John (Lucille Clifton)

Bij de derde zondag van de Advent

 


Het getuigenis van Johannes de Doper door Annibale Carracci, ca. 1600

 

john

somebody coming in blackness
like a star
and the world be a great bush
on his head
and his eyes be fire
in the city
and his mouth be true as time

he be calling the people brother
even in the prison
even in the jail

i’m just only a baptist preacher
somebody bigger than me coming
in blackness like a star

 

 
Lucille Clifton (New York, 27 juni 1936)
Adventstijd in New York, de geboorteplaats van Lucille Clifton

 

Zie voor de schrijvers van de 16e december ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

Adriaan van Dis, Andrei Ruse, Jane Austen, Adriaan van der Veen, Noël Coward, Tip Marugg

De Nederlandse schrijver en televisiemaker Adriaan van Dis werd op 16 december 1946 geboren in het Noord-Hollandse Bergen aan Zee. Zie ook alle tags voor Adriaan van Dis op dit blog.

Uit: In het buitengebied

“Wie had ooit kunnen denken dat ik met een Japanse vrouw zou wonen. Japan was voor mijn familie een vloekwoord en stond voor oorlog, kamp en marteling. Japanse techniek was bij ons thuis taboe. En nu kniel ik voor een Japanse, leg ik mijn hoofd in haar schoot en streelt ze mijn kale kruin. Zo lief. En ze zegt de aardigste dingen – zinnetjes die ik haar zelf heb ingefluisterd. O, ze leert zo snel. Toen ik haar een week of wat geleden over de drempel droeg was ze verlegen en knikte ze hooguit ja en nee en nu wil ze mij optillen en begint ze de dag met een gedicht.

The poem refreshes life so that we share, For a moment, the first idea… It satisfies Belief in an immaculate beginning

Een vlekkeloos begin van de dag. Wallace Stevens. ‘Hoe kom je daaraan?’ vroeg ik haar.
Ze had naar iets Dutch gezocht – Stevens was Pennsylvania Dutch. Zo goedbedoeld. En knap. Ze doet haar best het mij naar de zin te maken: ‘I want to understand the Dutch.’ Het werd nog een heel gedoe om onze wederzijdse clichés uit te schakelen. Zo had ik een kimono voor haar gekocht – als welkomstgeschenk, naar Japans gebruik wonderschoon verpakt. Maar zij wilde liever klompen en een Delfts blauwe-tegeltjes-bh van Marlies Dekkers (een wens ingefluisterd door haar vader). Bh? Droegen Japanse vrouwen die dan? Hield een dagelijkse portie rauwe vis hun borsten niet klein en strak?
Ze bloosde. Niet dat ik het zag, maar zo voelde haar afgewend zwijgen.
Na lang bladeren vonden we elkaar in de Home and Garden-countrylook: groene laarsjes, een mantelpakje (niets opwindender dan een mantelpakje) en een stoere waxcoat. Je woont buiten of niet.
O, onze eerste keer in de moestuin. Zij op een stoel in haar laarsjes en waxcoat, starend naar een bed radijsjes, en ik geknield in de aarde woelend en bosje voor bosje – met de dauw nog op de witte wortels – in haar schoot leggend. En bloemen plukkend. Klaver, klaproos, guichelheil. Een hele vracht. Het rubber en het katoen kraakten als sneeuw in april.”


Adriaan van Dis (Bergen aan Zee, 16 december 1946)

 

De Roemeense dichter, schrijver en filmmaker Andrei Ruse werd geboren in Boekarest op 16 december 1985. Zie ook alle tags voor Andrei Ruse op dit blog.

I once saw an angel in Colentina

it was about 4 o’clock in the morning
I had been running out of battery, of money and of cigarettes
I was playing on a bench with my own breathe
I kept blasting from my mouth into my nose the acute smell of jack

then you came along

you weren’t aware of anything
you were proud that you had made 18 years old, that you were wearing D on your bra
and that you had graduated highschool with seven

you tell me that you are about to became a successful woman
and you would be leaving to befar away in africa and live
the rest of your life in a straw hutch
alongside a black man with whom you would
stroll into the jungle on an elephant.

your dream was to teach the baboons to play tig among the lianas

then you told me something about
a well-known case of murder from our neighbourhood
you were frightened
but were amusing yourself at the same time by the fact that it could be me.

