Lewis Caroll, Martin R. Dean, Rainer Kirsch, Eelke de Jong, Alie Smeding, Tsead Bruinja, Thé Lau, Lilian Loke

Dolce far niente


Rode boten in Argenteuil door Claude Monet, 1872

 

A Boat Beneath a Sunny Sky

A boat beneath a sunny sky,
Lingering onward dreamily
In an evening of July —

Children three that nestle near,
Eager eye and willing ear,
Pleased a simple tale to hear —

Long has paled that sunny sky:
Echoes fade and memories die:
Autumn frosts have slain July.

Still she haunts me, phantomwise,
Alice moving under skies
Never seen by waking eyes.

Children yet, the tale to hear,
Eager eye and willing ear,
Lovingly shall nestle near.

In a Wonderland they lie,
Dreaming as the days go by,
Dreaming as the summers die:

Ever drifting down the stream —
Lingering in the golden gleam —
Life, what is it but a dream?

 

 
Lewis Caroll (27 januari 1832 — 14 januari 1898)
De Ring ‘O’ Bells Pub in Daresbury, de geboorteplaats van Lewis Caroll

 

De Zwitserse schrijver Martin R. Dean werd geboren op 17 juli 1955 in Menziken Aargau. Zie ook alle tags voor Martin R. Dean op dit blog.

Uit:The Guyana Knot (Vertaald door Nadia Lawrence)

« Now I couldn’t leave my escapology exercises alone. Barely awake out of my deep sea sleep, I had to drag the heavy trunk out from under the bed. No day without practice. To brighten up my previous appearance in Gera, which is in what used to be East Germany, I tried again to get out of the Butcher’s Knot. This made people think of oven roasts and corned beef, so it got a lot of applause. It is also called the Jam Knot. I wriggled across the floor of my room, lashed a double loop around my legs, and tied up the top half of my body alternately with Bowline and Packer’s Knots. And for my arms, which have to be free so I can tie myself up, I have two artificial ones from shop window dummies that I tie to my torso. The pressure of the ropes immediately brought to mind a vivid memory of the hard floor of what were once the Russian barracks in Gera. Applied the Barrel Knot (relatively compact, doesn’t come undone and doesn’t cramp you) out of which tangle I freed myself in approximately a quarter of an hour. Too long for a Roman audience! I got pointlessly sweaty with the Swivel Hitch: the climate here doesn’t permit violent exertion. All the northern sorts of knots have to be dropped. Thought of the southern Trumpet Hitch, a Single-Strand Stopper, with which I tied myself to a chair leg so as not to escape too quickly.
It’s five o’clock in the afternoon. I stand at the bull’s eye and watch the play of the birds. In tight formation they climb over St. Peter’s, fly like bullets from the treetops and rise in flocks over the gardens. In the air the group forms the wildest, most exuberant shapes, runs away like a stream, falls and splashes and trickles on, forms soft waves pushed by the wind, is pulled away by a flying formation at the tip, a loose amoeba mass. Shortly after, it shapes itself into an arrow, shoots straight down towards a dome, a tower, and, just before hitting it, broadens into a wide sheet, an ever-turning mobile, a fluttering flag, which straightaway dissolves and disintegrates into hundreds of delicate spots, the grain pattern of the sky like black raindrops held lightly in the hand and dripping downwards, and then, over a little wood, a hidden garden, vanish from my sight.
But my world is not really the study, it’s the circus. Already, as a child, I played hooky from school on hot June mornings, to watch our national circus arrive at the village’s disused railway station. Scarcely had I seen the train of red and white carriages standing on the tracks in the siding, when the big doors opened and dark-skinned circus hands in light red livery pulled the animals into the open. Spitting lamas and sleepwalking zebras were dragged along the narrow ramp.”

 
Martin R. Dean (Menziken, 17 juli 1955)

 

De Duitse dichter en schrijver Rainer Kirsch werd geboren op 17 juli 1934 in Döbeln. Zie ook alle tags voor Rainer Kirsch op dit blog

Lied der Kinder
für Herburger

Hu, auf zu den Sternen!
Im Weltall ist es kalt.
Man sieht keine Fernen.
Es lebt kein Wald.

Man denkt, man steht still.
Dabei rast man in Eile.
Man wollte, was man will.
Das ist die Langeweile.

Auf einem Stern steigt man aus.
Die Erde ist weit weg.
Der Stern sieht grau aus.
Er ist aus Eisen und Dreck.

Der Weltmolch sagt: Ich fresse
Die Langeweile und die Geschwindigkeit.
Ich verdaue und presse
Heraus kommt die Zeit.

Zwischen hinten und vorn
Denkt man sich eine Mitte.
Was ist, ist schon verlorn.
Ach, hätte man das Dritte.

Durch die schmale, die Spalte
Rutscht man, kann sein, zurück.
Die Erde wäre die alte.
Das wäre Glück.

 

Uitstel

Opdat wij later kunnen spreken, zwijgen we.
We leren onze kinderen te zwijgen, zodat
Zij later kunnen spreken.
Onze kinderen leren hun kinderen zwijgen.
We zwijgen en leren alles
Dan sterven we.
Ook onze kinderen sterven. Dan
Sterven hun kinderen, Nadat
Zij onze achterkleinkinderen alles hebben geleerd
Ook het zwijgen zodat zij
Op een dag kunnen spreken.
Dit, zeggen we, is niet de tijd om te spreken.
Dat leren we onze kinderen
Zij hun kinderen
Zij die van hun.
Ooit, denken we, moet toch de tijd
komen.

Vertaald door Frans Roumen

 
Rainer Kirsch (17 juli 1934 – 14 september 2015)

 

De Nederlandse schrijver Eelke de Jong werd geboren in Apeldoorn op 17 juli 1935. Zie ook alle tags voor Eelke de Jong op dit blog.

Uit: Paris mon amour

“Nagedacht of ik gisteravond in het café niet te aanhalig geweest was. Dat bier maakt me praatziek, overschreeuwerig, opdringerig, slachtoffer van een verhitte vertrouwelijkheid. Wie weet.
Onderaan de dijk lagen bergjes geel zand, ’n stuk of 20 keurig gerangschikte, anderhalve meter hoge hopen, vorige week aangevoerd door een truck. Vanmorgen zaten er kraaien op de heuveltjes en een kraai bovenop een ijzeren paaltje.
Op de andere dijk zag ik een bejaard echtpaar naar boven klimmen. Vooraf dalfde een grote zwarte hond. De vrouw trok de man mee omhoog, hield zijn uitgestrekte hand tussen elleboog en zij geklemd, hij kroop meer.
Laat d.w.z. ’n uur of 1 ontbeten, t.w. een soepkom met yoghurt uit de ijskast en een paar eetlepels boekweitvlokken, tarwekiemen en bramenjam. Bodempje van beton in m’n maag, straks waarschijnlijk weer ’t zuur. En stukjes gelezen van Malsen in ‘Paris Saloon’, treurige Casanova in een wereldje van keutelende misfits. En eigen séjours in Parijs herinnerd. De eerste keer was ’t najaar ’54.
En niet veel meer gedaan dan alsmaar rondgeslenterd, alsmaar over de trottoirs van de boulevards en de Seinekades en de straatjes daartussen, alsmaar en alsmaar in regen en zonneschijn rondgelopen. En blaren verzorgd in een kamertje in de Rue Jacob, meer alkoof je eigenlijk, doolhof van smalle gangetjes en trapjes bij een waaklampje, voor de wc moest je je bukken.
’t Raampje van de wc keek uit op een binnenplaats. Op een avond zag ik aan de overkant een naakt meisje op een bed liggen in de lichtkring van een lamp, de dekens opengeslagen, de rest van de kamer in het donker, haar hoofd weggesneden door het raamkozijn. Aan haar bewegingen te zien lag ze een boek te lezen. En ik zat op de wc en spoot m’n zaad in de afvoerpijp.
Ik had een vriendin in Parijs, gevonden in het correspondentiehoekje van het christelijk-nationaal weekblad De Spiegel, waar ze thuis op geabonneerd waren, een 10 jaar ouder, tamelijk mollig kantoormeisje, dat forensde uit Versailles en me geld begon te lenen om m’n verblijf te kunnen rekken. Dacht er zelfs over om me in Parijs te vestigen, maar het beursje van de typiste raakte leeg en wie niet werkt zal niet eten, zo was het toen ook, en ik wist niet waarmee aan te vangen.”

