Eddy van Vliet, Hans Lodeizen, Henk Hofland, Arie Storm, Paul Violi, Uwe Johnson, Maurice Gilliams, Francesco Petrarca

Dolce far niente – Bij de Nijmeegse Vierdaagse

 


Return of the Wanderer door Jack Butler Yeats, ca. 1928

 

De Wandelaar

De wandelaar hijgt. Bij het achterlaten
van niets heeft hij ervaren hoe alles blijft.

Langs de jaren voordien ging zijn tocht.
Wat tot bedaren werd gebracht,
als met water besprenkeld stof, wordt herdacht.

In over elkaar gelegde landschappen
vindt hij één voor één iedereen terug.

Alleen: omkeren naar zichzelf kan hij niet.

 

 
Eddy van Vliet (11 september 1942 – 5 oktober 2002)
De Scheldekaaien in Antwerpen, de geboortestad van Eddy van Vliet

 

De Nederlandse dichter Hans Lodeizen werd geboren op 20 juli 1924 in Naarden. Zie ook alle tags voor Hans Lodeizen op dit blog.

 

als we maar hoop hebben

deze oude vieze wereld
die kun je gerust weggooien:
de romantiek van
uilskuikens

het is verdomd
moeilijk om te leven
zie in de hemel:
alles is rotzooi

maar als we maar
hoop hebben
zolang we maar
hoop hebben…

 

Mazurka

Geef mij de hand
zo zacht en goedgeefs,
de hand die liefde
als een sjaal uitspreidt,
de hand die een doorn
is in de zijde van de nacht,
en de regen overschaduwt.
doodsbenauwd is
de hand; een keizer

geef mij het lichaam,
zachter dan zeewind,
zacht als een vos.
dan zal ik niet meer
vragen, de storm
van mijn ogen zal lachen
in zonlicht, een waaier
van lente gelijk, een zaad
dat ontplooit tot
lach en droefheid,
nevel en rood.
daar hangen de bloemen,
de vingers van de hand,
de hand van het lichaam.

raak mij zachtjes aan,
in mij woont het raadsel.
soms wandelt het in jouw wereld,
soms wandelt het dagenlang,
soms rust het uit in jouw ogen,

laat me je hand zien,
morgen zal ik een andere zien.
ik ken jouw leven omdat de zon
met jou wat te doen heeft.
   

 

Jim ik zou willen weten

Jim ik zou willen weten
wat maakt het de moeite waard
dat je door blijft schrijven
brieven, opstellen en gedichten
waarin je de wereld aanprijst
en deskundig schat als een koopman.
hoe komt het dat je niet moe
wordt en de ogen dicht doet en
denkt ik wou dat ze allemaal
naar de hel gingen met hun
kletspraatjes en door blijft schrijven
brieven, opstellen en gedichten
waaruit ik je herken en waardoor
ik je tegenkom lachend
en mij moed insprekend
want ik ben heel moe en terwijl
ik spreek glijdt hoop uit mij vandaan.
Jim wat maakt het de moeite waard
dat je door blijft schrijven
brieven, opstellen en gedichten… etc.


Hans Lodeizen (20 juli 1924 – 26 juli 1950)

 

De Nederlandse schrijver, journalist, commentator, essayist en columnist Henk Hofland werd geboren in Rotterdam op 20 juli 1927. Zie ook alle tags voor Henk Hofland op dit blog.

Uit: Van zazou tot provo

“Van alle jeugdbewegingen in Nederland waarover sinds de oorlog bezorgde, verontwaardigde of diepzinnig verklarende artikelen zijn geschreven, is die van de provo’s de enige die er revolutionaire theorieën op nahoudt, althans een aantal formules op schrift heeft gesteld. Dit onderscheidt de provo’s van al hun voorgangers, en het is nu maar de vraag of we hier met een principieel verschil hebben te maken, of dat de anarchistische theorie alleen maar franje is. In het laatste geval hebben de provo’s al een stamboom waarin ze na de zazous en de nozems al de derde generatie zijn.
Wie spreekt er nu nog over zazous? Ze zijn totaal vergeten, maar toch hebben ze jarenlang voor grote verontrusting onder de pedagogen gezorgd. Het best zijn ze beschreven door Malaparte in De huid:
‘Zazous waren excentrieke jongelieden tussen de zeventien en de twintig, opvallend gekleed, met golfschoenen, nauwe tot het scheenbeen reikende broekspijpen, een overmatig lang jasje en een overhemd met een hoog nauw boord. Ze droegen hun haar lang, tot in hun nek en het geheel deed herinneren aan Marie Antoinette. De zazous verschenen voor het eerst in 1940 hier en daar in Parijs in de buurt van de Place Victor Hugo. In een bar aan dit plein hadden ze hun hoofdkwartier. Vervolgens werden ze in dichte drommen waargenomen aan de Rive Gauche en in de bars in de buurt van St. Germain des Prés. Maar de voorkeur bleken ze toch te geven aan Muette en de Champs Elysées.
Over het algemeen kwamen ze uit welgestelde burgermilieus en op het eerste gezicht lieten de zorgen die de meeste Fransen somber stemden, hen koud. Ze toonden geen buitengewone belangstelling voor kunst of litteratuur of sport en vooral niet voor de politiek, als men tenminste de smerigheid uit die tijd politiek wil noemen. Voor alles wat onder de term flirt wordt samengevat, waren ze onverschillig, hoewel ze in gezelschap waren, of liever, meisjes in hun gevolg hadden die op soortgelijke excentrieke manier gekleed waren – in een lange blouse en een rok die tot even boven de knieën reikte.In openbare gelegenheden spraken ze nooit luid, maar steeds met gedempte stem, bijna fluisterend, en hun gesprekken gingen altijd over de film, minder over de sterren dan over de regisseurs en de films op zichzelf. Hun middagen brachten ze door in de bioscoop, en in de donkere zalen hoorde men hun zacht gefluister en de korte keelgeluiden waarmee ze elkaar aanriepen.”


Henk Hofland (20 juli 1927 – 21 juni 2016)
Provo in Amsterdam, 1965

 

De Nederlandse schrijver en literatuurcriticus Arie Storm werd geboren in Den Haag op 20 juli 1963. Zie ook alle tags voor Arie Storm op dit blog.

Uit: Retourtje seksland

“Je komt er niet langer mee weg, als schrijver. Ik bedoel: gewoon thuis blijven zitten en werken, dat is niet meer goed mogelijk. Van alle kanten wordt er aan je getrokken (zo, de toon is gezet!). Na de publicatie van mijn reisverhalenboek – doeltreffend Op reis! genoemd – werd mij al spoedig gevraagd meer van dit soort ondernemingen op touw te zetten en mijn vleugels wederom uit te slaan (the plot thickens). Reizen is in, seks is nooit uit geweest. Wil hier thuis de schoorsteen blijven roken – dit is een moeizame en tegelijkertijd niet al te originele vorm van beeldspraak, met die rokende schoorsteen, maar enfin (mensen worden met minder beroemd), en élk fallisch symbool is vanaf nu mooi meegenomen -, dan moet ik echt álles aannemen. Voor vrouw en kind. Persoonlijk heb ik gewoon thuis seks, maar dat is weinig enerverend. Die seks is op zichzelf wel enerverend, haast ik mij te zeggen (anders is ook dat afgelopen), maar het decor en de privé-situatie nodigen niet uit tot verdere uitweiding. ‘Seks hebben’ is trouwens een anglicisme, beter is het om te spreken over ‘de liefde bedrijven’ – maar gezien de toonzetting van het verzoek dat mij heeft bereikt (een uitnodiging van het bekende seksblad De Gids – ‘sinds 1837’ -, opgericht door E.J. Potgieter en C.P.E. Robidé van der Aa; we zijn van ver gekomen), is het duidelijk dat het die kant niet op moet. Het woord ‘liefde’ kan beter worden vermeden, in deze context, en daar zal ik me vanaf nu aan houden. Wat ik nodig had, voor het schrijven van dit stuk, om inspiratie op te doen (zeg maar…), was een retourtje (heen en terug) seksland – dat was mij vrij vlot duidelijk.
Mijn vrouw had het, als we probeerden dat seksland te lokaliseren (nee, we spráken er gewoon over), al spoedig over een voetbalkleedkamer. Zelf dacht ik meer in de richting van Paris Hilton of Sienna Miller en hun gepimpte landhuizen, waar, nu ja, et cetera. Toch liet ik het haar even uitleggen. Nog niet zo héél erg lang geleden had ik in het kader van de verschijning van het boek We gaan naar Duitsland om te winnen (treurig) meegedaan aan een partijtje voetbal, hielp ze mij me te herinneren (het zweet stond spontaan op mijn voorhoofd en ook bij haar zag ik iets glinsteren). Een team bestaande uit de schrijvers die aan het boek hadden meegewerkt speelde tegen een team dat werd gevormd door boekverkopers. Na afloop was ik even verdwenen. Niet, om het eens poëtisch te zeggen, verdwenen voor mezelf (hoewel dat ook voorkomt), maar voor mijn vrouw.”


Arie Storm (Den Haag, 20 juli 1963)

 

De Amerikaanse dichter Paul Randolph Violi werd geboren op 20 juli 1944 in Brooklyn, New York. Zie ook alle tags voor Paul Violi op dit blog.

Abundance

In Breughel’s great picture “Canal Street,”
restaurant customers order roast swan
instead of chicken, hurled salad
instead of tossed salad, while shoppers
spill through a maze of stalled trucks
and scurry around the sidewalk stalls
jammed with countless nameless things
that housewives sidestep
to surround a Japanese man
in a broad-brim hat and painted silk tie
as he demonstrates how one gadget
can cut food 50 different ways
and though they don’t understand a word
he says, they stand transfixed by his spiel
amid the fumes and noise and loud fruitvendors
dropping casual perfections of sun and rain
into bags and sacks against a backdrop
of silver towers and sea and fields
vibrant with excess that giddy farmers hail
by tossing animals, large animals,
into the air to be carried away
on the winds of exuberance
to the four corners of the globe
where the romping gods
bear so many attributes
they’re a bundle of incongruities
and no one takes them seriously
not even their beaming angels
who parachute drunkenly down to the shore
distracting the dogs let loose on cormorants
that ate so much they can’t fly
but not the boys in the rowboat
who have caught a blowfish,
tickled its belly until it’s about to burst
like a balloon before dropping it overboard
to watch it blow itself backward to kingdom come,
nor the other children who have stopped
clamoring over the stranded whale’s back
to swim out underwater, under the swans,
grab them by the legs and yank them down
in a slow fury of bubbles and light
and then sell them to the market
near the restaurant in the foreground
of Breughel’s great picture “Canal Street.”


