Richard Powers, Marije Langelaar, Raymond Radiguet, Geoffrey Hill, Bert Schierbeek, Aster Berkhof, Karin Fellner, Mirjam Pressler, Ivan Gontsjarov

De Amerikaanse schrijver Richard Powers werd geboren op 18 juni 1957 in Evanston, Illinois. Zie ook alle tags voor Richard Powers op dit blog.

Uit: Generosity: An Enhancement

“Say that the six thousand years of writing are a six-hundred-page novel, suitable for getting you through the longest captive flight. Romance, mystery, thriller: a little something for everyone. At a decade a page, it’s a slow starter. Only belatedly does the opening hook—secret marks that hurl meaning magically through time and space—reveal itself to be a Trojan horse. By page 200, memory is embalmed beyond recognition, lamented only when anyone still notices it’s gone. If a thing isn’t written down, you can forget about it. The rest is history.
The plot starts to pick up on page 350. After a ridiculously long exposition, the development section starts at last. Characters emerge, cities clashing in the freshness of youth, driven by the varied needs of their patron gods. Wars spread and trade expands. The characters harden and age. They join together into sprawling clans. Freed from the present, papyrus starts to spawn new subplots. By page 400, the basic conflict becomes clear: preservers against revisers, sufficers against maximizers, those who think the book is coming apart versus those who think it’s coming together.
There are a few longueurs for some readers in the middle two-thirds. But this is when the story is at its most desperate: when techne and sophia are still kin, when the distant climax is still ambiguous, the outcome a dead heat between salvation and ruin.
Page 575 starts a series of quick reveals (although each one foreshadowed, early on). Every discovery triggers two more. The cast of characters explodes, as do the sudden reverses. The book makes one of those massive finish-line sprints—twenty-five pages to wrap up all the lingering plot points and force a denouement. The last chapter is filled with deus ex machinas, and on the very final page, the very last paragraph, the characters throw off the limits of the Story So Far and complete their revolt. The ultimate sentence is a direct quote—“Author, we’re outta here”—the happy ending of the race’s own making.”


Richard Powers (Evanston, 18 juni 1957)

 

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Marije Langelaar werd geboren op 18 juni 1978 in Goes. Zie ook alle tags voor Marije Langelaar op dit blog.

 

Hert

En ik kijk naar mijzelf.
Voel mijn benen zich verdunnen en draaien
onmiddellijk volgen mijn armen het groeien van hoefjes
ik stap uit mijn jurk en mijn hemd inmiddels te groot en
voel mijn vacht in de wind
mijn oren richten zich zetten uit en ik
luister naar het kletteren van borden ver in de keuken
het waaien van gras
ik hoef inmiddels niets meer.
Zo als hert heb ik dorst niets dan dorst en
beweeg naar het water.

 

Park

Want er valt weinig te verwachten
van een vijver
dacht hij
terwijl hij op een zondagmiddag
op een bankje in de schaduw zat

En bleef de rest van de middag een peinzende
introverte gestalte die niemand groet
hij zag een man passeren
hij zag een man met hond passeren
hij zag een man met vrouw passeren

Toen is hij naar de vijver gelopen
en heeft het glanzende oppervlak doorboord
met zijn laarzen
hij heeft het rondgejaagd met de schoolslag

 
Marije Langelaar (Goes, 18 juni 1978)

 

De Franse schrijver Raymond Radiguet werd geboren op 18 juni 1903 in Saint-Maur-des-Fossés. Zie ook alle tags voor Raymond Radiguet op dit blog.

Uit: Le diable au corps

« Certes, j’éprouvais cet étrange besoin plus vivement que mes frères. J’aimais que mon cœur batte plus vite et irrégulièrement. Ce spectacle, d’une poésie profonde, me satisfaisait davantage. « Comme tu es pâle », avait dit ma mère. Je trouvai le prétexte des feux de Bengale. Ils me donnaient, dis-je, une couleur verte.
– Je crains tout de même que cela l’impressionne trop, dit-elle à mon père.
– Oh, répondit-il, personne n’est plus insensible. Il peut regarder n’importe quoi, sauf un lapin qu’on écorche.
Mon père disait cela pour que je restasse. Mais il savait que ce spectacle me bouleversait. Je sentais qu’il le bouleversait aussi. Je lui demandai de me prendre sur ses épaules pour mieux voir. En réalité, j’allais m’évanouir, mes jambes ne me portaient plus.
Maintenant, on ne comptait qu’une vingtaine de personnes. Nous entendîmes les clairons. C’était la retraite aux flambeaux.
Cent torches éclairaient soudain la folle, comme, après la lumière douce des rampes, le magnésium éclate pour photographier une nouvelle étoile. Alors, agitant ses mains en signe d’adieu, et croyant à la fin du monde, ou simplement qu’on allait la prendre, elle se jeta du toit, brisa la marquise dans sa chute, avec un fracas épouvantable, pour venir s’aplatir sur les marches de pierre. Jusqu’ici j’avais essayé de supporter tout, bien que mes oreilles tintassent et que le cœur me manquât. Mais quand j’entendis des gens crier : « Elle vit encore », je tombai, sans connaissance, des épaules de mon père.
Revenu à moi, il m’entraîna au bord de la Marne. Nous y restâmes très tard, en silence, allongés dans l’herbe.
Au retour, je crus voir derrière la grille une silhouette blanche, le fantôme de la bonne ! C’était le père Maréchaud en bonnet de coton, contemplant les dégâts, sa marquise, ses tuiles, ses pelouses, ses massifs, ses marches couvertes de sang, son prestige détruit.
Si j’insiste sur un tel épisode, c’est qu’il fait comprendre mieux que tout autre l’étrange période de la guerre, et combien, plus que le pittoresque, me frappait la poésie des choses.
Nous entendîmes le canon. On se battait près de Meaux. On racontait que des uhlans avaient été capturés près de Lagny, à quinze kilomètres de chez nous.”

 
Raymond Radiguet (18 juni 1903 – 12 december 1923)
Cover DVD

 

De Engelse dichter Geoffrey Hill werd geboren op 18 juni 1932 in Bromsgrove, Worcestershire. Zie ook alle tags voor Geoffrey Hill op dit blog.

 

Funeral Music

3
They bespoke doomsday and they meant it by
God, their curved metal rimming the low ridge.
But few appearances are like this. Once
Every five hundred years a comet’s
Over-riding stillness might reveal men
In such array, livid and featureless,
With England crouched beastwise beneath it all.
‘Oh, that old northern business …’ A field
After battle utters its own sound
Which is like nothing on earth, but is earth.
Blindly the questing snail, vulnerable
Mole emerge, blindly we lie down, blindly
Among carnage the most delicate souls
Tup in their marriage-blood, gasping ‘Jesus’.

4
Let mind be more precious than soul; it will not
Endure. Soul grasps its price, begs its own peace,
Settles with tears and sweat, is possibly
Indestructible. That I can believe.
Though I would scorn the mere instinct of faith,
Expediency of assent, if I dared,
What I dare not is a waste history
Or void rule. Averroes, old heathen,
If only you had been right, if Intellect
Itself were absolute law, sufficient grace,
Our lives could be a myth of captivity
Which we might enter: an unpeopled region
Of ever new-fallen snow, a palace blazing
With perpetual silence as with torches.

 


Geoffrey Hill (18 juni 1932 – 30 juni 2016)

 

De Nederlandse schrijver en dichter Bert Schierbeek werd geboren op 18 juni 1918 in Glanerbrug in Twente. Zie ook alle tags voor Bert Schierbeek op dit blog.

Uit: Weerwerk (Fragment)

alleen nog dorst
beesten honger en dorst
ze slachten alles af
veel vlees
geen geld

(stapt op)
tot straks
(2 juli 1976)

’s middags hangen we samen in de boom en plukken kersen zit ik weer in de molen van Schiphoes in Beerta en zie de hele wereld wel van Wanschoten, Wedde tot Nieuweschans boven in de kap boven de houten tandwielen op de as van de wieken en zie Drieborg en Finsterwolde en wel heel het land in korengeel en grasgroen en de beesten en ook de mensen heel klein midden in het gele zinderende koren kleine zwarte vogels maaiend met hun armen in de gele massa tussen de groene weilanden en de bruine velden onder een kokende zon…

ze zichtten alles: tarwe rogge haver gerst
maar ook : paardebonen, erwten, blauwmaanzaad en ka-
nariezaad…

’t land was nog vol mensen
geen machine te zien

zegt Marcel
(vanuit de boom)
zie je die balk daar
in de schuur, die balk daaraan hing ie
mijn vader ook
als de mensen het hier niet meer weten
hangen ze zich op
altijd wel een paar
per jaar
soms ben je op tijd om ze los te snijden
dan komen ze bij en zeggen dagen lang niks
werken en zeggen niks
tot ze ’t weer doen
wie ’t eenmaal gedaan heeft
doet het weer


Bert Schierbeek (18 juni 1918- 9 juni 1996)
Hier met Stientje Buddingh’

 

De Duitse dichteres Karin Fellner werd geboren op 18 juni 1970 in München. Zie ook alle tags voor Karin Fellner op dit blog.

