Hagar Peeters, Andre Rudolph

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

 

Kanttekeningen van de muze

I
Er schemert een zweempje gelukzaligheid
door het omslaan van de bladzijden, het uitschoppen van een schoentje,
het omhoogduwen van een plooi in een japon
wanneer je in gedachten staat te zoenen met die witte monden van papier.

Hoeveel avonden waren er niet op te sieren met het magnum opus
van één man. Iets apocriefs voor bij het aperitief
waarna hij nog één bundel schreef
voor bij de kreeft en één voor bij het diner,
tot slot wat scherts aan het dessert.

Mijn handen zouden zachter zijn, zijn lippen troostender,
zijn mond liefkozender,
de kaarsen schitterden als sterren op tafel.

O, wat zou ik graag de geliefde in de gedichten van de dichters zijn
aan wie zij hun ziel opdragen, voor wie zijn hun gemoedsrust
weg laten gutsen in een onthutsend slapeloze nacht
en zoveel bladzijden met bloed geschreven om bij te zetten
aan mijn graf.
Hier staat het: zo zijn alle vrouwen.
Luister naar de dichters want zij kunnen het weten.
Hier staat zoals zij was en u staat paf

II
Maar de dichters maakten mij broos.
Ik mocht het lieve lenige woordje liefde
aflikken als een lolly en daarbij het stokje
kokette rondjes laten draaien tussen
mijn steelse vingertoppen en schuchter
lonkend lichaam zijn
als ik maar mysterieus was en steeds van
hetzelfde type oermysterie.

Met mijn naakte ongrijpbare lipjeslichaamaanschijn
werd ik ertoe gedwongen mij verborgen te houden in hun woorden
en altijd wuifden mijn haren als bij de meisjes
van de karaokebanden.
Altijd werd ik gezocht in zielen, in dromen, in herinneringen,
in tempels, in doorrookte avonden vol stilte en wijn.
Ik mocht er steeds niet zijn.

Ik sloop op mijn tenen door hun werkvertrekken
om de dichters niet te storen
bij hun zoeken naar mij
maar zij merkten mij toch op en fluisterden
bits tussen hun vingers:
‘sstt, aardse koe, je jaagt haar weg.’

 

Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

 

De Duitse dichter en schrijver Andre Rudolph werd geboren in Warschau op 11 mei 1975 en groeide op in Leipzig. Zie ook alle tags voor Andre Rudolph op dit blog.

 

iets voor de geesten
(david constantine)

vandaag hebben de geesten
lang geslapen en uitgebreid ont-
beten
voordat ze op weg zijn
gegaan door ons lichaam

papa, mama, jullie hadden je,
slim als je bent, in twee pannenkoeken
verstopt;
hoewel ik jullie
net pas had gekocht
smaakten jullie taai en droog;
(Ik kon jullie
amper door de keel wringen, eerlijk gezegd)

maar toen kwam toch het punt
met de jam waarop we ons
met elkaar hebben verzoend …

het is eigenlijk iets heel simpels
wat ik wil zeggen;
clara denkt nu bijvoorbeeld
aan haar nieuwe leraar Duits, die zij
niet kan uitstaan
en die zij niet meer uit haar
hoofd krijgt

soms verdwijnen ze
gewoon in de koffie, of ik weet ook
niet, hoe ze het doen
of ze
ritselen nog even met
de krant, alsof ze ons willen afleiden,

voordat de geesten weer hun
weg door ons lichaam
vervolgen,
en we ze dan de hele dag
niet meer zien

en ook opstaan van de tafel,
onze schoenen aantrekken, onze jassen
pakken en het huis
uitgaan

wij en de kinderen,
ieder zijns weegs

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andre Rudolph (Warschau, 11 mei 1975)

 

Zie voor nog meer schrijves van de 12e mei ook mijn blog van 12 mei 2020 en eveneens mijn blog van 12 mei 2019.

Ida Gerhardt, Andre Rudolph

De Nederlandse dichteres Ida Gerhardt werd geboren in Gorinchem op 11 mei 1905. Zie ook alle tags voor Ida Gerhardt op dit blog.