 

Vertaald door Nigel Walker en Loredana Matei


Andrei Ruse (Boekarest, 16 december 1985)

 

De Engelse schrijfster Jane Austen werd geboren op 16 december 1775 in Steventon, Hampshire. Zie ook alle tags voor Jane Austen op dit blog.

Uit: Pride And Prejudice

“MR. Bennet was among the earliest of those who waited on Mr. Bingley. He had always intended to visit him, though to the last always assuring his wife that he should not go; and till the evening after the visit was paid, she had no knowledge of it. It was then disclosed in the following manner. Observing his second daughter employed in trimming a hat, he suddenly addressed her with,
“I hope Mr. Bingley will like it, Lizzy.”
“We are not in a way to know what Mr. Bingley likes,” said her mother resentfully, “since we are not to visit.”
“But you forget, mama,” said Elizabeth, “that we shall meet him at the assemblies, and that Mrs. Long has promised to introduce him.”
“I do not believe Mrs. Long will do any such thing. She has two nieces of her own. She is a selfish, hypocritical woman, and I have no opinion of her.”
“No more have I,” said Mr. Bennet; “and I am glad to find that you do not depend on her serving you.”
Mrs. Bennet deigned not to make any reply; but unable to contain herself, began scolding one of her daughters.
“Don’t keep coughing so, Kitty, for heaven’s sake! Have a little compassion on my nerves. You tear them to pieces.”
“Kitty has no discretion in her coughs,” said her father; “she times them ill.”
“I do not cough for my own amusement,” replied Kitty fretfully.
“When is your next ball to be, Lizzy?”
“To-morrow fortnight.”
“Aye, so it is,” cried her mother, “and Mrs. Long does not come back till the day before; so it will be impossible for her to introduce him, for she will not know him herself.”
“Then, my dear, you may have the advantage of your friend, and introduce Mr. Bingley to her.”
“Impossible, Mr. Bennet, impossible, when I am not acquainted with him myself; how can you be so teazing?”
“I honour your circumspection. A fortnight’s acquaintance is certainly very little. One cannot know what a man really is by the end of a fortnight. But if we do not venture, somebody else will; and after all, Mrs. Long and her nieces must stand their chance; and therefore, as she will think it an act of kindness, if you decline the office, I will take it on myself.”
The girls stared at their father. Mrs. Bennet said only, “Nonsense, nonsense!”

 
Jane Austen (16 december 1775 – 18 juli 1817)
Keira Knightley als Elizabeth en Matthew Macfadyen als Mr. Darcy in de gelijknamige film uit 2005

 

De Nederlandse schrijver Adriaan van der Veen werd geboren op 16 december 1916 in Schiedam. Zie ook alle tags voor Adriaan van der Veen op dit blog.

Uit: De man met de zilveren hoed

“Maar goed, daar gaat het nu niet om. Nu moet je niet lachen. Dat heb ik ook niet gedaan toen Hans het me vertelde. Trouwens, diep binnen in me zelf was ik veel te boos om die aanstellerij, maar daarvan heb ik niets laten merken. Kortom, ze stonden bij de receptie, dat was nog in het hotel in Zürich, waar ze een nacht overbleven. Hans had eigenlijk al alles in orde gemaakt, Nina stond naast hem. Wat doet ze plotseling? Achter haar naam vult ze in het gastenboek onder beroepen nog in ‘Tänzerin’. Ja, ik wist wel dat je het gek zou vinden. Hans had het gezien, maar zei er niets van. Tegen haar zal hij nooit een opmerking maken. Al zijn moeilijkheden komen op de schouders van zijn moeder terecht.
Later die avond gingen ze in de stad een glaasje wijn drinken. Hans verzint altijd iets gezelligs, ook wel eens voor mij. Hij neemt me soms mee als hij voor een zaak in Amsterdam moet zijn, om samen te eten. Ik zit hier altijd zo alleen, dat weet je. Goed, daar zaten ze dus rustig en toen kon hij toch niet nalaten erover te beginnen. Nina begon te lachen en zei, dat ze helemaal geen danseres wilde zijn. Nee, dat kan ik best geloven, met twee kinderen en haar figuur is ook niet zo geweldig. Enfin, ze maakte er een grapje van. ‘Hausfrau’ te zijn vond ze veel interessanter. En dat was veel moeilijker, zei Hans, die het ook allemaal maar luchtig hield. Ze hadden er toen alletwee om gelachen.
De volgende morgen had ze dat ‘Tänzerin’ in elk geval doorgestreept. Maar intussen was er alweer een en ander voorgevallen. Hans is een echte goeierd, maar als advocaat, en dat hij dat is daar ben ik wat trots op, want hij is onze enige, en hij moest en hij zou studeren, daar hebben mijn arme man en ik heel wat voor opgeofferd, maar zonder mopperen – Hans dan is door zijn beroep gewend om alles tot en met uit te redeneren, al is hij later met Nina erg voorzichtig geworden. Hij was er dus die avond nog op doorgegaan, het had hem natuurlijk meer gehinderd dan hij zichzelf wilde toegeven. Hij is zo’n door en door gezonde en gewone jongen.”