 

wo werner und co kampieren / sollen im frühjahr glas
bauten wachsen ein glanz / voller park industrie
zelte gezimmerte unter / stände die berber verdrängen

nachts heulen alle platten / hunde den mond an jagen
sich auf dem brachland treffen / zu ritualen zusammen
während der frost im nicht / geschnittenen gras liegt und blinkt

nach westen hin flechten sie tote / ranken in undichte büsche
sichtschutz daneben im schuppen / koten sie ist es trocken
unter der dachpappe auf / verfallenen balken und schutt

immer benötigen sie / holz geklaubt geklaut in
scheite zerbeilt zum heizen / für kartoffeln und kohl
manchmal hören sie gröhlen / winseln manchmal zielen

sie mit der zwille auf dosen / besuchen tommy vorne
bei den containern trinken / instantkaffee er erzählt
vom letzten messerstechen.

 
Karin Fellner (München, 18 juni 1970)

 

De Vlaamse schrijver Aster Berkhof (eig. Louis van den Bergh werd geboren in Rijkevorsel op 18 juni 1920. Zie ook alle tags voor Aster Berkhof op dit blog.

Uit: Veel geluk professor

“Hij was teruggehold naar zijn kamer, had er zich niets van aangetrokken dat zijn hospita, die hem vertrokken waande, druk in zijn lessenaar aan het snuffelen was, had de notities bijeengegrabbeld en in zijn binnenzak gestopt, en was juist op tijd gekomen om nog in de laatste wagen van de al rijdende trein te springen.
En nu was hij hier. En hij wenste professor Steinbach al het goede ter wereld, maar diep in zijn hart was hij hem in stilte hemels dankbaar, omdat hij op zo’n geschikt moment ziek geworden was en rector Schlesinger niet de minste kans meer gegeven had om een oudere, meer ervaren plaatsvervanger te zoeken.
Want het Instituut van lady Thompson, dat ondergebracht was in een oud kasteel, was wereldberoemd. Het werd bezocht door jonge aristocraten uit alle hoeken van de wereld, die in St.-Moritz aan wintersport kwamen doen en de voormiddag gebruikten om een beetje te studeren, en het werd zo rijkelijk gesubsidieerd, dat de professoren er in drie maanden tijd zoveel verdienden als in een heel jaar aan de universiteit. Daarom waren deze cursussen, die voor ieder professor slechts drie uur les per week omvatten en in feite voor hen niets anders betekenden dan een dikbetaalde vakantie in het mooiste vakantieoord van de wereld, bijzonder in trek, en werd er druk naar gesolliciteerd door de oudste en de beroemdste professoren van heel Europa.
Pierre had dus geen reden om rector Schlesinger dankbaar te zijn, want als de oude rekel, die sinds tien jaar het Instituut patroneerde, erbuiten gekund had, zou hij hem, Pierre, nooit dit buitenkansje gegund hebben. Hij zou naar Zürich of naar Parijs of naar Londen geschreven hebben, om er een oude, vergrijsde geleerde op te delven, die met zijn naam het Instituut meer luister zou bijzetten.
Maar Pierre trok zich daar niets van aan. Hij was alleen maar blij, en fier, en gelukkig, en het vooruitzicht op deze drie maanden vakantie hier in de besneeuwde bergen, met zijn zakken vol geld en niets aan de kop dan een paar lesuurtjes die hij niet eens moest voorbereiden, was zo mooi en zo bedwelmend heerlijk, dat hij op niemand meer boos kon zijn.”

 
Aster Berkhof (Rijkevorsel, 18 juni 1920)

 

De Duitse schrijfster en vertaalster Mirjam Pressler werd geboren op 18 juni 1940 in Darmstadt. Zie ook alle tags voor Mirjam Pressler op dit blog.

Uit: Nathan und seine Kinder

„Ich muss unter dein Maulbeerbaum eingeschlafen sein, wo ich mich am späten Nachmittag, ah die Hitze uneruliglich wurde, zum Ausruhen hingelegt hatte, denn ich wurde von Schreien geweckt. Es waren hohe, schrille Schreie. und ich hob unwillkürlich die Hände. um meine Ohren zu schützen. Erst verstand ich nicht, dass es ein Mensch war. der da schrie. Doch dann sah ich sie. Daja. die Herrin. wie sie sich drehre und wand und versuchte, sich aus dem Griff der Köchin zu befreien, ich sah ihr verzerrtes Gesicht und den aufgerissenen Mund. dt.calais, schrie sie. »Rec.hal Rechak Doch 7.ipora und eine Magd hielten sie fest und lockerten den Griff auch nicht, als Daja wie wild um sich schlug und schrie: *Lasst mich los, ich muss zu Recha! Nathan ist nicht da! Gott steh uns bei, wenn Recha etwas passiert.« Ihre Schreie übertönten das Prasseln der Flammen. Ich wollte aufspringen. ich wollte mich in die Flammen stürzen, ich wollte der tapfere Held sein, der die Tochter des Herrn rettet, ich, ich, ich! Das war die Gelegenheit, die Gott mir bot. Gott oder Allah, uni meinen Mut zu beweisen. Alle sollten es erfahren, vor allein er, Nathan, der Herr, dass ich mehr war als nur ein armseliger Krüppel. Aber die Hitze des Feuers drang bis zu meinem Platz unter dein Maulbeerbaum, und in meinem Körper brach der altbekannte Schmerz auf, ein stechender Schmerz, der mir von der linken Seite durch den ganzen Körper fuhr. Ein Schmerz, den ich eigentlich nicht fühlen durfte, denn längst vernarbte Wunden schmer-zen nicht mehr, warum taten es meine dennoch? Ich kauerte unter dem Maulbeerbaum und harte nur einen Gedanken: Ich muss die Herrin herausholen, ihr Vater ist nicht da, es ist meine Pflicht, sie zu retten. Aber als ich aufspringen wollte, gehorchte mir mein Körper nicht, die Narben brannten, mein linker Arm und mein linkes Bein krümmten sich, wie sich verkohlende Äste im Feuer krüm-men, sie wurden steif und unbeweglich. Das Hundezahngras zerkratzte meine Haut, als ich anfing zu kriechen. Rauch drang nur in Nase und Mund, meine Augen brannten und ein schrecklicher Husten schüttelte meinen Körper.“

 
Mirjam Pressler (Darmstadt, 18 juni 1940)

 

De Russische schrijver Ivan Aleksandrovitsj Gontsjarov werd geboren op 18 juni 1812 in Simbirsk als zoon van een graanhandelaar. Zie alle tags voor Ivan Gontsjarov op dit blog.

Uit: Oblomov (Vertaald door David Magarshack)

“The pictures, vases, and knick-knacks were equally shoddy. The owner himself, however, was so utterly indifferent to the furniture of his study that he seemed to be wondering who on earth could have dumped all that junk there. It was Oblomov’s indifference to his own property, and perhaps even still more the utter indifference shown by his servant Zakhar, that made the study look, on closer inspection, so neglected and untidy. Dust-covered cobwebs were festooned round the pictures on the walls; instead of reflecting the objects in the room, the mirrors were more like tablets which might be used for writing memoranda on in the dust. The rugs were covered in stains. A towel had been left on the sofa; almost every morning a dirty plate, with a salt-cellar and a bare bone from the previous night’s supper, could be seen on the table, which was strewn with crumbs. If it had not been for this plate and a freshly smoked pipe by the bed, or the owner of the flat himself lying in it, one might have thought that no one lived there — everything was so dusty and faded and void of all living traces of human habitation. It is true there were two or three open books and a newspaper on the book-stands, an inkwell with pens on the bureau; but the open pages had turned yellow and were covered with dust — it was clear that they had been left like that for a long, long time; the newspaper bore last year’s date, and if one were to dip a pen in the inkwell, a startled fly was as likely as not to come buzzing out of it. Oblomov, contrary to his custom, had woken up very early —about eight o’clock. He looked very worried about something. The expression of his face kept changing continually from that of alarm to one of anguish and vexation. It was clear that he was in the throes of some inner struggle, and his reason had not yet come to his aid. What had happened was that on the previous evening Oblomov had received a disagreeable letter from the bailiff of his estate. The sort of disagreeable news a bailiff usually sends can be easily imagined: bad harvest, arrears of taxes due from the peasants, falling income, and so on.”


Ivan Gontsjarov (18 juni 1812 – 27 september 1891)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juni ook mijn blog van 18 juni 2016 deel 2.

