Marije Langelaar, Richard Powers, Raymond Radiguet, Geoffrey Hill, Bert Schierbeek, Aster Berkhof, Karin Fellner, Mirjam Pressler, Ivan Gontsjarov

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Marije Langelaar werd geboren op 18 juni 1978 in Goes. Zie ook alle tags voor Marije Langelaar op dit blog.

Vrij

Hier is het donker, lawine, golf, grot.
Sinds een week of twee heb ik mij met de grootst mogelijke
concentratie naar de stad toe bewogen en nu lig ik hier voor een
uit steen gehouwen kade waarop illuminiserend licht valt.
Naast mij een dier,zo weinig opmerkzaam,zijn hartslag rilt
obsceen tegen mij aan.In die korte momenten waarin ik helder
ben vraag ik mij af: ben ik een wezenlijk deel van de rivier?
Wanneer ik ontsnap zal zij dan sterven? Is het de bedoeling dat ik
ontsnap? Zijn er daar soortgenoten? Kan ik daar leven en ben ik
daar eerder geweest?
Ik word korzelig van al die vragen –
terugzinken in de diepte tussen de makaziplanten of eruit kruipen?
Iets moet gebeuren,zodat ik mijn nek,wervels,tong
schrap zet alles doordrenk van mijn wilskracht uit het zwart te
geraken,ik zing wanneer ik door de buis door de adem door
de vlijmscherpe haken alles zo nauw en gevaarlijk maar ik zing
en gevaarlijk vrij op de grond stort

 

Stad

Op hoeven draaft de stad de nacht door
lange teugels om gebouwen zweepslagen op het plein
van opwinding luiden de klokken
bakstenen laten hun greep los
fietsen ratelen de straat op, fornuizen. Genoeg.
De stad strijkt neer bij een oever
door het rinkelen en gongen ontwaken de vissen
glad en radeloos

Marije Langelaar (Goes, 18 juni 1978)

 

De Amerikaanse schrijver Richard Powers werd geboren op 18 juni 1957 in Evanston, Illinois. Zie ook alle tags voor Richard Powers op dit blog.

Uit: Tot in de hemel (Vertaald door Jelle Noorman)

“Het staatsburgerschap wekt honger naar de onontgonnen wereld. De twee pakken hun roerend goed bijeen en beginnen aan de landreis over de uitgestrekte, met weymouthdennen overdekte vlakten, via de donkere beukenwouden van Ohio, door de opener eikenbossen van het Middenwesten, helemaal naar de nederzetting bij Fort Des Moines in de nieuwe staat Iowa, waar de overheid land dat nog maar gisteren werd verkaveld weggeeft aan eenieder die het bewerken wil. Hun naaste buren wonen twee mijl verderop.
Dat eerste jaar beploegen en beplanten ze zo’n vijftig acres. Mais, aardappelen en bonen. Ze werken bikkelhard, maar voor zichzelf. Beter dan marineschepen bouwen voor welk natie dan ook.
Dan volgt de prairiewinter. De kou knaagt aan hun levenswil. In de blokhut vol kieren daalt hun bloed “s nachts naar het nulpunt.
Elke morgen moeten ze een wak slaan in de waskom om ten minste hun gezicht af te spoelen. Maar ze zijn jong, vrij en gedreven – de enige stutten van hun eigen bestaan. De winter krijgt hen er niet
onder. Nog niet. De zwartste wanhoop in hun hart wordt samengeperst tot diamant.
Wanneer het opnieuw tijd is om te planten, is Vi in verwachting. Hoel drukt zijn oor tegen haar buik. Ze moet lachen om zijn van ontzag vertrokken gezicht.‘Wat zegt het?’
Hij antwoordt in zijn hoekige, bonkige Engels‘Voed me!’
In mei dat jaar ontdekt Hoel zes kastanjes in een zak van de kiel die hij droeg op de dag dat hij zijn vrouw ten huwelijk vroeg. Hij duwt ze in de aarde van West-Iowa, op de boomloze prairie rond
de blokhut. De boerderij is honderden mijlen verwijderd van de natuurlijke habitat van de kastanje en duizend mijl van de kastanjefestijnen van Prospect Hill. Met elke maand die verstrijkt, kost
het Hoel meer moeite ze zich voor de geest te halen, die groene wouden in het oosten.
Maar dit is Amerika, waar mens en boom de wonderbaarlijkste omzwervingen maken. Hoel plant, begiet en denkt: Op een dag zullen mijn kinderen aan de stammen schudden en gratis kunnen eten.
Hun eerstgeborene sterft als zuigeling, gedood door iets wat nog geen naam heeft. Microben bestaan nog niet. God is de enige die kinderen wegneemt en zelfs, met ondoorgrondelijke regelmaat,
tijdelijke zielen meegrist van de ene wereld naar de ander.”

Richard Powers (Evanston, 18 juni 1957)
Cover

 

De Franse schrijver Raymond Radiguet werd geboren op 18 juni 1903 in Saint-Maur-des-Fossés. Zie ook alle tags voor Raymond Radiguet op dit blog.

Uit: Le diable au corps

« Tandis que ma tante parlait d’une amie enfuie dès les premiers jours, après avoir enterré dans son jardin des pendules, des boîtes de sardines, je demandai à mon père le moyen d’emporter nos vieux livres ; c’est ce qu’il me coûtait le plus de perdre. Enfin, au moment où nous nous apprêtions à la fuite, les journaux nous apprirent que c’était inutile. Mes soeurs, maintenant, allaient à j… porter des paniers de poires aux blessés. Elles avaient découvert un dédommagement, médiocre il est vrai, à tous leurs beaux projets écroulés. Quand elles arrivaient à J…, les paniers étaient presque vides ! Je devais entrer au lycée Henri IV ; mais mon père préféra me garder encore un an à la campagne. Ma seule distraction de ce morne hiver fut de courir chez notre marchande de journaux, pour être sûr d’avoir un exemplaire du Mot, journal qui me plaisait et paraissait le samedi. Ce jour-là je n’étais jamais levé tard. Mais le printemps arriva, qu’égayèrent mes premières incartades. Sous prétexte de quêtes, ce printemps, plusieurs fois, je me promenai, endimanché, une jeune personne à ma droite. Je tenais le tronc ; elle, la corbeille d’insignes. Dès la seconde quête, des confrères m’apprirent à profiter de ces journées libres où l’on me jetait dans les bras d’une petite fille. Dès lors, nous nous empressions de recueillir, le matin, le plus d’argent possible, remettions à midi notre récolte à la dame patron esse et allions toute la journée polissonner sur les coteaux de Chennevières. Pour la première fois, j’eus un ami. J’aimais à quêter avec sa soeur. Pour la première fois, je m’entendais avec un garçon aussi précoce que moi, admirant même sa beauté, son effronterie. Notre mépris commun pour ceux de notre âge nous rapprochait encore. Nous seuls, nous jugions capables de comprendre les choses ; et, enfin, nous seuls nous trouvions dignes des femmes. Nous nous croyions des hommes. Par chance nous n’allions pas être séparés. René allait déjà au lycée Henri IV, et je serais dans sa classe, en troisième. Il ne devait pas apprendre le grec ; il me fit cet extrême sacrifice de convaincre ses parents de le lui laisser apprendre. Ainsi nous serions toujours ensemble. Comme il n’avait pas fait sa première année, c’était s’obliger à des répétitions particulières. Les parents de René n’y comprirent rien, qui, l’année précédente, devant ses supplications, avaient consenti à ce qu’il n’étudiât pas le grec. Ils y virent l’effet de ma bonne influence, et, s’ils supportaient ses autres camarades, j’étais, du moins, le seul ami qu’ils approuvassent. Pour la première fois, nul jour des vacances de cette année ne me fut pesant. »

Raymond Radiguet (18 juni 1903 – 12 december 1923)
Cover Duitse uitgave


De Engelse dichter Geoffrey Hill werd geboren op 18 juni 1932 in Bromsgrove, Worcestershire. Zie ook alle tags voor Geoffrey Hill op dit blog.

Funeral Music

5

As with torches we go, at wild Christmas,
When we revel in our atonement
Through thirty feasts of unction and slaughter,
What is that but the soul’s winter sleep?
So many things rest under consummate
Justice as though trumpets purified law,
Spikenard were the real essence of remorse.
The sky gathers up darkness. When we chant
‘Ora, ora pro nobis’ it is not
Seraphs who descend to pity but ourselves.
Those righteously-accused those vengeful
Racked on articulate looms indulge us
With lingering shows of pain, a flagrant
Tenderness of the damned for their own flesh:

6

My little son, when you could command marvels
Without mercy, outstare the wearisome
Dragon of sleep, I rejoiced above all—
A stranger well-received in your kingdom.
On those pristine fields I saw humankind
As it was named by the Father; fabulous
Beasts rearing in stillness to be blessed.
The world’s real cries reached there, turbulence
From remote storms, rumour of solitudes,
A composed mystery. And so it ends.
Some parch for what they were; others are made
Blind to all but one vision, their necessity
To be reconciled. I believe in my
Abandonment, since it is what I have.

Geoffrey Hill (18 juni 1932 – 30 juni 2016)

 

De Nederlandse schrijver en dichter Bert Schierbeek werd geboren op 18 juni 1918 in Glanerbrug in Twente. Zie ook alle tags voor Bert Schierbeek op dit blog.

Uit: Weerwerk (Fragment)

denk je: dit is de aanloop
een eerste ademtocht
geen woord te vinden
om het uit te drukken

de eerste abstraktie van
die grote gele groene en bruine
vlakken en de sloten en het kanaal
er doorheen
een vlek vol vlekken
roep ik: trekt de schara voorbij
beneden platgeslagen in
zijn eigen spiegel
geel gezicht en doorrimpeld
vroeger rivieren en wouden
vol olifanten en reden de
jagers in tweewielige wagens
en schoten maar raak
kijk ik uit de kap van de molen
van Schiphoes en zie het dak
van de zolder van Oma waar de
aanstaande man van Totje Nachenus
zich ophing twee uur voor de bruiloft
en Totje het lijk sloeg en riep
jij loeder
doe deugnait
waarom
en Oma dan zegt heel kalm
aan deze haak hing ie
Opa haalde hem los
maar was dood

Bert Schierbeek (18 juni 1918- 9 juni 1996)
Op de cover van de Parelduiker


De Duitse dichteres Karin Fellner werd geboren op 18 juni 1970 in München. Zie ook alle tags voor Karin Fellner op dit blog.

das licht dimmt langsam weg

/ die mauern halten fest
hinter glas bleibt er fremd / bär mit zerzausten augen
verausgabt in einem kampf / der nicht zu gewinnen ist
abgehalftert vertanzt
mahlt er kinnbacken ihm

klebt die welt an den fersen / das beste er setzt sich drauf
wer hat das programm gemacht / wer hat es in szene gesetzt

müde hebt er nicht
tatzen mehr nur lider

 

Futter I

hüllen sie sich in stimmen / nieseln auf geköpfte
platanen über pfützen / geduckte passanten
sie sitzen

an der theke, pastis / mahlen maschinen francs
spannen gerüchte aus / steigen auf pyrenäen
schlürfen sie

kaffee, sind helden von
vagem mut, ziehen los.