 
Eelke de Jong (17 juli 1935 – 1 augustus 1987)

 

De Nederlandse schrijfster Alie Smeding werd geboren in Enkhuizen op 17 juli 1890. Zie ook alle tags voor Alie Smeding op dit blog.

Uit: De zondaar

“Het barsch-bevelende hoornsignaal van een vrachtauto, dreef Dirk naar de krap-afgepaste veiligheid van een trottoir, en bijna botste hij dan eerst nog tegen een achteloos-fietsende slagersjongen aan.
Hij kreeg er een knorrige glimlach bij. ‘Soeskop,’ misprees hij, ‘ja, wie loopt er nou midden op de straat, je ben niet in je dorp…’
Zijn wrevel vloeide meteen al weer weg. ‘Waar dacht hij ook weer aan daarnet?, wat was ‘t…?’
Het glimpte nog als wat warms na in zijn hoofd. ‘Over de boerderij?, nee, of over Moeder…?’ De drukte om hem heen onderschepte het.
Toen zag hij ook de stad weer: rijen van grauwe lange buurten, schemerige stegen en vieze sloppen.
‘Jazzes,’ mokte hij, ‘wat toch ’n steenmop, hè?’ Een verlegen minachting vloog naar zijn jonge lichte oogen, maar ook een ijle angst. En ongedurig woelden zijn vingers rond in de dingen van zijn jaszakken: stompjes potlood, staafjes krijt, stuf…
‘Nou,’ zei hij bij zichzelf, ‘maar ik ken m’n werk best ân, geen-een zal zeggen dat ik m’n werk niet ân ken.’ Toch moest hij telkens slikken, en om zijn mond kwam een koud gevoel.
‘Wees maar niet ongerust,’ bemoedigde hij, ‘’t eenigste is, je moet nog wennen, als je hier eerst maar gewend ben, dan zal je ’s zien… je moet ook denken: alles is zoo anders, geen mensch die je nou nog bij je voornaam noemen zal, natuurlijk niet, nou was ’t altijd: Meneer Hartsen of Meester.’
Hij kreeg er een schrale glimlach van. ‘Menéer…’ Maar zijn schuw-waarnemende oogen dwaalden toch onrustig van de steile huizen-complexen, naar de menschen die hij elke ochtend opnieuw tegenkwam.
Vluchtig keken ze, onverschillig-terloops, en zonder een blik van herkenning. Enkel maar vreemden.”

 
Alie Smeding (17 juli 1890 – 5 juli 1938)

 

De Nederlandse dichter Tsead Bruinja werd geboren in Rinsumageest op 17 juli 1974. Zie ook alle tags voor Tsead Bruinja op dit blog.

ik zei ik zie de roos

ik zei ik zie de roos
als een wrak
in aanbouw

ze zwierde aan de kroonluchters
boven de romige hapjes

met een vorkje porde ik van alle kanten
in het gebakje

vat vol ongenoegen dat ik ben
inclusief slenterhart dat al twee dagen
zijn plek niet meer kent

en ik maar denken
ik liet haar gaan maar niet zonder
slag of stoot geen letter hortte uit mijn mond
ik snotterde alleen rook

toen ze zei dag ik hou van je
riep ik heel hard tegen het plastic ivoor
dag telefoon
dahaaaaag

 

De wagen van de deen

weet jij wie er vandaag onder de wagen
van de deen gaat liggen

onder de bedrijfswagen

wie er in de bedrijfswagen mag

de bootvluchteling

mag de bootvluchteling
in de bedrijfswagen

onder de wagen
is het beschutter

daar houden die mensen van

je zult het zien
met de wagen van die deen
gaat heintje van hiernaast
de pui rammen

van de bootvluchteling

had hij maar met zijn jatten
van de vrouw van de deen
af moeten blijven

maar met zijn nieuwe wagen

ja….joh

je moeder en een halfnaakte bosuil

 
Tsead Bruinja (Rinsumageest, 17 juli 1974)

 

De Nederlandse muzikant en schrijver Thé (Matheus Josephus) Lau werd eboren in Bergen op 17 juli 1952. Zie ook alle tags voor Thé Lau op dit blog.

Uit: Juliette, een liefde in snapshots

“Maar makkelijke score of niet, Robbie was voor het eerst met een vrouw naar bed geweest en teder betastte hij de plek waar Elsa had gelegen. Toen zijn vingertoppen in de plooien van het laken niets meer van haar voelden klom hij uit het bed, kleedde zich aan en liep naar de tafel bij het raam van het tuinhuisje. Ze had een bordje en een mok voor hem klaargezet. Op het bord lag een briefje:
‘Ik ben naar het paviljoen om schoon te maken. In de keuken is brood, en koffie en filters, als je wilt. Kijk maar. Kus. Elsa.’
Ze had een krullerig meisjeshandschrift, en onder haar naam had ze een hartje getekend. Het was aandoenlijk, en in strijd met haar nymfomane reputatie. Robbie tekende er een hartje naast en liep naar buiten.
Hij keek nieuwsgierig om zich heen. Wat vannacht in duisternis gehuld was geweest bleek een groot, met hoge bomen en krakkemikkige bouwsels bezaaid terrein. Drie schuren stonden her en der verspreid rond een grote boerderij met een aangevreten rieten dak. Van een ervan hingen de deuren in hun hengsels. In hun schaduw was een roestige tractor te zien, en eromheen slingerde gereedschap. Naast Elsa’s huisje stond een half ingestort kippenhok.
Het geheel maakte de indruk van een machine die krakend en piepend tot stilstand was gekomen.
Robbie stak het erf over en opende het hek. Hij keek naar zijn witte Puch, die ertegenaan stond, en dacht aan zijn vader. Wat zou hij van deze eerste verovering hebben gevonden? Het antwoord zou Robbie nooit krijgen. Zijn vader had vorig jaar een beroerte gekregen en was zittend aan de schildersezel overleden.
Robbie stapte op en startte de brommer.
Na een paar minuten kwam hij bij de splitsing van de weg naar het dorp, dat hij ‘de enclave’ noemde, en de Zeeweg. In de volksmond heette het punt ‘de Bourgondiër’, omdat er ten tijde van de Franse Revolutie door Franse, Britse en Russische troepen slag was geleverd. De Fransen hadden gewonnen.”

 
Thé Lau (17 juli 1952 – 23 juni 2015)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijfster Lilian Loke werd geboren in 1985 in München. Zie ook alle tags voor Lilian Loke op dit blog.

Uit: Gold in den Straßen

„Hat gerade die Scheidung hinter sich, das alte Haus an die Exfrau abgetreten, will jetzt was nach ganz eigenem Geschmack, – Groß, ehrwürdig, mit Seele! Vernunftehen und Vernunftimmobilien seien was für Arme, hat er geschäkert. Eigentlich ist Brink Falbers Kunde, aber die vier Häuser, die Falber bislang für ihn ausgesucht hat, waren Brink noch nicht einmalig, außergewöhnlich genug, die fand er regelrecht tot. Herr Falber hat noch nicht verstanden, was ich eigentlich suche!, lamentierte Brink vor einigen Wochen, stand mit Falber im Empfangsbereich des Maklerbüros, machte Meyer zum Publikum, als er zurückkam von einem Außentermin, fasste ihn sanft, aber bestimmt am Oberarm, hielt ihn auf. Meyer ist es mittlerweile gewohnt, von Leuten ungefragt angefasst zu werden, nimmt es hin wie ein unanständiges, aber schmeichelhaftes Kompliment, – Ihr Chef ist ein guter Mann, deklarierte Brink, Herr Falber wurde mir ja wärmstens empfohlen, aber ich bitte Sie, Herr …? Meyer stellte sich vor, Brink drückte ihm schmerzhaft die Hand, – Herr Meyer, tun Sie mir den Gefallen, helfen Sie Ihrem Chef, ich fürchte, Herr Falber hat kein Gespür für mich … Dann warf Brink einen Blick auf seine massive Armbanduhr, – So, ich muss! Herr Falber, wir sprechen – und Sie, junger Mann, Sie bringen mir ein bisschen Bewegung in die Sache, nicht? Falber nahm die Spitze gelassen, Meyer könne sich ruhig umhören, sagte er, als Brink aus der Tür war. Wenn Meyer für den Kerl tatsächlich was finde, mache er drei Kreuze. Drei Wochen später, auf einer von Frau Scherings Benefizgalas in der Alten Oper, stieß Meyer auf die Villa in Kronberg, allerdings war die alles andere als ein Wohnjuwel. Seinen Rat brauche sie, deklarierte seine Tischnachbarin, als er wie beiläufig fallenließ, er sei im Immobiliengeschäft. Sandra Götz, Chefeinkäuferin für Peek & Cloppenburg, überblond, überhungert, nicht mehr taufrisch, aber scheckheftgepflegt, wollte das Haus ihres Vaters verkaufen, – Gott hab ihn selig, aber das Haus ist ein Albtraum, klagte die Götz, einen absurd eklektizistischen Geschmack habe ihr Vater gehabt, Tudor-Style-Leuchter, altdeutsche Essgruppe, ein Gussofen aus dem späten 19ten, dunkle Holzvertäfelungen en masse und diese Tapisserien nach Louis Schlag-mich-tot, die ihr Vater gesammelt habe. Nicht zu sprechen von den Badezimmern, handgemalte Lindwürmer auf roten Kacheln, französische Spezialanfertigung.“

 
Lilian Loke (München, 1985)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e juli ook mijn blog van 17 juli 2017 en ook mijn blog van 17 juli 2016 deel 2.