Voor vader (Hans Lodeizen)

 

Bij Vaderdag

 

 
Ritratto di Rocco con suo figlio door Renato Guttuso, 1969

 

Voor vader

o vader wij zijn samen geweest
in de langzame trein zonder bloemen
die de nacht als een handschoen aan-
en uittrekt wij zijn samen geweest
vader terwijl het donker ons dichtsloeg.
waar ben je nu op een klein ritje
in de vrolijke bries van een groene auto
of legde de dag haar handschoen
niet op een tafel waar schemering en
zachte genezing zeker zijn in de toekomst.

mijn lippen mijn tedere lippen dicht.

 

 
Hans Lodeizen (20 juli 1924 – 26 juli 1950)
Naarden, de geboorteplaats van Hans Lodeizen

 

Zie voor de schrijvers van de 17e juni ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Das Senfkorn (Meister Eckhart)

Bij de vierde zondag na Pinksteren

 

 
The Parable of the Mustard Seed door Elizabeth Wrightman, z.j.

 

Das Senfkorn

In dem Beginn
hoch ¨uber (alles) Begreifen
ist das Wort.
O reicher Hort,
da stets Beginn Beginn gebar!
O Vaterbrust,
aus der mit Lust
das Wort stets floß!
Doch hat der Schoß
das Wort behalten, das ist wahrlich so.

Von zwei als eine Flut,
der Minne Glut,
der zweier Band,
den zweien bekannt,
fließt der liebsüße Geist
ebengleich,
untrennbar.
Die drei sind eins.
Weißt du ihr Wesen? Nein.
Es versteht sich selber am besten.

Der Strick der drei
löst tiefes Erschrecken aus,
diesen Reif
hat nie Verstand begriffen:
Hier ist Tiefe ohne Grund.
Schach und Matt
der Zeit, den Formen, dem Ort!
Der Wunderring
ist Ursprung,
unbeweglich steht sein Punkt.

Des Punktes Berg
besteige ohne (Eigen)werk,
Vernünftigkeit!
Der Weg führt dich
in eine wunderbare Wüste,
die breit, die weit,
unausmeßbar sich ausdehnt.
Die Wüste hat
weder Zeit noch Stätte,
ihr Dasein kommt nur ihr allein zu.

Der Wüste Gut
durchschritt nie ein Fuß, geschaffener Sinn
gelangte nie da hin:
es ist, und niemand weiß, was es ist.
Es ist hier, es ist da,
es ist ferne, es ist nah,
es ist tief, es ist hoch,
es ist so beschaffen,
daß es weder dies noch das ist.

Es ist hell, es ist klar,
es ist ganz finster,
es ist ohne Namen,
es ist unerkannt,
frei von Beginn und Ende,
es steht stille,
ist bloß, ohne Kleid.
Wer kennt sein Haus?
Der komme daher
und sage uns, von welcher Gestalt es sei.

Werde wie ein Kind,
werde taub, werde blind!
Dein eigenes Ich
muß zunichte werden,
alles Ich, alles Nichts treibe hinweg!
Laß Raum, laß Zeit,
meide auch das Bild!
Gehe ohne Weg
den schmalen Pfad,
dann findest du der Wüste Fußspur.

O meine Seele,
geh aus, Gott ein!
Sinke mein ganzes Ich
in Gottes Nichts,,
sinke in die grundlose Flut!
Fliehe ich von dir,
so kommst du zu mir.
Verliere ich mich,
so finde ich dich,
o überwesenhaftes Gut!

 

 
Meister Eckhart (Rond 1260 – 1328)
De St. Nikolauskirche en het dorpsplein van Hochheim, de geboorteplaats van Meister Eckhart

 

Zie voor de schrijvers van de 17e juni ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Peter Rosei, Kamel Daoud, Gail Jones, Ron Padgett, Ward Ruyslinck, Adriaan van der Hoop jr, Max Dendermonde, Tom Hofland

De Oostenrijkse dichter en schrijver Peter Rosei werd geboren op 17 juni 1946 in Wenen. Zie ook alle tags voor Peter Rosei op dit blog.

Uit: Die Globalisten

„Der Vater dieses Jungen, im Übrigen hörte der auf den seltsamen, damals aber gerade in Mode gekommenen Namen Adolphe, hatte den Umschwung der Verhältnisse dadurch eingeleitet, dass er mit Kind und Kegel nach Zug, in den gleichnamigen Kanton, übersiedelte und dort ein Geschäft für teure Uhren eröffnete.« Weil hatte sich jetzt breit zurückgelehnt, das Kinn gegen den Hals gepresst, sah er sein Gegenüber mit sattem Behagen an, die Hände hatte er dabei über seinem sich wölbenden Bauch gekreuzt. »Sie wissen ja: Die Stadt Zug erfreut sich infolge einer besonders klugen Steuergesetzgebung eines lebhaften Zugangs von Reichen, von Millionären. Die wohnen« — Weill deutete, seine Erzählung illustrierend, die Lage der Stadt mit einer kurzen Handbewegung an —, »sie residieren in ihren Villen hoch oben auf dem Berg und schauen von dort auf Stadt und See herunter.« Der Blaugekleidete rutschte bereits unbehaglich auf seinem Platz herum. »Dem kleinen Adolphe nun«, fuhr Weill launig fort, »er hielt sich nach der Schule gern im Geschäft des Vaters auf, stachen gewisse Leute bald ins Auge. Meist tauchten sie erst am späten Vormittag in den Straßen der Stadt auf, verschwanden bald in den teuren Restaurants, um nur zu dem Zweck wieder zu erscheinen, auf den zum See hin gelegenen Terrassen ihren Kaffee zu trinken. Der Vater begrüßte gerade sie immer mit besonderer Freundlichkeit. >Papa, du sagst doch immer, dass alle Menschen arbeiten müssen<, meldete sich der kleine Adolphe nun eines Tages, er stand mit dem Vater in der Tür des Geschäfts, was dieser gern zu tun pflegte: >Papa, was ist es jetzt mit denen da?< « Gekonnt hatte Weilt an der Stelle die lebhafte Stimme eines Knaben nachgeahmt. » >Nun, mit denen ist es eine Ausnahme<, erklärte der Vater: >Sie arbeiten auch — aber man sieht nichts davon. Was sie so treiben? Dies und das. Hol’s der Teufel! Jedenfalls, Geld haben sie genug. Und es vermehrt sich. Ganz wie von selbst.< — Weshalb erzähle ich Ihnen das, Blaschky?« Weil wandte sich jetzt frontal an sein Gegenüber: »Wollen wir nicht alle reich werden? Sie etwa nicht?!« — Und er brach zum zweiten Mal in sein laut schallendes Gelächter aus. Dem dunkelhaarigen, jungen Mann im guten, blauen Tuchanzug, der geduldig zugehört hatte, reichte es jetzt. »Sie gefallen mir, Herr Weil! «, platzte er heraus, »Sie gefallen mir wirklich. Unser Geschäft ist doch kein Witz! Da geht’s doch nicht um Peanuts. Und Sie erzählen mir Geschichten! — Der kleine Junge, der sind Sie wohl selbst gewesen?«, schloss er unwillig mit einer Frage. Weil ging mit keinem Wort darauf ein und erklärte nur knapp: »Was ist es jetzt mit Ihnen, Blaschky? Wollen Sie mir den Kontakt zu diesen Leuten herstellen — oder nicht? „


Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)

 

De Algerijnse schrijver en journalist Kamel Daoud werd geboren op 17 juni 1970 in Mostaganem, Algerije. Zie ook alle tags voor Kamel Daoud op dit blog.

Uit: Moussa, of de dood van een Arabier (Vertaald door Manik Sarkar)

“Een Arabier, kortom, technisch vluchtig, die twee uur heeft geleefd en zeventig jaar lang ononderbroken is doodgegaan, ook na zijn begrafenis. Mijn broer Zjoezj zit als het ware onder glas: zelfs vermoord blijft men hem steevast aanduiden met een naam als een zucht en de wijzers van een klok, en laat men hem zijn dood steeds opnieuw naspelen, zijn dood veroorzaakt door een kogel, afgeschoten door een Fransman die niet wist wat hij aan moest met zijn dag en met de rest van de wereld die hij op zijn rug droeg.
En nu alweer! Als ik het verhaal in mijn hoofd afspeel, word ik razend – wanneer ik daar de kracht voor heb, tenminste. De Fransman doet of hij de dode is, hij weidt uit over de manier waarop hij zijn moeder verloor, hoe hij vervolgens in de zon zijn eigen lichaam kwijtraakte en daarna dat van een geliefde, hoe hij naar de kerk ging om te constateren dat zijn God het lichaam van een mens in de steek had gelaten, hoe hij waakte over de lichamen van zijn moeder en zichzelf enzovoort. Grote god, hoe kún je: iemand vermoorden en hem dan ook nog zijn dood afnemen? Die kogel heeft toch mijn broer geraakt, niet hem! Moussa, niet Meursault – nou dan! En wat ook verbijsterend is: zelfs na de Onafhankelijkheid heeft niemand geprobeerd de naam van het slachtoffer te achterhalen, of zijn adres, zijn afstamming, zijn eventuele kinderen. Niemand. Iedereen stond met open mond te kijken naar die perfecte taal die de lucht facetten gaf als van een diamant, iedereen uitte zijn mede – leven met de eenzaamheid van de moordenaar en bood hem hooggeleerde condoleances aan. Wie kan de werkelijke naam van Moussa noemen? Wie weet welke rivier hem naar de zee heeft gevoerd die hij te voet moest oversteken, alleen, zonder volk, zonder magische staf? Wie weet of Moussa een revolver, een filosofie of een zonnesteek had?
Wie Moussa is? Mijn broer. Daar wilde ik naartoe. Vertellen wat Moussa nooit heeft kunnen zeggen. Toen je de deur van deze bar openduwde heb je een graf geopend, jonge vriend. Heb je het boek in je schooltas zitten? Goed zo, hang dan even de discipel uit en lees de eerste alinea’s voor…”


Kamel Daoud (Mostaganem, 17 juni 1970)

 

De Australische schrijfster Gail Jones werd geboren op 17 juni 1950 in Harvey. Zie ook alle tags voor Gail Jones op dit blog.