 

De slachtlammeren

(voor de kinderen in Noorwegen)

De hondsdagen met rosse hitte,
van onweer drachtig, en geladen
met onbestemde haat en angsten,
voorzeggen dat het onderweg is.
– En in de nacht tevoren is er
dat vragend blaten van de lammeren
en het schorre antwoord van de ooien,
een voorgevoel van naderend onheil.
– En, steeds weer overrompelend, is het
er ’s morgens, het vervaarlijk schreeuwen,
het driftig klappen van de hekken,
het nors cordon dat stokkenzwaaiend
de lammeren opeist, de onnozelen.
En onder duizendvoudig blaten
van de beangste moederschapen
en het hinniken van schichtige paarden
wordt gemelijk het bevel voltrokken;
tot aan de ontdekte allerlaatste,
de kleine smekende verstekeling,
gehaast in het wagenkrat geworpen.

En zij zijn weg gelijk zij kwamen,
de mannen met de dorenstokken.

Om huis en stallen hangt beklemmend
een stank van zweet en mest en modder;
wij mijden zwijgend, als bij afspraak,
het drassig land vol wagensporen.

Volgen, als steeds, de twee etmalen
des aanklagens, het koor der ooien.
Om hen die niet meer zijn weent Rachel.
En op de derde morgen, steevast,
of er geen kindermoord geschied was,
is heel de kudde aan het grazen.
Doch als wij trachten door de modder
ons stap voor stap een weg te banen,
is bij het hek de wacht betrokken.
Twee machtige rammen. Vast voornemens
hun horens door ons heen te stoten.

 

Scherzo

Zachte argelooze vreugd
die ons éénmaal werd beschoren,
toen wij in den dans verloren
deelden in het spel der jeugd.

In de lichte snelle rei
werden wij ook meegenomen,
in den dans voert de volkomen
zorgeloosheid heerschappij.

Helder klonk de korte slag
van de handeklap, – de paren
neigden spelend tot elkaar en
weken weer met schaterlach.

In dit dansen werd een licht,
tintelend geluk geboren, –
zingt het nu nog, onverloren,
zingt het nog in mijn gedicht?

Een herinneren, een glans
in mijn sober werk gebleven, –
soms een glinstering, en èven
de figuren van den dans.

 

Moment

De kleine hof ligt in het middaglicht,
de bijen zwermen om de bloesemboomen;
– een arbeiden in de natuur, in mijn gedicht –
dan zie ik langs het dalend pad haar komen

in zon – en als een vlam doorlicht het oogenblik
mij hel. Dit licht, haar nadering, het stuwend lenteleven,
– bloei en bevruchting – en daarmee verweven
ons beider eenheid en het scheppend ik.

En eens, in stiller dagen van het jaar,
vervulling van dit uur, voldragen leven:
beladen takken en van mij en haar
het overvele in mijn werk geschreven.

 

Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997)

 

De Duitse dichter en schrijver Andre Rudolph werd geboren in Warschau op 11 mei 1975 en groeide op in Leipzig. Zie ook alle tags voor Andre Rudolph op dit blog.

 

deze afgescheurde strook

deze afgescheurde stroken grijs schuurpapier
waarop nu in beide richtingen
de auto’s voorbij racen
heb je gedoneerd

het is jouw huid!
en je stelt ze aan ons ter beschikking
hoe onzelfzuchtig van je

de twee tunnels daar: het materiaal
voor hun bekleding stamt
uit je binnenoor
dat hoor je

lichten aan. Lichten uit
ook het licht kun je horen
(oefen dat)

het landschap dat je zo mooi neergezet
hebt zouden we trouwens
helemaal niet nodig hebben gehad
toch bedankt

de hele middag grijpen
links en rechts de vangrailklauwen naar ons

(we hebben geluk, en
ontsnappen …)

dit alles maakt jou blijkbaar niets
uit, er valt niets aan je
te merken

(pas later in bed dan)
de halve nacht

het trilalarm van je handen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andre Rudolph (Warschau, 11 mei 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e mei ook mijn blog van 11 mei 2020 en eveneens mijn blog van 11 mei 2019 en ook mijn blog van 11 mei 2018.

Libris Literatuurprijs voor Jeroen Brouwers

 

Libris Literatuurprijs voor Jeroen Brouwers

 

De Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers ontvangt de Libris Literatuur Prijs voor zijn roman “Cliënt E. Busken”. Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië (tegenwoordig Djakarta, Indonesië). Zie ook alle tags voor Jeroen Brouwers op dit blog.