Sylvie Marie, Reinaldo Arenas, Georges Rodenbach, Tony Kushner, Anita Brookner, Jörg Fauser, William Irwin Thompson

Dolce far niente

 


Beach Bathers door Jack Maxwell, 2010

 

zomerdagen

op zomerdagen gebeurt zoveel
aan zee. vrouwen ontbloten
buiken, mannen smeren ze
in, jongens halen ballen boven.
weinigen verdiepen zich
in tegendraads gemekker, hardnekkige
vlekken of veters die keer op keer
weer lossen.
het is dat ik, wat de weerman ook voorspelt,
steeds de paraplu meebreng. ik weet:
niet aarzelend verandert alles
maar vastbesloten als de vloed
die op het strand het tij komt keren,
het dier mee loodst, het kind verrast.

 

 
Sylvie Marie (Tielt, 28 februari 1984)
De markt in Tielt, de geboorteplaats van Sylvie Marie

 

De Cubaanse dichter en schrijver Reinaldo Arenas werd geboren op 16 juli 1943 in Holguin. Zie ook alle tags voor Reinaldo Arenas op dit blog.

Uit: The Color of Summer (Vertaald door Andrew Hurley)

“Virgilio Piñera: (moving away)
Well done! Bravo! Bravo!
You’ve got bi-i-ig feet
and one heel’s crooked on your shoe …
Go—there’s nothing for you here.
Suddenly, seeing that Coco Salas is right behind him with a tape recorder, he
turns toward the sea and shouts at the top of his lungs:
Virgilio Piñera:
Where are you going, you ingrate!
Come back—we’ll forgive you! It’s not too late!
Avellaneda: (growing farther and farther away from the Malecón and the harbor)
Ingrate! Ungrateful for what?
That parting shot
to my vulnerable backside?
No thanks, you snot—
I’ll take my chances
in New York or Florida or Kansas.
Chorus: (standing on the wall of the Malecón)
No more mercy, no more pleas—
blast her out of the waves!
The backside’s the best spot to aim,
so do it! Bombs away!
A new barrage of rotten eggs is launched.
Avellaneda: (now pulling into the open sea in a hail of rotten eggs)
What ineffable light, what strange happiness!
Night’s mourning is banished from the skies.
The hour’s come round, the artillery thunders;
fire, fire, fire, you murderers,
fire at this trembling bosom!
Meanwhile, back on shore, Delfín Proust arrives. After first making a quick check of himself in a portable mirror that opens like a huge fan, he makes a grand pirouette and leaps up onto the Malecón. He whirls about several times, hops like a frog, opens and closes his arms. Prancing about, he begins his poetic discourse:

 
Reinaldo Arenas (16 juli 1943 – 7 december 1990)
Zanger / acteur Wes Mason als Reinaldo Arenas in de opera “Before Night Falls“, 2012

 

De Belgische dichter en schrijver Georges Rodenbach werd geboren in Doornik op 16 juli 1855. Zie ook alle tags voor Georges Rodenbach op dit blog.

Béguinage flamand

II
Cependant quand le soir douloureux est défunt,
La cloche lentement les appelle à complies
Comme si leur prière était le seul parfum
Qui pût consoler Dieu dans ses mélancolies !

Tout est doux, tout est calme au milieu de l’enclos ;
Aux offices du soir la cloche les exhorte,
Et chacune s’y rend, mains jointes, les yeux clos,
Avec des glissements de cygne dans l’eau morte.

Elles mettent un voile à longs plis ; le secret
De leur âme s’épanche à la lueur des cierges,
Et, quand passe un vieux prêtre en étole, on croirait
Voir le Seigneur marcher dans un Jardin de Vierges !

 

III
Et l’élan de l’extase est si contagieux,
Et le coeur à prier si bien se tranquillise,
Que plus d’une, pendant les soirs religieux,
L’été répète encor les Ave de l’Église ;

Debout à sa fenêtre ouverte au vent joyeux,
Plus d’une, sans Ôter sa cornette et ses voiles,
Bien avant dans la nuit, égrène avec ses yeux
Le rosaire aux grains d’or des priantes étoiles !


Georges Rodenbach (16 juli 1855 – 25 december 1898)

 

De Amerikaanse schrijver Tony Kushner werd geboren op 16 juli 1956 in New York. Zie ook alle tags voor Tony Kushner op dit blog.

Uit: Angels in America

“ROY COHN: [delirious, under the impression that Belize is the Angel of Death] Can I ask you something, sir?
BELIZE: “Sir”?
ROY COHN: What’s it like? After?
BELIZE: After…?
ROY COHN: This misery ends?
BELIZE: Hell or heaven?
ROY COHN: [laughs]
BELIZE: Like San Francisco.
ROY COHN A city! Good! I was worried… it’d be a garden. I hate that shit.
BELIZE Mmmm. Big city. Overgrown with weeds, but flowering weeds. On every corner a wrecking crew and something new and crooked going up catty corner to that. Windows missing in every edifice like broken teeth, gritty wind, and a gray high sky full of ravens.
ROY COHN Isaiah.
BELIZE: Prophet birds, Roy. Piles of trash, but lapidary like rubies and obsidian, and diamond-colored cowspit streamers in the wind. And voting booths. And everyone in Balenciaga gowns with red corsages, and big dance palaces full of music and lights and racial impurity and gender confusion. And all the deities are creole, mulatto, brown as the mouths of rivers. Race, taste and history finally overcome. And you ain’t there.
ROY COHN: And Heaven?
BELIZE: That was Heaven, Roy.
ROY COHN: The fuck it was!“


Tony Kushner (New York, 16 juli 1956)
Affiche

 

De Engelse schrijfster en historica Anita Brookner werd geboren op 16 juli 1928 in Herne Hill, een voorstad van Londen. Zie ook alle tags voor Anita Brookner op dit blog.

Uit: The Rules of Engagement

“We met, and became friends of a sort, by virtue of the fact that we started school on the same day. Because we had the same Christian name it was decreed that she should choose an alternative. For some reason—largely, I think, because she was influenced by the sort of sunny children’s books available in our milieu—she decided to be known as Betsy. When we met up again, several years later, she was Betsy de Saint-Jorre. Not bad for a girl initially registered as Elizabeth Newton.
How much nicer children were in those days than the adults they have become! Born in 1948, we were well-behaved, incurious, with none of the rebellious features adopted by those who make youthfulness a permanent quest. We went to tea in one another’s houses, sent each other postcards when we went on holiday with our parents, assumed we would know each other all our lives . . . The Sixties took us by surprise: we were unprepared, unready, uncomprehending. That, I now see, was why I married Digby: it was the right, unthinking thing to do. That was why Betsy took it upon herself to have a career, out of despair, perhaps, at not being provided for.
Choice hardly dictated our actions. Yet I suppose we were contented enough. Certainly we knew no better. And now we know too much. Discretion veiled our motives then, and perhaps does so even now, even in an age of multiple communications, of e-mails, text messages, and news bulletins all round the clock. We still rely on narrative, on the considered account. That is how and why I knew Betsy’s story, though I cannot claim to know all of it. There were areas of confusion which it seemed better not to disclose. But she was always painfully honest, rather more so than prudence might advise. That quality made itself felt when we were still children; her desire to explain herself, to be known, was perhaps really a desire to be loved. That too was discernible, and it set her apart. In later life, when I knew her again, that quality was still there, obscured only slightly by the manners she had acquired, and always at odds with her mind, which was exacting. In other circumstances she might have been remarkable. But her hopes had been curtailed, and in the years of her adulthood one sometimes saw this, in the odd distant glance directed towards a window, or the eagerness with which she smiled at any passing child.
Her initial demotion from Elizabeth to Betsy was thought to be justified, given her uncertainty of status. She took it in her stride, thinking it gave her permission to assume an altogether different character, someone more lighthearted, skimming the surface, responding always with a smile.“

 
Anita Brookner (16 juli 1928 – 10 maart 2016)

 

De Duitse schrijver en journalist Jörg Fauser werd geboren op 16 juli 1944 in Bad Schwalbach. Zie ook alle tags voor Jörg Fauser op dit blog.