Uit: Sorry

“The stain that spread in her lap was what Stella will later remember: she will describe to her favourite sister, Margaret, how shocking it seemed. how implicitly sexual. Nicholas and Stella sat together, each uncom-fortable, but obliged, and realised a tenuous, incipient attrac-tion. Nicholas saw in Stella a plain woman who would not say no if he pursued her, a woman who would no doubt be flat-tered by his attentions; she saw in him an obscure sign of damage, guessing immediately from the way he moved when he entered the teashop — the little bell above the door made her look up with each entrance — that he had been wounded in the war and was shy and vulnerable. He would be flattered, she thought, if she agreed to walk out with him. In this oscil-lation of estimations both somehow converged, and agreed, almost without discussion, to meet in the same teashop the following day. It was not an ardent courtship or an impassioned connec-tion, merely the magnification of an accident and its spreading stain. If there was any romantic grandeur at all, it existed in the looming façade of King’s, mauve in the winter light, majestic, austere, that Stella glanced at nervously during their stilted conversations. On their second meeting she wore her very best hat, a cloche in grey felt adorned by a peacock feather eye, but realised that Nicholas seemed not to notice at all. He was a man who was blankly unmoved by the details of the world; he was given to abstraction in all things, including people. There would be no endearments or simple sweet gestures, no love notes, or flowers or remarks on her looks. Both were given, by long practice, to attitudes of compromise. Both recomposed into the formal shape that would become a marriage, shrank themselves into the half-lives to which they had been subtending. »


Gail Jones (Harvey, 17 juni 1950)
Cover

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Ron Padgett werd geboren op 17 juni 1942 in Tulsa, Oklahoma. Zie ook alle tags voor Ron Padgett op dit blog.

 

Chocolate Milk

Oh God! It’s great!
to have someone fix you
chocolate milk
and to appreciate their doing it!
Even as they stir it
in the kitchen
your mouth is going crazy
for the chocolate milk!
The wonderful chocolate milk!

 

The Love Cook

Let me cook you some dinner.
Sit down and take off your shoes
and socks and in fact the rest
of your clothes, have a daquiri,
turn on some music and dance
around the house, inside and out,
it’s night and the neighbors
are sleeping, those dolts, and
the stars are shining bright,
and I’ve got the burners lit
for you, you hungry thing.

 

American Cowslip

Nothing is
the way you think it is
going to be.
Take this little flower
from me, and let it go
into the way you think of it.
And so it grows
and is the face
of Daisy the cow speaking,
she my young grandma
growing and wearing
a pink slip and who fell
from the sky that was
clear blue and pure
all over the place
you called home
as it moved out
from under you
in the slow
rotation of the sphere
you call a star,
a flower, a mind.

 
Ron Padgett (Tulsa, 17 juni 1942)

 

De Vlaamse schrijver Ward Ruyslinck (pseudoniem van Raymond Charles Marie De Belser) werd geboren in Berchem op 17 juni 1929. Zie ook alle tags voor Ward Ruyslinck op dit blog.

Uit: Mulisch, onze man in Havana

“Ik veronderstel immers dat, als Mulisch met zijn Cuba-boek gehoor zou hebben gevonden bij een ruimer Nederlands publiek, het gevolg daarvan een enorme rel zou geweest zijn, die ongetwijfeld zou hebben gekulmineerd in een massale stormloop tegen de Amerikaanse ambassade en konsulaten. Als Mulisch’ boodschap werkelijk zou zijn opgevangen en begrepen door de gemiddelde Nederlander, dan kon het nauwelijks anders of de gemiddelde Nederlander moest zich met een schok bewust zijn geworden van de schaamteloze en gewetenloze imperialistische politiek waarmee de Verenigde Staten de Zuidamerikaanse landen in een wurgende greep gevangen houden, want ik heb zelden een boek gelezen waarin de hegemonische aspiraties en fascistische neigingen van het nieuwe Amerika op zo’n genadeloze, maar ook luciede manier worden ontmaskerd. Maar er is blijkbaar niets gebeurd: de gemoedsrust van de gemiddelde Nederlander werd niet in het minst verstoord door de onthullingen van een van zijn prominente auteurs, omdat het denkvermogen van de gemiddelde Nederlander zich in een gelijkaardige situatie bevindt als het Cuba van Castro – het wordt langzaam gewurgd door een ideologische blokkade, het wordt omsingeld en geisoleerd van de waarheid door een gesloten keten van pro-Amerikaanse informatie. Eén enkel boek – laat het dan ook een boek van Harry Mulisch zijn en de openbaring wezen van een briljante geest – kan deze blokkade niet doorbreken, en waarschijnlijk zullen ook twintig of dertig Cuba-boeken van Mulisch daartoe niet in staat zijn.
Daarom vind ik eigenlijk ‘Het woord bij de daad’ behalve een eerlijk, juist ook zo’n moedig boek, omdat de auteur – wat hij zelf ook moge beweren – vooraf moet hebben geweten dat hij door het schrijven ervan noch zijn literair blazoen zou kunnen vergulden (het is nl. eerder essayistisch van opzet dan belletristisch) noch bekeerlingen erdoor zou kunnen maken. ‘Het woord bij de daad’ beantwoordt, als ik het goed bekijk, in de eerste plaats aan een platonische behoefte van Mulisch zelf: de behoefte nl. om zichzelf ideologisch te bevruchten, om een konkreet referentiekader te vinden voor zijn geloof in een rechtvaardiger gemeenschap.”


Ward Ruyslinck (17 juni 1929 – 3 oktober 2014)
Berchem

 

De Nederlandse dichter en literatuurcriticus Adriaan van der Hoop jr werd geboren in Rotterdam op 17 juni 1802. Zie ook alle tags voor Adriaan van der Hoop op dit blog.

 

Avondromance

Het laatste geflonker
Der zonne ging ter rust;
De beek is door ’t donker
In sluimring gekust;
Maar ’t zwijgende duister
Toont lieflijke pracht:
Want de aard groet uw luister,
Vorstinne der nacht!

Geen nevelen betrekken
Uw Goddelijk schoon;
Geen schaduwen dekken
’t Azuur van uw troon.
Vol glans zijn de blikken,
Waarmee ge op ons staart,
En ’t oog komt verkwikken,
Vriendinne der aard!

Doe lichtstralen wieglen,
o Zilvren Planeet!
Doe ’t stroomvocht weerspieglen
De glans van uw kleed.
Blink vrolijk: want de ogen
Van haar, die ik min,
Begroeten bewogen
U, Nachtkoningin!


Adriaan van der Hoop jr (17 juni 1802 – 4 november 1841)
Lithografie door A. J. Ehnle

 

De Nederlandse dichter en schrijver Max Dendermonde (pseudoniem van Hendrik Hazelhoff) werd geboren op 17 juni 1919 in Winschoten. Zie ook alle tags voor Max Dendermonde op dit blog.