Uit: Cliënt E. Busken

“.. denk ik opeens aan mijn moeder. Ik denk nooit aan mijn moeder, die al decennia dood is. Ik ben intussen ouder dan zij is geworden. Ik bedoel. Bedoel ik iets? Dat ik buiten, boven de tijd ben geraakt waarin ik en mijn moeder er allebei nog waren en ik haar gerust mag zijn vergeten. Ik ben haar niet vergeten, ik denk alleen nooit aan haar. Ze flitste door mijn hoofd en is meteen weer weggespoeld. Ik denk dat ik dat bedoel. Wel degelijk nog in staat iets te bedoelen. Was het wel mijn moeder, die zich als een bliksemvonk in mijn hersens vertoonde, en niet iemand anders, een andere vrouw? In een zomerjurkje op een strand in dampende zon en ik ben daar ook. Haar armen strak langs haar lichaam omlaag staat ze haar vingers te spannen. Alle kracht vanuit haar schouders en armen naar haar vingers die ze gespreid naar het zand gericht houdt, waar haar schaduw tot een bolletje rondom haar voeten is ingekrompen, skeletterig mager in dat katoentje met verschoten gele en lichtgroene vierkantjes. Dat met die vingers doet ze als ze driftig is en voordat ze ze tot trillende vuisten in elkaar krampt. Wegwezen, in ieder geval zorgen voor afstand, want ze gaat meppen. Het zal dus mijn moeder wel zijn geweest, weggespoeld als een uitwerpsel, maar met het gezicht, het hoofd, de gestalte van een ander iemand, niet per se vrouwelijk. Kan u hier uw nicotinesprieten roken, roept zuster Morton. Kankerstokken zegt men hier niet. Nooit kanker zeggen. Ze kijkt naar boven, waar de lucht niet is te zien boven de bomen. De sparrentoppen bewegen alle kanten op in wind die er al dagen is, gisteren zo hard en met venijnige regen dat iedereen binnen moest blijven. Het blijft wel droog, meent ze. Er is zon voorspeld. Hier beneden waait het niet. Staat hij op de rem? Dat controleert ze. Ja, met die dragonderstem, u staat geblokkeerd. Hetgeen klopt. Geblokkeerd, ik. Geblokkeerder dan de wielen van de rolstoel, die ze ergens achter me, waar ik niet bij kan, heeft vergrendeld. Die wielen gaan gewoon weer draaien als ze niet meer zijn geblokkeerd, ikzelf ben niet als die wielen, want ik kan niets meer, wat wil je ook. Alleen nog zitten en liggen. En waarnemen. Denken. Piekeren. Malen. Bedoelen. Kleuren zien die er niet zijn, althans door anderen niet worden gezien.”

 

Jeroen Brouwers (Batavia, 30 april 1940)

J. C. Bloem, Jayne Cortez

De Nederlandse dichter J. C. Bloem werd geboren op 10 mei 1887 in Oudshoorn. Zie ook alle tags voor J. C. Bloem op dit blog.

 

Aan een vriend

De jaren vloden. Van uw zwerfsche tochten
Zijt gij gekeerd naar den gewenden kring,
En vondt de winst van hen die daden zochten:
Na korte daad een lange erinnering.

En ik? Een bitterheid bekruipt mijn peinzen
Als ik mij vraag: – en ’t martlend antwoord vind –
Waarmee ‘k der uren rustelooze deinzen
Vervulde, die zóó ’t leven heb bemind.

De jaren vloden: o hoe zonder vlagen,
Hoe zonder heil, dat ik in stormen won.
Weer voor het kerkervenster van mijn dagen
Rijst Hollands bleeke en teere lentezon.

En hunkrend staar ik langs nog dorre landen,
En snuif den weemoed van den voorjaarswind.
Mijn brandende oogen nijgen naar mijn handen,
Mijn hart is luid, een oude droom begint.

Een droom van zwerven naar de gunst der tijden,
Van vlotten naar de drift der dagenstroom,
Ver van dit kwijnen zonder vreugde of lijden,
Aan ’t hart des levens, vrij van boei en toom.

Hoe vele lenten zal ik ‘dus nog zwerven,
Met de onvervuldheid in het grensloos hart,
En dezen angst: dat eens mijn jeugd zal sterven,
Voordat de vreugd der rust’gen mij gewerd.

Maar gij, mijn vriend? Wat brachten u de jaren?
Hebt ge op de hoogten van uw droom geleefd?
Zijt gij gekeerd met reeds vergrijsde haren,
En in uw stem iets, dat voor altijd beeft?