Uit: Rohstoff

“William S. Burroughs empfing mich nachmittags um drei in seinem spärlich möblierten Apartment in der Duke Street, unweit Piccadilly Circus. Er trug einen schwarzen dreiteiligen Anzug, der mich an die Anzüge meines Großvaters, eines Volksschulrektors, erinnerte, ein weißes Hemd und eine schwarze Krawatte. Ich hatte wieder mal meinen Nadelstreifenanzug an, weißes Hemd, Krawatte. Burroughs war groß und hager und ging leicht gebückt. Er war an den Schläfen weißhaarig, und sein Mund war ein schmaler, blutleerer Strich.
»Kaffee oder Tee?«
»Kaffee.«
»Weiß oder schwarz?«
»Weiß, bitte.«
Wir nahmen jeder eine Tasse Nescafé und setzten uns an einen blankpolierten Tisch. Burroughs saß mit dem Rücken zum Fenster. Er fixierte mich durch seine Brille. Seine Augen waren blau und strahlten die unerschütterliche Autorität eines hohen Richters aus, der jede Art von Korruption kennengelernt hat und dem alle zusammen immer noch zu billig sind.
»Was ist das für eine Zeitschrift, für die Sie arbeiten?«
Ich verlor ein paar Worte über twen. Mein Englisch war ohnehin nicht besonders flüssig, und jetzt fiel mir mein dicker deutscher Akzent unangenehm auf. Burroughs schien er nicht zu stören. Vielleicht hatte er eine perverse Sympathie für die Deutschen.
»Und dieser Artikel, den Sie erwähnten?«
Ich hatte den Auftrag von twen, einen Bericht über harte Drogen zu schreiben. Den Kontakt zu Burroughs hatte Lou Schneider hergestellt. Twen hatte mir den Flug nach London und einen reichlichen Spesenvorschuß bewilligt. Ich war auf dem Weg, und wie. Der rasende Junk-Reporter. Ich
versuchte Burroughs zu erklären, daß ich selbst vier Jahre Junkie gewesen war und in dem Bericht auch über die Möglichkeiten schreiben wollte, von dem Zeug loszukommen. Burroughs hatte es mit Apomorphin geschafft.
Apomorphin war bei uns unbekannt. Deshalb war ich hier. Er machte eine neue Zigarette an. Er rauchte Senior Service ohne Filter. Kette.
»Was für Zeug haben Sie denn genommen?«
»Oh, vor allem Opium.«
»Was – Rohopium? Das haben Sie doch nicht intravenös gefixt?«
»Doch.«
»Junger Mann«, sagte Burroughs mit der Andeutung eines Lächelns, »Sie müssen ja völlig verrückt gewesen sein.”

 
Jörg Fauser (16 juli 1944 – 17 juli 1987)
Cover

 

De Amerikaanse dichter, sociaal filosoof en cultuurcriticus William Irwin Thompson werd geboren op 16 juli 1938 in Chicago, Illinois. Zie ook alle tags voor William Irwin Thompson op dit blog.

Uit: The Time Falling Bodies Take to Light:

“As the great Gilgamesh polishes his armor and weapons in preparation for the great expedition, he attracts the attention of the goddess of love and war, Ishtar (Manna), and she asks to become his lover. Ishtar displays all her beauty and makes great promises to Gilgamesh, but the hero focuses on his heroic ideal and rejects Ishtar in what amounts to a curse. Here the conflict between male bonding and the companionship of the transcen-dent quest versus sexual love and involvement in the immanence of bodily life comes right out into the open. Gilgamesh recites an entire litany which unfolds all the treacheries of Ishtar; he recites the list of all her past lovers who have come to ruin. When Ishtar hears this she is enraged and mounts to the realm of the sky god, Anu, and demands that the Bull of Heaven be sent to earth to destroy Gilgamesh. Threatening to create famine and raise the dead unless she has her way, Ishtar is able to compel Anu to grant her the demand. Anu relents and sends down the Bull of Heaven (a comet?) to attack Gilgamesh. But the goddess has forgotten that bulls and oxen are the province of man, the domesticator of animals, and so the two cowboys, Gilgamesh and Enkidu, make short work of the Bull. Ishtar is again enraged and mounts the walls of Uruk and cries out: “Woe unto Gilgamesh because he insulted me.” When Enkidu hears Ishtar’s threat, he tears loose the right thigh of the Bull of Heaven and flings it at her. No doubt, “right thigh” is a euphemism for the genitals of the bull, and by flinging the phallus into the face of the goddess Enkidu is mocking her role as the goddess of love and war and parodying the old rituals of appeasement of the Great Goddess in rites of castration. That we are witnessing the parody of an ancient ritual becomes clearer when Ishtar responds to Enkidu’s taunt by setting up the old lament for the torn god.

Ishtar assembled the girl-devotees,
The prostitutes, and the courtesans;
Over the right thigh of the bull of heaven
she set up a lamentation.
But Gilgamesh called the craftsmen, the armorers,
all of them.
The artisans admired the size of the horns .
He brought (them) into the room of his rulership (?)
and hung (them) up (therein).

While the women wail over the severed phallus of the torn god, the craftsmen go to work, and Gilgamesh places the more durable horns in his room, a room that would thus have the appearance of the male bull shrine at catal Hiiyiik. By placing an old ritual in a new context, the men are mocking the old religion in which the women lament the death of Dumuzi; in this new context, the old conservative religion of the women is being mocked in a celebra-tion of male ambition.


William Irwin Thompson (Chicago, 16 juli 1938)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e juli ook mijn blog van 16 juli 2017 deel 2.

 

Een stad, een zomer (Patrick Cornillie)

Dolce far niente

 

 
Summer Cocktail door Peter Graham, 2015

 

Een stad, een zomer

Zwaar en vermoeid laat
een avond zich neerzijgen tegen
de gevels. Pleinen en straten liggen
te trillen als trommelvellen in de zon.

Het verroeste gras, de hitte
van kasseistenen, bomen die in
de spiegels van de grachten kijken
naar hun verschroeide benen.

Terrassen, biertjes, puffende heren,
de gedachte dat er nog enige beweging
komt. Een zacht briesje, meisjes in
wapperende jurken op de fiets.

De draaglijke lichtheid van het niets.

 


Patrick Cornillie (Roeselare, 11 april 1961)
Roeselare, de geboorteplaats van Patrick Cornillie

 

Zie voor enkele schrijvers ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Wenn doch heute der Apostel (Melchior Meyer)

Bij de 15e zondag door het jaar

 

 
These Twelve Jesus Sent Forth door Walter Rane. z.j.

 

Wenn doch heute der Apostel

Wenn doch heute der Apostel
Noch auf Erden wandelte,
Reich zu machen jeden Burschen,
Der als Braver handelte!

Oder, da die Welt dem Heil’gen
Zum Besuche jetzt zu rund —
Wenn man doch noch mit dem Satan
Könnte schließen einen Bund!

Einen Bund, wo man gemütlich
Durch das Leben könnte gehn
Und mit Freuden alle Tage
Mitten in der Fülle stehn.

Einen Bund, wobei der Böse,
Wie sein Netz er auch gestellt,
Sich von dem gewitzten Burschen
Endlich sähe doch geprellt.

Leider ist das nun vorüber!
Mündig worden ist die Zeit
Und es heißt nun: hilf dir selber,
Mensch, in deinem Herzeleid!

 

 
Melchior Meyr (28. juni 1810 – 22. April 1871)
Ehringen, de geboorteplaats van Melchiot Meyer

 

Zie voor enkele schrijvers ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Jean Christophe Grangé, Driss Chraïbi, Iris Murdoch, Richard Russo, Jacques Rivière, Rira Abbasim, Paul Hermans

De Franse schrijver Jean Christophe Grangé werd geboren op 15 juli 1961 in Parijs. Zie ook alle tags voor Jean Christophe Grangé op dit blog.