Uit: De wereld gaat aan vlijt ten onder

‘Altijd gedonder met die huurwagens’, zei de man. ‘D’r is geen trein hier die je ooit naar je doel brengt. En dan huur je maar weer zo’n ding bij één of ander station’.
‘En?’, vroeg meneer Dall weer. Hij keek op zijn horloge. ‘Geen angst’, zei de man, ‘dat bandje wissel ik zelf wel. Wat ik weten wou is hoe ik eigenlijk in “Mayflower Camp” kom. Ze hebben er herrie, zedenschandaal of zo’. Alec en meneer Dall keken elkaar snel aan. ‘Tussen twee haakjes’, zei de man, ‘mijn naam is Chester Hobson, Chester F. Hobson, van het “48 Syndicate”, zeker wel eens van gehoord’.
‘Ach zo’, zei meneer Dall ineens veel inschikkelijker. ‘Ja, dat heb ik. Dat is een belangrijke naam in de journalistiek’.
‘Reken maar, vader’, zei de man.
‘Nou, de weg is eh… Alec, leg het even uit’.
Alec deed het. En de man herhaalde zijn laatste zin vragend, achterdochtig bijna: ‘Dus de eerste grote weg rechtsaf?’
‘Precies’, zei Alec. ‘Goeie reis’. Hij schakelde in. Meneer Dall vond, dat Alec nogal vlug optrok voor zijn doen. Hij had meneer Hobson eerst nog kalm willen uithoren over dat zedenschandaal. Dat ging hun toch zeker onmiddellijk aan? Een paar minuten later zei hij, nog steeds geprikkeld: ‘Dat was een belangrijke man, een héél belangrijke man’. De pers was altijd een voorname factor geweest in zijn leven; zelfs nu nog plakte hij elke critiek op zijn lezingen zorgvuldig in een speciaal boek. Met de pers moest je vriendjes blijven. Bijna gedachtenloos pakte hij de kaart en bekeek hem. Hij vroeg: ‘Ik hoop, dat die Hobson geen gelijk heeft wat “Mayflower Camp” betreft. Dan maken we deze reis voor niks’.
‘Misschien wel’, zei Alec. ‘Maar niets is ooit zo erg als de kranten het graag maken. Het nieuws is nooit ter plaatse’.
‘Zeg Alec’, vroeg meneer Dall ineens op gealarmeerde toon, ‘zei je de eerste gróte weg rèchts? Heb ik dat goed gehoord?’ Soms liet hij blijken, dat hij zijn slechte gehoor niet helemaal vertrouwde.
‘Ja’, zei Alec duidelijk. Hij lachte.
‘Maar dat is helemaal fout’, zei meneer Dall verontwaardigd.
‘Natuurlijk, dat was de bedoeling’.
Voor het eerst sinds al die weken kregen ze echte ruzie: Hoe kon Alec dàt nu doen, zo’n bekènde journalist! En of Alec Weatherwood nu rustig uitlegde, dat zo’n kerel van de sensatie-pers niets in hùn kampen te maken had, wat er dan ook mocht zijn gebeurd, meneer Dall bleef boos op hem. Alleen het feit, dat de speedometer nu 65 mijl aanwees, weerhield hem ervan Alec te laten omkeren. De meter blééf op 65. Dat was niet zozeer om te vluchten van de onaangename persoon van Chester F. Hobson, die de gebaarde Alec niet had herkend gelukkig, maar om de hatelijke wereld, die deze persoon vertegenwoordigde.”

 
Max Dendermonde (17 juni 1919 – 24 maart 2004)
Cover

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter, schrijver en programmamaker Tom Hofland werd geboren in Apeldoorn in 1990. Zie ook alle tags voor Tom Hofland op dit blog.

Uit: Lyssa

“De gewone soldaten geven, ook al zijn wij van dezelfde leeftijd, zelden blijk jaloers te zijn op mijn bevoorrechte positie. Hoewel het met die voorrechten ook wel meevalt: ik slaap in een kleine vochtige kamer met uitzicht op een stenen muur en geniet elke avond van het gezelschap van de muizen in mijn plafond, die steeds groter maar nooit schuwer worden. De kamer stinkt naar vocht en paardenzweet – hij is door ruimtegebrek aan de stallen gebouwd. Maar ik heb tenminste een kamer voor mijzelf, iets waar de jongens op de slaapzalen naarstig naar verlangen en waar ik mij ook gelukkig mee prijs.
Nu is het de zomer van mijn tweede jaar en ik ga met verlof terug naar die stad waar ik eigenlijk nooit weg had willen gaan.
Rond deze tijd van het jaar wordt de stad overspoeld door toeristen voor de paardenrennen, iets wat mij maar matig interesseert. Ik zou de drukte liever ontvluchten, maar waar moet ik heen? Mijn ouders wonen in het diepe zuiden waar het nog saaier en vermoeiender is dan in Határ. In Mestopes heb ik vrienden (de meeste zijn nu ook soldaten en keren naar hier terug voor de spelen en het nachtleven). Bovendien is verder reizen met mijn hongerloontje onbetaalbaar.
Een koude windvlaag komt door het open treinraam naar binnen en jaagt de slaap uit mijn gezicht. Ik steek een sigaret op, maar de smaak bevalt me niet en ik tik hem het raam uit. Bij het licht van de sterren zie ik de eerste gebouwen opdoemen: allereerst natuurlijk het silhouet van de oude kathedraal. Daarna de wachttorens, die breed en statig staan als dikke trotse vaders, verbonden door de middeleeuwse stadsmuren.
Het is tien voor één in de nacht als wij over de rivier Duchlásky rijden en ik mijn koffer uit het rek pak.”


Tom Hofland (Apeldoorn, 1990)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e juni ook mijn vorige blog van vandaag.

Hanna Johansen, James Weldon Johnson, Henry Lawson, Ferdinand Freiligrath, Henrik Wergeland, John Hersey, Felix Hartlaub, Ossip Schubin

De Zwitserse schrijfster Hanna Johansen (eig. Hanna Margarete Meyer) werd geboren op 17 juni 1939 in Bremen. Zie ook alle tags voor Hanna Johansen op dit blog.

Uit: Ich bin hier bloß die Katze

“Wir haben einen Hund
Wir haben einen Hund. Man kann sich fragen, ob es nötig ist, einen Hund zu haben. Aber Mama und Papa stellen solche Fragen nicht. Und wenn sie es täten, wäre ich be-stimmt die Letzte, die gefragt würde. Darum haben wir einen Hund. Man sagt das so. Aber es ist falsch. Eigentlich sollte ich sagen: Meine Familie hat einen Hund. Eines Tages wurde er von Mama auf dem Arm herein-getragen und auf den Teppich gesetzt. Er schnüffelte. Alle waren vollkommen aus dem Häuschen. Mama und Papa starrten den Fellhaufen an und verdrehten die Augen. Die beiden Großen begannen sich zu prügeln, um herauszufinden, wer den Hund zuerst auf den Arm nehmen durfte. Das reichte mir. Leise verließ ich das Haus.
Sie wissen ja, wie das ist: Man verlässt das Haus, man wird hungrig. es tun einem die Füße weh, nirgends eine vertraute Stimme, und ein weiches Bett steht auch nicht herum auf der freien Wildbahn. Kurz, am nächsten Tag kam ich zurück, und der Hund war immer noch da. Lange habe ich mir gewünscht, sie würden ihn wieder dahin zurückbringen, wo sie ihn hergeholt hatten. Vergeblich.
Der Hund war da. Er schlabberte. Er hopste. Er rannte unter den Stühlen durch, dass seine Ohren flogen. Die Stühle kippten um. Das Essen flog durch die Küche. Und alles in der Familie drehte sich um das liebe gute süße Hündchen. Das liebe gute süße Hündchen aber hatte nicht mal was dagegen, wenn man es ein liebes gutes süßes Hündchen nannte. Geschmackssache, wenn Sie mich fragen. Nicht mal, wenn es schlief, war das Hünd-chen still. Es schniefte und schmatzte und winselte. Oder es fiepte und wuffte und heulte. Und was das Schlimmste war, die halbe Nacht jaulte es in seinem Korb.
Aber wer weiß, vielleicht würde ich das auch tun, wenn ich in so einem Korb schlafen müsste. Es dauerte gar nicht lange, da hatte er den Korb kurz und klein gebissen. Das war deutlich, sollte man meinen. Aber nein – sie kamen mit einem neuen Korb, der um nichts besser war.
Dass er schlabbert, habe ich wohl schon ge-sagt. Aber nicht, wie er schlabbert. Laut! Sehr laut! Dass ein kleines Tier so laut schlabbern kann, dass man es durchs ganze Haus hört, mag Ihnen unwahrscheinlich vor-kommen. Aber das müssen Sie mir einfach glauben.
Ich hatte in diesen Wochen nur einen Wunsch: Ruhe. Leider ist das ein unerfüll-barer Wunsch, wenn man einen Hund hat. Bloß wenn er spazieren ging, hatte man ein paar Minuten Ruhe.“


Hanna Johansen (Bremen, 17 juni 1939)

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en diplomaat James Weldon Johnson werd geboren op 17 juni 1871 in Jacksonville, Florida. Zie ook alle tags voor James Weldon Johnson op dit blog.

 

A Poet To His Baby Son

Tiny bit of humanity,
Blessed with your mother’s face,
And cursed with your father’s mind.

I say cursed with your father’s mind,
Because you can lie so long and so quietly on your back,
Playing with the dimpled big toe of your left foot,
And looking away,
Through the ceiling of the room, and beyond.
Can it be that already you are thinking of being a poet?