Nog zag ‘k u niet, maar gij zult mijwaarts komen;
‘k Zal u gemoeten op het leege plein,
Waar dunne en looverlooze lenteboomen
Zwart staan en vocht in zilvren zonneschijn.

Geveinsde vrede zal rondom ons wezen,
Als ging de laatste droom in ons te loor,
Omdat wij beiden diep in ’t harte vreezen
Te spreken van wat ons de tijd beschoor.

Zijn dit dan àl des rijken levens loonen?
Moet mijn het lot zijn van zoo menig mensch:
Verloren in een kleine stad te wonen,
Voor eeuwig ver van zijn begeerdsten wensch.

Die voelt een weedom langs zijn woning ranken,
Als ’t carillon de rust der nacht verdeelt,
En met het wisselkoor van stilte en klanken
Den droom van zijn verlangend hart doorspeelt.

Neen, laat mij nu nog niet deze’ angst gelooven,
Die grijpt me als handen aan de dorre keel.
Ik ga en fluister in te ontluiken hoven:
O aarde, o leven, is dan dit mijn deel…

 

J. C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)

 

De Amerikaanse dichteres en performster Jayne Cortez werd geboren op 10 mei 1936 in Fort Huachuca, Arizona. Zie ook alle tags voor Jayne Cortez op dit blog.

 

Duw de catastrofen terug

Ik wil niet dat een droogte zichzelf voedt
door de getatoeëerde gaten in mijn buik
ik wil geen spectaculaire woestijn van
verkoolde stengels en konijnenharen
in mijn keel van opgehoopte materie
ik wil niet door het bos branden en kappen
als een hebzuchtige huurling die in
het suikerriet van de botten boort

Duw het oprukkende zand terug
het vervuilde rioolwater
het tot stof weerkerende stervende hout
de bovenste atmosfeer van stikstof
duw de rampen terug

De buik vol van raketten
van onderzeeërs
van vliegdekschepen
van biologische wapens
Geen ziekte, verdriet, armoede meer
destabilisatie exploitatie
analfabetisme en bombardementen
Laten we richting vrede gaan
richting gelijkheid en rechtvaardigheid
dat is wat ik wil

Schone lucht inademen
zuiver water drinken nieuwe gewassen planten
de regen opzuigen de stank wegspoelen
dit lichaam en deze ziel in vrede bij elkaar houden
dat is het
Duw de catastrofen terug

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jayne Cortez (Fort Huachuca, 10 mei 1936)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e mei ook mijn blog van 10 mei 2020 en eveneens mijn blog van 10 mei 2019 en ook mijn blog van 10 mei 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Kindliches Gefühl (Karl Immermann), Jorie Graham, Charles Simic

 

Bij Moederdag

 

Kind met speelgoed – Gabrielle en de zoon van de kunstenaar, Jean, door Pierre-Auguste Renoir,  1895-1896

 

Kindliches Gefühl

Drei Sterne weiß ich, welche Licht
Den letzten Nächten spenden;
Sie leuchten still, sie prahlen nicht,
Es ist kein eitel Blenden.

Das Dunkel lastet tief und schwer,
Was lindert deine Scheue?
Die Sonn’ erlosch, doch nimmermehr
Der Stern der Muttertreue.

Am Abgrund irrst du, siehst ihn nicht
In Finsterniß verborgen;
Wer zeigt ihn dir? Aus Wolken bricht
Der Stern der Muttersorgen.

Wenn alle Welt den Armen läßt
Und wenn kein Herz ihm bliebe,
Am ew’gen Himmel stehst du fest
Stern heil’ger Mutterliebe!

O Mutterliebe, Sorg’ und Treu’!
Nie ausgeschöpfte Güte!
Und immer alt, und immer neu,
Daß dich die Allmacht hüte!

 

Karl Immermann (24 april 1796 – 25 augustus 1840)
Magdeburg, de geboorteplaats van Karl Immermann

 

De Amerikaanse dichteres Jorie Graham werd geboren op 9 mei 1950 in New York geboren. Zie ook alle tags voor Jorie Graham op dit blog.