Uit: La Terre des morts

« Le squonk avait tout pour lui déplaire. Une botte de strip-tease, soi-disant branchée, située au troisième sous-sol 1 d’un immeuble décrépit du r arrondissement. Marches, murs, sol, plafond, tout y était noir. Quand Stéphane Corso, chef du groupe 1 de la Brigade criminelle, avait plongé dans l’escalier, un sourd vrombissement lui avait aussitôt vrillé l’esto-mac — il avait pensé au métro… Pas du tout : simple effet sonore à la David Lynch, histoire d’achever de vous oppresser. Après un couloir décoré de photos de pin-up fifties éclairées par une fine rampe de lods, un bar vous accueillait. Derrière le comptoir, les traditionnelles rangées de bouteilles étaient rem-placées par des images en noir et blanc de sites industriels vétustes et d’hôtels abandonnés. No comment. Corso avait suivi les autres spectateurs et obliqué à droite pour découvrir une salle en pente aux fauteuils rouges. Il s’était installé dans un coin, voyeur parmi les voyeurs, et avait attendu que les lumières s’éteignent. Il était venu pour flairer le terrain et, de ce point de vue, il était servi. D’après le programme (une page de plastique noir écrite en blanc, genre radiographie), on en était aux deux tiers du show et Corso se demandait pour la centième fois par quel snobisme bizarrc cc genre de prestations ringardes (on avait opté pour la terminologie américaine, on parlait désormais de « new bur-lesque ») était revenu à la mode. Il s’était déjà farci Miss Velvet, une brune coiffée à la Louise Brooks et couverte de tatouages, Candy Moon et sa danse des sept voiles, Gypsy La Rose, capable d’ôter ses chaussures en faisant le petit pont. On attendait Mam’zelle Nitouche et Lova Doll… Corso n’avait jamais été attiré par ce type de shows et le physique de ces dames ne l’incitait pas à l’indulgence : plutôt grasses, surmaquillées et grimaçantes, elles se situaient aux anti-podes de ce qui l’excitait. Cette pensée lui rappela Émiliya et les premières conclusions du divorce que son avocat lui avait envoyées dans la journée. C’était la véritable raison de sa mauvaise humeur. »


Jean Christophe Grangé (Parijs, 15 juli 1961)

 

De Marokkaanse schrijver Driss Chraïbi werd geboren in El Jadida op 15 juli 1926. Zie ook alle tags voor Driss Chraïbi op dit blog.

Uit: La Civilisation, ma Mère !…

“-Mais qu’est-ce que c’est cette « radio » dont j’entends parler depuis trois jours ? Radio… Blo… Bla Upunn… Radio… Kteu !…
Les yeux dans les yeux, Nagib et moi nous sommes regardés en frères et nous avons répondu d’une seule et même voix :
-C’est une boîte qui parle.
-Qui parle ? Une boîte qui parle? Ah ça ! Vous me prenez pour une femme du Moyen Age ou pour un haricot ? Vous osez vous moquez de votre mère ? Attendez un peu que je défasse ma ceinture.
-Elle est en soie, a dit Nagib. Elle ne ferait pas de mal à un ver de terre. Prends plutôt une de ces planches. Et tape si tu ne comprends pas. Mais auparavant, écoute-moi, petite mère : ceci est une boîte , je te l’assure, et une boîte qui parle.
-Mais elle ne parle pas !
-Elle va le faire. Elle va donner les nouvelles du monde entier, elle va chanter, dire : « Au quatrième top, il sera exactement 10 heures 24 minutes 30 secondes.» Elle va rire, pleurer, raconter un tas d’histoires.
-Elle va faire tout ça ? Tu en es sûr ?
-Oui, madame.
-Mais… mais comment ?
De nouveau, nous nous sommes regardés, mon frère et moi. Et nous nous sommes compris. J’ai vu comme un doigt sur les yeux de Nagib me recommandant la plus grande prudence : «Chut! Tais-toi. Ne lui parle surtout pas de l’électricité, ça ferait des étincelles.»J’ai répondu très vite :
Par magie.
-Ah bon ! a dit ma mère, soulagée et joyeuse tout à coup. Comme les fakirs et les charmeurs de serpents ?
-C’est ça. Parfaitement.
-Tu veux dire qu’un magicien va venir et animer cette grande boîte ?
Nagib l’a prise dans ses bras, lui a embrassé les mains, le front, les cheveux.
-C’est un magicien tellement magique que tu ne le verras même pas. Je t’en donne ma parole.
-Oh ! je suis contente… si contente… “

 
Driss Chraïbi (15 juli 1926 – 1 april 2007)

 

De Iers-Britse schrijfster en filosofe Iris Murdoch werd geboren in Dublin op 15 juli 1919. Zie ook alle tags voor Iris Murdoch op dit blog.

Uit:The Black Prince

“Five years of marriage seemed to have convinced both of us of the utter impossibility of this state. However, shortly after our divorce Christian married a rich unlettered American called Evandale, went to live in Illinois, and as far as I was concerned disappeared forever. There is nothing quite like the dead dull feel of a failed marriage. Nor is there anything like one’s hatred for an ex-spouse. (How can such a person dare to be happy?) I cannot credit those who speak of `friendship’ in such a context. I lived for years with a sense of things irrevocably soiled and spoiled, it could give suddenly such a sad feel to the world sometimes. I could not liberate myself from her mind. This had nothing to do with love. Those who have suffered this sort of bondage will understand. Some people are just `diminishers’ and `spoilers’ for others. I suppose almost everybody diminishes someone. A saint would be nobody’s spoiler. Most of one’s acquaintances however can be blessedly forgotten when not present. Out of sight out of mind is a charter of human survival. Not so Christian, she was ubiquitous: her consciousness was rapacious, her thoughts could damage, passing like noxious rays through space and time. Her remarks were memorable. Only good old America cured her for me in the end. I put her away with a tedious man in a tedious and very distant town and was able to feel that she had died. What a relief. Francis Marloe was another matter. Neither he nor his thoughts had ever been important to me, nor as far as I could see to anyone. He was Christian’s younger brother, treated by her with indulgent contempt. He never married. After lengthy trying he qualified as a doctor, but was soon struck off the register for some irregularity in the prescription of drugs. I learnt later with abhorrence that he had set up in business as a self-styled ‘psychoanalyst’. Later still I heard he had taken to drink. If I had been told that he had committed suicide I should have heard the news without either concern or surprise. I was not pleased to see him again. He had in fact altered almost beyond recognition. He had been a slim tripping blond-haloed faun. Now he looked coarse, fat, red-faced, pathetic, slightly wild, slightly sinister, perhaps a little mad. He had always been very stupid. However at that moment I was not concerned about Mr Francis Marloe, but about the absolutely terrifying news which he had brought me.”


Iris Murdoch (15 juli 1919 – 8 februari 1999)
Cover

 

De Amerikaanse schrijver Richard Russo werd geboren op 15 juli 1949 in Johnstown, New York. Zie ook alle tags voor Richard Russo op dit blog.

Uit: Allemans gek (Vertaald door Kees Mollema)

“Becka, dacht hij, terwijl de tranen in zijn ogen sprongen bij de herinnering aan die veel te korte periode waarin ze van elkaar hadden gehouden. Aangezien geen van de rouwenden op hem lette, besloot hij een blik in de richting van haar graf te werpen. Hij wist globaal waar het was, maar door de liggende grafstenen op Dale kon hij niet precies zeggen waar. Iemand had een bos rode rozen met lange stelen op een van de graven dicht bij het hare gelegd, waardoor Raymer, die de eerste verjaardag van haar dood ongemerkt voorbij had laten gaan, een doordringende scheut verlaat schuldgevoel voelde. Becka was enig kind geweest, haar ouders waren omgekomen bij een auto-ongeluk toen ze nog op de middelbare school zat, en de meeste van haar theatervrienden waren te veel met zichzelf bezig om haar te missen of zich haar zelfs maar te herinneren. En dus kwam het alleen op Raymer neer, tenzij je Alice Moynihan meerekende.
Of de man voor wie Becka hem had willen verlaten.
Toen Gus hem opnieuw aanstootte, met een verbaasde blik op zijn gezicht, besefte Raymer dat hij de afstandsbediening van een garagedeur uit zijn broekzak had gehaald en daar onbewust mee speelde. Niet lang na Becka’s dood had hij haar rav weer verkocht aan de Toyota-dealer bij wie hij hem twee jaar daarvoor had gekocht. Hij dacht dat hij de auto goed had schoongemaakt, maar een garagemedewerker had, toen hij hem klaarmaakte voor de verkoop, een afstandsbediening gevonden toen hij de bestuurdersstoel helemaal naar achteren duwde. ‘Ik weet zeker dat je je gek hebt gezocht hiernaar,’ zei hij, toen hij het apparaat langs bracht op het politiebureau. ‘Ik begrijp niet hoe dat ding zo onder de stoel klem heeft gezeten.’
Raymer had eerst gedacht dat het de afstandsbediening voor hun eigen garagedeur was. Hij had de dag na haar begrafenis het huis te koop gezet, en had zich voorgenomen hem aan de nieuwe eigenaren te geven. Daarna had hij hem in zijn bureaula gelegd en was hij hem helemaal vergeten, tot een paar weken geleden.”