Why don’t you kick and howl,
And make the neighbors talk about
“That damned baby next door,”
And make up your mind forthwith
To grow up and be a banker
Or a politician or some other sort of go-getter
Or—?—whatever you decide upon,
Rid yourself of these incipient thoughts
About being a poet.

For poets no longer are makers of songs,
Chanters of the gold and purple harvest,
Sayers of the glories of earth and sky,
Of the sweet pain of love
And the keen joy of living;
No longer dreamers of the essential dreams,
And interpreters of the eternal truth,
Through the eternal beauty.
Poets these days are unfortunate fellows.
Baffled in trying to say old things in a new way
Or new things in an old language,
They talk abracadabra
In an unknown tongue,
Each one fashioning for himself
A wordy world of shadow problems,
And as a self-imagined Atlas,
Struggling under it with puny legs and arms,
Groaning out incoherent complaints at his load.

My son, this is no time nor place for a poet;
Grow up and join the big, busy crowd
That scrambles for what it thinks it wants
Out of this old world which is—as it is—
And, probably, always will be.

Take the advice of a father who knows:
You cannot begin too young
Not to be a poet.

 


James Weldon Johnson (17 juni 1871 – 26 juni 1938)
Cover

 

De Australische dichter en schrijver Henry Archibald Lawson werd geboren op 17 juni 1867 in Grenfell, New South Wales. Zie ook alle tags voor Henry Lawson op dit blog.

 

After All

The brooding ghosts of Australian night have gone from the bush and town;
My spirit revives in the morning breeze,
though it died when the sun went down;
The river is high and the stream is strong,
and the grass is green and tall,
And I fain would think that this world of ours is a good world after all.

The light of passion in dreamy eyes, and a page of truth well read,
The glorious thrill in a heart grown cold of the spirit I thought was dead,
A song that goes to a comrade’s heart, and a tear of pride let fall —
And my soul is strong! and the world to me is a grand world after all!

Let our enemies go by their old dull tracks,
and theirs be the fault or shame
(The man is bitter against the world who has only himself to blame);
Let the darkest side of the past be dark, and only the good recall;
For I must believe that the world, my dear, is a kind world after all.

It well may be that I saw too plain, and it may be I was blind;
But I’ll keep my face to the dawning light,
though the devil may stand behind!
Though the devil may stand behind my back, I’ll not see his shadow fall,
But read the signs in the morning stars of a good world after all.

Rest, for your eyes are weary, girl — you have driven the worst away —
The ghost of the man that I might have been is gone from my heart to-day;
We’ll live for life and the best it brings till our twilight shadows fall;
My heart grows brave, and the world, my girl, is a good world after all.

 


Henry Lawson (17 juni 1867 – 2 september 1922)
Postzegelvel

 

De Duitse dichter en schrijver Ferdinand Freiligrath werd geboren op 17 juni 1810 in Detmold. Zie ook alle tags voor Ferdinand Freiligrath op dit blog.

 

Wär′ ich im Bann von Mekkas Toren

Wär′ ich im Bann von Mekkas Toren,
Wär′ ich auf Yemens glühndem Sand,
Wär′ ich am Sinai geboren,
Dann führt′ ein Schwert wohl diese Hand;

Dann zög′ ich wohl mit flücht′gen Pferden
Durch Jethros flammendes Gebiet!
Dann hielt′ ich wohl mit meinen Herden
Rast bei dem Busche, der geglüht;

Dann abends wohl vor meinem Stamme,
In eines Zeltes luft′gem Haus,
Strömt′ ich der Dichtung innre Flamme
In lodernden Gesängen aus;

Dann wohl an meinen Lippen hinge
Ein ganzes Volk, ein ganzes Land;
Gleichwie mit Salomonis Ringe
Herrscht′ ich, ein Zauberer, im Sand.

Nomaden sind ja meine Hörer,
Zu deren Geist die Wildnis spricht;
Die vor dem Samum, dem Zerstörer,
Sich werfen auf das Angesicht;

Die allzeit auf den Rossen hängen,
Absitzend nur am Wüstenbronn;
Die mit verhängten Zügeln sprengen
Von Aden bis zum Libanon;

Die nachts, als nimmermüde Späher,
Bei ihrem Vieh ruhn auf der Trift,
Und, wie vorzeiten die Chaldäer,
Anschaun des Himmels goldne Schrift;

Die oft ein Murmeln noch vernehmen
Von Sina′s glutgeborstnen Höhn,
Die oft des Wüstengeistes Schemen
In Säulen Rauches wandeln sehn;

Die durch den Riß oft des Gesteines
Erschaun das Flammen seiner Stirn –
Ha, Männer, denen glühnd wie meines
In heißen Schädeln brennt das Hirn.

O Land der Zelte, der Geschosse!
O Volk der Wüste, kühn und schlicht!
Beduin, du selbst auf deinem Rosse
Bist ein phantastisches Gedicht! –

Ich irr auf mitternächt′ger Küste;
Der Norden, ach, ist kalt und klug.
Ich wollt′, ich säng′ im Sand der Wüste,
Gelehnt an eines Hengstes Bug.

 

 
Ferdinand Freiligrath (17 juni 1810 – 18 maart 1876)
Het geboortehuis van de dichter in in Detmold

 

De Noorse dichter en schrijver Henrik Wergeland werd op 17 juni 1808 in Kristiansand (aan de zuidkust van Noorwegen) geboren. Zie ook alle tags voor Henrik Wergeland op dit blog.

 

The First Embrace

Come to me, grief, on my bosom press,
Lest it should burst with joy’s excess:
Heaven, with disaster, hell, with your pains,
Calm its commotion. For here awhile
She has lain. Strike, foes!
Your shafts but soothe, when they pierce the veins
Of a breast that lows
With the bliss of her thrill and her smile.

Sorrow and trouble have died away
Here, where her face in its loveliness lay.
Drowned she these in the deep of her eye?
Or sucked she their venom? I seemed to mark,
On her smiling lips,
How a tremulous shadow of pain passed by:
And the blue grew dark,
As her eyes’ light found eclipse.
Innocent bride, thou hast joined afresh
Soul with earth, and with God the flesh.
When on my breast, as pure and bright
As a saint’s white robe, thy perfect brow
Gently was lain,
Guilt with its tear-steins vanished quite,
And my mind is now
Like a cleansed and lighted fane.

My heart reflected an inward grace
From the sinless blush of thy maiden face:
To the waft of celestial wings was changed
The tress that wavered over me;
And, O joy, my soul,
Demoniac once, from heaven estranged,
Is, thanks to thee,
Darling, restored and whole.

I feel, where thy loving lips have pressed,
A glory shining within my breast,
And O, the paeans of love that burst,
At the touch of thy passionless, drowsy kiss.
I was fired and manned, –
While my fancy drank with a burning thirst
All the sweet of this
By a tender angel’s hand.

Love, while you lay by my beating heart,
What burgeoning blossoms seemed to start!
Blossoms that lived, and dreamed, and thought.
Almond or apple ws never so gay;
So rich a stream
Of the sun’s blood never the roses caught.
My soul its clay
Left in a blissful dram.

Cold, dark spirit, hold thee apart,
Or blend with the blood that stirs my heart;
Let it flow supreme in its pulses still,
Let nerves aquiver their passion prove,
And in ecstasy
Hark to the breast’s tense chords athrill,
Where, tranced in love,
She late at rest did lie.

 


Henrik Wergeland (17 juni 1808 – 12 juli 1845)
Portret door Carl Peter Lehmann, 1842

 

De Amerikaanse schrijver en journalist John Hersey werd geboren op 17 juni 1914 in Tientsin in China. Zie ook alle tags voor John Hersey op dit blog.

Uit: Hiroshima

“On August 7th, the Japanese radio broadcast for the first time a succinct announcement that very few, if any, of the people most concerned with its content, the survivors in Hiroshima, happened to hear: “Hiroshima suffered considerable damage as the result of an attack by a few B-29s. It is believed that a new type of bomb was used. The details are being investigated.” Nor is it probable that any of the survivors happened to be tuned in on a short-wave rebroadcast of an extraordinary announcement by the president of the United States, which identified the new bomb as atomic: “That bomb had more power than twenty thousand tons of TNT. It had more than two thousand times the blast power of the British Grand Slam, which is the largest bomb ever yet used in the history of warfare.” Those victims who were able to worry at all about what had happened thought of it and discussed it in more primitive, childish terms – gasoline sprinkled from an airplane, maybe, or some combustible gas, or a big cluster of incendiaries, or the work of parachutists; but, even if they had known the truth, most of them were too busy or too weary or too badly hurt to care that they were the objects of the first great experiment in the use of atomic power, which (as the voices on the short wave shouted) no country except the United States, with its industrial know-how, its willingness to throw two billion gold dollars into an important wartime gamble, could possibly have developed.”