Paul Violi (20 juli 1944 – 2 april 2011)
Hier met zijn dochtertje in 1973

 

De Duitse schrijver Uwe Johnson werd geboren op 20 juli 1934 in Cammin (tegenwoordig Kamień Pomorski, Polen). Zie ook alle tags voor Uwe Johnson op dit blog.

Uit: Mutmaßungen über Jakob

»Ah –: galubuschka« sagte er. Er hatte alles im Kopf, tolles Gedächtnis, bat mich um Vortrag. Ich hielt ihm Vortrag.
Er hielt mir Vortrag. Verabredung. Eto ujasno. Verabredung. Zusammenfassung. Ich sagte noch: »Jesliana ostawajetssa galubka na kryschje …«, er verstand es nicht gleich, die haben dafür eine andere Fassung, dann lachte er. »Lutsche warabeja« sagte er. Er war sehr nett, gar nicht förmlich, immerhin war es ein Einzelgängerauftrag. Die Taube auf dem Dach. Den Abend verbrachte ich noch zu Hause, war aber ziemlich in Gedanken, manchmal auch unruhig. Schliesslich war die vorige Aktion gute Arbeit, dafür haben sie mich ja befördert, und Freistellung zur besonderen Verwendung ist letzten Endes noch eine Beförderung, musste es nun aber gleich die sein, wie konnte Cresspahl dann noch solche Lieder singen, ich kann auch wieder runterbefördert werden, dabei bleibt es nicht. Und der Ärger wegen des Kindes. Ich seh ja ein dass meine Tochter schlafen muss um zwanzig Uhr, sie ist zwei Jahre alt, ich seh das ein, aber ich hab sie doch auch nur ein bisschen angehoben zum Abschied, also gut. Um Mitternacht ging ich runter auf die Strasse. Hänschen las in seiner ewigen technischen Fernschule und gähnte dass ich es sehen sollte, beim Anlassen sagte er: »Der Urlaub hätte länger dauern dürfen«, und ich sagte »In Jerichow ist ein Badestrand«, das war aber so um den siebenten Oktober, da fühlte ich mich wieder wohl, das wollen wir doch mal sehen. Das war Anfang Oktober und Herbst und wir fuhren die ganze Nacht weg aus Berlin nach unten und der Himmel wurde immer grösser immer weisser, da stand der Kirchturm von Jerichow ziemlich bescheiden hinter dem Berg. Die Hundefänger von Jerichow haben die beiden Einfamilienhäuser in der Bahnhofstrasse, trübefinster, beinahe baufällig, die Garage dicht daneben, lediglich ein Schild haben sie noch nicht angebracht.“

 
Uwe Johnson (20 juli 1934 – 24 februari 1984)
Cover

 

De Vlaamse dichter en schrijver Maurice Gilliams werd geboren in Antwerpen op 20 juli 1900. Zie ook alle tags voor Maurice Gilliams op dit blog.

Uit: Elias of het gevecht met de nachtegalen

“Wij vluchten bij mijne moeder in de eetzaal, omdat we weten dat ze Aloysius tegen tante Zénobie beschermen zal. wonderlijk stil is hij voor mijne moeder geworden, en wanneer haar trage hand over zijn haren streelt, springen er op eens lang ingehouden snikken in hem los.
Beschaamd, zijn voorhoofd tegen de muur gesteund, staat hij met zichzelf te vechten. Ondertusschen zijn wij aan tafel gegaan. Er hangt een afwachtende stilte over de familie. De dienstmeid gaat heen en weer met de dampende soepterrine. Als hij zich eindelijk omkeert is Aloysius als een doofstomme, verdwaasd en ongevoelig voor ons geworden. Zijn oogen staan hard en donker in zijn bleek gezicht, en zij schijnen niemand rond zich heen te herkennen.
Tijdens de zomervacantie wordt er ieder jaar op het familiebuiten een feest gehouden, en naar gewoonte zullen de kinderen een tooneelstukje opvoeren. Tante Theodora heeft er zich mede bemoeid, en alles werd voor een paar weken tot in de puntjes verzorgd. Er zijn de jongens van tante Emma: Casimir, Oscar en Leopold; en er zijn de kinderen van tante Zénobie: Albertus, Aloysius en Hermine. Met vragende oogen staan wij benieuwd rond tante Theodora geschaard; er is verwondering in ons hart, omdat ze met zulke geveinsde en profijtige vriendelijkheid over allerlei bijkomstige dingen spreekt.
Tante Zénobie heeft een zoontje dood: Pietje; Tante Emma, een dochtertje: Virginia. Daar zullen we dit jaar een aandoenlijk spel van vertoonen. Hermine speelt voor het kindje van tante Emma; maar omdat er onder de kinderen van tante Emma geen zulke kleine jongens meer zijn om Pietje uit te beelden, moet ik die gewichtige rol vervullen. Wij houden dagelijks repetitie in een buiten dienst gestelde remise en tante zegt ons plechtig voor wat wij aan elkaar vertellen moeten.
Wanneer we eindelijk mogen uitscheiden ben ik doodmoe, zoodat ik niet met Aloysius mee kan. De groote jongens gaan met hun boeken languit in het gras liggen; ze spelen vogelpik onder een oude eik of kegelen in de schaduw van het waschhuis. Ik word door Hermine in huis gelokt en wij gaan heerlijk in het salon onder de tafel uitrusten.
Hermine is erg zenuwachtig, mager, van doorschijnende bleekte en ze kan plotseling zulke malle invallen hebben. Zij heeft ook gevoelerige buien; dan kan ze niet dicht genoeg bij me zijn en gedurig aan trapt ze mij op de voeten of ze tikt me nijdig op de vingers, dat ze er van gloeien en pijn doen. Zij leert me met vuur spelen. Tersluiks heeft ze een doosje lucifers weggenomen; drie tot tien solferstekken tegelijk ontbranden, die ze dan onvoorzichtig over mij heen in de richting van de koolemmer gooit.”


Maurice Gilliams (20 juli 1900 – 18 oktober 1982)
Cover

 

De Italiaanse dichter en schrijver Francesco Petrarca werd geboren in Arezzo op 20 juli 1304. Zie ook alle tags voor Francesco Petrarca op dit blog.

Uit: Die Besteigung des Mont Ventoux (Vertaald door Kurt Steinmann)

„Am festgesetzten Tage gingen wir fort von Haus und kamen gegen Abend nach Malaucène, – das ist ein Ort am Fuße des Berges, nach Norden gewandt.
Wir verweilten dort einen Tag und bestiegen heute endlich, jeder mit einem Bedienten, den Berg, nicht ohne viel Beschwerde. Er ist nämlich eine jäh abstürzende, fast unersteigliche Felsmasse. Indessen gut hat der Dichter gesagt: Verwegnes Mühen alles zwingt. Ein langer Tag, schmeichelnde Luft, Lebensfeuer der Gemüter, Kraft und Gewandtheit der Leiber und was es sonst dergleichen geben mag, stand uns beim Wandern zur Seite; einzig widerstand uns die Natur des Ortes. Einen uralten Hirten trafen wir an den Hängen des Berges, der sich mit viel Worten bemühte, uns von der Besteigung abzubringen. Dieser sagte, er habe vor 50 Jahren in ebensolchem Ansturme jugendlichen Feuers den höchsten Gipfel erstiegen, indessen nichts von da heimgebracht als Reue und Mühe und von Felskanten und spitzen Dorngestrüpp zerrissenen Leib und Rock, und es sei weder vor noch nach jener Zeit je bei ihnen davon gehört worden, daß irgendwer Ähnliches gewagt habe. Da jener dies uns zuschrie, wuchs uns am Verbote das Verlangen – denn jugendliche Herzen schenken ja Warnern nur ungern Glauben. Infolgedessen ging der Greis, als er sah, daß er sich vergebens Mühe, etwas mit vorwärts und wies uns zwischen den Felsen einen steilen Pfad mit dem Finger, wobei er vielerlei zu erinnern wußte und viel hinter uns her seufzte, als wir schon davongegangen waren. Wir lassen bei ihm alles zurück, was irgend an Kleidungsstücken oder sonstiger Ausrüstung hinderlich sein könnte, schicken uns einzig und allein zur Besteigung an und klettern munter los. Aber, wie es meist geschieht, folgt dem ungeheuren Unterfangen geschwind die Ermattung. So erging es mir zu meiner Entrüstung mindestens dreimal innerhalb weniger Stunden, und mein Bruder lachte darob nicht wenig. So hatte ich mich denn, oft enttäuscht, in einem Tal niedergelassen. Dort schwang ich mich auf Gedankenflügeln vom Körperlichen zum Unkörperlichen hinüber und wies mich selbst etwas mit den folgenden Worten zurecht: Was du heute so oft bei Besteigung dieses Berges erfahren hast müssen, wisse, genau das tritt an dich und an viele heran, die da Zutritt suchen zum seligen Leben. Aber es wird deswegen nicht leicht von den Menschen richtig gewogen, weil die Bewegungen des Körpers zutage liegen, die der Seele jedoch unsichtbar sind und verborgen.“

 
Francesco Petrarca (20 juli 1304 – 19 juli 1374)
Standbeeld in Venetië

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e juli ook mijn blog van 20 juli 2017 en ook mijn blog van 20 juli 2013 deel 2 en eveneens deel 3.

Sarah Josepha Hale, Anna Enquist, Laurent Binet, Ghayath Almadhoun, Jean-Pierre Faye, Lucas Malan, Dom Moraes, Miltos Sachtouris

Dolce far niente

 

 
Zomermorgen door Sergey Lutsenko, 2016

 

Summer Morning

How beautiful the morning,
When summer days are long;
O, we will rise betimes and hear
The wild-bird’s happy song–
For when the sun pours down his ray
The bird will cease to sing;
She’ll seek the cool and silent shade,
And sit with folded wing.

Up in the morning early–
‘Tis Nature’s gayest hour!
There’s pearls of dew upon the grass
And fragrance on the flower.
Up in the morning early,
And we will bound abroad,
And fill our hearts with melody,
And raise our songs to God.