Richard Russo (Johnstown, 15 juli 1949)
Cover

 

De Franse schrijver Jacques Rivière werd geboren op 15 juli 1886 in Bordeaux. Zie ook alle tags voorJacques Rivière op dit blog.

Uit: Alain Fournier

“Je date des environs de Noël 1903 la révélation qui nous fut faite en même temps l’un à l’autre. Pour nous remercier du compliment traditionnel que nous lui avions adressé avant le départ en vacances, notre excellent professeur, M. Francisque Vial, […] nous fit une lecture du Tel qu’en songe d’Henri de Régnier :
J’ai cru voir ma Tristesse – dit-il – et je l’ai vue
– Dit-il plus bas –
Elle était nue,
Assise dans la grotte la plus silencieuse De mes plus intérieures pensées, …etc.
(…)

Nous tombions, sans avoir même su qu’il en existât de tels, sur des mots choisis exprès pour nous et qui non seulement caressaient nommément notre sensibilité, mais encore nous révélaient à nous-mêmes. Quelque chose d’inconnu, en effet, était atteint dans nos âmes ; une harpe que nous ne soupçonnions pas en nous s’éveillait, répondait ; ses vibrations nous emplissaient. Nous n’écoutions plus le sens des phrases ; nous retentissions seulement, devenus tout entiers harmoniques. Je regardais Fournier sur son banc ; il écoutait profondément ; plusieurs fois nous échangeâmes des regards brillants d’émotion. À la fin de la classe, nous nous précipitâmes l’un vers l’autre. Les forts en thème ricanaient autour de nous, parlaient avec dédain de « loufoqueries ». Mais nous, nous étions dans l’enchantement et bouleversés d’un enthousiasme si pareil que notre amitié en fut brusquement portée à son comble.”


Jacques Rivière (15 juli 1886 – 14 februari 1925)
Cover van een Nederlandse uitgave van de briefwisseling met Alain Fournier

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Iraanse dichteres, schrijfster en vredesactiviste Rira Abbasi werd geboren in 1962 in Khorramabad, Iran. Zie ook alle tags voor Rira Abbasi op dit blog.

 

Poets of Peace (Fragment)

O’ daddy, remember!
Never entered in my room
Without knocking at the door
O’ children of the world!
I’m ashamed, when I see.
Like a wolf in Baghdad streets,
Daddy is wandering with dwarf Uncle Sam,
Wreck the doors of the houses,
With their nail–shaped boots.
O’ children, tell the world:
Does a toothless baby have a gun?
O’ children, I’m ashamed.
When I see daddy.
Ruins the houses. Kills mothers and babies,
O’ children!
O’ children!
How can I say where I come from?
I’m ashamed
I’m upset.

We children of the world,
With USA have a word.
Every land has a treasure.
Gold and iron and steel,
Tobacco, sugar, oil, and wheat
Grapes, dates, olives, and endless seas
In children’s world,
Everything has a worth.


Rira Abbasi (Khorramabad, 1962)
Khorramabad

 

De Nederlandse dichter en schrijver Paul Hermans werd geboren in Maastricht in 1953. Hermans studeerde klinische psychologie en psychogerontologie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Hij werkt als psycholoog in verschillende centra voor dementerende ouderen in de regio Brunssum / Schinnen. Vanaf 1982 tot 1984 publiceerde hij onder het pseudoniem P.J. Donnee gedichten in literaire tijdschriften. Dit gebeurde daarna onder zijn eigen naam. Hij debuteerde in 1992 met de dichtbundel “Een kern van oppervlakkigheid”. Daarna publiceerde hij de bundels “Inhuizig” (1995), “Ademnis” (1999), “Achteruitwaarts Vliegen” (2003), “Hartschelp” (2007) en “Spraakdoorn” (2010). Ondanks zijn kleine oeuvre ontving hij in 2003 voor zijn poëzie de Halewijnprijs, de literatuurprijs van de Stad Roermond.

Leeuwerik

Een lichtbruin wolkje leeuwerik
hing in de avondlucht te zingen,

zong van mijn onverklaarbaar
heimwee steeds naar al wat reeds
rondom mij is,

zong mij zijn klankrijk wolkje in:
Wij, nader tot de schemering.

 

Landschapsfoto

Landschap, alleen in november.
Afwezig geluid van de stemmen.
Een man op een akker, alleen.
En over alles de lichtbruine waas
van een sepialicht. En het was als
was er een stokoude foto ongemerkt
tussen mij en het landschap geschoven,
een stokoude foto van dit landschap,
volstrekt identiek aan dit landschap,
met precies dezelfde schaduw
van vader, alleen op de akker,
met dezelfde afwezige stemmen, zelfs
met de kartelrand van zwijgende
bomen rondom in het vierkant.

 
Paul Hermans (Maastricht, 1953)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e juli ook mijn blog van 15 juli 2017 deel 2.

To the Sea (Philip Larkin)

Dolce far niente

 

 
Kleine zwemmers door Alessandro Pomi, 1942

 

To the Sea

To step over the low wall that divides
Road from concrete walk above the shore
Brings sharply back something known long before—
The miniature gaiety of seasides.
Everything crowds under the low horizon:
Steep beach, blue water, towels, red bathing caps,
The small hushed waves’ repeated fresh collapse
Up the warm yellow sand, and further off
A white steamer stuck in the afternoon—

Still going on, all of it, still going on!
To lie, eat, sleep in hearing of the surf
(Ears to transistors, that sound tame enough
Under the sky), or gently up and down
Lead the uncertain children, frilled in white
And grasping at enormous air, or wheel
The rigid old along for them to feel
A final summer, plainly still occurs
As half an annual pleasure, half a rite,

As when, happy at being on my own,
I searched the sand for Famous Cricketers,
Or, farther back, my parents, listeners
To the same seaside quack, first became known.
Strange to it now, I watch the cloudless scene:
The same clear water over smoothed pebbles,
The distant bathers’ weak protesting trebles
Down at its edge, and then the cheap cigars,
The chocolate-papers, tea-leaves, and, between

The rocks, the rusting soup-tins, till the first
Few families start the trek back to the cars.
The white steamer has gone. Like breathed-on glass
The sunlight has turned milky. If the worst
Of flawless weather is our falling short,
It may be that through habit these do best,
Coming to the water clumsily undressed
Yearly; teaching their children by a sort
Of clowning; helping the old, too, as they ought.

 


Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)
De kathedraal in Coventry, de geboortestad van Philip Larkin

 

Zie voor enkele schrijvers van de 14e juli ook mijn vorige blog van van vandaag.

Thijs Zonneveld, Volker Kaminski, Irving Stone, Natalia Ginzburg, Jacques de Lacretelle, Gavrila Derzjavin, Béatrix Beck

Bij de Tour de France

 

 
Greg Van Avermaet op de kasseien

 

Uit: Het Panini-album

“Ode aan de kassei
En toen, na weken gevuld met louter zondagen, werd het maandag. Het zonlicht was grijs, het vuilnis moest nog buiten worden gezet en in de vensterbank stonden lege bierflesjes. Ergens in Vlaanderen werd Tom Boonen, de ex-wielrenner, wakker met een kater en heimwee naar zondag. Net als wij allemaal, eigenlijk.
De afgelopen weken dokkerde er vrijwel iedere dag een peloton renners over Vlaamse of Noord-Franse (lees: Zuid-Vlaamse) weggetjes. Soms op een zondagse zondag, maar vaak ook op maandagse, dinsdagse, woensdagse, donderdagse, vrijdagse en zaterdagse zondagen. Het was een aaneenschakeling van kasseienstroken, berendriezen, oudekwaremonts, trappisten en joggingbroek-op-de-bank-lig-dagen.
Maar hoeveel Vlaamse koersen er ook waren, hoe vaak het peloton ook over de Haaghoek reed en hoeveel aandacht er ook was voor Tom Boonen – het werd vrijwel nooit saai. In andere jaren zaten er wedstrijden tussen die je als tv-kijker gerust kon missen door een middagslaapje te doen, maar die waren er dit seizoen niet bij. Het was nondeju kuurs, iedere wedstrijd opnieuw. De finales werden opengebroken op lichtjaren afstand van de finish, de kopmannen streden met open vizier tegen elkaar en in álle Vlaamse klassiekers en semi-klassiekers wonnen de aanvallers.
Het verschil tussen de kasseienwedstrijden en de heuvelklassiekers werd de afgelopen jaren steeds groter. Het is hoop versus angst. Riskeren versus rekenen. In de Amstel Gold Race, de Waalse Pijl en Luik-Bastenaken-Luik blijft het peloton tot diep in de finale gesloten en proberen de favorieten het licht uit elkaars ogen te kijken. De beste renners en ploegen houden elkaar in een wurggreep: de angst om te verliezen is groter dan de wil om te winnen. De finales zijn te zwaar, de nivellering te groot en mede door de introductie van het bloedpaspoort hebben de kopmannen vaak maar één echte demarrage in de benen. Aanvallen loont in de heuvelklassiekers slechts bij hoge uitzondering – en omdat iedereen het weet gebeurt het nauwelijks meer.”

