demons by composing a scathing 200-word review. But 200 words did nothing. There was too much I still wanted to say – and know. Something that began as a little silly took on a serious edge. What started as a few print-outs left by my bed in London soon became documents in ring-binders arranged in my office.”

 
Danny Wallace (Dundee, 16 november 1976)

 

De Nederlandse literator, kunsthistoricus, archeoloog en katholiek priester Frederik Gerben Louis (Frits) van der Meer werd geboren in Bolsward op 16 november 1904. Zie ook alle tags voor Frits van der Meer op dit blog.

Uit: Jan van Eyck

“Ik kan het niet helpen, maar van de vier Zurbarans te Grenoble, die ik als gymnasiast voor het eerst zag, heb ik alleen het mandje met de eieren, en de wol van de lammetjes onthouden, tot vandaag toe: niet de meesterlijke compositie van De Geboorte met de herders; daarvoor gaf ik toen al vele beroemde stillevens van onze Gouden Eeuw, wellicht ten onrechte. Wat onthield ik, een paar jaar later, van Caravaggio’s meesterstukken in San Luigi dei Francesi in Rome? Natuurlijk het schreeuwend wegrennende jochie, en de louche plunje van de gokkers temidden van wie Mattheus opkijkt naar de onvergetelijke, roepende vinger van Christus. Zelfs bij die surrealist, El Greco, fascineren de details onfeilbaar. Is u soms, van de ondraaglijk gespannen Begrafenis van de graaf van Orgaz, in Toledo, de aurifrisiën van Augustinus’ koorkap vergeten? Het brokaat en de vlaskwasten van Stephanus? Het spiegelen van het zwarte harnas van de dode, de kanten kragen van de zwartgeklede heren? Men hoeft niet af te dalen tot het ‘magisch realisme’ en het feit, dat je het soort tweed herkent in de jas van een onbeduidend, door Willink geconterfeit heer, als duidelijk bewijs voor een dure tailleur, om te ontdekken, dat verbijsterende natuurgetrouwheid een troef is gebleven voor de gewone man. Bij de grote meesters, heet het, zijn dergelijke details niet meer dan afzettrucs binnen een grootse compositie: arabesken verloren op een overdonderende façade. Goed, maar waarom onthoudt u zoiets? Van de hele romeinse wandschilderkunst onthoudt u toch maar de appels uit het huis van Livia en van alle antieke eetkamermozaïeken de befaamde vissen en kwallen, niet die vervelende altijd eendere nimfen en goden. Veertien eeuwen scheiden de banale bravourestukjes van de Romeinse paleisdecorateurs van het revolutionaire oeuvre van Jan van Eyck. Van Eyck is blijkens de traditie beroemd geworden door zijn verbijsterend echte weergave van op zich doodgewone, zij het weelderig natuurlijke of pralend onnatuurlijke details; verder door wat Dr. Dhanens terecht een legende noemt: namelijk dat hij de uitvinder zou zijn van de olieverftechniek, ongeveer zoals de man uit Biervliet die van het haringkaken, een topos, die zelfs door de Italianen eeuwenlang is herhaald.”

 
Frits van der Meer (16 november 1904 – 19 juli 1994)
De aanbidding van de herders door Francisco de Zurbarán, 1638

 

De IJslandse dichter en natuurwetenschapper Jónas Hallgrímsson werd geboren op 16 november 1807 in Öxnadalur. Zie ook alle tags voor Jónas Hallgrímsson op dit blog.

Hell

I find it all a foolish joke,
falling to hell’s abyss of smoke
to sit there, braised and baking,
among the howling fiends of fire,
so far from God’s sunshiny choir —
it sets my soul to quaking!

There squads of skate-winged demons lurk,
skirling through everlasting murk
where ruddy flames hold revel.
All is fire and ice by turns,
everything freezes or it burns,
the dead souls — and the Devil

 

Tómas’s Meadow

Near towering Tonguehill Glacier
Tómas’s Meadow lies,
the only green oasis
under the desert skies.