Adriaan van der Veen (16 december 1916 – 7 maart 2003)
Schiedam, de Grote Markt in kerstsfeer

 

De Engelse schrijver en songwriter Noël Coward werd geboren op 16 december 1899 in Teddington, Londen. Zie ook alle tags voor Noël Coward op dit blog.

Uit: Blithe Spirit

“The SCENE is the living-room of the Condomines’ house in Kent. The room is light, attractive and comfortably furnished. On the L there are french windows opening on to the garden. On the R. there is an open fireplace. At the back there are double doors leading to the hall, the dining-room, the stairs, and the servants’ quarters. When the CURTAIN rises it is about eight o’clock on a summer evening. There is a wood fire burning because it is an English summer evening. The doors are open, the windows are closed. The curtains are partially closed. EDITH COMES in from the hall carrying, rather uneasily, a large tray of cocktail things. She comes to the c table with the tray of drinks. She sees there is no room, so puts it on the drinks table up stage R with a sigh of relief. RUTH enters c briskly. She is a smart-looking woman in the middle thirties. She is dressed for dinner, but not elaborately. RUTH. That’s right, Edith.
EDITH. Yes’m.
RUTH. Now you’d better fetch the ice-bucket.
EDITH. Yes’m. Rum (arranging the ornaments on the piano) Did you manage to get the ice out of those little tin trays?
EDITH. Yes’m—I ‘ad a bit of a struggle though—but it’s all right.
RUTH. And you filled the little trays up again with water?
EDITH. Yes’m.
RUTH. (moving to the window and arranging the curtains) Very good, Edith—you’re making giant strides.
EDITH. Yes’m.
RUTH. Madame Arcati, Mrs Bradman and I will have our coffee in here after dinner, and Mr Condomine and Doctor Brad-man will have theirs in the dining-room—is that quite clear?
EDITH. Yes’m. Rum. And when you’re serving dinner, Edith, try to remember to do it calmly and methodically.
EDITH. Yes’m.”

 
Noël Coward (16 december 1899 – 26 maart 1973)
Scene uit een opvoering in Londen met Angela Lansbury als Madame Arcati (midden), 2014

 

De Antilliaanse dichter en schrijver Tip Marugg werd geboren op 16 december 1923 in Willemstad, Curaçao. Zie ook alle tags voor Tip Marugg op dit blog.

zoonlief, ik heb je jeugd een jobsgezicht gegeven

zoonlief, ik heb je jeugd een jobsgezicht gegeven,
het is in de roes tussen nacht en volle dag
dat ik de dronken oorsprong word van je leven
je diktongig voorlieg wat je allemaal vermag

woord wordt vlees, de daad niet te overtreffen
als onder het floers van broedend morgenrood
ik je bestemd en manbaar tot mij zal opheffen
met een feller vuur dan mijn tijdzang ontbloot

doch zonlicht weet mijn lustgevoel verzonnen
verstikt verlangen voltrokken door de strop
nachtboeket van gedroogde bloemen en grassen

minder man geef ik mij dan droog gewonnen
aan een perverse pracht die ik niet verkrop
tegen dit vaderschap ben ik niet opgewassen

 
Tip Marugg (16 december 1923 – 22 april 2006)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e december ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Rafael Alberti, Pierre Lachambeaudie, V.S. Pritchett, Mary Russell Mitford, Olavo Bilac

De Spaanse dichter en schrijver Rafael Alberti werd geboren op 16 december 1902 in El Puerto de Santa María (Cádiz). Zie ook alle tags voor Rafael Alberti op dit blog.