Karin Fellner (München, 18 juni 1970)

 

De Vlaamse schrijver Aster Berkhof (eig. Louis van den Bergh werd geboren in Rijkevorsel op 18 juni 1920. Zie ook alle tags voor Aster Berkhof op dit blog.

Uit Toen wij allen samen waren

‘Moeder hield er niet van dat in ons huis over “het gemeen volk” gesproken werd. Met gemeen volk bedoelde ze de fabrieksarbeiders. Het “goed volk” bestond uit de adel, de burgerij en de boeren. Hoewel de boeren ook met de handen werkten, was er voor haar geen enkele overeenkomst tussen hen en de arbeiders. Een boer bezat een hoeve. Hij bezat dieren en werktuigen. Hij was katholiek. Hij bad ’s avonds het rozenhoedje. Hij ging zondags naar de hoogmis. Hij vloekte niet. Hij kwam niet in de kroegen. Hij was degelijk, welgesteld, behoudsgezind en betrouwbaar.’
(…)

‘Arbeiders waren voor hem, en zijn het altijd gebleven, kinderen aan wie men daarom niet te veel geld moest geven – ze wisten immers niet wat ze ermee moesten doen – en die men bij de hand moest houden.’
(…)

‘Als je haar hoort spreken, lijkt het of ze persoonlijk omgang heeft met de Heilige Theresia, Catharina, Elisabeth, Appolonia… Allemaal vrouwen. Ze bidt niet tot mannen. Zelfs niet tot de Heilige Jozef zei ze glimlachend. (…) In de loop van het gesprek prevelt ze voortdurend schietgebedjes. (…) Bij het afscheid prevelt ze ook haastig wat, zonder twijfel een gebedje om je op de terugweg te behoeden. Ze zegt nooit God, maar Onze-Lieve-Heerke. Ze glimlacht, terwijl ze die naam noemt en ze grijpt even naar haar rozenkrans, die ook ergens in haar kleren zit. Ze ziet haar Onze-Lieve-Heerke duidelijk als een kameraad. Ze is op weg naar hem. Ze ziet de dood zonder de minste angst tegemoet.”

Aster Berkhof (Rijkevorsel, 18 juni 1920)
Cover

 

De Duitse schrijfster en vertaalster Mirjam Pressler werd geboren op 18 juni 1940 in Darmstadt. Zie ook alle tags voor Mirjam Pressler op dit blog. Mirjam Pressler is op 16 januari jongstleden op 78-jarige leeftijd gestorven.

Uit: Dunkles Gold

„Ich war so naiv gewesen. Obwohl mir »naiv« damals als letztes Adjektiv eingefallen wäre, um mich zu beschreiben, ich hielt mich eher für misstrauisch und skeptisch, auf jeden Fall für klug genug, Zusammenhänge zu verstehen und einzuordnen. Trotzdem war etwas geschehen, was ich nicht verstand. Wenn man von früheren Ereignissen erzählt, erkennt man plötzlich Dinge, die man vorher nicht gesehen hat, findet manches wichtig, was man nur nebenbei wahrgenommen hat, oder man stellt fest, dass man sich grundlos aufgeregt oder geärgert hat, Überflüssiges gedacht und getan hat, und dass manches, was einem schrecklich vorkam, im Grunde nur banal war. Oder umgekehrt. Denn in dem Moment, in dem man eine Situation erlebt, ist es unmöglich zu wissen, ob sie später irgendeine besondere Bedeutung haben wird oder nicht. So geht es mir heute, wenn ich an die vielen Streitereien mit meiner Mutter denke, übers Aufräumen, nicht erledigte Aufträge, nicht eingehaltene Versprechungen. Es ist nicht so, dass ich mich jetzt nicht mehr über sie ärgere, aber manchmal denke ich, was soll’s, in einem Jahr sieht alles anders aus. Und ich glaube, meine Mutter empfindet es mir gegenüber ganz ähnlich. Wenn wir uns heute streiten, habe ich oft das Gefühl, als würden wir aus lauter Gewohnheit ein altes Spiel weiterführen, ein Spiel, über das wir manchmal sogar lachen können. Und wir können miteinander sprechen. Das ist erstaunlich, denn ich habe früher sehr wenig gesprochen. »Verschlossen wie eine Auster«, hat meine Mutter oft geklagt, »die Schalen schön fest geschlossen halten. Es könnte ja jemand auf die Idee kommen, sie aufzubrechen, um nach einer Perle zu suchen.« Man weiß auch nicht wirklich, an welcher Stelle der Geschichte man mit dem Erzählen anfangen soll, was nichts mehr mit ihr zu tun hat oder bereits dazugehört. Ich habe beschlossen, mit meiner fixen Idee anzufangen, auch wenn ich nicht sagen kann, wann genau sie entstanden ist. »Wie bist du eigentlich auf diese Idee gekommen?«, hat Alexej mich gefragt, als ich ihm zum ersten Mal einige zusammengeheftete Blätter überreicht habe. Ich habe nur mit den Schultern gezuckt. »Keine Ahnung. Manche Ideen sind plötzlich da, ohne dass man vorher darüber nachgedacht hat, es ist, als wären sie vom Himmel gefallen.« Doch eigentlich glaube ich das nicht. Vermutlich schleichen sich Ideen heimlich ein, sind anfangs nur flüchtige Gedankenfetzen, die aufblitzen und sofort wieder verschwinden, weil sie von anderen Überlegungen verdrängt werden oder sich in ihnen auflösen. Trotzdem bleiben sie in irgendwelchen Winkeln des Gehirns hängen und warten auf eine günstige Gelegenheit, um wieder aufzutauchen.“

Mirjam Pressler (18 juni 1940 – 16 januari 2019)

 

De Russische schrijver Ivan Aleksandrovitsj Gontsjarov werd geboren op 18 juni 1812 in Simbirsk als zoon van een graanhandelaar. Zie alle tags voor Ivan Gontsjarov op dit blog.

Uit: Oblomov (Vertaald door David Magarshack)

“Though the bailiff had written identical letters to his master the year before and the year before that, this last letter had the same strong effect as any other unpleasant and unexpected piece of news. The whole thing was a great nuisance: he had to think of raising some money and of taking certain steps. Still, it is only fair to do justice to the care Oblomov bestowed on his affairs. Already, after receiving his bailiffs first unpleasant letter several years before, he had begun devising a plan for all sorts of changes and improvements in the management of his estate. According to his plan, various economic, administrative, and other measures would have to be introduced. But it was far from being thoroughly thought out, and the bailiffs disagreeable letters went on arriving every year, arousing in him the desire to do something and, consequently, disturbing his peace of mind. Oblomov, indeed, realized very well that he would have to do something decisive before his plan was worked out. As soon as he woke he made up his mind to get up, wash, and, after he had had breakfast, think things over thoroughly, come to some sort of decision, put it down on paper and, generally, make a good job of it. He lay for half an hour, tormented by this decision; but afterwards it occurred to him that he would have plenty of time to do it after breakfast, which he could have in bed as usual, particularly as there was nothing to prevent him from thinking while lying down. That was what he did. After breakfast he sat up and nearly got out of bed; glancing at his slippers, he even lowered one foot from the bed, but immediately put it back again. It struck half-past nine. Oblomov gave a start. `What am I doing?’ he said aloud in a vexed voice. ‘This is awful! I must set to work! If I go on like this — —`Zakhar!’ he shouted. From the room separated from Oblomov’s study only by a narrow passage came what sounded like the growl of a watch-dog on a chain, followed by the noise of a pair of legs which had jumped off from somewhere. That was Zakhar, who had jumped off the stove where he usually sat dozing.”       

Ivan Gontsjarov (18 juni 1812 – 27 september 1891)
Scene uit een theaterbewerking van “Oblomov”, Mechelen, 2017


Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juni ook mijn blog van 18 juni 2016 deel 2.

Peter Rosei, Kamel Daoud, Gail Jones, Ron Padgett, Ward Ruyslinck, Max Dendermonde, Hanna Johansen, James Weldon Johnson, Tom Hofland

De Oostenrijkse dichter en schrijver Peter Rosei werd geboren op 17 juni 1946 in Wenen. Zie ook alle tags voor Peter Rosei op dit blog.