 

 
Sarah Josepha Hale (24 oktober 1788 – 30 april 1879)
Newport, New Hampshire, de geboorteplaats van Sarah Josepha Hale

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Enquist werd geboren op 19 juli 1945 in Amsterdam als Christa Boer. Zie ook alle tags voor Anna Enquist op dit blog.

Mijn zoon

Mijn zoon stormt door het huis,
een roffel op de trap. Hij is
zichzelf een motor. Het lied
dat in hem leeft ontsnapt hem
soms. Ik hoor hem zingen
op de gang en zwijg.

’s Nachts is hij bang, hij twijfelt
aan zichzelf, aan ons, de wereld.
Ik neem hem in mijn arm
en zonder spreken vaag ik
de oorlog weg en kinderkanker,
mijn eigen dood, het monster van de tijd.

Ik lieg hem voor en red hem
tot wij beiden slapen in gestolen veiligheid.

 

Winterwerk

De sarabande spelen op de vrieskoude
deel. De uilen hebben het klavier onder-
gescheten. Stom staan de dingen
van de zomer om je heen, strohoed,
trompet. Omhoog die bovenstem, waar
vogels schuilen op de balk, en dan omlaag.

Vertraag het lied, houd in totdat bloed
stolt en adem stokt. Kan zij nu gaan?
Doorspelen. In de bas orgelt een toon
die alle tegenstemmen op zal zuigen.
Hollen of stilstaan – maakt niet uit,
je hamert hoorbaar op het einde aan.

Niet meer dan vilt op staal, lucht
die uittrilt tot stilte. Slechts een dag
in de gestage rij van dagen.

 

Conversatie met de kinderen

Aan tafel gaat het over
wreed. Dat je een lied zingt
waar de ander van moet huilen,
en dat je dat wéét, zeggen zij
zwaaiend met hun lepels. Zeker.

Of met een licht de trage
zwarte kreeften lokt. Jij
in de boot. De dieren spoeden
zich, kunnen niet anders doen
dan ijlen naar wat trillend
fonkelt achter raster dood.

Het ergste is de dolkstoot,
vinden zij. Dat iets geheels en
gaafs zo onverhoeds wordt aangetast
en voortaan niet meer zelf is
maar in binding met het wapen
dat zich toegang eist, en breekt, en krast.

Ontroerd, geobsedeerd, verwond
hoor ik hoe zij het wapentuig
van liefde argeloos als wreed
benoemen. Zonder aarzeling.
Boven de soep houd ik mijn mond.

(Schumann, Kinderszenen, opus 15)

 
Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)

 

De Franse schrijver Laurent Binet werd geboren in Parijs op 19 juli 1972. Zie ook alle tags voor Laurent Binet op dit blog.

Uit: La septième fonction du langage

“Au Flore, à côté d’une petite bonne femme blonde, ils aperçoivent un homme qui louche derrière de grosses lunettes, il a l’air souffreteux et sa tête de grenouille dit vaguement quelque chose à Bayard, mais ce n’est pas pour lui qu’ils sont là. Bayard repère les hommes de moins de trente ans et va les aborder. La plupart sont des gigolos qui draguent dans le secteur. Est-ce qu’ils connaissaient Barthes ? Tous. Bayard les interroge un par un tandis que Simon Herzog surveille Sartre du coin de l’œil : il n’a pas l’air en forme du tout, il n’arrête pas de tousser en tirant sur sa cigarette. Françoise Sagan lui tapote le dos avec sollicitude. Le dernier à avoir vu Barthes est un jeune Marocain : le grand critique était en pourparler avec un nouveau, il ne connaît pas son nom, ils sont partis ensemble l’autre jour, il ne sait pas ce qu’ils ont fait ni où ils sont allés ni où il habite mais il sait où on peut le trouver, ce soir : aux Bains Diderot, c’est un sauna, à Gare de Lyon. « Un sauna ? » s’étonne Simon Herzog, quand surgit un énergumène en écharpe qui lance à la cantonade : « Regardez-moi ces gueules ! Elles n’en ont plus pour longtemps ! En vérité, je vous le dis : un bourgeois doit régner ou mourir ! Buvez ! Buvez votre Fernet à la santé de votre société ! Profitez, profitez ! Chassez ! Périclitez ! Vive Bokassa ! » Quelques conversations s’interrompent, les habitués observent le nouveau venu d’un œil morne, les touristes essaient de profiter de l’attraction sans bien comprendre de quoi il s’agit, mais les serveurs continuent à servir comme si de rien n’était. Son bras balaie la salle d’un geste théâtral outré et, s’adressant à un interlocuteur imaginaire, le prophète à écharpe s’exclame sur un ton victorieux : « Pas la peine de courir, camarade, le vieux monde est devant toi !
(…)

Quand Jacques Bayard arrive devant la chambre, il découvre une queue de plusieurs mètres dans le couloir. Tous attendent pour rendre visite à l’accidenté. Il y a des vieux bien habillés, des jeunes mal habillés, des vieux mal habillés, des jeunes bien habillés, des styles très variés, des cheveux longs et des cheveux courts, des individus de type maghrébin, plus d’hommes que de femmes. En attendant leur tour, ils discutent entre eux, parlent fort, s’engueulent ou lisent un livre, fument une cigarette. Bayard, qui n’a pas encore bien pris la mesure de la célébrité de Barthes, doit vraisemblablement se demander ce que c’est que ce bordel. Usant de ses prérogatives, il passe devant la queue, dit « Police » et entre dans la chambre.”

 
Laurent Binet (Parijs, 19 juli 1972)

 

De Zweeds – Palestijnse dichter, toneelschrijver, journalist en literair criticus Ghayath Almadhoun werd geboren op 19 juli 1979 in Damascus. Zie ook alle tags voor Ghayath Almadhoun op dit blog.

For Damascus

This summer seeping through the fractures
of Damascus is killing me. I creep like rust
on the doors of this prison, now turned
into a museum. I sit in a cafe
frightened and shrinking on days
when money is scarce, and laughing loudly
on days when my shifty pockets are full.
Damascus is my cracked home, and
Kasyon is what I grieve. I sprawl
in the evening like horns of cars
and carts of broad beans. Strangers and
tourists take to me. I am fenceless, any
joy that betrays me, returns
in sorrow to my laughing face. I
am a weird blend; my face mirrors
the wretched and the shopfront displays.
My body is fields of burning
wheat and my tongue scolds like a shoe.
The policeman, the teacher and
the mysterious man stare at me, so I sadly
laugh, and they joyfully cry. Damascus
is mine, and I will not share my bed with
anyone other than the wicked and
the whores. I am the descending ladder
to high pits and the footsteps of thieves
on the sand. My body is a departure
motel and my words are tiny gospels that
the prophets had lost, so the prodigal sons
embraced them. Therefore, I will toss the crumbs
to birds on barbed wire, and I will castrate
glory on asphalt. This is what they taught us
in public schools, before they let us off
like rabbits to chew the grass
of submission. I said to you that I will not
allow anyone to sneak in and peek at Damascus
as she bathes alone, her small
breasts timidly uncovered, I will not
let you
in.

Vertaald door Zeina Issa


Ghayath Almadhoun (Damascus, 19 juli 1979)

 

De Franse schrijver en filosoof Jean-Pierre Faye werd geboren in Parijs op 19 juli 1925. Zie ook alle tags voor Jean-Pierre Faye op dit blog.

Le visage qui va

Le visage qui va
voir, est aussi regardé
juste avant qu’il ne lève
les yeux au-devant, et ne soit traversé
– maintenant il est juste
moulé dans la lumière, modelé
du dehors, caressé
le long du cou, de la hanche
et des reins, jusqu’à la confluence
des jambes et du ventre
et jusqu’où il est ventre et corps
mais lève les yeux, ouvre
ce trou dans la distance, le long
des murs chauds ici, rouges
délabrés, marqués de joints écaillés
et jusqu’au fond et aux arbres
au chemin de son, passé et crissé
à peine prenable, ici
elle, confondue
peu à peu avec les murs
assise, fondue dans le ciment
et les grandes écailles tracées et détachées
écoutant longtemps et voyant
appuyée au revers de main, et
ne cessant pas de rester et d’être
durable et dessinée


Jean-Pierre Faye (Parijs, 19 July 1925)

 

De Zuidafrikaanse dichter Lucas Cornelis Malan werd geboren in Nylstroom op 19 juli 1946. Zie ook alle tags voor Lucas Malan op dit blog

In Camera 1

Ensconced in Duchess Court she managed to retain
some antique furniture and a precarious dignity:
and after fifty years as midwife also the knack
of charming people. Here she preserves photographs,
old journals and her pain in specific detail.
The Royal Albert tea service (picked out
at Anstey’s as a bride) she uses only
for teas such as this – and all the snacks I made myself.
Now, this is the lounge where we will have our tea.

But let me show you something at the back
– please excuse the mess round here, I am
a dressmaker too, you know – designer stuff –
the place gets terribly untidy; and then, of course
Lindy’s always underfoot. Sit down! Now sit!
She gets so worked up, you see. And this gate
I had installed for my security. But just take a look
out there: You can almost see eternity. Now,
have you ever seen a view like that?

This gown I made for Marguerite. She came
round here this morning – Miss South Africa of ’68.
Never married, do you know? And still
as beautiful, although she’s put on weight.
Poor girl. I wonder, though . . . Oh, never mind,
that’s, after all, the way things go. Now come,
let’s have some tea. Do you know this? Earl Grey,
which Gavin brings from London, always fresh.
He’s with SAA, a gentleman and very kind –

The sun is shifting, she makes more tea. We speak
of this and that: My husband died in ’83, how sad
for me who had no kith or kin. But then, you see,
the Lord provides: my tiny Lindy here
is like a child and always such a joy. But what
is to become of her if I – She speaks, and all the while
the light around us fades. It’s getting late,
she notes, but don’t go yet! You have to see
the view at night. I go along with her to look:

Like a sea the city lies, incandescently inflamed
in outgrowths round the core, the outskirts –
like a nocuous yellow flicker along the seam
dividing elite and deprived neighbourhoods:
a Milky Way torn off by gravity. This is a place
of people, of passion and loneliness. She looks:
You know what this reminds me of? I listen
and then leave. But embedded in that metaphor
(a cemetery alight) I see an old placenta
splayed out – black and terminal with blight.