Here my dear friend’s horses
hurried once in their need;
never again will he graze them
on his grassy upland mead.

Wide is the Dancing Desert,
distant the weeping sea.
Where sands are sweeping northward
my soul is hurrying me.

 
Jónas Hallgrímsson (16 november 1807 – 26 mei 1845)

Cover

 

De Duitse schrijver, dichter en essayist Hugo Dittberner werd geboren op 16 november 1944 in Gieboldehausen. Zie ook alle tags voor Hugo Dittberner op dit blog.

Uit: Wolken und Vögel und Menschentränen

„Ingrid hatte Moni seit Wochen nicht gesehen. Ein merkwürdiges Erlebnis hatte ihr unendliches Gespräch, wie sie es sich pathetisch versprochen hatten, unterbrochen. Moni hatte sich ein neues und viel komfortableres Telefon gekauft, mit Fax und automatischem Anrufbeantworter. Und sie hatte einen befremdlichen, nur die allernormalsten Floskeln zulassenden Text auf den Beantworter gesprochen, der Art: Hier ist der Anrufbeantworter von Monika Müller, Telefonnummer Soundso. Ich bin leider im Moment nicht erreichbar. Bitte hinterlassen Sie Ihre Nachricht und gege-benenfalls Ihre Nummer. Ich werde zurückrufen. Bitte sprechen Sie nach dem Piepton … Die Therapiestunden und die Gespräche mit Ingrid hatten also nicht viel gefruchtet … Im Ernstfall war Moni wieder Monika Müller aus Hannover. Diese Erkenntnis hatte sie damals, als sie Moni rasch für den nächsten Abend ab-sagen mußte, weil sie einen Termin mit den jungen Müttern über-sehen hatte, so überrascht, daß sie selbst nur stottern konnte, sie wußte nicht mehr, was. Dann mußte dies Stottern oder irgendein nebenher laufendes Signal dazu geführt haben, daß sich Moni nicht bei ihr meldete. Und da auch sie sich nicht meldete und Moni sich auch in den nächsten Tagen und Wochen nicht mel-dete, meldete sich logischerweise niemand, und die unendlichen Gespräche waren erst mal aus. Nun aber, aus heiterem Himmel, war Moni wieder erschienen und saß in Ingrids Wohnzimmersessel und blätterte in den Kunst-bänden, in denen sie immer schon gern geblättert hatte. (Wie der Ministerpräsident sah sie lieber moderne Kunst an als zu lesen.) Cezanne, Monet, van Gogh, Matisse, Twombly. Es lagen einige Bände da, neben jenem Buch über die norddeutsche Backstein-gotik und Goethe in Weimar und Fontanes Wanderungen in der Mark Brandenburg. Ingrids Stehlampenwelt. Da konnte sich Moni natürlich gleich wieder gut einfinden, während In-grid die Bratäpfel und den Kakao zubereitete. Durch die offen-stehende Tür und über den Flur riefen sie sich die Kürzel zu, die an frühere Gespräche und Wahrheiten erinnerten: Cezannes Rot, immer ein Scheunentor, die Ungelenkheit der Meister (woher ja der Eindruck der Materialität rührte), Matisses Minimalismus: Nur das Nötigste, das aber als zauberhafte Gebärde, aus dem Zentrum heraus, die roten Backsteinkirchen sind unsere Heimat. Mehr als alles andere! Im Zeitalter ohne Denkmäler. Wunderschön die Seerosen! Man möchte langsam zu ihnen waten, vom Rand her sich nähern, um schließlich mittendrin zu sein … Manchmal kam Ingrid an die Tür, damit sie nicht so schreien mußten. Und schließlich waren die Taten vollbracht: es gab die Bratäpfel, es gab den Kakao, und es gab den Duft um sie herum.“

 
Hugo Dittberner (Gieboldehausen, 16 november 1944)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e november ook mijn blog van 16 november 2014 deel 2.