Uit: Karst

„Wer kennt die Hohe Tatra nicht? Im Osten, an der Grenze zwischen Polen und der Slowakei gelegen, wird sie gern als kleinstes Hochgebirge der Welt bezeichnet. Niedrig ist sie dabei keineswegs. Das ganze Massiv ist allerdings bloß an die fünfzig Kilometer lang, also bald mit einem Blick zu über-schauen. Anders als etwa bei den Alpen gibt es keinerlei Vorberge, unvermittelt erheben sich die Gipfel aus der Ebene. Kahle Felspyramiden, bloß am Fuß von Wäldern und Wiesen eingefasst, erin-nern sie an Zeichnungen von Kinderhand: Gerade so, Zack neben Zack, stellen Kinder sich Rir ge-wöhnlich ein Gebirge vor. Unwahrscheinlicher Anblick der blauen und grünen Waldungen, die vor Ruhe und Frieden rauchen, der kahlen, zerrissenen Almgründe, der blanken, von der Sonne überstrahlten Felsen. Die Kleinstadt Poprad, in der Ebene draußen gelegen, ist Verwaltungsmittelpunkt hier, Sitz der Schulen und Behörden. Am Rand der Berge zieht sich lose eine Kette von Dörfern hin, von Kur-orten, früher der Sommerfrische, heute auch und vor allem dem Wintersport gewidmet: Sie sind durch eine Art von Lokalbahn miteinander verbunden.
Nicht nur die Existenz dieser seltsam unzeitge-mäß wirkenden Bahn, auch viele andere Kleinig-keiten deuten auf den Ursprung all dieser Einrich-tungen in einer längst verflossenen Ära hin, der Zeit der Monarchie, des ehemaligen Kaiserreichs. Freilich hat die mittlerweile vergangene Zeit mit ihren Kriegen, Revolutionen und Umbrüchen die alten Zusammenhänge vielfach zerstört, manches wurde ganz abgeschafft, vieles aber auch bloß um- und wieder aufs Neue umgewidmet und um-benannt. Ein trüber Glanz liegt über dem Ganzen wie der Schleier in einem alten Spiegel. Die spätere Jana Kelemen wurde als Jana Sou-kup in die damals noch kommunistische Volks-republik Tschechoslowakei hineingeboren. Ihr Vater, Jaroslav Soukup, war zuerst Verwalter im Hotel Elisabeth in Star, Smokovec gewesen, eine Art von besserem Hausmeister. Jetzt wirkte er dort als Direktor: Er war eben immer schon Kommu-nist und Parteimitglied gewesen. Das Hotel, ursprünglich nach Sisi, der Gemah-lin des Kaisers, benannt, war nun zum Gewerk-schaftsheim umfunktioniert und hieß Prdca, was auf Slowakisch so viel wie Arbeit heißt. Das Prdca, ein noch immer stattlicher, wenn auch etwas heruntergekommener Kasten, war in einer Art von Schönbrunnergelb gestrichen: Jedes Zimmer verfügte über einen eigenen Balkon. Im
Inneren verbinden mit roten Läufern ausgelegte Gänge die in feierlichem Weiß gehaltenen Räum-lichkeiten. Kein kleines Haus, das Prdca, o nein! Oben drüber, über dem von Rost gefleckten Blech-dach, prangte der fünfzackige, rote Stern. Es war allerdings die Gewohnheit des Herrn Direktor Soukup, viel und ausführlich im gleich gegenüber dem Prdca großartig auf einer kleinen Anhöhe platzierten Grandhotel sich aufzuhalten, ein freilich noch respektableres Haus.“

Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)

 

De Algerijnse schrijver en journalist Kamel Daoud werd geboren op 17 juni 1970 in Mostaganem, Algerije. Zie ook alle tags voor Kamel Daoud op dit blog.

Uit: Zabor (Vertaald door Manik Sarkar)

“(Buiten is de maan een huilende hond die kronkelt van de pijn. De nacht is op het hoogtepunt van zijn duisternis en verzwaart het dorp met enorme, onbekende ruimtes. Iemand rammelt krachtig aan de klink van de oude deur; andere honden antwoorden. Ik weet niet wat ik moet doen, of ik moet ophouden of niet. De benarde ademhaling van de oude man dringt door in alle hoeken en maakt alles
beklemmend. Ik probeer een mentale afleidingsmanoeuvre, kijk naar iets anders.
Op de wanden van de kamer, tussen de kast en de foto van Mekka, hangt het oude, afgebladderde schilderij van de continenten. Droge zeeën met gaten. Droge wadi’s gezien vanuit de hemel. ‘Noen! Bij de pen en wat zij schrijven,’ zegt het Heilige Boek in mijn hoofd. Maar het heeft geen zin. De oude man heeft geen lichaam meer, alleen nog kleding. Hij zal sterven omdat het schrift van zijn leven
geen nieuwe bladzijden meer heeft.)
Schrijven is de enige list die werkt tegen de dood. Men heeft het geprobeerd met bidden, medicijnen, magie, onafgebroken recitaties en inertie, maar ik denk dat ik de enige ben die de oplossing
gevonden heeft. Ik zou continu moeten schrijven, onophoudelijk, nauwelijks pauzerend om te eten, mijn behoefte te doen, goed te kauwen of de rug van mijn tante te krabben terwijl ik uit de
losse pols de dialogen van de buitenlandse films voor haar vertaal omdat ze herinneringen bij haar losmaken aan de levens die ze nooit heeft geleid. Arme vrouw, die een boek verdient waarvan ze
honderd jaar oud zou worden.
Strikt gesproken zou ik nooit meer op moeten kijken en hier altijd blijven zitten, toegewijd en opgesloten, als een martelaar gebogen over diepzinnige redeneringen, krabbelend als een epilepticus en mopperend over de ongedisciplineerde woorden die zich steeds maar willen vermenigvuldigen.”

Kamel Daoud (Mostaganem, 17 juni 1970)


De Australische schrijfster Gail Jones werd geboren op 17 juni 1950 in Harvey. Zie ook alle tags voor Gail Jones op dit blog.

Uit: The Death of Noah Glass

“Wednesday. This was the day of the funeral. Today he must retrieve the suit he was married in and prepare himself. He must be cautious of his own precarious feelings, he must be manly, and upright, and not lose control, or weep. Martin kicked his legs free of the sheets. He turned from the window and struggled hungover from his bed. His body, always slim, felt abnormally heavy. He rubbed his face with both hands, then his stiff neck, then ruffled his receding and thin grey hair. He felt his skull and wondered with idle alarm about diminishment of memory. Only forty-three, he suspected that his brain was already fretted with holes. Almost every day he found evidence of incipient dementia or a biochemical dysfunction that had no name. Objects receded from definition. People became generalised. Book titles were often difficult to recall. It seemed a dopey belittlement. He was growing smaller in the world, and now, with his father gone, there was a dread, or humiliation, entering the texture of things, like the feeling of walking into a dark room, fumbling for a switch and finding the electricity gone.
In the bathroom, shaving, he barely recognised himself. He was tempted to say his own name aloud. Outside, in the world, he was oddly more credible, an artist who appeared in the newspapers, feted by collectors with a shrewd eye on the markets, linked to the burnished figures of the mysteriously rich. He tilted the mask of his face towards the mirror at a cubist angle. This, apparently, was what it meant to be parentless. One changed appearance, something was peeled away. Shaving cream spattered as he flicked his razor. Martin wiped it to a bleary swirl with the back of his forearm, turned on the tap, and watched the foam of his shaving mess circle and disappear. It would be a day sullied, he knew it, a day full of objects and substances turning into emotions and symbols.
When he heard the phone he started, as if it sounded his nervousness. He considered refusing the command, but realisedit was Evie, checking up onhim.
‘So how’s it going?’ he asked.
‘Did I wake you? Have you remembered?’ ‘No. Yes. Of course I remembered.’
‘You found the suit?’
‘Not yet, but I know it’s here somewhere. Fuck, Evie…’
Martin paused. He must not swear at his sister or sound exasperated. She’d seen him drunk the night before, wallowing in self-pity. She’d seen him stumble on the pavement and whine like a bullied boy, as though the death of their father, Noah, was a personal affront. He felt the grip of a juvenile shame.”

Gail Jones (Harvey, 17 juni 1950)


De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Ron Padgett werd geboren op 17 juni 1942 in Tulsa, Oklahoma. Zie ook alle tags voor Ron Padgett op dit blog.

Poet as Immortal Bird

A second ago my heart thump went
and I thought, “This would be a bad time
to have a heart attack and die, in the
middle of a poem,’ then took comfort
in the idea that no one I have ever heard
of has ever died in the middle of writing
a poem, just as birds never die in mid-flight.
I think.

 

Survivor Guilt

It’s very easy to get.
Just keep living and you’ll find yourself
getting more and more of it.
You can keep it or pass it on,
but it’s a good idea to keep a small portion
for those nights when you’re feeling so good
you forget you’re human. Then drudge it up
and float down from the ceiling
that is covered with stars that glow in the dark
for the sole purpose of being beautiful for you,
and as you sink their beauty dims and goes out—
I mean it flies out the nearest door or window,
its whoosh raising the hair on your forearms.
If only your arms were green, you could have two small lawns!
But your arms are just there and you are kaput.
It’s all your fault, anyway, and it always has been—
the kind word you thought of saying but didn’t,
the appalling decline of human decency, global warming,
thermonuclear nightmares, your own small cowardice,
your stupid idea that you would live forever—
all tua culpa. John Phillip Sousa
invented the sousaphone, which is also your fault.
Its notes resound like monstrous ricochets.

But when you wake up your body
seems to fit fairly well, like a tailored suit,
and you don’t look too bad in the mirror.
Hi there, feller! Old feller, young feller, who cares?
Whoever it was who felt guilty last night,
to hell with him. That was then.

Ron Padgett (Tulsa, 17 juni 1942)


De Vlaamse schrijver Ward Ruyslinck (pseudoniem van Raymond Charles Marie De Belser) werd geboren in Berchem op 17 juni 1929. Zie ook alle tags voor Ward Ruyslinck op dit blog.

Uit: De petitie

“De vrouw en de twee kinderen waren op slag dood. Het moet vreselijk zijn geweest. Het stond in alle morgenbladen en sommige gaven de gruwelijkste bijzonderheden. Van het meisje werd slechts de scalp teruggevonden, een lap schedelhuid met enkele plukjes blond haar er aan. Alleen de kanarie werd levend van onder het puin gehaald, de tralies van zijn kooi waren niet eens verbogen en toen hij het daglicht weerzag begon hij dadelijk te kwinkeleren. Dat zijn wondere dingen, je begrijpt niet hoe zo iets mogelijk is.
Vandaag is de man bij me geweest, de man met zijn gescheurd gezicht, de man die nooit meer zou lachen. Hij zamelde handtekeningen in. Dat mag nooit meer gebeuren, zei hij, het was geen ongeluk, ik weet zeker dat het geen ongeluk was, het was een aanslag, een moorddadige aanslag, en het gerecht blijft in gebreke. Ik begon me te schamen, want ik had reeds van de petitie gehoord en had me voorgenomen ze niet te ondertekenen, niet uit steilorigheid, maar uit principe, al wist ik niet goed uit welk principe. Principes zijn evengoed een kwestie van hart en van aandrang als van overtuiging en geweten. Maar toen ik de man vòòr me zag, de man met zijn blauw gescheurd gezicht, de man die naar puinen rook en nooit meer zou lachen, en toen ik zijn stem hoorde, toen het tot me doordrong wat hij zei en ik langzamerhand begreep waar het om ging, toén begon ik me een weinig te schamen. Ik sloeg de ogen neer, mijn blik viel op zijn schoenen. Ze zaten nog dik onder het steenstof, ze waren grijs bestoven, maar het kon natuurlijk wel stof van de straat zijn, want wie weet hoe lang kloste hij al in de stad rond met zijn petitie. Opletten, zei ik, hebt u bewijzen? Ik wilde hem niet ontmoedigen, maar ik kon nu eenmaal nooit nalaten schijnmanoeuvres te maken om mijn werkelijke gevoelens te verbergen. Ik keek over mijn handen naar hem op. In zijn ogen bewoog zijn ziel, zeer vlug, er dreven allerhande vreemde grijze stipjes (stofjes?) in rond als in een onzuivere vloeistof waarin geroerd wordt. Ik weet het zeker, herhaalde hij, ik heb geen bewijzen, maar ik weet het zeker, als u een geweten hebt geeft u me dan uw handtekening. Ik hàd een geweten, maar kon het geweten van één enkele mens of van enkele honderden mensen verhinderen dat men zou voortgaan met het plegen van misdadige aanslagen op weerloze vrouwen en kinderen?”