De ogen van Picasso (Fragment)

Altijd een en al ogen,
onontkoombare ogen.
Met zijn ogen eet hij woorden.
Hij is een zevenoog.
Honderdduizend ogen in twee ogen.
De grote oogopslag.
als een donkere knop
en nog een knop.
Sleutelgaten waardoor hij
schilderijen ziet.
Je spert je ogen open
als hij je bijt met zijn ogen.
Het oog van de naald
met de draad die hij door een tekening haalt.
Hij nagelt je vast met zijn ogen
In één knippering van je ogen.
Oog dat loert,
aanvalt,
verschroeit,
onderzoekt.
Oog van liefde.
Oog dat waakt,
een schildwacht.
Spoor aan de laars,
een kaars,
rebellenoog dat openbaart.

Sluit ze niet, die ogen,
Sla ze niet neer die ogen.
Leg ze af, die ogen,
Ruk ze uit, die ogen
en je bent kreupel
of je bent mank.
Dan zet je jezelf weer in elkaar,
of je haalt jezelf uit elkaar,
je zet je neus af
en zet hem weer op,
zet hem nog eens af
en zet er twee op.

oog dat je aan het spit rijgt,
dat je pezen doorsnijdt,
dat je tepels doet rijzen,
dat je tepels doet verkleinen,
waarvan je een vuistslag kunt krijgen,
dat je billen doet zwellen,
je berooft van je billen,
je met een snoer omwikkelt.
je aan een draad rijgt,
je binnenstebuiten zal rukken
helemaal in stukken,
je zal ranselen, in elkaar zal drukken,
aan elkaar genaaid, vernietigd,
een lappendeken, vloeibaar.

het volmaakte en het overschot.
De wereld van rust
hing aan een draad.
Hij sneed hem door.
In die warrige kluwen,
een, chaotische klomp,
zette hij het scherp
van zijn mes, zijn penseel.

Vertaald door Alfonso Nypels


Rafael Alberti (16 december 1902 – 27 oktober 1999)
Hier met Pablo Picasso (links) in 1966

 

De Franse fabeldichter Pierre Lachambeaudie werd geboren op 16 december 1807 bij Sarlat. Zie ook alle tags voor Pierre Lachambeaudie op dit blog.

Le Somnambule

Obéissant aux caprices d’un rêve,
A minuit un homme se lève,
Et tout droit vers un gouffre il va sans tâtonner.
Le versant allait l’entratner,
Lorsqu’un ami du danger le retire.
Le Somnambule éveillé sur-le-champ,
«Que maudit soit, dit-il, le rustre, le méchant
Qui dissipe mon rêve au gracieux sourire!
Sans toi je parvenais aux portes du bonheur’… •
Bientôt de sa colère il comprit l’injustice,
Et d’actions de grâce il combla son sauveur.

Vous peuples, vous enfants, que l’erreur ou le vice
Berce d’un rêve dangereux,
Ne blàmez pas le père ou l’ami généreux
Dont la voix vous réveille au bord du précipice.


Pierre Lachambeaudie (16 december 1807 – 7 juli 1872)
Borstbeeld op Père-Lachaise, Parijs

 

De Britse schrijver en criticus (Victor Sawdon) V. S. Pritchett werd geboren op 16 december 1900 in Ipswich, Suffolk. Zie ook alle tags voor V. S. Pritchett op dit blog.

Uit: The Pritchett Century

“Since my boyhood I have been vain of being born just before the end of 1900 and at every birthday thinking of myself as pretty well as old as the century. I was at ease with its assumptions for fourteen years: after that, two dreadful wars, huge social changes, technological revolution, the disappearance of British power, the rise of the Welfare State, a decade or two of “peace” in the world abroad, dramatic threats once more.
Now I am eighty I see I have been shaken up like a dice in a box, if not as brutally as people born ten years earlier than myself. Many are still alive and in voice. I am abashed by my survival rather than proud of it; there is no merit in it. The credit goes to those secretive gamblers we call the genes.
I come of long-lived forebears among whom there were few defaulters on the Yorkshire side. Also, because of the great advances of medical science and hygiene, the average expectation of life in Great Britain has enormously increased in the past fifty years or more. The old are no longer revered curiosities; on the contrary, often a social problem. We swarm in cities and resorts, ancient mariners who square our shoulders as we pick one another out at a glance in the pubs, the shops, the park seats, the planes and the tourist buses. Our skins do not yet give off the eerie smell of senility. That glance of ours is often frisky, conspiratorial and threatening, warning you that we could a tale unfold if we should happen to get a grip on your wrist.
Not a day’s illness—we boast—except a winter cough or a twinge of arthritis or gout; we speak of these twitches as medals we have won. Smoke like fish (we go on), drink like a chimney, pity people who do not work a twelve-hour day, who have not ducked their heads through two world wars or known the good old hard times. And as for this new thing called sex …!
As our tongues wag and our metaphors mix we turn into actors on our conspicuous stage. We are good at pretending to be modest; we refuse to acknowledge we are ever in the wrong or incompetent. A brisk eighty-year-old electrician came to do a job at my house six years ago and serenely drove his drill clean through a hidden water pipe I had warned him of. He turned accusingly on me as the water spouted over us. Like all us oldies he congratulated himself and boasted he had never done such a thing to a water pipe. He and I still greet each other as we rush by in the street, equals in conceit and folly, and say how young we feel.”