Vertaald door Charl J.F. Cilliers en Lucas Malan


Lucas Malan (19 juli 1946 – 15 april 2010)
De NH kerk in Nylstroom

 

De Indiase dichter en schrijver Dominic Francis Moraes werd geboren op 19 juli 1938 in Bandra. Zie ook alle tags voor Dom Moreas op dit blog.

KANHERI CAVES

Over these blunted, these tormented hills,
Hawks hail and wheel, toboggan down the sky.
It seems this green ambiguous landscape tilts
And teeters the perspective of the eye.
Only two centuries after Christ, this cliff
Was colonised by a mild antique race
Who left us, like a faded photograph,
Their memories that dry up in this place.

They left no ghosts. The rock alone endures.
The drains and cisterns work, but wrecked the stairs;
Blocks are fallen: sunlight cracks those floors,
And fidgets in a courtyard where a pair
Of giant Buddhas smile and wait their crash.
Then temples, audience-halls, a lonely tomb.
I touch its side. The stone’s worn smooth as flesh.
A stranger dangles peaceful in that womb.

Worm he will be, if born: blink in the sun.
I’ll crawl into his dark; perhaps he’ll climb
Beyond the trippers to the final stone
Flat of the hillock, there to grow in Time.
Dry pubic ferns prickle the bitter sand.
Hawks in a hot concentric ecstasy
Of flight and shriek will wake his vision.
And When the clouds lift, he’ll glimpse the miles-off sea

 
Dom Moraes (19 juli 1938 – 2 juni 2004)

 

De Griekse dichter Miltos Sachtouris of Miltos Sahtouris werd geboren in Athene op 19 juli 1919. Zie ook alle tags voor Miltos Sachtouris op dit blog.

The Poet’s Head

I cut off my head
I put it on a plate
and took it to my doctor

— There’s nothing wrong, he said,
it’s just overheated
throw it in the river and we’ll see

I threw it in the river with the frogs
and it raised a dreadful racket
it started shrieking and howling
all kinds of strange songs

I picked it up and put it back on my neck

and roamed the streets in a rage

with a poet’s green hexagonometric head

For Spring

The sun is green
the trees are burning
awaiting the swallows
our iron swallows’ nests
no longer fool us with their flowers
they cost us our arms and legs
now our arms and legs are hanging
from the trees

 

Vertaald door Karen Emmerich

 
Miltos Sachtouris (19 juli 1919 – 29 maart 2005)
Athene

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e juli ook mijn blog van 19 juli 2017 en ook mijn blog van 19 juli 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Judith Beveridge, Simon Vinkenoog, Hunter S. Thompson, Steffen Popp, Per Petterson, Elizabeth Gilbert, Alicia Steimberg, Aad Nuis

Dolce far niente

 

 
Bryant Park Reading Room door Peter Salwen, 2014

 

In The Park

Sitting on the grass
in the park—thinking about
what’s going by, about
the pinks and plenary reds

of today’s sunset.
Insects rampant as ions
off charged wires nipping,
tingling my legs.

Those buildings are like
bottles of scent fragile
in their lemon spray
mist and cologne light.

The harbour’s becoming
dark against the chromocosm
of the moon adrift
under the stars.

A gull squeaks—it’s
the sound of a pin
piercing polystyrene—it
carries out to the yachtmasts

moving mechanically
as wiper-bars, out to
the Opera House a duster
of starched serviettes.

Now, out to the suburbs,
those racks and racks
of tinted light
rising behind the trees.

 

 
Judith Beveridge (Londen, 1956)
Hydepark in een zomers Londen

 

De Nederlandse dichter en schrijver Simon Vinkenoog werd op 18 juli 1928 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Simon Vinkenoog op dit blog.

Robert

dit kan mijn geboorte nog niet zijn
dit is het leven van een ander –
het slaan van mijn hart is geen bewijs
en mijn mond is nog gesloten

dit is het bloeden van een rose keel
het woord dat de eerste daad verlamt
de hand die op mijn mond gelegd
aarzelend de gedichten zegt
waarin mijn vloeken
huizen naar beneden halen

dan sloop ik deze negenmaandse muur
waarop mijn vingers langzaam
het mene mene tekel schrijven

 

Groet

In de pijnkamer van onthechting
overgave deint en dreint

alles weten om niets te weten
lessen vergeten alles opnieuw
van te voren

kleine roofridder
hard als staal

adieu

 

Thelonious Monk

dit is een straat van parijs
met een arabier in de zon
die langzaam slenterend werkloos
loopt te zijn een 1951-noordafrikaan
ting ting ting in de bleke zon
zonder geluid

dit onder water uitgesproken
vonnis ting ting ting
ternauwernood de oppervlakte rakend
en met een strofe in de franse taal:
je donnerais ma vie
toute entière
pour un petit rire confus et obscène
herinnert aan de dierentuinapen
met mondbekken harige benen
en ronde gladde achterhanden
die gretig alle kleuren willen grijpen wit en zwart
ting ting ting

 
Simon Vinkenoog (18 juli 1928 – 12 juli 2009)

 

De Amerikaanse schrijver en journalist Hunter Stockton Thompson werd geboren in Louisville (Kentucky). op 18 juli 1937. Zie ook alle tags voor Hunter S. Thompson op dit blog.

Uit: Fear and Loathing in Las Vegas

“The only thing that really worried me was the ether. There is nothing in the world more helpless and irresponsible and depraved than a man in the depths of an ether binge. And I knew we’d get into that rotten stuff pretty soon. Probably at the next gas station. We had sampled almost everything else, and now – yes, it was time for a long snort of ether. And then do the next 100 miles in a horrible, slobbering sort of spastic stupor. The only way to keep alert on ether is to do up a lot of amyls – not all at once, but steadily, just enough to maintain the focus at 90 miles an hour through Barstow.
“Man, this is the way to travel,” said my attorney. He leaned over to turn the volume up on the radio, humming along with the rhythm section and kind of moaning the words: “One toke over the line … Sweet Jesus … One toke over the line …”
One toke? You poor fool! Wait till you see those goddamn bats. I could barely hear the radio … slumped over on the far side of the seat, grappling with a tape recorder turned all the way up on “Sympathy for the Devil.” That was the only tape we had, so we played it constantly, over and over, as a kind of demented counterpoint to the radio. And also to maintain our rhythm on the road. A constant speed is good for gas mileage – and for some reason that seemed important at the time. Indeed. On a trip like this one must be careful about gas consumption. Avoid those quick bursts of acceleration that drag blood to the back of the brain.
My attorney saw the hitchhiker long before I did. “Let’s give this boy a lift,” he said, and before I could mount any argument he was stopped and this poor Okie kid was running up to the car with a big grin on his face, saying, “Hot damn! I never rode in a convertible before!”
“Is that right?” I said. “Well, I guess you’re about ready, eh?”
The kid nodded eagerly as we roared off.
“We’re your friends,” said my attorney. “We’re not like the others.”
O Christ, I thought, he’s gone around the bend. “No more of that talk,” I said sharply. “Or I’ll put the leeches on you.” He grinned, seeming to understand. Luckily, the noise in the car was so awful – between the wind and the radio and the tape machine – that the kid in the back seat couldn’t hear a word we were saying. Or could he?”

 
Hunter S. Thompson (18 juli 1937 – 20 februari 2005)

 

De Duitse dichter en schrijver Steffen Popp werd geboren op 18 juli 1978 in Greifswald. Zie ook alle tags voor Steffen Popp op dit blog.

 

Dickicht mit Reden und Augen

Möglichkeit und Methode überschneiden sich
ein kühner Satz bricht sich im Wald, fortan er hinkt

kein Sprung ins Dickicht dringt, kein Huf hinaus
kein ausrangiertes Fahrrad betet hier um Ruh
kein altes Lama spuckt, kein junges auch

sie hängen in den Tag, in Baumschaukeln
kein Baum, genau besehen, keine Schaukel, nicht mal
ein sie, nur hängen, Tag

Reden, durch nichts gedeckt, doch lebhaft
Lebewesen fast in einem Dickicht
hängend, hinkend eine, darum nicht weniger wahr
nicht wahr, nicht weniger, nicht – ungerührt

schaukeln oder grasen zur Pflege der Landschaft
oder stehen nur in ihr, schauen herüber mit Augen.

 

Betonstufen, die Meere

Bewegung (Luft), Meerfarbe (grün), ein Igel (die Technik eines Coyoten
ihn auf den Rücken zu drehen) – dein Herz, der nahe Hafen
dehnt sich an seinen Schlafkanten. Futter in Säcken, Munitionskisten
der gespaltene Huf eines Esels im Brackwasser –

das Meer zeigt dir Ufer (die Grenzen), du schläfst in deinen Staaten
es gibt Geheimzeichen, Türme (auf See blickend), Flugabwehr
Ingenieure mit Fliegerkappen – du zählst sie an Stränden, es sind Gelenke
und sie verbinden dich (wie eine Schrift) mit allen Dingen.

 
Steffen Popp (Greifswald, 18 juli 1978)
In 2013

 

De Noorse schrijver Per Petterson werd geboren in Oslo op 18 juli 1952. Zie ook alle tags voor Per Petterson op dit blog.

Uit: Out Stealing Horses (Vertaald door Anne Born Picador)

„Early November. It’s nine o’clock. The titmice are banging against the window. Sometimes they fly dizzily off after the impact, other times they fall and lie struggling in the new snow until they can take off again. I don’t know what they want that I have. I look out the window at the forest. There is a reddish light over the trees by the lake. It is starting to blow. I can see the shape of the wind on the water.
I live here now, in a small house in the far east of Norway. A river flows into the lake. It is not much of a river, and it gets shallow in the summer, but in the spring and autumn it runs briskly, and there are trout in it. I have caught some myself. The mouth of the river is only a hundred metres from here.
I can just see it from my kitchen window once the birch leaves have fallen. As now in November. There is a cottage down by the river that I can see when its lights are on if I go out onto my doorstep.  A man lives there. He is older than I am, I think. Or he seems to be. But perhaps that’s because I do not realise what I look like myself, or life has been tougher for him than it has been for me. I cannot rule that out. He has a dog, a border collie.
I have a bird table on a pole a little way out in my yard. When it is getting light in the morning I sit at the kitchen table with a cup of coffee and watch them come fluttering in. I have seen eight different species so far, which is more than anywhere else I have lived, but only the titmice fly into the window. I have lived in many places. Now I am here. When the light comes I have been awake for several hours. Stoked the fire. Walked around, read yesterday’s paper, washed yesterday’s dishes, there were not many. Listened to the B.B.C. I keep the radio on most of the day. I listen to the news, cannot break that habit, but I do not know what to make of it any more. They say sixty-seven is no age, not nowadays, and it does not feel it either, I feel pretty spry. But when I listen to the news it no longer has the same place in my life. It does not affect my view of the world as once it did. Maybe there is something wrong with the news, the way it is reported, maybe there’s too much of it. The good thing about the B.B.C.’s World Service, which is broadcast early in the morning, is that everything sounds foreign, that nothing is said about Norway, and that I can get updated on the position of countries like Jamaica, Pakistan, India and Sri Lanka in a sport such as cricket; a game I have never seen played and never will see, if I have a say in the matter. But what I have noticed is that ‘The Motherland’, England, is constantly being beaten. That’s always something.”