Ward Ruyslinck (17 juni 1929 – 3 oktober 2014)
Cover


De Nederlandse dichter en schrijver Max Dendermonde (pseudoniem van Hendrik Hazelhoff) werd geboren op 17 juni 1919 in Winschoten. Zie ook alle tags voor Max Dendermonde op dit blog.

Bekentenis

Ik had zo graag een grote dichter willen zijn,
die in zijn vers gezonken tot de wereld trad.
Nu bloei ik ’s avonds eenzaam achter het gordijn,
terwijl ik heenvlied in de nachtstem van de stad

en kleine tranen trek als regels op ’t papier
De dingen van het leven in een vers gevat
doen mij de stille rol aanvaarden, die mij hier
gewezen is. Dan ga ik moedig langs het pad,

waarover God de nachten breekt in een gedicht,
en dat omhoogvoert boven alle wensen.
Maar ’s daags verschrompel ik in ’t helle licht
en voel ik mij in ’t wreed gebaar der mensen
weer nietig en alleen, en weerloos zucht ik klein:
Ik had zo graag een grote dichter willen zijn…

 

Een hint

Ik liep nog es met Richard Minne langs de Leie,
een kleine Vlaamse man met felle, droge praet,
een kerel als een klepel in de schrijverij en
– hoewel ik nog maar een klein boekje had gemaakt –

hij praatte met mij als tegen een ouwe maat.
Jongens als ik kwamen in die aardige tijden
graag over de vloer, in een soort apostolaat,
bij hun grote exempels. Losjes, ingewijden,

begonnen wij ons in het natte gras te vlijen,
en de ouwe Richard zei zacht: Het is een staat
van de geest alleen, mijn jongen. Al dicht ik zelden,

zelden iets goeds, er gaat geen minuut zonder schrijven.
Dat geeft kracht. Als door je knar het zeldzame gaat,
kan je mooi, hoe klein je bent, bestaan zonder helden.

 

De schurk

Weer is het vrede, roept men wild om wijn,
heet, opgelucht na al het leed en bloeden.
Zij zegt: er zal nu nooit meer oorlog zijn…
en ik, afzijds van het rumoer en moede:

oorlogen, liefste, zullen blijven woeden
eeuwen nadat van Boston of Berlijn,
van stalen helmen en van hoge hoeden
de laatste resten niet meer vindbaar zijn.

What’s in a name? Onder de lichtste lucht
zullen wij, bloedig of onbloedig, vechten
om brood, om liefde, om vermeende rechten.

De oorlog, klein of groot, laat ons geen vlucht,
want zelfs tot in het lieflijkste gehucht
volgt in de spiegel ons de schurk, de echte.

Max Dendermonde (17 juni 1919 – 24 maart 2004)
In 1985


De Zwitserse schrijfster Hanna Johansen (eig. Hanna Margarete Meyer) werd geboren op 17 juni 1939 in Bremen. Zie ook alle tags voor Hanna Johansen op dit blog.

Mein Rabe

Nachts kommen böse Räuber in mein Zimmer,
seit letzter Woche wird es immer schlimmer.
Sie haben lange Messer und Pistolen
und wollen mich in ihre Höhle holen.

»Du hast doch Pfeil und Bogen!« Kann das nützen,
wenn ihre Augen auf der Treppe blitzen?

»Die Tür abschließen!« Nein. Ich hab entdeckt,
wie einer sich schon unterm Bett versteckt.

»Ich seh nichts unter deinem Bett, mein Bester.«
Das ist mal wieder typisch große Schwester.
Sie hat noch gar nicht richtig nachgesehen,
sonst würde ihr das Lachen schon vergehen.

Wer kann mir helfen? Tiger schläft schon lange.
Und diese Räuber sind vor gar nichts bange.

»Stimmt nicht!« Krächzt jetzt mein Rabe auf dem Schrank.
»Hab keine Angst! Ich helf dir.« Gottseidank.

»Ich bin zwar klein und sage dir ganz ehrlich,
die Räuber hier sind groß und sehr gefährlich.
Doch du bist sicher, glaub nur deinem Raben,
weil Räuber nämlich Angst vor Raben haben.«

Hanna Johansen (Bremen, 17 juni 1939)


De Amerikaanse dichter, schrijver en diplomaat James Weldon Johnson werd geboren op 17 juni 1871 in Jacksonville, Florida. Zie ook alle tags voor James Weldon Johnson op dit blog.

Morning, Noon And Night

When morning shows her first faint flush,
I think of the tender blush
That crept so gently to your cheek
When first my love I dared to speak;
How, in your glance, a dawning ray
Gave promise of love’s perfect day.

When, in the ardent breath of noon,
The roses with passion swoon;
There steals upon me from the air
The scent that lurked within your hair;
I touch your hand, I clasp your form —
Again your lips are close and warm.

When comes the night with beauteous skies,
I think of your tear-dimmed eyes,
Their mute entreaty that I stay,
Although your lips sent me away;
And then falls memory’s bitter blight,
And dark — so dark becomes the night.

 

To America

How would you have us, as we are?
Or sinking ‘neath the load we bear?
Our eyes fixed forward on a star?
Or gazing empty at despair?

Rising or falling? Men or things?
With dragging pace or footsteps fleet?
Strong, willing sinews in your wings?
Or tightening chains about your feet?

James Weldon Johnson (17 juni 1871 – 26 juni 1938)
Cover autobiografie


Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter, schrijver en programmamaker Tom Hofland werd geboren in Apeldoorn in 1990. Zie ook alle tags voor Tom Hofland op dit blog.

Uit: Lyssa

“Ik strijk mijn uniform glad en gesp mijn sabel aan mijn riem. Terwijl ik mij, stommelend mijn evenwicht bewarend, richting de deuren van de trein begeef merk ik dat ik toch niet die eenzame reiziger ben die ik dacht te zijn: in een van de cabines, voor in de trein, zit een jonge vrouw. Ik wil geen vooroordelen over het militaire leven bevestigen, maar het is waar dat wij weinig vrouwelijk schoon zien in ons gehucht. Misschien is dit de reden dat ik het fatsoen niet kan opbrengen mijn blik meteen af te wenden. Ze zit aan het kleine tafeltje van haar coupé, keurig gekleed in een heel lichtroze zomerse jurk, bezet met kleine zwarte gestikte bloemen. Haar zwarte haren zijn opgestoken. Ze schrijft driftig. Een brief? Een reisverslag? Ik kan het niet zien, maar god! Wat ben ik benieuwd. Ze zit voorovergebogen waardoor ik haar gezicht slecht kan zien, maar ik zie haar voorhoofd: jeugdig glad. Ik zie haar neus: klein en verfijnd. Ze moet een jaar of negentien zijn, niet veel jonger dan ikzelf. Zij moet één station eerder zijn ingestapt, want ik heb haar niet eerder zien zitten. Ik besef dat ik nu al veel te lang schaamteloos sta te gluren; draai mij vlug om en loop wankelend verder richting de deuren. Ik moet zeggen dat ik, terwijl de trein tot een halt komt, mijzelf erop betrap nogal te treuzelen. Ik blijf een beetje hangen in het gangpad, strijk mijn uniform nog eens glad en speel met de gesp van mijn sabel. Dan valt me op dat de conducteur op het perron mij met opgetrokken wenkbrauwen gadeslaat. Hij komt naar mij toe en zegt nors: ‘Het eindstation, mijnheer.’ Ik lach een beetje idioot, alsof ik stond te dromen, en pak mijn koffer op om uit te stappen. Op dat moment schiet de deur van de cabine open en komt de vrouw haastig naar buiten, de papieren onder haar ene arm geklemd en een koffer in haar andere hand. In het voorbijgaan kijkt zij op naar mij, onze blikken kruisen elkaar, maar ze zegt niets en loopt langs mij heen. Ik mik haar parfum: een zoetige lucht die prikt in mijn neus en mij aan rijpe peren en kaneel doet denken. De conducteur neemt mij wantrouwend in zich op terwijl hij aan een pijp lurkt. Ik knik op mijn vriendelijkst naar hem en stap achter de onbekende vrouw aan de trein uit. Buiten is het nog aangenaam warm, de stenen van het perron gloeien nog na. Een nachtegaal zingt; de mysterieuze schone is al een eind van mij vandaan en ik moet aardig de pas erin houden om haar bij te houden. `Neemt u mij niet kwalijk, mevrouw,’ zeg ik haastig. ‘Maar kan ik die zware koffer voor u dragen?’ Op dat moment blijkt het onmogelijke waar: ze kan nog sneller lopen, en ik heb dat talent zojuist in haar naar boven gehaald. Ze kijkt niet om terwijl ze antwoordt: ‘Dat is zeer vriendelijk van u, maar niet nodig.’ `Ik geloof dat u zich als reiziger wel raad weet,’ zeg ik en moet een hupje maken om naast haar te kunnen blijven lopen.“

Tom Hofland (Apeldoorn, 1990)


Zie voor nog meer schrijvers van de 17e juni ook mijn blog van 17 juni 2018 deel 1 en ook deel 2.