 
Thijs Zonneveld (Sassenheim, 28 september 1980)

 

De Duitse schrijver Volker Kaminski werd op 14 juli 1958 in Karlsruhe geboren. Zie ook alle tags voor Volker Kaminski op dit blog.

Uit: Auf Probe

“Donnerstag, 5. Juli
Vor zehn Tagen hatte er es erfahren. Jemand hatte sich am Telefon nach seinem Namen erkundigt und gesagt, er habe eine traurige Mitteilung für ihn. Etwas anderes war dem Arzt offenbar nicht eingefallen. Gaudi hatte gleich gespürt, dass er nicht der Einzige war, den der Am in dieser Sache anrief. Das Formelhafte seiner Ausdrucksweise war unüberhörbar. Als er sagte: »… ist leider gestern Nacht an einer Lungenentzündung gestorben«, klangen seine Worte schablonenhaft. Gaudi hörte ihm zu, ohne richtig zu verstehen. Er schrieb ein paar Ziffern auf einen Notizblock. Später wusste er nicht mehr, wem die Telefonnummer gehörte. Vielleicht war es die Nummer des Krankenhauses. Glaubten sie, dass er dort anrief? Sie war tot und er wollte sie nicht als Leiche vor sich sehen. Sie lebte nicht mehr. Daran war nichts zu ändern. Bald lag sie in der hellbraunen Kis-te drei Meter tief unter der Erde, und Zeit und Raum hatten keine Bedeutung mehr für sie. Dass Maria zuletzt in einem komfortablen Altersheim gelebt hatte, mit frei nutzbarem Garten, Tischen und Korbstühlen auf der grünen Wiese, war natürlich ein Trost. In einem der Stühle hatte es sich Frau Gaudi den Sommer über bequem gemacht. Während des Winters blieb sie im großen Aufenthaltsraum. Schöner konnte es niemand im Alter haben, fand Gaudi. Es war immer jemand um sie, wenn das Bild hinter der Fensterscheibe langsam verblasste.
Wie viele Menschen Maria gekannt hatten, ließ sich an der gut gefüllten Friedhofskapelle ablesen, in der sich die Trauergäste versammelten. Ihre geschäftlichen Kontakte, ihr Mitwirken an der Seite ihres Mannes, die jahrzehntelange Präsenz auf dem gesellschaftlichen Parkett — in vielen Häusern der Stadt war Maria unvergessen. Eine vielköpfige Verwandtschaft fand sich außerdem ein, sommerlich gekleidete Menschen, die gefasst wirkten und wohlmeinende Blicke warfen. Gaudi fiel bei der Begrüßung auf, wie sehr das Ganze der Vorstellung glich, die er sich von einer Beerdigung gemacht hatte; bei keiner anderen Gelegenheit waren so viele Menschen an seiner rechten Hand interessiert. Als sie aus der Kapelle kamen, hatte sich der Himmel bewölkt, doch kurz darauf klaue es wieder auf Der Trauerzug setzte sich in Bewegung. Gaudi heftete den Blick auf seine Schwestern, die etwas näher am Sarg gingen, ein paar Schritte vor ihm. Den Sargkarren schoben vier ältere Männer mit dunklen Mützen; ohne Mühe umkurvten sie die Grabreihen und führten die schweigende Karawane ans Ziel.“


Volker Kaminski (Karlsruhe, 14 juli 1958)

 

De Amerikaanse schrijver Irving Stone werd geboren op 14 juli 1903 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Irving Stone op dit blog.

Uit: The Agony and the Ecstasy

“I could not have controlled the Pope. No. But I could have been more realistic about Bramante. Come to grips with his . . . charm . .. his talent .. . Because of him I am no longer an architect and you are no longer a sculptor.” Sangallo wept. Michelangelo shepherded him inside the protective doorway of the chapel, put an arm about the trembling shoulders. “Pazienza, caro, patience. We will work our way out of this predicament.” “You are young, Michelangelo, you have time. I am old. Nor have you heard the crowning indignity. I volunteered to erect the scaffolding for you, since I renovated the chapel and know it well. But even this I was denied. Julius had al-ready arranged with Bramante to build it. . . . All I want now is to return to my home in Florence, enjoy a little peace before I die.” “Do not speak of dying. Let us speak instead of how we can tackle this architectural monstrosity.” He threw both arms up in a despairing gesture that embraced the Sistine. “Explain this . . . edifice . . . to me. Why was it built this way?” Sangallo explained that when it was first completed the building had looked more like a fortress than a chapeL Since Pope Sixtus had intended to use it for the defense of the Vatican in the event of war, the top had been crowned by an open battlement from which soldiers could fire cannons and drop stones on attackers. When the neighboring Sant’-Angelo had been strengthened as a fortress that could be reached by a high-walled passageway from the Papal palace, Julius had ordered Sangallo to extend the Sistine roof to cover the crenelated parapet. Quarters for the soldiers, above the vault that Michelangelo had been ordered to paint, were now unused. Strong sunlight was streaming in from three tall windows, lighting the glorious frescoes of Botticelli and Rosselli op-posite, shooting strong beams of light across the variegated marble floor. The side walls, one hundred and thirty-three feet long, were divided into three zones on their way up to the barrel vault, sixty-eight feet above: the lowest area was covered by tapestries, the frieze of frescoes filled the second and middle area. Above these frescoes was a cornice or horizontal molding, projecting a couple of feet out from the wall. »


Irving Stone (14 juli 1903 – 26 augustus 1989)
Cover

 

De Italiaanse schrijfster Natalia Ginzburg werd geboren op 14 juli 1916 in Palermo. Zie ook alle tags voor Natalia Ginzburg op dit blog.

Uit: Al onze gisterens (Vertaald door Henny Vlot)

“Het portret van moeder hing in de eetkamer: een vrouw op een stoel met een hoed met veren en een lang, vermoeid, ver-schrikt gezicht. Ze had altijd een zwakke gezondheid gehad, leed aan duizelingen en hartkloppingen, en vier kinderen wa-ren te veel voor haar geweest. Ze was kort na Anna’s geboorte gestorven. Op zondag gingen ze af en toe naar het kerkhof: Anna, Giustino en juffrouw Maria. Concettina niet, want die zette ’s zondags nooit een voet buiten de deur, het was een dag die ze verfoeide. Ze zat opgesloten in haar kamer sokken te stoppen, met haar lelijkste jurk aan. En Ippolito moest vader gezelschap houden. Op het kerkhof bad juffrouw Maria, maar de twee kinderen niet, want vader zei altijd dat bidden iets stoms was, misschien bestond God wel maar je hoefde niet te bidden, Hij was immers God en wist zelf wel wat er aan de hand was. Toen moeder nog niet dood was, woonde juffrouw Ma-ria niet bij hen in, maar bij grootmoeder, vaders moeder, en maakten ze samen reizen. Op de koffers van juffrouw Ma-ria zaten plaatjes van hotels, en in een kast hing een jurk van haar met knopen in de vorm van sparrenboompjes, gekocht in Tirol. Grootmoeder was verzot op reizen en had er nooit mee op willen houden. Zo had ze al haar geld opgemaakt, want ze logeerde graag in luxehotels. De laatste jaren was ze erg onhebbelijk geworden, vertelde juffrouw Maria, want ze kon niet aanvaarden dat ze geen geld meer had, het was on-verklaarbaar waarom, af en toe vergat ze het en wilde ze een hoed kopen; dan moest juffrouw Maria haar wegtrekken bij de etalage, terwijl grootmoeder met haar paraplu op de grond sloeg en op haar voile beet van kwaadheid. Nu was ze begra-ven in Nice, waar ze gestorven was, de plaats waar ze zich zo had geamuseerd in haar jeugd, toen ze fris en mooi was en al haar geld nog had. Juffrouw Maria was heel tevreden als ze kon praten over het geld dat grootmoeder had gehad, en als ze kon vertellen en opscheppen over de reizen die ze hadden gemaakt. Juffrouw Maria was heel klein, en als ze zat, raakten haar voeten de grond niet. Daarom hulde ze zich in een deken wanneer ze zat, want ze wilde niet graag laten zien dat haar voeten niet bij de grond kwamen. De deken kwam nog van het rijtuig: zij en grootmoeder hadden hem twintig jaar geleden over hun knieën liggen, als ze in het rijtuig de stad rondreden. Juffrouw Maria deed altijd wat rouge op haar wangen, en ze hield er niet van als ze haar ’s morgens vroeg zagen wanneer ze haar rouge nog niet op had; zo sloop ze stilletjes en ineengedoken naar de badkamer, terwijl ze schrok en heel boos werd als ie-mand haar in de gang staande hield om haar iets te vragen.”