 
Per Petterson (Oslo, 18 juli 1952)

 

De Amerikaanse schrijfster en essayiste Elizabeth M. Gilbert werd geboren op 18 juli 1969 in Waterbury, Connecticut. Zie ook alle tags voor Elizabeth Gilbert op dit blog.

Uit: Big Magic

“When I talk about ‘creative living’ here, please understand that I am not necessarily talking about pursuing a life that is professionally or exclusively devoted to the arts. I’m not saying that you must become a poet who lives on a mountaintop in Greece, or that you must perform at Carnegie Hall, or that you must win the Palme d’Or at the Cannes Film Festival. (Though if you want to attempt any of these feats, by all means, have at it. I love watching people swing for the Bleachers.) No, when I refer to ‘creative living’ I am speaking more broadly. I’m talking about living a life that is driven more strongly by curiosity than by fear.
One of the coolest examples of creative living that I’ve seen in recent years, for instance, came from my friend Susan, who took up figure skating when she was forty years old. To be more precise, she actually already knew how to skate. She had competed in figure skating as a child and had always loved it, but she’d quit the sport during adolescence when it became clear she didn’t have quite enough talent to be a champion. (Ah, lovely adolescence when the ‘talented’ are officially shunted off from the herd, thus putting the total burden of society’s creative dreams on the thin shoulders of a few select souls, while condemning everyone else to live a more commonplace, inspiration-free existence! What a system…)
For the next quarter of a century, my friend Susan did not skate. Why bother, if you can’t be the best? Then she turned forty. She was listless. She was restless. She felt drab and heavy. She did a little soul-searching, the way one does on the big birthdays. She asked herself when was the last time she’d felt truly light, joyous, and – yes – creative in her own skin. To her shock, she realised that it had been decades since she’d felt that way. In fact, the last time she’d experienced such feelings had been as a teenager, back when she was still figure skating. She was appalled to discover that she had denied herself this life-affirming pursuit for so long, and she was curious to see if she still loved it.“

 
Elizabeth Gilbert (Waterbury, 18 juli 1969)

 

De Argentijnse schrijfster en vertaalster Alicia Steimberg werd geboren op 18 juli 1933 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Alicia Steinberg op dit blog.

Uit: Call Me Magdalena

“They were helping themselves from all the dishes and trays, and they left everything a mess. They were playing with a little rubber ball, and suddenly one of them missed the mark and the ball fell into Enrique’s cup, and to top it all off he was dressed in a white shirt and blue tie at the time?’ “My God” “But nothing bothered us after the first bite of that crisp toast with butter and homemade duke de leche. And right after that a good cup of excellent coffee” “With milk?” “Yes, it was already mixed with the milk, in an enormous coffee pot?’ “Just like in those old-fashioned hotels” “Everything was old-fashioned in that house. Even the kitchen helper, who was white and chubby, with a blue dress and apron and white slippers, with freckles on her arms and chest. She was the one who knew how to make a cocktail with port and a beaten egg” “What’s it like?” “You have to go get the eggs from the henhouse and use them while they’re still warm. You separate the whites from the yolks. You can reserve the whites to make meringue. You beat the yolks with sugar until they take on a whitish color, and you add the port drop by drop, beating all the while. That woman beats egg yolks with sugar and port all day long?’
“Now let’s have breakfast in Mar del Plata, as you suggested?’ “This isn’t the same place where we always go?’ “But Hike it, dear. It’s sheltered from the wind and you can see the ocean. How many croissants do you want?” “How many do you think? Three, of course. Don’t they always bring three croissants with the café au lait?” “No, dear, that was before. Now you have to ask for the number of croissants you’re going to eat” “Why did they change it, dear?”
“Because diets have become so popular: croissants are very fattening. By the way, shouldn’t you be on a diet?” ‘
“Im not planning to diet in Mar del Plata, dear?’
“But you weigh 125.”
“And YOU weigh 150. Let’s go to the casino?”
“Later. I think I’m just going to order cafe au lait and nothing else. No croissants.”
“I’ll do the same, dear. Coffee with skim milk and artificial sweetener?’
“Now you’re talking?”
“May I ask your name? We’ve called each other ‘dear’ so much I’ve forgotten your name?’
“My name is Ignacio Ibargiiengoitia.”
“Basque?”‘
“Strange that you should ask after forty years of marriage. My grandparents were Basque, all four of them.”

 
Alicia Steimberg (18 juli 1933 – 16 juni 2012)
Affiche

 

De Nederlandse schrijver, criticus en politicus Aad Nuis werd geboren op 18 juli 1933 in Sliedrecht. Zie ook alle tags voor Aad Nuis op dit blog.

Gezichten

Een gezicht nooit meer zien.

Een gezicht zien dat niet bestaat.
Langzaam duidelijker, totdat
ook de kleinste rimpels, putjes in de huid
een oogwenk helder zichtbaar zijn.

Maar het is geen gezicht.
Het was misschien een man die
honderd jaar dood is, en gestorven
zonder ooit te zijn afgebeeld.

Er zijn er zoveel.

 

Voor B.

Gedachteloze woorden raken dieper dan doordachte,
weloverwogene, ze snijden door het zachte
web dat onzichtbaar de vertrouwde dingen bindt.
Vastknopen kan dan niet. Geen goed woord dat ik vind.
Ik voel me dwaas – en even dwaas is alles weer terecht
als je gedachteloos ‘dag liefje’ zegt.

 
Aad Nuis (18 juli 1933 – 8 november 2007)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juli ook mijn blog van 18 juli 2018 en ook mijn blog van 18 juli 2015 deel 2.

Judith Beveridge

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Australische dichteres en schrijfster Judith Beveridge werd geboren in 1956 in Londen, Engeland, en emigreerde in 1960 met haar familie naar Australië. Ze groeide op en ging naar school in de westelijke buitenwijken van Sydney. Later studeerde zij aan de University of Technology in Sydney. Ze besloot toen ze van school ging om zich te wijden aan het schrijven van poëzie en nam parttime banen in kantoren en bibliotheken aan om voor zichzelf tijd over te houden om te schrijven. Haar eerste boek “The Domesticity of Giraffes” (1987) was een enorm succes. Ze won de Dame Mary Gilmore Award, de New South Wales Premier’s Award en de Victoriaanse Premier’s Award in 1988. Voor haar vierde boek “Wolf Notes” (2004) ontving zij de Victorian Premier’s Award en de Age Book of the Year Award voor poëzie. Beveridge heeft creatief schrijven gedoceerd aan de University of Technology, Sydney, de University of Newcastle en de University of Sydney, evenals aan hogescholen. Ze co-redigeerde de poëzie bloemlezing “A Parachute of Blue” (1995) en heeft ook meegewerkt aan de poëzietijdschriften Hobo en Kalimat. Ze was lid van de Literatuurraad van de Australische Raad en werd in 2005 poëzie-editor van het literaire tijdschrift Meanjin.

 

The Kite

Today I watched a boy fly his kite.
It didn’t crackle in the wind – but
gave out a barely perceptible hum.

At a certain height, I’d swear I heard
it sing. He could make it climb in
any wind; could crank those angles up,

make it veer with the precision of
an insect targeting a sting; then he’d
let it roil in rapturous finesse, a tiny

bird in mid-air courtship. When
lightning cracked across the cliff –
(like quick pale flicks of yak-hair

fly-whisks) – he stayed steady. For
so long he kept his arms up, as if
he knew he’d hoist that kite enough.

I asked if it was made of special silk,
if he used some particular string –
and what he’d heard while holding it.

He looked at me from a distance,
then asked about my alms bowl,
my robes, and about that for which

a monk lives. It was then I saw
I could tell him nothing in the cohort
wind, that didn’t sound illusory.

 

For Rilke

You can cup your ear in your hand
and hear your voice turn all light and clear
in its depths —
but we hear nothing, just the noisy world.

And the world loves to be noisy.
It loves to make a clatter,
to play itself with our tongues
its diamond styluses
loudly
and for long periods.

But you are your own quiet singing.
The world sets speakers above our heads
(even when we sleep)
blaring at tremendous decibels —
and we can’t hold out against it,
in the morning
the words of its song
pummel our lips awake.

Our hearts—they’re like utensils
taken from their original uses
and put into the world’s jug-band.
Listen to us: we are like bottles
filled to different levels and then struck
for our various resonances:

not like you, poet —
your voice pure as a tuning fork
independent
of what it’s struck off; the gentle
absolute humming of steel
against which we are, to ourselves
severe grating, unbearable
dissonance.


Judith Beveridge (Londen, 1956)
Hydepark in een zomers Londen

Lewis Caroll, Martin R. Dean, Rainer Kirsch, Eelke de Jong, Alie Smeding, Tsead Bruinja, Thé Lau, Lilian Loke

Dolce far niente


Rode boten in Argenteuil door Claude Monet, 1872

 

A Boat Beneath a Sunny Sky

A boat beneath a sunny sky,
Lingering onward dreamily
In an evening of July —

Children three that nestle near,
Eager eye and willing ear,
Pleased a simple tale to hear —

Long has paled that sunny sky:
Echoes fade and memories die:
Autumn frosts have slain July.

Still she haunts me, phantomwise,
Alice moving under skies
Never seen by waking eyes.

Children yet, the tale to hear,
Eager eye and willing ear,
Lovingly shall nestle near.

In a Wonderland they lie,
Dreaming as the days go by,
Dreaming as the summers die:

Ever drifting down the stream —
Lingering in the golden gleam —
Life, what is it but a dream?

 

 
Lewis Caroll (27 januari 1832 — 14 januari 1898)
De Ring ‘O’ Bells Pub in Daresbury, de geboorteplaats van Lewis Caroll

 

De Zwitserse schrijver Martin R. Dean werd geboren op 17 juli 1955 in Menziken Aargau. Zie ook alle tags voor Martin R. Dean op dit blog.