F. van Dixhoorn

De Nederlands dichter François Henricus Anthonie van Dixhoorn werd geboren in Hansweert op 17 juni 1948. Van Dixhoorn woonde tussen 1953 en 1972 in Vlissingen, daarna in Middelburg en Amsterdam en sinds 1996 weer in Middelburg. Van Dixhoorn publiceerde gedichten in Raster en De Revisor voordat hij in 1994 debuteerde met de dichtbundel “Jaagpad / Rust in de tent / Zwaluwen vooruit” (1994), die datzelfde jaar werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs. Deze werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs voor nieuwe poëzie. In 1997 verscheen Dixhoorns tweede bundel, “Armzwaai/ Grote keg/ Loodswezen I”, gevolgd door “Takken molenwater/ Kastanje jo/ Hakke tonen/ Uiterton/ Molen in de zon” (2000) en Dan op de zeevaartschool (2003). In 2007 verscheen “Twee piepjes”, dat werd genomineerd voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2008. In 2012 verscheen “Zon in de pan & 4. De zon in de pan”. De bundel werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Eind september 2017 verscheen zijn zevende dichtbundel “Verre uittrap”. Gedichten van F. van Dixhoorn zijn verder verschenen in zelfstandige bundels en poëzietijdschriften en zijn vertaald in het Frans, Duits en Engels.

Grote keg

1. handen omhoog
2. jonge twijgen
buigen licht
achteraf roerloos
met uitgestrekte hals
3. in z’n geheel
omringd door water
alsof iemand een misdaad
heeft begaan
4. deels doe ik het
maak het af
het is gedaan
en vergeet het
1. een

 

Kastanje jo

1. deinende
grauwe ruggen
van olifanten
als gras in het voorbijgaan
schudden de struiken
sleuren een paar takken af
om bedachtzaam te vermalen
2. de kok
voor het eten
3. voor een westerling
welke westerling
heeft niet

F. van Dixhoorn (Hansweert, 17 juni 1948)

 

Mark Jarman, Joël Dicker, August Willemsen, Theo Thijssen, Ronelda Kamfer, Arie Gelderblom, Joyce Carol Oates, Frans Roumen, Dolce far niente

Bij Vaderdag – Dolce far niente

 

Always there door Jean Monti, 2001


Descriptions of Heaven and Hell

The wave breaks
And I’m carried into it.
This is hell, I know,
Yet my father laughs,
Chest-deep, proving I’m wrong.
We’re safely rooted,
Rocked on his toes.

Nothing irked him more
Than asking, “What is there
Beyond death?”
His theory once was
That love greets you,
And the loveless
Don’t know what to say.

 

Mark Jarman (Mount Sterling, 5 juni 1952)
Mount Sterling, de geboorteplaats van Mark Jarman


De Zwitserse schrijver Joël Dicker werd geboren op 16 juni 1985 in Genève. Zie ook alle tags voor Joël Dicker op dit blog.

Uit: De waarheid over de zaak Harry Quebert (Vertaald door Manik Sarkar)

‘Het staat er niet goed voor,’ zei hij in de auto toen hij me naar Manhattan bracht. ‘Zeg me in ieder geval dat je energie hebt opgedaan in Florida en dat je opschiet met je boek! Er is een nieuwe schrijver waar iedereen het over heeft… Zijn boek wordt de grote kerstknaller. En jij, Marcus? Wat heb jij voor kerst?’ 
‘Ik ga direct aan het werk!’ riep ik in paniek uit. ‘Het komt wel goed! We gooien er heel veel publiciteit tegenaan en dan komt het allemaal goed! De mensen vonden m’n eerste boek mooi, dus waarom zouden ze het volgende niet mooi vinden?’ 
‘Je begrijpt het niet, Marc. Dat had gekund als we een paar maanden tijd hadden. Dat was de strategie: meedrijven op het succes van je eerste boek en het publiek voeden, geven waar het om vraagt. Het publiek wou Marcus Goldman, maar Marcus Goldman ging het er lekker van nemen in Florida en nu hebben de lezers een boek van iemand anders gekocht. Heb je je weleens in economie verdiept, Marc? Boeken zijn inwisselbaar geworden: mensen willen een boek dat ze bevalt, ontspant en vermaakt. Als jij dat niet voor ze schrijft, doet je buurman het wel, en dan ben jij rijp voor het grofvuil.’ 
Douglas’ georakel joeg me de stuipen op het lijf, en ik ging harder aan het werk dan ooit tevoren: om zes uur ’s ochtends begon ik met schrijven en ik werkte door tot negen of tien uur ’s avonds. Hele dagen zat ik onafgebroken op kantoor te werken: gedreven door een waanzin die gevoed werd door wanhoop krabbelde ik woorden neer, bouwde ik zinnen en bedacht ik de ene verhaallijn na de andere. Maar jammer genoeg bracht ik niets van waarde voort. En ondertussen zat Denise zich hele dagen ongerust te maken over mijn toestand. Aangezien ze niks meer te doen had, geen dictaat op te nemen, geen post te sorteren, geen koffie te zetten, liep ze te ijsberen op de gang. En als ze er niet meer tegen kon, trommelde ze op mijn deur. 
‘Marcus, ik smeek je, laat me binnen!’ kermde ze. 
‘Ga lekker naar buiten, wandelen in het park. Je hebt vandaag nog niks gegeten!’ 
‘Ik heb geen honger! Geen honger!’ brulde ik dan ten antwoord. ‘Eerst het boek, dan eten!’ Ze stond haast te snikken. 
‘Zeg niet zulke vreselijke dingen, Marcus. Ik ga naar de deli op de hoek om je lievelingsbroodje met rosbief te halen. Ik ben zo terug! Tot zo!’ 

Joël Dicker (Genève,16 juni 1985)


De Nederlandse schrijver essayist en vertaler August Willemsen werd geboren in Amsterdam op 16 juni 1936. Zie ook alle tags voor August Willemsen op dit blog.

Uit: De zucht naar het Zuiden

“Ze kon niet direct mee; ik hing tien dagen rond in een tentenherberg op Cap Ferret. Toen ik haar kwam ophalen ging er al meteen van alles mis, en ik kreeg sombere voorgevoelens. Ook door een brief van Jaap.
Ze zal nooit hebben beseft dat haar manier van voorlezen een foltering was. Ze sloeg stukken over, als om mij in te peperen dat er tussen Jaap en haar een intimiteit bestond waaraan ik niet kon tippen, en de passages die ze voorlas maakte ze nagenoeg onverstaanbaar door middel van een snuivend, licht spastisch gegrinnik (één van haar uniciteiten, moet ik erbij zeggen), vergezeld van mimiek en gebaren die bedoeld waren uitdrukking te geven aan gevoelens van gekwetst, zelfs gechoqueerd zijn, maar die in feite haar gevleidheid verrieden.
Wat me stak was dat Jaap erin slaagde haar van haar stuk te brengen, en wel met, naar ik aannam, ‘harde waarheden’, die hij, als iets oudere kunstenaar, in de wetenschap dat ze toch wel op hem verliefd zou blijven, zich kon veroorloven, die hem alleen maar interessanter maakten, en waarnaar ik kon raden. Elke nieuwsgierigheid naar de inhoud van die passages zou kinderachtig zijn. Van míjn gevoelens mocht ik niets laten blijken. Want we zouden reizen als vrienden – dat waren we intussen geworden, of we hadden afgesproken het te zijn, of we deden alsof we het waren, of ik had gezegd dat ik het was, of beloofd dat ik het zou zijn, of besloten het te zijn, enfin, dat weet ik echt niet meer. Mijn gevoelens en gedachten, de eerste ondoorzichtig, de tweede onoprecht omdat ze niet anders beoogden dan de gunst van Marians nabijheid ten koste van de herinnering aan haar, kenmerkten zich nu door een haast dostojevskiaanse zelfuitvlakking. Paradoxaal genoeg ontleende ik aan de literaire troost dat Dostojevski’s personages ook zo waren mijn laatste beetje eigenwaarde.
Wat de brief betreft: het enige ter zake doende was de mededeling dat Jaap en Mies niet naar Gerona konden komen. Een beetje voorzichtig ten opzichte van elkaar begonnen we de reis naar het Zuiden.
In Perpignan waren zigeuners. Straten vol. Zigeuners waren mooi. Dat was, alweer, een gegeven. Dus ook díe zigeuners. Marian echter, die met haar zwartbruine lange haar, koolzwarte ogen en donkere huid er bijna zelf een zou kunnen zijn, vond ze wel érg mooi.”

August Willemsen (16 juni 1936 – 29 november 2007)
In 1966


De Nederlandse schrijver en onderwijzer Theo Thijssen werd geboren in Amsterdam op 16 juni 1879. Zie ook alle tags voor Theo Thijssen op dit blog.

Uit: Kees de jongen

“Erg was dat nou wel niet. Want dat dooie schooltekenen, nooit es landschapjes of zo, dat was toch niks. En op een goeie dag, als -ie eens een schetsboek had, dan kon de meester met z’n hele avondschool naar de maan lopen, en dan zou-ie wel es willen zien!
Maar natuurlik, de schilders moesten je niet voor een schooier aanzien. Moesten natuurlik merken, dat je een fatsoenlike jongen was. Laatst was-ie op een Woensdagmiddag meegeweest met Jansen uit de zevende klas. Ja, die was ook zuur, die zat in de zevende en die droeg al een soort van lange broek! Dat moest z’n moeder hem, Kees, niet lappen! Hij knipte d’r gewoon stukken van af. Alleen zat-ie dan nog verlegen met z’n bénen, want Jansen had van die korte mannensokken ook, en zo’n gekke onderbroek met bandjes. Maar enfin, dan bleef-ie net zo lief alle dagen in huis zitten, tot z’n moeder hem wel fatsoenlik aankleden moèst. Maar Jansen was van buiten, en boerenjongens hebben allemaal van dat mannengoed aan….
Als ze tegen een uur of twee zorgden, dat ze aan de Baarsjes stonden, dan kwamen er twee schilders voorbij en Jansen was daar al dikwijls mee meegeweest.
Goed, ze stonden er, en eindelik kwam de ene schilder er aan. Had je Jansen stom moeten zien doen. Mag ‘k wat dragen, meneer, mag ‘k wat dragen, meneer. Pak maar an, zei de schilder, en Jansen moest die doos en dat stoeltje dragen; ’t was net zo’n soort van bedeljongen. Kees liet even merken dat hij Kees was: nam z’n pet behoorlik af. De schilder zag het niet. Zo liepen ze mee. Neem jij nou het stoeltje, zei Jansen. Nou, dat deed Kees natuurlik, anders had de schilder gauw gezegd: waarom loopt die jongen mee.
Schuin tegenover een werf hielden ze halt. De schilder begon met tekenen, en de hele middag bleef-ie tekenen, die paar oue rottige schuiten op die werf. Hij tekende om een haverklap wat fout, en hij zat het aldoor weer uit te vegen. Kees twijfelde, of het wel een echte schilder was.
De jongens gingen in het gras zitten. Het was nogal vervelend. De schilder zei tegen Jansen: hier is een dubbeltje, haal jij es een half ons baai voor me, ik heb natuurlik m’n tabak weer vergeten. Jansen holde weg. Toen was Kees met de schilder alleen. Wat zou het nou fijn zijn, dacht Kees, als de schilder nou maar begon te vragen. – Of-ie óók wel ‘es geschilderd had, of-ie graag schilder wou worden. Want natuurlik, hij had ook allang gemerkt, dat Kees ’n ander soort jongen was dan Jansen.”