 

Salmon

I watched them once, at dusk, on television, run,
in our motel room half-way through
Nebraska, quick, glittering, past beauty, past
the importance of beauty.,
archaic,
not even hungry, not even endangered, driving deeper and deeper
into less. They leapt up falls, ladders,
and rock, tearing and leaping, a gold river,
and a blue river traveling
in opposite directions

They would not stop, resolution of will
and helplessness, as the eye
is helpless
when the image forms itself, upside-down, backward,
driving up into
the mind, and the world
unfastens itself
from the deep ocean of the given. . .Justice, aspen
leaves, mother attempting
suicide, the white night-flying moth

the ants dismantled bit by bit and carried in
right through the crack
in my wall. . . .How helpless
the still pool is,
upstream,
awaiting the gold blade
of their hurry. Once, indoors, a child,
I watched, at noon, through slatted wooden blinds,
a man and woman, naked, eyes closed,
climb onto each other,
on the terrace floor,
and ride–two gold currents
wrapping round and round each other, fastening,
unfastening. I hardly knew
what I saw. Whatever shadow there was in that world
it was the one each cast
onto the other,
the thin black seam
they seemed to be trying to work away
between them. I held my breath.
as far as I could tell, the work they did
with sweat and light
was good. I’d say
they traveled far in opposite
directions. What is the light
at the end of the day, deep, reddish-gold, bathing the walls,
the corridors, light that is no longer light, no longer clarifies,
illuminates, antique, freed from the body of
that air that carries it. What is it
for the space of time
where it is useless, merely
beautiful? When they were done, they made a distance
one from the other
and slept, outstretched,
on the warm tile
of the terrace floor,
smiling, faces pressed against the stone.

 

Jorie Graham (New York, 9 mei 1950)

 

De Amerikaanse dichter Charles Simic werd geboren in Belgrado op 9 mei 1938. Zie ook alle tags voor Charles Simic op dit blog.

 

Een boek vol plaatjes

Vader studeerde theologie via de post
En het was examentijd.
Moeder breide. Ik zat stilletjes met een boek
Vol plaatjes. De avond viel.
Mijn handen werden koud en raakten de gezichten aan
Van dode koningen en koninginnen.

Er was een zwarte regenjas
in de slaapkamer boven,
Bungelend vanaf het plafond,
Maar wat deed die daar?
Moeders lange naalden maakten snelle kruisen.
Ze waren zwart
Zoals de binnenkant van mijn hoofd op dat moment.

De bladzijden die ik omsloeg, klonken als vleugels.
‘De ziel is een vogel’, zei hij ooit.
In mijn boek vol plaatjes
Woedde een strijd: lansen en zwaarden
Vormden een soort winters bos
Met mijn hart in de takken geprikt en bloedend.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Charles Simic (Belgrado, 9 mei 1938)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e mei ook mijn blog van 9 mei 2020 en eveneens mijn blog van 9 mei 2019 en ook mijn blog van 9 mei 2018 en ook mijn blog van 9 mei 2015 deel 2.

Roddy Doyle, Gary Snyder

De Ierse schrijver Roddy Doyle werd geboren in Dublin op 8 mei 1958. Zie ook alle tags voor Roddy Doyle op dit blog.