Uit:The Guyana Knot (Vertaald door Nadia Lawrence)

« Now I couldn’t leave my escapology exercises alone. Barely awake out of my deep sea sleep, I had to drag the heavy trunk out from under the bed. No day without practice. To brighten up my previous appearance in Gera, which is in what used to be East Germany, I tried again to get out of the Butcher’s Knot. This made people think of oven roasts and corned beef, so it got a lot of applause. It is also called the Jam Knot. I wriggled across the floor of my room, lashed a double loop around my legs, and tied up the top half of my body alternately with Bowline and Packer’s Knots. And for my arms, which have to be free so I can tie myself up, I have two artificial ones from shop window dummies that I tie to my torso. The pressure of the ropes immediately brought to mind a vivid memory of the hard floor of what were once the Russian barracks in Gera. Applied the Barrel Knot (relatively compact, doesn’t come undone and doesn’t cramp you) out of which tangle I freed myself in approximately a quarter of an hour. Too long for a Roman audience! I got pointlessly sweaty with the Swivel Hitch: the climate here doesn’t permit violent exertion. All the northern sorts of knots have to be dropped. Thought of the southern Trumpet Hitch, a Single-Strand Stopper, with which I tied myself to a chair leg so as not to escape too quickly.
It’s five o’clock in the afternoon. I stand at the bull’s eye and watch the play of the birds. In tight formation they climb over St. Peter’s, fly like bullets from the treetops and rise in flocks over the gardens. In the air the group forms the wildest, most exuberant shapes, runs away like a stream, falls and splashes and trickles on, forms soft waves pushed by the wind, is pulled away by a flying formation at the tip, a loose amoeba mass. Shortly after, it shapes itself into an arrow, shoots straight down towards a dome, a tower, and, just before hitting it, broadens into a wide sheet, an ever-turning mobile, a fluttering flag, which straightaway dissolves and disintegrates into hundreds of delicate spots, the grain pattern of the sky like black raindrops held lightly in the hand and dripping downwards, and then, over a little wood, a hidden garden, vanish from my sight.
But my world is not really the study, it’s the circus. Already, as a child, I played hooky from school on hot June mornings, to watch our national circus arrive at the village’s disused railway station. Scarcely had I seen the train of red and white carriages standing on the tracks in the siding, when the big doors opened and dark-skinned circus hands in light red livery pulled the animals into the open. Spitting lamas and sleepwalking zebras were dragged along the narrow ramp.”

 
Martin R. Dean (Menziken, 17 juli 1955)

 

De Duitse dichter en schrijver Rainer Kirsch werd geboren op 17 juli 1934 in Döbeln. Zie ook alle tags voor Rainer Kirsch op dit blog

Lied der Kinder
für Herburger

Hu, auf zu den Sternen!
Im Weltall ist es kalt.
Man sieht keine Fernen.
Es lebt kein Wald.

Man denkt, man steht still.
Dabei rast man in Eile.
Man wollte, was man will.
Das ist die Langeweile.

Auf einem Stern steigt man aus.
Die Erde ist weit weg.
Der Stern sieht grau aus.
Er ist aus Eisen und Dreck.

Der Weltmolch sagt: Ich fresse
Die Langeweile und die Geschwindigkeit.
Ich verdaue und presse
Heraus kommt die Zeit.

Zwischen hinten und vorn
Denkt man sich eine Mitte.
Was ist, ist schon verlorn.
Ach, hätte man das Dritte.

Durch die schmale, die Spalte
Rutscht man, kann sein, zurück.
Die Erde wäre die alte.
Das wäre Glück.

 

Uitstel

Opdat wij later kunnen spreken, zwijgen we.
We leren onze kinderen te zwijgen, zodat
Zij later kunnen spreken.
Onze kinderen leren hun kinderen zwijgen.
We zwijgen en leren alles
Dan sterven we.
Ook onze kinderen sterven. Dan
Sterven hun kinderen, Nadat
Zij onze achterkleinkinderen alles hebben geleerd
Ook het zwijgen zodat zij
Op een dag kunnen spreken.
Dit, zeggen we, is niet de tijd om te spreken.
Dat leren we onze kinderen
Zij hun kinderen
Zij die van hun.
Ooit, denken we, moet toch de tijd
komen.

Vertaald door Frans Roumen

 
Rainer Kirsch (17 juli 1934 – 14 september 2015)

 

De Nederlandse schrijver Eelke de Jong werd geboren in Apeldoorn op 17 juli 1935. Zie ook alle tags voor Eelke de Jong op dit blog.

Uit: Paris mon amour

“Nagedacht of ik gisteravond in het café niet te aanhalig geweest was. Dat bier maakt me praatziek, overschreeuwerig, opdringerig, slachtoffer van een verhitte vertrouwelijkheid. Wie weet.
Onderaan de dijk lagen bergjes geel zand, ’n stuk of 20 keurig gerangschikte, anderhalve meter hoge hopen, vorige week aangevoerd door een truck. Vanmorgen zaten er kraaien op de heuveltjes en een kraai bovenop een ijzeren paaltje.
Op de andere dijk zag ik een bejaard echtpaar naar boven klimmen. Vooraf dalfde een grote zwarte hond. De vrouw trok de man mee omhoog, hield zijn uitgestrekte hand tussen elleboog en zij geklemd, hij kroop meer.
Laat d.w.z. ’n uur of 1 ontbeten, t.w. een soepkom met yoghurt uit de ijskast en een paar eetlepels boekweitvlokken, tarwekiemen en bramenjam. Bodempje van beton in m’n maag, straks waarschijnlijk weer ’t zuur. En stukjes gelezen van Malsen in ‘Paris Saloon’, treurige Casanova in een wereldje van keutelende misfits. En eigen séjours in Parijs herinnerd. De eerste keer was ’t najaar ’54.
En niet veel meer gedaan dan alsmaar rondgeslenterd, alsmaar over de trottoirs van de boulevards en de Seinekades en de straatjes daartussen, alsmaar en alsmaar in regen en zonneschijn rondgelopen. En blaren verzorgd in een kamertje in de Rue Jacob, meer alkoof je eigenlijk, doolhof van smalle gangetjes en trapjes bij een waaklampje, voor de wc moest je je bukken.
’t Raampje van de wc keek uit op een binnenplaats. Op een avond zag ik aan de overkant een naakt meisje op een bed liggen in de lichtkring van een lamp, de dekens opengeslagen, de rest van de kamer in het donker, haar hoofd weggesneden door het raamkozijn. Aan haar bewegingen te zien lag ze een boek te lezen. En ik zat op de wc en spoot m’n zaad in de afvoerpijp.
Ik had een vriendin in Parijs, gevonden in het correspondentiehoekje van het christelijk-nationaal weekblad De Spiegel, waar ze thuis op geabonneerd waren, een 10 jaar ouder, tamelijk mollig kantoormeisje, dat forensde uit Versailles en me geld begon te lenen om m’n verblijf te kunnen rekken. Dacht er zelfs over om me in Parijs te vestigen, maar het beursje van de typiste raakte leeg en wie niet werkt zal niet eten, zo was het toen ook, en ik wist niet waarmee aan te vangen.”

 
Eelke de Jong (17 juli 1935 – 1 augustus 1987)

 

De Nederlandse schrijfster Alie Smeding werd geboren in Enkhuizen op 17 juli 1890. Zie ook alle tags voor Alie Smeding op dit blog.

Uit: De zondaar

“Het barsch-bevelende hoornsignaal van een vrachtauto, dreef Dirk naar de krap-afgepaste veiligheid van een trottoir, en bijna botste hij dan eerst nog tegen een achteloos-fietsende slagersjongen aan.
Hij kreeg er een knorrige glimlach bij. ‘Soeskop,’ misprees hij, ‘ja, wie loopt er nou midden op de straat, je ben niet in je dorp…’
Zijn wrevel vloeide meteen al weer weg. ‘Waar dacht hij ook weer aan daarnet?, wat was ‘t…?’
Het glimpte nog als wat warms na in zijn hoofd. ‘Over de boerderij?, nee, of over Moeder…?’ De drukte om hem heen onderschepte het.
Toen zag hij ook de stad weer: rijen van grauwe lange buurten, schemerige stegen en vieze sloppen.
‘Jazzes,’ mokte hij, ‘wat toch ’n steenmop, hè?’ Een verlegen minachting vloog naar zijn jonge lichte oogen, maar ook een ijle angst. En ongedurig woelden zijn vingers rond in de dingen van zijn jaszakken: stompjes potlood, staafjes krijt, stuf…
‘Nou,’ zei hij bij zichzelf, ‘maar ik ken m’n werk best ân, geen-een zal zeggen dat ik m’n werk niet ân ken.’ Toch moest hij telkens slikken, en om zijn mond kwam een koud gevoel.
‘Wees maar niet ongerust,’ bemoedigde hij, ‘’t eenigste is, je moet nog wennen, als je hier eerst maar gewend ben, dan zal je ’s zien… je moet ook denken: alles is zoo anders, geen mensch die je nou nog bij je voornaam noemen zal, natuurlijk niet, nou was ’t altijd: Meneer Hartsen of Meester.’
Hij kreeg er een schrale glimlach van. ‘Menéer…’ Maar zijn schuw-waarnemende oogen dwaalden toch onrustig van de steile huizen-complexen, naar de menschen die hij elke ochtend opnieuw tegenkwam.
Vluchtig keken ze, onverschillig-terloops, en zonder een blik van herkenning. Enkel maar vreemden.”