Theo Thijssen (16 juni 1879 – 23 december 1943)
Cover


De Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda Kamfer werd op 16 juni 1981 in Blackheath, een voorstad van Kaapstad, geboren. Zie ook alle tags voor Ronelda Kamfer op dit blog.

Little Cardo

for Alfonso Cloete and Velencia Farmer

They say it’s the whiteman I should fear, but it’s my own kind
doing all the killing here.
Tupac Amaru Shakur
Cardo was born
but not expected
his mother was sixteen
and his father community builder of the year
his grandmother was a cashier
and his stepgrandfather drank to ease the pain

Cardo was a beautiful child
with dark skin and light eyes
beautiful enough to speak English
he liked playing drie stokkies
and vrottie eier in the street
Tietie Gawa from the mobile said
that Cardo was heaven sent

On the eve of Cardo’s first day
at big school
schoolboys were playing with crackers in the street
Cardo looked through the window
the bullet lodged in his throat
his mother did not cry
the politicians planted a sapling
the Cape Doctor uprooted it
and threw it where the rest
of Cape Town’s dreams lay

on the Cape flats

Ronelda Kamfer (Blackheath, 16 juni 1981)


De Nederlandse dichter Arie Gelderblom werd geboren in Nieuw-Lekkerland op 16 juni 1945. Zie ook alle tags voor Arie Gelderblom op dit blog.

Dit is het

Dit is een onafzienbare sneeuwjacht
van tekens, zelfs video is tevergeefs
gebleken, dit is het raadsel van adem
en water, dit is het en dat
en alles is het

dit is een eeuwig etmaal van een paar
sekonden, dit is voor ogen te groot
bevonden, dit is een wond en een wand
tussen vrouw en man, dit is
alles en dat

dat zijn de ondoorgrondbare wegen
tussen de sterrennevels, dit zijn de
hemels zonder weten, dit is de dorst
om een mond die licht zal maken
in het onbestaanbare

dit is alles, dit is het en dat en of
het is, is onzeker

 

Papier

papier, wit als een maagd
en jij die op de tijd jaagt, soms een werkelijkheid
aanrandt zonder dat het bed kraakt,
geen kussen dat zich verlegt om je woorden,
verlegen word je ervan

papier dat de namen vraagt voor witter,
geen begin daarmee maak je, je geeft een plant
water met zijn eigen bladeren, je verdraagt je geweten
in de zee van een afwasteiltje

papier dat niet verdragen kan,
ook het hart verdraagt het niet en breekt uit verlatenheid,
tijd gaat voorbij in stilte, de eerste dag bleef altijd
in de winternacht, je houdt het papier in een lasvlam
en grijnslacht.

Arie Gelderblom (16 juni 1945 – 12 december 1991)


De Amerikaanse dichteres en schrijfster Joyce Carol Oates werd geboren in Lockport, New York, op 16 juni 1939. Zie ook alle tags voor Joyce Carol Oates op dit blog.

Uit: A Widow’s Story

“Princeton police officers arrived at the accident scene. An ambulance arrived bearing emergency medical workers. I recalled that one of my Princeton undergraduate students, a young woman, was a volunteer for the Princeton Emergency Medical Unit and I hoped very much that this young woman would not be among the medical workers at the scene. I hoped very much that this episode would not be reported excitedly back and circulated among my students Guess who was in a car crash last night—Prof. Oates!
Strongly it was recommended that “Raymond Smith” and “Joyce Smith” be taken by ambulance to the ER to be examined—especially it was important to be X-rayed—but we declined, saying that we were all right, we were certain we were all right. Yet in the faux-euphoric aftermath of the crash in which there was no pain nor hardly an awareness of the very concept of pain we insisted that we were fine and wanted to go home.
Standing in the cold, shivering and shaky and our car pulverized as if a playful giant had twisted it in his hands and let it drop—there was nothing we wanted so badly as to go home.
We were asked if we were “refusing” medical treatment and we protested we weren’t refusing medical treatment—we just didn’t think that we needed it.
Refused then, the officer noted, filling out his report.
Two police officers drove us home in their cruiser. They were kindly, courteous. Near midnight we entered our darkened house. It seemed that we’d been gone for far longer than just an evening and that we’d been on a long journey. Our nerves were jangled like broken electric wires in the street. I’d begun to shiver, convulsively. I was dry-eyed but exhausted and depleted as if I’d been weeping. I saw that Ray was all right—as he insisted—we were both all right. It was true that we’d come close to catastrophe—but it hadn’t happened. Somehow, that fact was difficult to comprehend, like trying to fit a large and unwieldy thought into a small area of the brain.
I began to feel the first twinges of pain in my chest. When I lifted my arm. When I laughed, or coughed.
Ray discovered reddened splotches on his hands—“I’ve been burnt? How the hell have I been burnt?” He ran cold water onto his hands. He took Bufferin, for pain.”

Joyce Carol Oates (Lockport, 16 juni 1939)
Cover

 

En als toegift bij een andere verjaardag:

Zomeravond

Een rose zon sleept zich tot onder weiden,
waar weer een dag nog even warm in baadt.
Als hier de nacht zijn laken over slaat
is het genotzucht en geen medelijden.

Natuur verwordt tot bed van zachte zijde
nu leven zich aan lust te buiten gaat.
Voor mijn teer hart dat gauw in vlammen slaat.
bestaat niets wreders dan dit jaargetijde.

De morgen houdt zich lichtblauw ingetogen
die transparant de huid der aarde kust,
maar ’s middags wordt de tederheid verzengd.

Pas als de herfst weer dood en leven mengt
wordt elke drift tot zwijgen omgebogen
en al mijn zinnen komen dan tot rust.

Frans Roumen (Wessem, 16 juni 1957)
In de zomer door Piotr Konchalovsky 1939


Zie voor nog meer schrijvers van de 16e juni ook mijn blog van 16 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Rain (Don Paterson), Dolce far niente

Dolce far niente

 

Dancing in the Rain door Fatema Josh, 2012

 

Rain

I love all films that start with rain:
rain, braiding a windowpane
or darkening a hung-out dress
or streaming down her upturned face;

one long thundering downpour
right through the empty script and score
before the act, before the blame,
before the lens pulls through the frame

to where the woman sits alone
beside a silent telephone
or the dress lies ruined on the grass
or the girl walks off the overpass,

and all things flow out from that source
along their fatal watercourse.
However bad or overlong
such a film can do no wrong,

so when his native twang shows through
or when the boom dips into view
or when her speech starts to betray
its adaptation from the play,

I think to when we opened cold
on a rain-dark gutter, running gold
with the neon of a drugstore sign,
and I’d read into its blazing line:

forget the ink, the milk, the blood—
all was washed clean with the flood
we rose up from the falling waters
the fallen rain’s own sons and daughters

and none of this, none of this matters.

 

Don Paterson (Dundee, 1963)
Dundee, de geboorteplaats van Don Paterson

 

Zie voor de schrijvers van de 15e juni ook mijn vorige blog van vandaag.

Maria Dermoût, Christian Bauman, Silke Scheuermann, Hugo Borst, Ramon Lopez Velarde, Roland Dorgelès, Olivier Guez, Emma Cline, Hannah van Wieringen

De Nederlands-Indische schrijfster Maria Dermoût (eigenlijk Helena Anthonia Maria Elisabeth Dermoût-Ingerman) werd geboren in Pekalongan, Java, op 15 juni 1888. Zie ook alle tags voor Maria Dermoût op dit blog.

Uit: De tienduizend dingen

“Op het eiland in de Molukken was nog een enkele ‘thuyn’ overgebleven uit de tijd van de specerijperken, een enkele maar, er waren er trouwens nooit veel geweest; en op dit eiland had men ook vroeger niet over ‘perken’ gesproken, altijd over ‘thuynen’. De tuinen lagen nu, zoals toen hier en daar verspreid aan de beide baaien, buitenbaai of binnenbaai, met hun bosjes van specerijbomen, soort bij soort: kruidnagel bij kruidnagel, nootmuskaat bij nootmuskaat; enkele hoge schaduwbomen ertussenin, kenaribomen meestal; en aan de baaikant voor de windvang kokospalmen of platanen.
Van de huizen stond er niet één meer in zijn geheel overeind, zij waren ingestort bij een aardbeving en daarna opgeruimd; er was nog wel eens een stuk van een oud huis blijven staan: een vleugel, een kamer alleen, daar werd dan later weer tegenaan gebouwd, een paar armoedige houten vertrekken meestal. Wat was er over van alle glorie?
Toch scheen er soms op die tuinen iets te zijn achtergebleven van het oude voorbijgegane, van wat al zo lang geleden was.
Op een zonnige plek tussen de kleine bomen, het gaat er zo sterk naar specerijen ruiken als het warm wordt.
In zo’n stille, vervallen kamer, met nog een echt Hollands opschuifraam en een diepe vensterbank.
Op een stukje strand onder de platanen, waarop de golfjes van de branding uitvloeien: drie golfjes achter elkaar, achter elkaar, achter elkaar.
Wat was het?
Een herinnering aan iemand, aan iets wat gebeurde, kan ergens bijna tastbaar blijven hangen; misschien is er nog iemand die ervan weet, aan denkt soms, dat was nog anders: zonder ergens enig houvast, enige zekerheid. Niet meer dan een vraag, een wellicht?
Hebben twee gelieven van toen elkaar vastgehouden, en ‘voor eeuwig’ gefluisterd of hebben zij elkaar juist losgelaten en ‘adieu’ gezegd tussen de nootmuskaatboompjes?
Heeft een kind met haar pop in de vensterbank zitten spelen?
Wie stond op het strand toen en staarde over de drie golfjes van de branding heen en over de baai heen en waarheen?
Een stilte als antwoord, een stilte van gelatenheid en verwachting tegelijk; van voorbij en niet voorbij.”