John Hersey (17 juni 1914 – 24 maart 1993)
Cover

 

De Duitse schrijver Felix Hartlaub werd geboren op 17 juni 1913 in Bremen. Zie ook alle tags voor Felix Hartlaub op dit blog.

Uit: Italienische Reise

“Freitag, 22 Mai [1931]

Mässig geschlafen. trübes Wetter. Marsch zum Bahnhof Fluelen. Das Tal ganz flach. Häuserdächer kaum geneigt, Kulturebene. hart daneben steil aufsteigende Berge, lauter Senkrechten, Wald u. Geröllzungen. Athmosphäre blendend, unübersichtlich. verschiedene Wolkenschichten; Schwarze und besonnte Berge. Fahrt Fluelen–Bellinzona. Flaches Tal verengt sich rasch, Talgrund wird bewegt, Felsblöcke, bunte Wiesen. Rauch u. Wolken. Schwarze Bergrücken, Tannen u. dunkler Fels. Wasserläufe und Scheebänder bis auf die Talsohle. Gotthard.
Ienseits erst graue Hochlandschaft, traurig stimmend. Schnelle Fahrt bergab. Tannen verschwinden, helle Laubbäume, Akazien u. Kastanien zwischen bunten Felsbrocken. Orte hochliegend, wehrhaft, keine zerstreuten Gehöfte mehr. Tessinlauf. Landschaft viel geordneter, gestufter. Himmel höher, Schnee, Nebel, Wasser voneinander geschieden. Wasserfälle, Tessiner Kirchen, Weinlauben.
Bellinzona. Essen in einer Gartenwirtschaft. Marsch Bellinzona–Locarno–Askona. Regnerisches Wetter, zum Schluss richtiger Landregen. Kastell, Mauergürtel, Gewitterbeleuchtung. Strasse am Rande des Tessintales, rechts Bergwand: Gebüsch u. Weinberge, Felsbänder voll Ginster und Fettpflanzen. links Talgrund, dichter Baumwuchs, nasses Grün, Vogelstimmen. Schön geschwungene Bergrücken dahinter, in Wolken verrauchend. Anwesen mit Loggien, Rosensträuchern. Dächer mit Steinplatten, merkwürdige Kamine. Stärkerer Regen, Müdigkeit, Blasen am Fuss. In der Ferne der Lago maggiore grau-weiss.
Locarno. das Schwemmland des Tessin hört auf, der Lago weitet sich. Südliche Vegetation, über hohe Gartenmauern der Villen quellen Feigenbäume, Bambusgebüsch, Blutbuchen. Bahnen mit gelben Blüten. Strassenarbeiten, Lastwagen. Kirche und Hotels. Weg nach Askona durch nasse Uferlandschaft. Akazien u. Weiden. Vor uns wiegt sich eine wundervolle Gruppe von Vorbergen in Wolken. Übergang über die Maggia. Ankunft bei Kohlers. Modernes Haus über Treppengarten. Blick von der Terasse auf Kirche mit offenem Glockenstuhl, Rad u. Ort. See u. Himmel eins. Nachtquartier im weiten Raum, Holztisch u. Kamin.”

 
Felix Hartlaub (17 juni 1913 – begin mei (?) 1945)

 

De Tsjechisch-Oostenrijkse schrijfster Ossip Schubin (eig. Aloisia Kirschner) werd geboren op 17 juni 1854 in Praag. Zie ook alle tags voor Ossip Schubin op dit blog.

Uit: Vollmondzauber

“Emma Ginori lag in Zdibitz in ihrem Bett, ein kühlendes nasses Tuch um die Stirne. Heute morgen gleich beim Aufwachen hatte sie es gemerkt, daß ihr eine Migräne drohe. Dennoch war sie aufgestanden, hatte sich bemüht, mit Hilfe von großen Dosen Antipyrin das Leiden zu bekämpfen, es zum wenigsten für einen Tag hinauszuschieben.
Gina wollte sie ohne ihren bevormundenden Schutz das Fest in Monbijou nicht besuchen lassen, ihr die Freude zu verderben, widerstrebte ihr ebenfalls; denn sie liebte Gina zärtlich und war stolz auf ihre Schönheit und Begabung, wenn auch mancherlei in ihrem Wesen sie beunruhigte und bereits viele Verwickelungen in ihr Leben hineingebracht hatte. Gottlob, seit einiger Zeit ging es ruhiger zu, und vielleicht, wenn man’s recht geschickt anfing, steuerte man jetzt einer günstigen Wendung der Dinge entgegen.
Es galt, vorsichtig zu sein, sie mußte trachten, sich heute auf das Fest zu schleppen. Im Laufe des Vormittags fühlte sie eine leichte Besserung; gegen zwölf Uhr aber stellte sich das Leiden mit verdoppelter Gewalt ein, so daß sie den Kampf aufgeben mußte. Vollständig von ihrer Migräne besiegt, taumelte sie auf ihr Bett nieder, ohne daß ihr irgend ein andres Bewußtsein übrig geblieben wäre, als das ihrer Schmerzen.
Es war eine gräßliche Migräne diesmal, eine von jenen Migränen, die einem langsam alle Glieder lähmend den Rücken hinaufschleicht und sich triumphierend mit den tückischten Martern im Kopf festnistet, so daß dieser sich nicht anders fühlt, als ein riesiger hohler Zahn, in dem tausend Kobolde mit glühenden Eisen herumstechen, ein Zustand, in dem jeder Gedanke Wahnsinn, jede Bewegung tödliche Übligkeit zur Folge hat.“


Ossip Schubin (17 juni 1854 – 10 februari 1934)

Birthdays (Robert W. Service)

Dolce far niente

 


Lodewijk XIV’s appartementen in Versailles: de verjaardag van de chef-kok door Andrea Landini, 1887

 

Birthdays

Let us have birthdays every day,
(I had the thought while I was shaving)
Because a birthday should be gay,
And full of grace and good behaving.
We can’t have cakes and candles bright,
And presents are beyond our giving,
But let lt us cherish with delight
The birthday way of lovely living.

For I have passed three-score and ten
And I can count upon my fingers
The years I hope to bide with men,
(Though by God’s grace one often lingers.)
So in the summers left to me,
Because I’m blest beyond my merit,
I hope with gratitude and glee
To sparkle with the birthday spirit.

Let me inform myself each day
Who’s proudmost on the natal roster;
If Washington or Henry Clay,
Or Eugene Field or Stephen Foster.
oh lots of famous folks I’ll find
Who more than measure to my rating,
And so thanksgivingly inclined
Their birthdays I’ll be celebrating.

For Oh I know the cheery glow|
Of Anniversary rejoicing;
Let me reflect its radiance so
My daily gladness I’ll be voicing.
And though I’m stooped and silver-haired,
Let me with laughter make the hearth gay,
So by the gods I may be spared
Each year to hear: “Pop, Happy Birthday.”

 


Robert W. Service (16 januari 1874 – 11 september 1958)
In het centrum van Preston, de geboorteplaats van Robert W. Service

 

Zie voor enkele schrijvers van de 16e juni ook mijn vorige blog van vandaag.

Joël Dicker, August Willemsen, Theo Thijssen, Ronelda Kamfer, Frans Roumen

De Zwitserse schrijver Joël Dicker werd geboren op 16 juni 1985 in Genève. Zie ook alle tags voor Joël Dicker op dit blog.

Uit: De waarheid over de zaak Harry Quebert (Vertaald door Manik Sarkar)

“Het leek of er bij aankomst in Miami bij de uitgang van het vliegveld een vriendelijke Cubaanse kruier naar me toe kwam rennen die vroeg: ‘Bent u meneer Goldman?’
‘Ja.’
‘Dan is dit voor u.
’ En me vervolgens een envelop overhandigde met daarin een stapel papieren.
‘Zijn dat mijn ongeschreven bladzijden?’
‘Ja, meneer Goldman. U zou toch nooit uit New York vertrekken zonder die mee te nemen?’
Zo bracht ik een maand door in Florida, alleen, ellendig en ontgoocheld, met mijn demonen opgesloten in een suite. Op mijn computer, die dag en nacht aanstond, bleef het document dat ik nieuwe roman.doc had genoemd, gekmakend ongerept. Op een avond dat ik de pianist in de hotelbar een margarita aanbood, begreep ik dat ik een ziekte had opgelopen die in creatieve kringen vaker voorkomt. Aan de bar vertelde hij dat hij in zijn hele leven maar één nummer had geschreven, maar dat dat een dijk van een hit was geworden. Het was zo succesvol geweest dat hij nooit meer iets anders had kunnen schrijven; en nu overleefde hij, geruïneerd en ongelukkig, door andermans successen op de piano te pingelen voor hotelgasten.
‘In die tijd ging ik op reusachtige tournees langs de grootste zalen van het land,’ zei hij terwijl hij zich vastklampte aan de kraag van mijn overhemd.
‘Tienduizend mensen brulden mijn naam, sommige meisjes vielen flauw en andere wierpen me hun slipjes toe. Dat was nog eens een tijd.’ En terwijl hij als een hondje het zout van de rand van zijn glas likte, zei hij nog: ‘Echt waar, ik zweer het.’ Maar dat was juist het erge: ik wist dat het waar was.
De derde fase van mijn rampspoed begon met mijn terugkeer naar New York. In het vliegtuig dat me terugbracht uit Miami las ik een artikel over een jonge auteur die een roman had uitgebracht die door de critici werd bewierookt, en toen ik aankwam op het vliegveld LaGuardia zag ik zijn gezicht op grote affiches in de bagagehal. Het leven dreef de spot met me: niet alleen werd ik vergeten, maar wat erger was, ik werd ook nog eens vervangen. Douglas, die me van het vliegveld afhaalde, was in alle staten: het geduld van Schmid & Hanson was bijna op en ze wilden bewijzen zien dat ik goed opschoot en hun binnenkort een voltooid manuscript zou kunnen overhandigen.“

 
Joël Dicker (Genève,16 juni 1985)
Cover

 

De Nederlandse schrijver essayist en vertaler August Willemsen werd geboren in Amsterdam op 16 juni 1936. Zie ook alle tags voor August Willemsen op dit blog.