 
Alie Smeding (17 juli 1890 – 5 juli 1938)

 

De Nederlandse dichter Tsead Bruinja werd geboren in Rinsumageest op 17 juli 1974. Zie ook alle tags voor Tsead Bruinja op dit blog.

ik zei ik zie de roos

ik zei ik zie de roos
als een wrak
in aanbouw

ze zwierde aan de kroonluchters
boven de romige hapjes

met een vorkje porde ik van alle kanten
in het gebakje

vat vol ongenoegen dat ik ben
inclusief slenterhart dat al twee dagen
zijn plek niet meer kent

en ik maar denken
ik liet haar gaan maar niet zonder
slag of stoot geen letter hortte uit mijn mond
ik snotterde alleen rook

toen ze zei dag ik hou van je
riep ik heel hard tegen het plastic ivoor
dag telefoon
dahaaaaag

 

De wagen van de deen

weet jij wie er vandaag onder de wagen
van de deen gaat liggen

onder de bedrijfswagen

wie er in de bedrijfswagen mag

de bootvluchteling

mag de bootvluchteling
in de bedrijfswagen

onder de wagen
is het beschutter

daar houden die mensen van

je zult het zien
met de wagen van die deen
gaat heintje van hiernaast
de pui rammen

van de bootvluchteling

had hij maar met zijn jatten
van de vrouw van de deen
af moeten blijven

maar met zijn nieuwe wagen

ja….joh

je moeder en een halfnaakte bosuil

 
Tsead Bruinja (Rinsumageest, 17 juli 1974)

 

De Nederlandse muzikant en schrijver Thé (Matheus Josephus) Lau werd eboren in Bergen op 17 juli 1952. Zie ook alle tags voor Thé Lau op dit blog.

Uit: Juliette, een liefde in snapshots

“Maar makkelijke score of niet, Robbie was voor het eerst met een vrouw naar bed geweest en teder betastte hij de plek waar Elsa had gelegen. Toen zijn vingertoppen in de plooien van het laken niets meer van haar voelden klom hij uit het bed, kleedde zich aan en liep naar de tafel bij het raam van het tuinhuisje. Ze had een bordje en een mok voor hem klaargezet. Op het bord lag een briefje:
‘Ik ben naar het paviljoen om schoon te maken. In de keuken is brood, en koffie en filters, als je wilt. Kijk maar. Kus. Elsa.’
Ze had een krullerig meisjeshandschrift, en onder haar naam had ze een hartje getekend. Het was aandoenlijk, en in strijd met haar nymfomane reputatie. Robbie tekende er een hartje naast en liep naar buiten.
Hij keek nieuwsgierig om zich heen. Wat vannacht in duisternis gehuld was geweest bleek een groot, met hoge bomen en krakkemikkige bouwsels bezaaid terrein. Drie schuren stonden her en der verspreid rond een grote boerderij met een aangevreten rieten dak. Van een ervan hingen de deuren in hun hengsels. In hun schaduw was een roestige tractor te zien, en eromheen slingerde gereedschap. Naast Elsa’s huisje stond een half ingestort kippenhok.
Het geheel maakte de indruk van een machine die krakend en piepend tot stilstand was gekomen.
Robbie stak het erf over en opende het hek. Hij keek naar zijn witte Puch, die ertegenaan stond, en dacht aan zijn vader. Wat zou hij van deze eerste verovering hebben gevonden? Het antwoord zou Robbie nooit krijgen. Zijn vader had vorig jaar een beroerte gekregen en was zittend aan de schildersezel overleden.
Robbie stapte op en startte de brommer.
Na een paar minuten kwam hij bij de splitsing van de weg naar het dorp, dat hij ‘de enclave’ noemde, en de Zeeweg. In de volksmond heette het punt ‘de Bourgondiër’, omdat er ten tijde van de Franse Revolutie door Franse, Britse en Russische troepen slag was geleverd. De Fransen hadden gewonnen.”

 
Thé Lau (17 juli 1952 – 23 juni 2015)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijfster Lilian Loke werd geboren in 1985 in München. Zie ook alle tags voor Lilian Loke op dit blog.

Uit: Gold in den Straßen

„Hat gerade die Scheidung hinter sich, das alte Haus an die Exfrau abgetreten, will jetzt was nach ganz eigenem Geschmack, – Groß, ehrwürdig, mit Seele! Vernunftehen und Vernunftimmobilien seien was für Arme, hat er geschäkert. Eigentlich ist Brink Falbers Kunde, aber die vier Häuser, die Falber bislang für ihn ausgesucht hat, waren Brink noch nicht einmalig, außergewöhnlich genug, die fand er regelrecht tot. Herr Falber hat noch nicht verstanden, was ich eigentlich suche!, lamentierte Brink vor einigen Wochen, stand mit Falber im Empfangsbereich des Maklerbüros, machte Meyer zum Publikum, als er zurückkam von einem Außentermin, fasste ihn sanft, aber bestimmt am Oberarm, hielt ihn auf. Meyer ist es mittlerweile gewohnt, von Leuten ungefragt angefasst zu werden, nimmt es hin wie ein unanständiges, aber schmeichelhaftes Kompliment, – Ihr Chef ist ein guter Mann, deklarierte Brink, Herr Falber wurde mir ja wärmstens empfohlen, aber ich bitte Sie, Herr …? Meyer stellte sich vor, Brink drückte ihm schmerzhaft die Hand, – Herr Meyer, tun Sie mir den Gefallen, helfen Sie Ihrem Chef, ich fürchte, Herr Falber hat kein Gespür für mich … Dann warf Brink einen Blick auf seine massive Armbanduhr, – So, ich muss! Herr Falber, wir sprechen – und Sie, junger Mann, Sie bringen mir ein bisschen Bewegung in die Sache, nicht? Falber nahm die Spitze gelassen, Meyer könne sich ruhig umhören, sagte er, als Brink aus der Tür war. Wenn Meyer für den Kerl tatsächlich was finde, mache er drei Kreuze. Drei Wochen später, auf einer von Frau Scherings Benefizgalas in der Alten Oper, stieß Meyer auf die Villa in Kronberg, allerdings war die alles andere als ein Wohnjuwel. Seinen Rat brauche sie, deklarierte seine Tischnachbarin, als er wie beiläufig fallenließ, er sei im Immobiliengeschäft. Sandra Götz, Chefeinkäuferin für Peek & Cloppenburg, überblond, überhungert, nicht mehr taufrisch, aber scheckheftgepflegt, wollte das Haus ihres Vaters verkaufen, – Gott hab ihn selig, aber das Haus ist ein Albtraum, klagte die Götz, einen absurd eklektizistischen Geschmack habe ihr Vater gehabt, Tudor-Style-Leuchter, altdeutsche Essgruppe, ein Gussofen aus dem späten 19ten, dunkle Holzvertäfelungen en masse und diese Tapisserien nach Louis Schlag-mich-tot, die ihr Vater gesammelt habe. Nicht zu sprechen von den Badezimmern, handgemalte Lindwürmer auf roten Kacheln, französische Spezialanfertigung.“

 
Lilian Loke (München, 1985)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e juli ook mijn blog van 17 juli 2017 en ook mijn blog van 17 juli 2016 deel 2.

Sylvie Marie, Reinaldo Arenas, Georges Rodenbach, Tony Kushner, Anita Brookner, Jörg Fauser, William Irwin Thompson

Dolce far niente

 


Beach Bathers door Jack Maxwell, 2010

 

zomerdagen

op zomerdagen gebeurt zoveel
aan zee. vrouwen ontbloten
buiken, mannen smeren ze
in, jongens halen ballen boven.
weinigen verdiepen zich
in tegendraads gemekker, hardnekkige
vlekken of veters die keer op keer
weer lossen.
het is dat ik, wat de weerman ook voorspelt,
steeds de paraplu meebreng. ik weet:
niet aarzelend verandert alles
maar vastbesloten als de vloed
die op het strand het tij komt keren,
het dier mee loodst, het kind verrast.

 

 
Sylvie Marie (Tielt, 28 februari 1984)
De markt in Tielt, de geboorteplaats van Sylvie Marie

 

De Cubaanse dichter en schrijver Reinaldo Arenas werd geboren op 16 juli 1943 in Holguin. Zie ook alle tags voor Reinaldo Arenas op dit blog.

Uit: The Color of Summer (Vertaald door Andrew Hurley)

“Virgilio Piñera: (moving away)
Well done! Bravo! Bravo!
You’ve got bi-i-ig feet
and one heel’s crooked on your shoe …
Go—there’s nothing for you here.
Suddenly, seeing that Coco Salas is right behind him with a tape recorder, he
turns toward the sea and shouts at the top of his lungs:
Virgilio Piñera:
Where are you going, you ingrate!
Come back—we’ll forgive you! It’s not too late!
Avellaneda: (growing farther and farther away from the Malecón and the harbor)
Ingrate! Ungrateful for what?
That parting shot
to my vulnerable backside?
No thanks, you snot—
I’ll take my chances
in New York or Florida or Kansas.
Chorus: (standing on the wall of the Malecón)
No more mercy, no more pleas—
blast her out of the waves!
The backside’s the best spot to aim,
so do it! Bombs away!
A new barrage of rotten eggs is launched.
Avellaneda: (now pulling into the open sea in a hail of rotten eggs)
What ineffable light, what strange happiness!
Night’s mourning is banished from the skies.
The hour’s come round, the artillery thunders;
fire, fire, fire, you murderers,
fire at this trembling bosom!
Meanwhile, back on shore, Delfín Proust arrives. After first making a quick check of himself in a portable mirror that opens like a huge fan, he makes a grand pirouette and leaps up onto the Malecón. He whirls about several times, hops like a frog, opens and closes his arms. Prancing about, he begins his poetic discourse:

 
Reinaldo Arenas (16 juli 1943 – 7 december 1990)
Zanger / acteur Wes Mason als Reinaldo Arenas in de opera “Before Night Falls“, 2012

 

De Belgische dichter en schrijver Georges Rodenbach werd geboren in Doornik op 16 juli 1855. Zie ook alle tags voor Georges Rodenbach op dit blog.

Béguinage flamand

II
Cependant quand le soir douloureux est défunt,
La cloche lentement les appelle à complies
Comme si leur prière était le seul parfum
Qui pût consoler Dieu dans ses mélancolies !

Tout est doux, tout est calme au milieu de l’enclos ;
Aux offices du soir la cloche les exhorte,
Et chacune s’y rend, mains jointes, les yeux clos,
Avec des glissements de cygne dans l’eau morte.

Elles mettent un voile à longs plis ; le secret
De leur âme s’épanche à la lueur des cierges,
Et, quand passe un vieux prêtre en étole, on croirait
Voir le Seigneur marcher dans un Jardin de Vierges !

 

III
Et l’élan de l’extase est si contagieux,
Et le coeur à prier si bien se tranquillise,
Que plus d’une, pendant les soirs religieux,
L’été répète encor les Ave de l’Église ;

Debout à sa fenêtre ouverte au vent joyeux,
Plus d’une, sans Ôter sa cornette et ses voiles,
Bien avant dans la nuit, égrène avec ses yeux
Le rosaire aux grains d’or des priantes étoiles !