Maria Dermoût (15 juni 1888 – 27 juni 1962)
De tienduizend dingen als Salamander klassiek, 1998, de eerste druk verscheen in 1955



De Amerikaanse schrijver Christian Bauman werd geboren op 15 juni 1970 in Easton, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Christian Bauman op dit blog.

Uit:The Ice Beneath You

“Two hours later the driver pulls the bus to the side of the Ohio Turnpike. Four in the morning, so cold outside, so cold, old black snow on the ground—isn’t even winter anymore and that snow doesn’t know to go away. The driver pulls the Greyhound to the side of the turnpike and opens the door, wind rushing in, Jones’s body shakes, waking up, wondering Where the hell did the heat go? The driver opens the door and three big men, all denim and flannel and boots, pull a little brown man by the collar, lifting him right out of his seat, legs kicking in surprise. They take him out the door to the side of the turnpike and beat the living shit out of him. It takes less than a minute. They go around and around with him, his face is such a mess. He’s not making much noise, only a high-pitch almost-wail. Jones’s face pressed sideways against the tinted glass of the bus window, so cold, he’s sure he’s still sleeping, his eyes open watching this right beneath him. They ditch the man head and chest forward into that old black snow, one guy driving his boot into the little man’s side, a final good-bye, and they all get back on the bus, the driver closes the door, then pulls away. The little brown man was Pakistani, Jones was pretty sure of that. There was a Pakistani infantry company in Somalia, living in a row of khaki tents in the far southern corner of the Mogadishu seaport—they’d been a friendly group, trading little tin plates of hot curried mutton for dog-eared copies of Penthouse and Hustler. When Jones first got on the Greyhound, the day before, he’d been sitting forward in the bus, where the brown man would finally end up, next to a skinny, sickly woman who had three kids scattered around the bus, two boys and a girl. Her old man had put her and the kids on the Greyhound in Allentown; he’d meet up with them at her mom’s house in Laramie sometime later in the year.”

Christian Bauman (Easton, 15 juni 1970)
Cover



De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

Die Ausgestorbenen

Es sind die Pflanzen in den Schlagzeilen, nicht die auf der Wiese,
in Wäldern und Sümpfen, Gärten und Parks.
Es sind die Pflanzen, die in den Konjunktiv gezogen sind,
weil wir sie umtopften in imaginäre Parks,
Erdgeschichte, Kapitel. Jene, die Neubaugebieten
gewichen sind, Umgehungsstraßen und Kraftwerken,
im Paralleluniversum riechen sie wunderbar,
in diesem nur nach Papier und Listen,
schlechtem Gewissen und hohem Gewinn.
Wir befinden uns tief im Gestrüpp von Schuld,
das über verlorene Schmuckstücke wächst, weggeworfene Ringe,
Fußkettchen aus angelaufenem Silber. Vergeblich verhandeln wir
alte Gefühle, suchen nach Bildern, die sich im Traum bewegen.
In meinem Brustkorb funkelt mein Herz wie ein versteckter
Kressesamen, ein Blättchen Löwenzahn.
Schwaches Licht fällt auf etwas, das an die Wand gezeichnet ist,
und ich sehe, es sind Bilder der ausgestorbenen Pflanzen.
Für einen Augenblick flüstern alle ihre Namen gleichzeitig,
und ihre Farben leuchten noch einmal auf,
leuchten und leuchten, addieren sich zum Frühling,
wie es ihn kaum je gegeben hat,
wie er kaum jemals in Öl existierte oder auf Hochglanzpapier,
wie er niemals in Fabriken hergestellt wird oder Industrieparks,
gebaut auf dem Areal, das einst das ihre war, jetzt
so wild überwuchert von etwas Neuem.

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)


De Nederlandse schrijver, redacteur en radio- en televisiepresentator Hugo Borst werd geboren in Rotterdam op 15 juni 1962. Zie ook alle tags voor Hugo Borst op dit blog.

Uit: Ma

“Twee weken geleden vroeg de tandarts me na het polijsten van mijn gebit of mijn moeder soms met klachten rondloopt. We bezoeken deze tandarts al een paar jaar. Uit een röntgenfoto blijkt dat er bij ma linksboven een ontsteking zit.
‘Ik ga het haar vragen,’ zeg ik.
Wij mantelzorgers zijn met z’n vieren. Mijn broer Laurens, schoonzus Jackie, mijn vrouw Karina en ik. Twee van ons menen ma te hebben horen klagen over haar gebit. Maar niet
vaak.
Wanneer ik het diezelfde dag aan ma zelf vraag, schudt ze haar hoofd. ‘Nee hoor, ik heb geen last.’
Drie dagen later wijst ze spontaan naar een kies. Aan de linkerkant.
‘Daar doet het pijn.’
‘Erg, ma?’
Ze knikt.
‘Echt heel erg?’
Ze haalt haar schouders op.
Ik leg het de tandarts voor. Ze zegt: ‘Tja. Ik kan je moeder maar beter verlossen. Ik bedoel, de pijn kan veel erger worden.’
Mijn moeders tanden en kiezen hebben de crisisjaren en de oorlog overleefd. Op oude foto’s is te zien dat mijn moeder het gebit had van een filmster. Eén voortand stond een graadje of twee uit het lood. Die onvolkomenheid maakte het zo eigen.
Ik heb als kind verliefd gestaard naar die eigenwijze voortand.
In tegenstelling tot mijn vader, die al rond zijn vijfendertigste een kunstgebit had en dat in een hermetisch afgesloten badkamer reinigde, poetste mijn moeder haar tanden met de deur wagenwijd open. Het was een uitnodiging om te komen kijken, een demonstratie, een feest. Zo moet het, jongen van me! Niet horizontaal poetsen, die voortanden van je, maar op en neer! En masseer je tandvlees goed, dan krimpt het later minder! Wat zou ik graag een achtmillimeterfilmpje zien van mijn jonge moeder die voor me staat en vrolijk en geduldig mijn melkgebit poetst.”

Hugo Borst (Rotterdam, 15 juni 1962)


De Mexicaanse dichter Ramon Lopez Velarde werd geboren op 15 juni 1888 in Jerez. Zie ook alle tags voor Ramon Lopez Velarde op dit blog.

The Tear

Beyond
the lily obliquely
embellishing the mortuary pillow;
beyond
the bachelor’s callous sorrow
at lying like a callow novice
while cats caterwaul and bristle
and shape a hair-raising nation;
beyond
a never-sated appetite,
and the lime
that leaches licentious consciences,
and the professional disenchantment
with which commercial enchantresses
spring from their beds;
beyond
the marriage-broker ingenuity
and the calamity no one expects;
beyond
the bone yard and the nest …
the salty tear I have imbibed.
Tear of infinity,
you made the rite of love eternal;
tear in whose oceans
my anchor pleasures in its castaway’s plunge
as I gather the singular fleece
of a penitent flock;
tear whose glory refracts
the faithful iris of my exact passion;
tear through which bannerless masts
sail in disquietude;
saline tear with which my gratitude
hoped to salt Paradise;
O tear, I shall immerse myself in you,
in sepulchral delectation,
like a sentinel
stationed in your briny, morbose lighthouse.

Vertaald door Margaret Sayers Pedan

Ramon Lopez Velarde (15 juni 1888 – 19 juni 1921)
De slaapkamer van de dichter in het Museo Casa del Poeta Ramón López Velarde in Mexico-Stad


De Franse schrijver en journalist Roland Dorgelès (eig. Roland Lécavelé) werd geboren op 15 juni 1885 in Amiens. Zie ook alle tags voor Roland Dorgelès op dit blog.

Uit: Les Croix de bois

« Le nouveau s’est présenté à moi — Gilbert Demachy… Je faisais mon droit… Et je me suis fait connaître : — Jacques Larcher. J’écris… Dès son arrivée, j’ai compris que Gilbert serait mon ami, je l’ai compris à sa voix, à ses mots, à ses manières. Tout de suite je lui ai dit « vous » et nous avons parlé de Paris. Enfin, je trouvais quelqu’un avec qui m’entretenir de nos livres, de nos théâtres, de nos cafés, des jolies filles parfumées. Rien que les noms que je prononçais me faisaient revivre un instant tout ce bonheur perdu. Je me rappelle que Gilbert, assis sur une brouette, avait posé ses pieds déchaussés sur un journal, en guise de tapis. Nous parlions, fiévreusement — Vous vous souvenez… Vous vous souvenez ?… Les copains aidaient les nouveaux à s’installer dans l’écurie où couchait l’escouade et empilaient leurs sacs avec les nôtres dans la mangeoire. Quand ils eurent fini, Gilbert tendit deux billets de cent sous pour offrir à boire. — C’est ça, plein la vue… grogna Pouillard jaloux. Les autres, reconnaissants, retournèrent à l’écurie pour soigner la place du nouveau. Ils brassèrent sa paille pour la rafraîchir et lui firent un rebord aux pieds. Broucke avait pris respectueusement l’oreiller de caoutchouc de Demachy et s’amusait à le gonfler, comme un jouet, avec une peur secrète de l’user. Ceux qui devaient changer de coin, pour faire de la place, déménageaient, en se volant mutuellement de la paille. — Toi, gras du ventre, dit Pouillard à Bouffioux, tu coucheras là-haut, dans la soupente. Comme j’couche juste en dessous, tu feras attention de n’pas m’tomber dessus au milieu d’Ia noie, les souliers sur la gueule ; j’ai l’sommeil léger. Sulphart ne lâchait pas le nouveau, qu’il étourdissait de conseils inutiles, de recettes saugrenues, un peu par complaisance naturelle, un peu pour remercier du vin offert, mais surtout pour se faire valoir. Tous étaient joyeux, comme s’ils avaient déjà bu. Vairon, en corps de chemise, se mit à faire l’hercule forain, lançant le boniment d’une voix grasse et canaille qui sentait la barrière. Rangés autour, nous faisions la foule. Jaloux de son succès, Sulphart tira Lemoine par la manche. — Viens avec moi, on Va se marrer. — Pourquoi foutre que j’irais avec toi ? fit Lemoine, toujours prêt à contredire le rouquin avant de l’imiter. — Viens toujours. Tout en protestant, Lemoine le suivit dans l’escalier. »

Roland Dorgelès (15 juni 1885 – 18 maart 1973)
Cover


De Franse journalist en schrijver Olivier Guez werd geboren op 15 juni 1974 in Straatsburg, Zie ook alle tags voor Olivier Guez op dit blog.