Natalia Ginzburg (14 juli 1916 – 7 oktober 1991)
Cover

 

De Franse schrijver en letterkundige Jacques de Lacretelle werd geboren in Cormatin (Saône-et-Loire) op 14 juli 1888. Zie ook alle tags voor Jacques de Lacretelle op dit blog.

Uit: Silbermann

« Nous étions toujours devant la statue.
– Est-ce que tu aimes La Fontaine ? me demanda-t-il.
Et comme cette question me laissait embarrassé, il reprit avec vivacité :
– Mon cher, c’est bien simple : La Fontaine est notre plus grand peintre de mœurs. Dans ces fables qu’on nous fait ânonner, il a dépeint son siècle. Louis XIV et la cour, la bourgeoisie et les paysans de son temps, voilà ce qu’il faut voir derrière les divers animaux. Et alors, comme l’anecdote prend de la valeur ! Combien il est audacieux dans sa moralité ! C’est ce que Taine a très bien compris… Tu as lu La Fontaine et ses fables ?
Je fis signe que non.
– Je te le prêterai.
Je ne répondis rien. J’étais étourdi. Ce garçon qui possédait des livres rares, qui distinguait avec assurance : “ceci est beau… cela ne l’est pas” ; qui avait voyagé, lu, observé, retenu des exemples, jetait en mon esprit tant de notions admirables que cette profusion me confondait. Je tournai les yeux vers lui. Qu’il fût supérieur à tous les camarades que j’avais, cela était évident et je n’en doutais pas ; mais je jugeais encore que je n’avais rencontré ni dans ma famille ni parmi notre milieu quelqu’un qui lui fût comparable. Ce goût si vif pour les choses de l’intelligence et cette façon si pratique de les présenter, cette adresse pour mettre à portée de main ce qui est élevé, étaient pour moi des qualités vraiment neuves. Et cette parole forte et aimable à la fois, qui imposait en même temps qu’elle charmait, qui donc s’en trouvait doué dans mon entourage ?
Il n’avait pas cessé de parler, citant des noms d’écrivains et des titres d’ouvrages.
J’avais un immense respect pour tout ce qui touchait à la littérature. Je plaçais certains écrivains qui avaient éveillé mon admiration au-dessus de l’humanité entière, à l’image des divinités de l’Olympe. Silbermann m’instruisait de bien des faits que j’ignorais, discourant facilement de l’un et de l’autre. Il me révéla finalement que son dieu était le “père Hugo”. Je l’écoutais avec avidité. Cependant, fut-ce cette familiarité, fut-ce l’éclat de sa voix ou la couleur un peu étrange de son teint ? je ne sais, mais j’eus à ce moment la vision d’une scène qui amena un léger recul de ma part. Souvent, à Aiguesbelles, un marchand de fruits, un Espagnol à la peau basanée, passait sur la route et arrêtait sa charrette devant le mas, criant bizarrement sa marchandise et maniant sans délicatesse les belles pommes écarlates, les pêches tendres et poudrées, les prunes lisses et glacées.”


Jacques de Lacretelle (14 juli 1888 – 2 januari 1985)
Cover

 

De Russische dichter Gavrila Romanovitsj Derzjavin werd geboren in Kazan op 14 juli 1743. Zie ook alle tags voor Gavrila Derzjavin op dit blog.

 

To Rulers And Judges

He’s risen – Highest God – to do the judgment, fair,
Of the earthly ones in their whole band;
How long – he sad – how long will you else spare
The unjust and wicked people in your land.

Your sacred duty is to make support for laws,
To make no favor to the strongest ones,
To leave the widows and orphans in your borders
Without help and safety not once.

To save the innocent from all that harm and wrong is,
To give good shelter to unhappy folks,
To shield the weak from evil of the strongest,
To drew the poor from their heavy bonds.

They don’t hear the words! They see and they don’t know
Their eyes are covered with a veil of bribes and wealth,
The black injustice shakes the havens’ dome,
And wicked deeds convulse the whole earth.

I thought, kings, you are strong as strong the gods of heavens,
And nobody else can judge you on the earth,
But you, like I, live in the yoke of passions,
And, just like I’m , are serfs of the Lord Death.

And you shall fall like leafs fall, that are withered,
From wet and bare trees by the autumnal sky!
And you will die, the great and wealthy caesar,
Just like your poorest slave will die!

Arise, at last, O God! God of the just and purest!
Hark to the prayers they recall with for your grace:
Come, judge, chastise the wicked worldly rulers,
And be the only king on Haven and the earth


Gavrila Derzjavin (14 juli 1743 – 20 juli 1816)
Portret door Ivan Smirnovsky, jaren 1790

 

De Franse schrijfster van Belgische origine Béatrix Beck werd geboren in Villars-sur-Ollon op 14 juli 1914. Zie ook alle tags voor Béatrix Beck op dit blog.

Uit: La décharge

« Nous avions même une citrouille maousse, vous écrivez des mots dessus, ils grandissent. Robert écrivit Cloporte et Margouille pour Clotilde et Marguerite, j’écrivis Rodomont pour Robert, Clotilde dessina un cœur percé d’une flèche, dedans Papa Maman. Guitou ne voulait rien écrire, elle est très cachottière, on l’a forcée, alors elle a marqué Demain, c’est le commencement d’une récitation que leur apprenait Mlle Mininer.
Le conseil municipal a refusé à Papa de cultiver le cime, pourtant désaffecté. Fleurs oui, légumes non. Pour être convenable il faut que ce soit inutile. Ce n’est pas la question beauté, les légumes sont aussi beaux que les fleurs. Une laitue est une rose verte et il faut être tordu pour avoir moins de plaisir à regarder un chou violet ou une tomate qu’un dahlia ou un lys rouge.
Dans notre chez nous on était bien, ça faisait caisse géante à nos mesures. Les gens disaient qu’on vivait comme des bêtes. Je trouve qu’on avait pas tort, j’aime les bêtes. Ils disaient aussi qu’on était des bohémiens. Ce n’est pas vrai. A cause des yeux noirs de Maman et Clotilde mais ça ne prouve rien. Est-ce qu’on leur a volé seulement un sou, une pomme ? On a bien trop peur des gendarmes. Maman n’était pas du village, elle venait de l’autre côté de la forêt, ici on aime pas les étrangers mais tant qu’on habitait Grande-Rue et que Papa avait ses deux bras, ils nous acceptaient.
(…)

– Justement il faut éviter de se perdre. Tu as l’air d’en dire trop peu parce que tu en dis trop. Par exemple, on se demande pourquoi l’assistante sociale vous avait envoyé les gendarmes.
– A moins d’être demeuré, on comprend bien que c’est Pa…
– Tais-toi, Noémie.
Je veux bien, mais pourquoi est-ce qu’il ne faut pas parler de ça dans un cahier de brouillons que je brûlerai quand j’aurai tout mis au propre ? Le mal est dans l’œil de celui qui le voit.
Elle revient à la charge pour que je décrive la forêt, mais ça ferait deux forêts, une de trop. Il ne faut pas parler pour ne rien dire. La Décharge c’est différent, puisqu’elle n’existe plus, c’est un souvenir.”


Béatrix Beck (14 juli 1914 – 30 november 2008)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e juli ook mijn blog van 14 juli 2017.