Georges Rodenbach (16 juli 1855 – 25 december 1898)

 

De Amerikaanse schrijver Tony Kushner werd geboren op 16 juli 1956 in New York. Zie ook alle tags voor Tony Kushner op dit blog.

Uit: Angels in America

“ROY COHN: [delirious, under the impression that Belize is the Angel of Death] Can I ask you something, sir?
BELIZE: “Sir”?
ROY COHN: What’s it like? After?
BELIZE: After…?
ROY COHN: This misery ends?
BELIZE: Hell or heaven?
ROY COHN: [laughs]
BELIZE: Like San Francisco.
ROY COHN A city! Good! I was worried… it’d be a garden. I hate that shit.
BELIZE Mmmm. Big city. Overgrown with weeds, but flowering weeds. On every corner a wrecking crew and something new and crooked going up catty corner to that. Windows missing in every edifice like broken teeth, gritty wind, and a gray high sky full of ravens.
ROY COHN Isaiah.
BELIZE: Prophet birds, Roy. Piles of trash, but lapidary like rubies and obsidian, and diamond-colored cowspit streamers in the wind. And voting booths. And everyone in Balenciaga gowns with red corsages, and big dance palaces full of music and lights and racial impurity and gender confusion. And all the deities are creole, mulatto, brown as the mouths of rivers. Race, taste and history finally overcome. And you ain’t there.
ROY COHN: And Heaven?
BELIZE: That was Heaven, Roy.
ROY COHN: The fuck it was!“


Tony Kushner (New York, 16 juli 1956)
Affiche

 

De Engelse schrijfster en historica Anita Brookner werd geboren op 16 juli 1928 in Herne Hill, een voorstad van Londen. Zie ook alle tags voor Anita Brookner op dit blog.

Uit: The Rules of Engagement

“We met, and became friends of a sort, by virtue of the fact that we started school on the same day. Because we had the same Christian name it was decreed that she should choose an alternative. For some reason—largely, I think, because she was influenced by the sort of sunny children’s books available in our milieu—she decided to be known as Betsy. When we met up again, several years later, she was Betsy de Saint-Jorre. Not bad for a girl initially registered as Elizabeth Newton.
How much nicer children were in those days than the adults they have become! Born in 1948, we were well-behaved, incurious, with none of the rebellious features adopted by those who make youthfulness a permanent quest. We went to tea in one another’s houses, sent each other postcards when we went on holiday with our parents, assumed we would know each other all our lives . . . The Sixties took us by surprise: we were unprepared, unready, uncomprehending. That, I now see, was why I married Digby: it was the right, unthinking thing to do. That was why Betsy took it upon herself to have a career, out of despair, perhaps, at not being provided for.
Choice hardly dictated our actions. Yet I suppose we were contented enough. Certainly we knew no better. And now we know too much. Discretion veiled our motives then, and perhaps does so even now, even in an age of multiple communications, of e-mails, text messages, and news bulletins all round the clock. We still rely on narrative, on the considered account. That is how and why I knew Betsy’s story, though I cannot claim to know all of it. There were areas of confusion which it seemed better not to disclose. But she was always painfully honest, rather more so than prudence might advise. That quality made itself felt when we were still children; her desire to explain herself, to be known, was perhaps really a desire to be loved. That too was discernible, and it set her apart. In later life, when I knew her again, that quality was still there, obscured only slightly by the manners she had acquired, and always at odds with her mind, which was exacting. In other circumstances she might have been remarkable. But her hopes had been curtailed, and in the years of her adulthood one sometimes saw this, in the odd distant glance directed towards a window, or the eagerness with which she smiled at any passing child.
Her initial demotion from Elizabeth to Betsy was thought to be justified, given her uncertainty of status. She took it in her stride, thinking it gave her permission to assume an altogether different character, someone more lighthearted, skimming the surface, responding always with a smile.“

 
Anita Brookner (16 juli 1928 – 10 maart 2016)

 

De Duitse schrijver en journalist Jörg Fauser werd geboren op 16 juli 1944 in Bad Schwalbach. Zie ook alle tags voor Jörg Fauser op dit blog.

Uit: Rohstoff

“William S. Burroughs empfing mich nachmittags um drei in seinem spärlich möblierten Apartment in der Duke Street, unweit Piccadilly Circus. Er trug einen schwarzen dreiteiligen Anzug, der mich an die Anzüge meines Großvaters, eines Volksschulrektors, erinnerte, ein weißes Hemd und eine schwarze Krawatte. Ich hatte wieder mal meinen Nadelstreifenanzug an, weißes Hemd, Krawatte. Burroughs war groß und hager und ging leicht gebückt. Er war an den Schläfen weißhaarig, und sein Mund war ein schmaler, blutleerer Strich.
»Kaffee oder Tee?«
»Kaffee.«
»Weiß oder schwarz?«
»Weiß, bitte.«
Wir nahmen jeder eine Tasse Nescafé und setzten uns an einen blankpolierten Tisch. Burroughs saß mit dem Rücken zum Fenster. Er fixierte mich durch seine Brille. Seine Augen waren blau und strahlten die unerschütterliche Autorität eines hohen Richters aus, der jede Art von Korruption kennengelernt hat und dem alle zusammen immer noch zu billig sind.
»Was ist das für eine Zeitschrift, für die Sie arbeiten?«
Ich verlor ein paar Worte über twen. Mein Englisch war ohnehin nicht besonders flüssig, und jetzt fiel mir mein dicker deutscher Akzent unangenehm auf. Burroughs schien er nicht zu stören. Vielleicht hatte er eine perverse Sympathie für die Deutschen.
»Und dieser Artikel, den Sie erwähnten?«
Ich hatte den Auftrag von twen, einen Bericht über harte Drogen zu schreiben. Den Kontakt zu Burroughs hatte Lou Schneider hergestellt. Twen hatte mir den Flug nach London und einen reichlichen Spesenvorschuß bewilligt. Ich war auf dem Weg, und wie. Der rasende Junk-Reporter. Ich
versuchte Burroughs zu erklären, daß ich selbst vier Jahre Junkie gewesen war und in dem Bericht auch über die Möglichkeiten schreiben wollte, von dem Zeug loszukommen. Burroughs hatte es mit Apomorphin geschafft.
Apomorphin war bei uns unbekannt. Deshalb war ich hier. Er machte eine neue Zigarette an. Er rauchte Senior Service ohne Filter. Kette.
»Was für Zeug haben Sie denn genommen?«
»Oh, vor allem Opium.«
»Was – Rohopium? Das haben Sie doch nicht intravenös gefixt?«
»Doch.«
»Junger Mann«, sagte Burroughs mit der Andeutung eines Lächelns, »Sie müssen ja völlig verrückt gewesen sein.”

 
Jörg Fauser (16 juli 1944 – 17 juli 1987)
Cover

 

De Amerikaanse dichter, sociaal filosoof en cultuurcriticus William Irwin Thompson werd geboren op 16 juli 1938 in Chicago, Illinois. Zie ook alle tags voor William Irwin Thompson op dit blog.

Uit: The Time Falling Bodies Take to Light:

“As the great Gilgamesh polishes his armor and weapons in preparation for the great expedition, he attracts the attention of the goddess of love and war, Ishtar (Manna), and she asks to become his lover. Ishtar displays all her beauty and makes great promises to Gilgamesh, but the hero focuses on his heroic ideal and rejects Ishtar in what amounts to a curse. Here the conflict between male bonding and the companionship of the transcen-dent quest versus sexual love and involvement in the immanence of bodily life comes right out into the open. Gilgamesh recites an entire litany which unfolds all the treacheries of Ishtar; he recites the list of all her past lovers who have come to ruin. When Ishtar hears this she is enraged and mounts to the realm of the sky god, Anu, and demands that the Bull of Heaven be sent to earth to destroy Gilgamesh. Threatening to create famine and raise the dead unless she has her way, Ishtar is able to compel Anu to grant her the demand. Anu relents and sends down the Bull of Heaven (a comet?) to attack Gilgamesh. But the goddess has forgotten that bulls and oxen are the province of man, the domesticator of animals, and so the two cowboys, Gilgamesh and Enkidu, make short work of the Bull. Ishtar is again enraged and mounts the walls of Uruk and cries out: “Woe unto Gilgamesh because he insulted me.” When Enkidu hears Ishtar’s threat, he tears loose the right thigh of the Bull of Heaven and flings it at her. No doubt, “right thigh” is a euphemism for the genitals of the bull, and by flinging the phallus into the face of the goddess Enkidu is mocking her role as the goddess of love and war and parodying the old rituals of appeasement of the Great Goddess in rites of castration. That we are witnessing the parody of an ancient ritual becomes clearer when Ishtar responds to Enkidu’s taunt by setting up the old lament for the torn god.

Ishtar assembled the girl-devotees,
The prostitutes, and the courtesans;
Over the right thigh of the bull of heaven
she set up a lamentation.
But Gilgamesh called the craftsmen, the armorers,
all of them.
The artisans admired the size of the horns .
He brought (them) into the room of his rulership (?)
and hung (them) up (therein).

While the women wail over the severed phallus of the torn god, the craftsmen go to work, and Gilgamesh places the more durable horns in his room, a room that would thus have the appearance of the male bull shrine at catal Hiiyiik. By placing an old ritual in a new context, the men are mocking the old religion in which the women lament the death of Dumuzi; in this new context, the old conservative religion of the women is being mocked in a celebra-tion of male ambition.


William Irwin Thompson (Chicago, 16 juli 1938)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e juli ook mijn blog van 16 juli 2017 deel 2.

 

Een stad, een zomer (Patrick Cornillie)

Dolce far niente

 

 
Summer Cocktail door Peter Graham, 2015

 

Een stad, een zomer

Zwaar en vermoeid laat
een avond zich neerzijgen tegen
de gevels. Pleinen en straten liggen
te trillen als trommelvellen in de zon.

Het verroeste gras, de hitte
van kasseistenen, bomen die in
de spiegels van de grachten kijken
naar hun verschroeide benen.

Terrassen, biertjes, puffende heren,
de gedachte dat er nog enige beweging
komt. Een zacht briesje, meisjes in
wapperende jurken op de fiets.

De draaglijke lichtheid van het niets.

 


Patrick Cornillie (Roeselare, 11 april 1961)
Roeselare, de geboorteplaats van Patrick Cornillie

 

Zie voor enkele schrijvers ook mijn vorige blog van vandaag.