Uit: La Disparition de Josef Mengele

« La quête de notoriété d’Eichmann exaspère Gregor, si prudent depuis son arrivée : il n’a révélé sa véritable identité et la nature de ses activités à Auschwitz qu’à ses rares intimes. À tous les autres, il donne une version très évasive de son parcours : médecin militaire, allemand, parti au Nouveau Monde changer de vie. À mesure qu’il le croise, Gregor méprise l’ancien commerçant inculte, le fils de comptable qui n’a pas achevé ses études secondaires et jamais connu l’épreuve du front. Eichmann est un pauvre type, un raté de première, même la laverie qu’il a ouverte à Olivos a déjà fermé, et c’est un homme de ressentiment qui jalouse sa jolie maison, sa vie de célibataire et sa nouvelle voiture, un superbe coupé allemand Borgward Isabella.
Eichmann n’en pense pas moins. Gregor ou Mengele, peu lui importe, est un fils à papa froussard : une sous-merde basanée
Gregor retire la photo du cadre et la brûle à une fenêtre, bientôt il ne reste du portrait qu’un petit amas de cendres. Une bourrasque les disperse dans l’air tiède de Buenos Aires. Irene exige le divorce afin d’épouser le marchand de chaussures de Fribourg. Gregor appelle Haase et Rudel, il lui faut un bon défenseur argentin qui entrera en contact avec son avocat à Günzburg. L’argent n’est pas un problème mais il veut multiplier les intermédiaires, les paravents, et il ne fera aucune fleur à son ex-femme. Le divorce est prononcé à Düsseldorf, le 25 mars 1954.
« Une excellente nouvelle, lui écrit sèchement Karl senior, enfin tu nous débarrasses de cette garce. Tu vas cesser de ruminer sa reconquête, à ton âge, c’est indécent. » Le divorce satisfait le patriarche Mengele qui a un plan machiavélique en tête. Un coup à trois bandes : sa chère entreprise, Josef, et une autre chipie qui le tracasse, Martha, veuve de Karl junior et héritière des parts de l’entreprise de son mari décédé. Depuis quelque temps, Martha est amoureuse : Karl senior craint qu’elle ne se marie avec l’étranger qui entrerait forcément au conseil d’administration. Il propose à Josef d’épouser sa belle-sœur afin que la société reste aux mains du clan Mengele, puis de céder toutes ses parts à Martha après leur mariage : si un mandat d’arrêt était finalement lancé contre lui, l’entreprise ne serait pas paralysée. Quoi qu’il arrive, Josef dicterait à Martha ses décisions au conseil d’administration. »

Olivier Guez (Straatsburg, 15 juni 1974)


Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse schrijfster Emma Cline werd geboren in 1989 in Sonoma in Californië. Zie ook alle tags voor Emma Cline op dit blog.

Uit: De meisjes (Vertaald door Tjadine Stheeman)

“Ze keken op van het felle keukenlicht als wasberen die betrapt worden in de vuilnisbak. Het meisje slaakte een gilletje. De lange slungelige jongen richtte zich op. Ze waren maar met z’n tweeën. Mijn hart bonkte in mijn keel, maar ze waren nog zo jong: kinderen uit de buurt, nam ik aan, die inbraken in vakantiehuizen. Mijn laatste uur had nog niet geslagen.
‘Wat de fuck?’ De jongen zette zijn bierflesje neer, het meisje bleef vlak bij hem. De jongen schatte ik een jaar of twintig. Hij had een bermuda aan, halflange witte sokken, roze acne onder een beginnend baardje. Het meisje was nog een ukkie. Vijftien, zestien, witte benen met een blauwige weerschijn.
Ik probeerde zo veel mogelijk gezag uit te stralen, terwijl ik de onderkant van mijn t-shirt tegen mijn bovenbenen drukte. Toen ik zei dat ik de politie zou bellen, snoof de jongen ongelovig.
‘Ga je gang.’ Hij trok het meisje naar zich toe. ‘Bel de politie maar. Weet je wat?’ Hij pakte zijn mobieltje. ‘Ik bel ze zelf wel.’
Van het ene moment op het andere zakte het scherm van angst in mijn borst.
‘Julian?’
Ik wilde in lachen uitbarsten – de laatste keer dat ik hem had gezien was hij dertien, mager en onvolgroeid. De enige zoon van Dan en Allison. Als een prinsje was hij van het ene celloconcours naar het andere gereden, geen afstand te groot. De leraar Mandarijn op donderdag, het zuurdesembrood en de kleverige vitaminepillen, ouderlijke dekking tegen mislukking. Het had allemaal niet mogen baten en hij was uiteindelijk terechtgekomen op een wat mindere universiteit, in Longbeach of Irvine. Daar was iets voorgevallen, herinnerde ik me. Hij was van de universiteit getrapt, of misschien was het iets minder ergs: het advies om eerst een jaar junior college te doen. Julian was destijds een verlegen, overgevoelige jongen, die als de dood was voor autoradio’s en onbekend eten. Nu had hij iets hards, de tatoeages die waarschijnlijk onder zijn shirt verder kropen. Hij wist niet meer wie ik was, en waarom zou hij ook? Ik was een vrouw die buiten zijn seksuele belangstelling viel.”

Emma Cline (Sonoma, 1989)


De Nederlandse dichteres en schrijfster Hannah van Wieringen werd geboren in 1982 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Hannah van Wieringen op dit blog.

Sterfbed

ik wil heel graag van je winnen
met werkelijkheidsmemory

dus om je te vergeten denk ik veel aan je
zoals staren naar een blinde vlek

het werkt ik ontweet voortdurend van alles
draai ik het kaartje met solipsisme

ben ik de belg in de mop met de bananenschil
oh jee daar ga ik weer

ik drink ook veel ter ondersteuning
om het scherpe schedel te verzachten

dansen ja als ik mij lang genoeg omdraai
verjaag ik je als een soufi of zoals ouroubouros hapt

want in de ochtend als ik het slapen haal
matrassen draai dan lig je daar

in ’t volle licht dan lig je daar
fluister je – niet eens boosaardig:

en nog een jaar en nog een jaar

Hannah van Wieringen (Haarlem, 1982)


Zie voor nog meer schrijvers van de 15e juni ook mijn blog van 15 juni 2018 en ook mijn blog van 15 juni 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Don Paterson

Onafhankelijk van geboortedata

De Schotse dichter, schrijver en jazzmuzikant Don Paterson werd geboren in 1963 in Dundee. Paterson verliet de school op 16-jarige leeftijd om als muzikant te werken. In 1984 ging hij naar Londen, waar hij gitaarlessen volgde bij Derek Bailey en speelde in Ken Hyder’s band Talisker. Op dat moment begon hij ook zich voor poëzie te interesseren en zelf te schrijven. Sinds de late jaren 1980 was Paterson actief met zijn jazzband Lammas, waarin ook Tim Garland, Talvin Singh en Christine Tobin speelden. Lammas bracht vijf albums uit. Na een aantal jaren in Brighton werd Paterson in 1993 Writer in Residence aan de universiteit van Dundee. In 1995 keerde hij terug naar Londen, waar hij een functie als redacteur bij Picador aanvaardde. Toen hij in 1998 naar Edinburgh verhuisde, begon hij columns voor Scotland on Sunday te schrijven en recensies over videogames voor The Times. Sinds 2000 is hij ook professor aan de universiteit van St. Andrews. Naast diverse eigen dichtbundels publiceerde hij vertalingen van gedichten van Antonio Machado en Rilke’s Sonnetten aan Orpheus, aforismen, hoorspelen, theatervoorstellingen en schreef hij voor het Dundee Repertory Theater, muziekstukken voor o.a. . Tommy Smith en gaf hij bloemlezingen uit. Voor Paterson’s eerste gepubliceerde dichtbundel “Nil Nil” ontving hij in1993 de Forward Poetry Prize, die hij in 2008 eveneens ontving voor het gedicht „Love Poem For Natalie ‘Tusja’ Beridze“ en in 2009 voor de bundel “Rain”. Voor “God’s Gift to Women” (1997) kreeg hij de T. S. Eliot-prijs, net als voor “Landing Light” (2003), dat ook de Whitbread Book Award won. In 2010 ontving Paterson de Queen’s Gold Medal for Poetry en in 2012 een Cholmondeley Award. Hij is een Fellow van de Royal Society of Literature.

Poetry

In the same way that the mindless diamond keeps
one spark of the planet’s early fires
trapped forever in its net of ice,
it’s not love’s later heat that poetry holds,
but the atom of the love that drew it forth
from the silence: so if the bright coal of his love
begins to smoulder, the poet hears his voice
suddenly forced, like a bar-room singer’s — boastful
with his own huge feeling, or drowned by violins;
but if it yields a steadier light, he knows
the pure verse, when it finally comes, will sound
like a mountain spring, anonymous and serene.

Beneath the blue oblivious sky, the water
sings of nothing, not your name, not mine.

 

The Lie

As was my custom, I’d risen a full hour
before the house had woken to make sure
that everything was in order with The Lie,
his drip changed and his shackles all secure.

I was by then so practiced in this chore
I’d counted maybe thirteen years or more
since last I’d felt the urge to meet his eye.
Such, I liked to think, was our rapport.

I was at full stretch to test some ligature
when I must have caught a ragged thread, and tore
his gag away; though as he made no cry,
I kept on with my checking as before.

Why do you call me The Lie? he said. I swore:
it was a child’s voice. I looked up from the floor.
The dark had turned his eyes to milk and sky
and his arms and legs were all one scarlet sore.

He was a boy of maybe three or four.
His straps and chains were all the things he wore.
Knowing I could make him no reply
I took the gag before he could say more

and put it back as tight as it would tie
and locked the door and locked the door and locked the door

Don Paterson (Dundee, 1963)