Uit: The Commitments

“—We’ll ask Jimmy, said Outspan. —Jimmy’ll know. Jimmy Rabbitte knew his music. He knew his stuff alright. You’d never see Jimmy coming home from town without a new album or a 12-inch or at least a 7-inch single. Jimmy ate Melody Maker and the NME every week and Hot Press every two weeks. He listened to Dave Fanning and John Peel. He even read his sisters’ Jackie when there was no one looking. So Jimmy knew his stuff. The last time Outspan had flicked through Jimmy’s records he’d seen names like Microdisney, Eddie and the Hot Rods, Otis Redding, The Screaming Blue Messiahs, Scraping Foetus off the Wheel (—Foetus, said Outspan. —That’s the little young fella inside the woman, isn’t it? —Yeah, said Jimmy. —AA. that fuckin’ horrible, tha’ is.); groups Outspan had never heard of, never mind heard. Jimmy even had albums by Frank Sinatra and The Monkees. So when Outspan and Derek decided, while Ray was out in the jacks, that their group needed a new direction they both thought of Jimmy. Jimmy knew what was what. Jimmy knew what was new, what was new but wouldn’t be for long and what was going to be new. Jimmy had Relax before anyone had heard of Frankic Goes to Hollywood and he’d started slagging them months before anyone realized that they were no good. Jimmy knew his music. Outspan, Derek and Ray’s group. And And And, was three days old; Ray on the Casio and his little sisters glockenspiel, Outspan on his brother’s acoustic guitar, Derck on nothing yet but the bass guitar as soon as he’d the money saved. —Will we tell Ray? Derek asked. —Abou’ Jimmy? Outspan asked back. —Yeah. Better not. Yet annyway. Outspan was trying to work his thumb in under a sticker, This Guitar Kills Fascists, his brother, an awful hippy, had put on it. —There’s the flush, he said. —He’s comin’ back. We’ll sec Jimmy later. They were in Derek’s bedroom. Ray came back in. —I was thinkin’ there, he said. —I think maybe we should have an exclamation mark, yeh know, after the second And in the name. —Wha’? —It’d be And And exclamation mark, righ’, And. It’d look deadly on the posters. Outspan said nothing while he imagined it. —What’s an explanation mark? said Derek. —Yeh know, said Ray. He drew a big one in the air. —Oh yeah, said Derek. —An’ where d’yeh want to put it again?
—And And, He drew another one. —And. —Is it not supposed to go at the end? —It should go up his arse, said Ouupan, picking away at the sticker.
• • •
Jimmy was already there when Outspan and Derek got to the Pub. —How’s it goin’, said Jimmy. —Howych, Jim, said Outspan. —Howaych, said Derek. They got stools and formed a little semicircle at the bar. —Been ridin’ annythin’ since I seen yis last? Jimmy asked them. —No way, said Outspan. —We’ve been much too busy for that sort o’ thing. Isn’t tha’ righ’? —Yeah, that’s righ’, said Derek. —Puttin’ the finishin’ touches to your album? said Jimmy. —Puttin’ the ftnishin’ touches to our name, said Outspan. —Wha’ are yis now? —And And exclamation mark, righ’? —And, said Derek. Jimmy grinned a sneer. —Fuck, fuck, exclamation mark, me. I bet I know who thought o’ tha’. —There’ll be a little face on the dot, righ’, Outspan explained.”

 

Roddy Doyle (Dublin, 8 mei 1958)

 

De Amerikaanse dichter Gary Snyder werd geboren op 8 mei 1930 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Gary Snyder op dit blog.

 

Er zijn er die graag vies worden

Er zijn er die graag vies worden
en dingen repareren.
Ze drinken koffie bij zonsopgang,
bier na het werk,

En degenen die schoon blijven,
waarderen dingen gewoon,
Bij het ontbijt nemen ze melk
en ’s avonds sap.

Er zijn mensen die allebei doen,
zij drinken thee.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Gary Snyder (San Francisco, 8 mei 1930)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e mei ook mijn blog van 8 mei 2020 en eveneens mijn blog van 8 mei 2019 en ook mijn blog van 8 mei 2018 en ook mijn blog van 8 mei 2016 deel 2.

Willem Elsschot, Volker Braun

De Vlaamse schrijver en dichter  Willem Elsschot werd in Antwerpen geboren op 7 mei 1882. Zie ook alle tags voor Willem Elschot op dit blog.

 

Spijt

Dat in gemelijke grillen
ik mijn dagen kon verspillen,
dat ik haar voorbijgegaan
of een steen daar had gestaan,

dat ik heel mijn zondig leven
heb gekregen zonder geven,
dat mij alles heeft gesmaakt,
dat ik niets heb uitgebraakt,

dat ik niet kan herbeginnen
haar te dienen, haar te minnen
dat zij heen is en voorbij,
bitter, bitter grieft het mij.

Maar de jaren zijn verstreken
en de kansen zijn verkeken.
Moest die kist weer opengaan
geen stuk vlees zat er nog aan.

Priesters zalven en beloven,
maar ik kan het niet geloven.
Neen, er is geen wenden aan:
als wij dood zijn is ’t gedaan.

Ja, gedaan. Wat helpt mijn klagen?
Wat mijn roepen, wat mijn vragen?
Wat ik bulder, wat ik zweer?
De echo zendt mij alles weer.

Gij die later wordt geboren,
wil naar wijze woorden horen:
pak die beide handen beet,
dien het wijf dat moeder heet.

 

BIJ HET DOODSBED VAN EEN KIND

De aarde is niet uit haar baan gedreven
toen uw hartje stil bleef staan,
de sterren zijn niet uitgegaan
en ’t huis is overeind gebleven.

Maar al ’t geklaag en dof gesnik,
zelfs onder ’t troostend koffiedrinken,
het kon uw stem niet op doen klinken,
noch licht ontsteken in uw blik.