Uit: De zucht naar het Zuiden

“We lagen op onze rug, haar linkerbeen over mijn rechter, haar hoofd tegen mijn schouder, of ze legde, wanneer ze op haar buik ging liggen, haar rechterbeen over mijn rechter en haar rechterarm over mijn strottehoofd, zonder dat ik een kik gaf, terwijl de aderen in onze slapen tegen elkaar klopten en ik haar haar rook en de rode wijn uit de etiketloze literflessen van Jan Jonker.
Naar zulke dingen verlangde je nog terug ook, naderhand, maar in het geval van Marian bleef het bij die ene keer – zeer tegen mijn zin. Wel hielden we aan de gebeurtenissen een afspraak over voor de vakantie: ik zou begin augustus Marian ophalen in Blaye, bij Bordeaux, om samen te liften naar Gerona en daar Jaap en Mies te ontmoeten voor een reis met z’n vieren door Spanje, waar Marian, om het wat ingewikkelder te maken, ook nog een afspraak had met een Spaanse jongen, een zekere José in Burgos.
Marian zat in Blaye in een werkkamp. Dat was een beetje mode, maar ook toen al stond die woordcombinatie me tegen. Ik ontmoette er Janine, Violette, daarna Marian, ten slotte François, de opzichter, Claude, de baas, en twee Spaanse jongens, Augusto en Luis, allemaal beeldschone mensen en allemaal even bruin. Spanjaarden waren sowieso interessant omdat ze Spaans waren. Marian was werkelijk beangstigend mooi. Ik was lang en wit (was me dat ook erg bewust), stotterde hevig (dat ben je je altijd bewust), was me kortom, naar de anderen kijkend, in de meest algemene zin bewust van mijn hele ongelukkig uitgevallen, buitenproportionele voorkomen, bijvoorbeeld ook dat ik, voor mijn lengte, een te klein hoofd had – van geen nut was nu de andere soms troostrijke wetenschap (daarvoor heb je Normaalschoolvrienden) dat ik een ‘El Greco-hoofd’ had. Marian leidde me rond door de middeleeuwse Citadel, erg mooi, maar ik was nog te beduusd om een woord te zeggen – wat natuurlijk ook voor gevoeligheid kon doorgaan. Later werd ze daarvoor door François uitgefoeterd op een zo vernederende wijze dat ik niet wist wat ik zag of hoorde: dit was inderdaad een kamp, met een kampbewaker. Onbegrijpelijk dat mensen zich uit vrije wil tot zoiets leenden. Tegelijk echter bracht het Marian een beetje dichter bij me: ieder zijn vernedering.”


August Willemsen (16 juni 1936 – 29 november 2007)
August Willemsen tijdens zijn eerste reis naar Sao Paulo, 1967    

 

De Nederlandse schrijver en onderwijzer Theo Thijssen werd geboren in Amsterdam op 16 juni 1879. Zie ook alle tags voor Theo Thijssen op dit blog.

Uit: Kees de jongen

“Wat was hij al niet tegengewerkt, toen hij op avondschool zou komen. Toen had de meester gezegd: jullie brengen morgenavond mee: een veer, een doosje pastel, en een stuk vlak-elastiek; en bijna al de jongens mochten het kopen van hun vader. Het kostte samen dertig cent, als je ’t goed wou hebben.
Maar zijn vader begon te mopperen. Dat daar ’t school voor zorgen moest. Dat waren leermiddelen, daar betaalde hij z’n goeie schoolgeld voor. Doe jij de komplimenten aan die meester, zei hij, en dat het mijn zaak niet is. Op ’t laatst zal ik nog schriften en pennen ook moeten betalen.
Wat ’n onzin, niet. Je kréég ook alles wel van ’t school, maar juist allemaal van dat akelige goed, waar je nooit fatsoenlik mee tekenen kon: oue veren van vroegere jongens; en van dat gekke zwarte elastiek, ‘paardevlak’ noemden de jongens het, dat bijna niet vlakte; en kleurkrijt dat stoof, en als je zo’n pijpje brak, kreeg je nog op je ziel óók. Alleen de armoedzaaiers deden het er mee. Maar bijna alle jongens hadden in hun doos hun eigen boel; en diè jongens werden met tekenen de besten….
Hij probeerde het z’n vader uit te leggen, maar z’n vader was bepaald een beetje sociaal, want die zei maar: de komplimenten aan je meester, en dit, en dat – allemaal dingen die hij tóch niet tegen de meester zou durven zeggen.
Toen gaf eindelik z’n moeder een dubbeltje; en zo kon-ie tenminste een goeie veer van drie centen kopen. Maar het stukje vlak, dat-ie na veel zoeken in een klein boekwinkeltje voor twee centen had gekocht, dat had de meester afgekeurd, omdat het ‘papier vrat;’ en het kokertje dunne kleurkrijtjes van vijf centen, dat was verschrikkelik gemeen goed geweest, krasserig, en nog veel slechter dan het schoolkrijt. Hij had er z’n tekeningen gewoon mee bedorven.
En natuurlik, langzamerhand was het in orde gekomen. Met ruilen en wedden en knikkeren en op honderd manieren had-ie z’n tekendoos weten te voorzien van allerlei extra spul en tegenwoordig had-ie kleurtjes, man, enig; een stukje paars had-ie, daar waren alle jongens jaloers op, zo zacht als het was; en hij had een stukje vlak …. inktvlak, dat ze op kantoren gebruiken! Maar ondertussen, de andere jongens waren hem vóór, en hij zat in die beroerde tweede partij op tekenen, en de meester liet hem daar maar in zitten, wie weet hoe lang nog …. Wat zou dat niet anders geweest zijn, als-ie van den beginne af gelijke kansen had gehad….”

 
Theo Thijssen (16 juni 1879 – 23 december 1943)
Scene uit de film met o.a. Ruud Feltkamp als Kees Bakels, 2003

 

De Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda Kamfer werd op 16 juni 1981 in Blackheath, een voorstad van Kaapstad, geboren. Zie ook alle tags voor Ronelda Kamfer op dit blog.

 

The Housewife

auntie Doris was a typical housewife
dropping her kids off at school every morning
dressed in a pink check overall, big green rollers in her hair
she cooked and cleaned and did her laundry
she was a housewife
one rainy day in June auntie Doris
did her regular housework, washing the clothes and the windows
watering the plants on her stoep
later a police van and two Tygerberg mortuary vans
pulled up in front of her house
three body bags on stretchers were pushed out
one big and two small
for the first time in years
auntie Doris wore a floral dress with her hair in luscious curls
down her back
she was handcuffed and climbed into the police van
telling the nosey crowd that we can look all we want
her house is clean.


Ronelda Kamfer (Blackheath, 16 juni 1981)

 

En als toegift bij een andere verjaardag:

 

Jakob
voor Paul

Altijd verlangend naar een ander leven,
ontstegen aan de alledaagse sleur,
geen kooi meer vrezend achter elke deur
en geen bestaan, ten dode opgeschreven.

Altijd onmachtig zich geheel te geven,
verbondenheid ervarend als terreur,
en liefde slechts als lijden in mineur,
leek toch te strijden hem geen zinvol streven.

Het paradijs wist hij voorgoed verloren
en keek nooit om. Wel vluchtte hij naar voren,
vandaag al om de toekomst zo verlegen.

Maar elke hoop verwerd tot een gemis.
Hij streed, maar met een god die er niet is
en bad nochtans om zijn vervloekte zegen.

 


Frans Roumen (Wessem, 16 juni 1957)
Jacob’s worsteling met de engel door Eugène Delacroix, 1861 (Chapelle des Saints-Anges, Saint-Sulpice de Paris)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e juni ook mijn blog van 16 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.