Gij zult wel nimmermeer ontwaken,
want gij bleef roerloos toen de trap
zo kraakte bij de stille stap
des mans, die kwam om toe te maken.

Zie, lieve mensen, ’t is volbracht,
Wat gaan wij doen? Wij konden bidden,
dan blijf ik nog wat in uw midden,
gij krijgt toch wel geen slaap vannacht.

En heeft een uwer een ervaren
en hooggeleerd en vruchtbaar brein:
hij zegge mij of ’t waar kan zijn
dat haar de wormen zullen sparen.

 

Willem Elsschot (7 mei 1882 – 31 mei 1960)

 

De Duitse dichter en schrijver Volker Braun werd geboren op 7 mei 1939 in Dresden. Zie ook alle tags voor Volker Braun op dit blog.

 

Overgave

Zoals de zomer eraan komt!
De avonden zijn warm en lang.
Ik ben heel kalm. We zitten in de bosjes
Spreken ons uit ons zelf uit.
In zijn gedachten plotseling
Vind ik de mijne.

De weilanden liggen in hun geur
Die stroomt door ons heen.
De bomen staan in vreemde groepen
Als geliefden. Ze worden heel donker.
Ik kus hem, hij kust me van voet tot voorhoofd
Mijn hele lichaam
Neem ik nu in.

Heel de natuur
Is met hetzelfde bezig.
Dat te denken is mooi
Ik geef mezelf aan hem
En ben nog steeds van mezelf. Naar mijn zin
Gaat nu mijn dag.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Volker Braun (Dresden, 7 mei 1939)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e mei ook mijn blog van 7 mei 2020 en eveneens mijn blog van 7 mei 2019 en ook mijn blog van 7 mei 2018 en ook mijn blog van 7 mei 2017 deel 2.

Hélène Gelèns, Erich Fried

De Nederlandse dichteres Hélène Gelèns werd geboren in Bergschenhoek op 6 mei 1967. Zie ook alle tags voor Hélène Gelèns op dit blog.

 

Halt maken

wat als niet een ander je de pas afsnijdt
als je jezelf resoluut blokkeert
elke buiteling elke zijsprong elke zet stuit
hoe je dan niet steigert hoogstens hort en stoot
hoe je zoekt naar een halt in jouw voetspoor
hoe je tot stilstand komt

of je besluit dat het niet gaat om het niet

bereiken van een of andere bestemming

maar om gestremd zijn: de halt om de halt
of je ruim ademt en je thuis waant
of je los kunt laten wat beweegt
heeft de neiging in beweging te blijven
of je toch wegrent

 

In ongeremd rennen

volg je het pad tot je het pad tevoorschijn rent
ren je de zon tevoorschijn en een duinvallei
het mulle zand het helmgras het geruis van de zee
ren je de zee tevoorschijn een steeds onmetelijker zee

 

De afzet voor het zweven

neem uit ongeremd rennen één stap
uit de stap de afzet voor het zweven
bevries in dat moment – een en al ren
wen! almaar deze stap almaar deze
afzet deze knerp van het grind almaar dit
ver naar achter gestrekte been almaar
deze loeiende druk op je grote teen
deze miezelregen op je wang
die rijpe dauwbramen
die flard parfum
wen

of de knerp van het grind langzaam uitdooft
(ik denk van niet) of de knerp in één stuk door
ongebroken scherp klinkt (ik denk van wel)
of dit fragment van de knerp nog knerpt
of je dit geluid kunt negeren

of je een aaaa kunt herkennen als aaaa
(ik denk van wel) of daar een fiets piept
of een mees of piepen je longen
(waaruit blijkt dat) of je alle geluiden los
of als onontwarbare brij hoort

of die flard parfum je de adem beneemt
of aanhoudend dezelfde geur je nog verrast
of je de tandpasta proeft en blijft proeven
of continu dezelfde smaak nog fris is
of de wind je langzaamaan omverduwt
of de miezer gaatjes in je wang slaat
of je went aan dat openhangende
mondje die slappe tong die in je schoen
gezakte sok die pluk haar in je oor
(ik denk van wel) of je eraan went
dat het zweven maar niet begint

 

Hélène Gelèns (Bergschenhoek, 6 mei 1967)

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Erich Fried op dit blog.

 

Maar misschien

Mijn grote woorden
zullen me niet tegen de dood beschermen
en mijn kleine woorden
zullen me niet tegen de dood beschermen
in het geheel geen woord
en ook niet de stilte tussen
de grote en kleine woorden
zullen me tegen de dood beschermen

Maar misschien
zullen sommige
van deze woorden
en misschien
vooral de kleinere
of zelfs alleen maar de stilte
tussen de woorden
sommigen tegen de dood beschermen
als ik dood ben

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Erich Fried (6 mei 1921 – 22 november 1988)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e mei ook mijn blog van 6 mei 2020 en eveneens mijn blog van 6 mei 2019 en ook mijn blog van 6 mei 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

In vredesnaam (Jana Beranová), Erich Fried

 

Bij Bevrijdingsdag

 

Het bevrijdingsmonument (Herrezen boom door Jan Schoenmakers) in Lent (Nijmegen)

 

In vredesnaam

Mijn nacht is breekbaar
als een kolibrievlinder

vreemde stappen naast mijn bed
laarzen groot als wolkenkrabbers

’t bliksemt en knalt en ik sta weer
op straat – klein – alleen

Ik ren naar het slagveld
om een gedicht te schrijven

graaf geen kuil
voor gevallen woorden

ik laat de bomen
stapelverliefd ruisen

de bergen elkaar
opnieuw ontmoeten

en om geen kind te zijn
dat nooit meer slapen kan

geef ik landen voeten
om het geluk met ons te delen

Voor vrede plant ik
een stokroos een echte

met kaarsrechte rug

 

Jana Beranová (Plzen, 2 mei 1932)
Monument ter ere van generaal George Patton in Plzen

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Erich Fried op dit blog.

 

Voorbereidende oefeningen voor een wonder

Voor het lege bouwterrein
met gesloten ogen wachten
tot het oude huis
er weer staat en open is

Zo lang kijken naar
de stilstaande klok
tot de secondewijzer
weer beweegt

Aan je denken
tot de liefde
voor jou
weer gelukkig mag zijn

Het opwekken
van doden
is dan
heel gemakkelijk

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Erich Fried (6 mei 1921 – 22 november 1988)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e mei ook mijn blog van 5 mei 2020 en eveneens mijn blog van 5 mei 2019.

De demon (Gerrit Komrij), Ulla Hahn

Bij 4 mei

 

Verzetsmonument in ‘s-Hertogenbosch

 

De demon

Het is een sport om met gestrekte vinger
Te wijzen naar de goeden en de kwaden.
Ik houd het liever bij de binnendringer
Die in mij zelf verlangt naar euveldaden.

Twee zielen huizen in ons en ze heten
Ons meestal-kwade en soms-betere ik.
Ik hoor ze altijd. In mij woedt hun vete.
Straks klopt de demon weer. Vrees ik zijn tik?

De vrede om ons is maar schijn van vrede.
Ons eerste ik voert oorlog met ons tweede,
Ik word zó weer de ander die ik ben.

Zolang ik mijn gehate ik maar kén
En in de gaten houd ben ik niet bang.
Elk uur van lauwheid is een uur te lang.

 

Gerrit Komrij (30 maart 1944 – 5 juli 2012)
Oorlogsmonument in Winterswijk, de geboorteplaats van Gerrit Komrij.

 

De Duitse dichteres en schrijfster Ulla Hahn werd geboren op 30 april 1946 in Brachthausen. Zie ook alle tags voor Ulla Hahn op dit blog.

 

Dat zou een leven zijn

Ik bouw mijn nest in de oksel
van de man met de gouden helm. Gaat hij zo
dan ga ik roerloos met hem mee. Buigt hij
zijn lichaam dan doe ik rechtuit hetzelfde.
Eet hij zijn brood in het zweet van zijn
aanschijn dan lig ik bekoord door de geuren
onder zijn mannelijke arm.
Zijn woorden ja nee zijn zonder twijfel altijd de
mijne. Zaai niet, oogst niet: Hij voedt en
kleedt me toch wel. Hij vraagt er niets voor
dan zijn dagelijkse hoeveelheid rozen
zonder doornen wikkel ik de krans voor hem
kwetterend rond zijn goddelijke hoofd.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ulla Hahn (Brachthausen, 30 april 1946)

 

Zie voor de schrijvers van de 4e mei ook mijn blog van 4 mei  mijn blog van 4 mei 2019 deel 2.