 
V.S. Pritchett ( 16 december 1900 – 20 maart 1997)
Cover

 

De Engelse schrijfster Mary Russell Mitford werd geboren op 16 december 1787 in Alresford, Hampshire. Zie alle tags voor MaryRussell Mitford op dit blog.

Uit: Our Village

“Then comes the village shop, like other village shops, multifarious as a bazaar: a repository for bread, shoes, tea, cheese, tape, ribands, and bacon; for everything, in short, except the one particular thing which you happen to want at the moment, and will be sure not to find. The people are civil and thriving, and frugal withal; they have let the upper part of their house to two young women (one of them is a pretty blue-eyed girl) who teach little children their A B C, and make caps and gowns for their mammas,—parcel schoolmistress, parcel mantua-maker. I believe they find adorning the body a more profitable vocation than adorning the mind.
Divided from the shop by a narrow yard, and opposite the shoemaker’s, is a habitation of whose inmates I shall say nothing. A cottage,—no, a miniature house, with many additions, little odds and ends of places, pantries, and what not; all angles, and of a charming in-and-outness; a little bricked court before one half, and a little flower-yard before the other; the walls, old and weather-stained, covered with hollyhocks, roses, honeysuckles, and a great apricot-tree; the casements full of geraniums (ah, there is our superb white cat peeping out from amongst them); the closets (our landlord has the assurance to call them rooms) full of contrivances and corner-cupboards; and the little garden behind full of common flowers,—tulips, pinks, larkspurs, peonies, stocks, and carnations,—with an arbor of privet, not unlike a sentry-box, where one lives in a delicious green light, and looks out on the gayest of all gay flower-beds. That house was built on purpose to show in what an exceeding small compass comfort may be packed. Well, I will loiter there no longer.
The next tenement is a place of importance,—the Rose inn; a whitewashed building, retired from the road behind its fine swinging sign, with a little bow-window room coming out on one side, and forming, with our stable on the other, a sort of open square, which is the constant resort of carts, wagons, and return chaises. There are two carts there now, and mine host is serving them with beer in his eternal red waistcoat. He is a thriving man and a portly, as his waistcoat attests, which has been twice let out within this twelvemonth.Our landlord has a stirring wife, a hopeful son, and a daughter, the belle of the village; not so pretty as the fair nymph of the shoe-shop, and far less elegant, but ten times as fine; all curl-papers in the morning, like a porcupine, all curls in the afternoon, like a poodle; with more flounces than curl-papers, and more lovers than curls. Miss Phœbe is fitter for town than country; and to do her justice, she has a consciousness of that fitness, and turns her steps townward as often as she can.”

 
Mary Russell Mitford (16 dcember 1787 – 10 januari 1855)
Cover

 

De Braziliaanse dichter Olavo Bilac werd geboren op 16 december 1865 in Rio de Janeiro. Zie ook alle tags voor Olavo Bilac op dit blog.

Tercets

Still night it was, when first she said to me
Between two kisses that I could not stay,
And I, with tear-filled eyes, began to plea:

“At least please wait until the break of day!
Your room’s a fragrant nest, my heart is glad …
And see what darkness hovers out that way!

I low can you turn me out, alone and sad,
To wed the night and cold that’s in my breast
With that cold night with which the road is clad?!

Hear? it’s the wind! a storm! the sky’s distressed!
Don’t throw me out into the rain-swept gale!
Don’t ban me from your bed, let me find rest!

I´ll die of heartbreak and from yearning fail…
Oh wait! until the sun bursts forth, I pray,
Come warm me with your youth, I´m cold and pale!

And on your lap permit my head to lay
As once it did before you had complained …
Please wait a while! let night turn into day!”

—And she held out her arms. And I remained.

 

Vertaald door Frederic G. William


Olavo Bilac (16 december 1865 – 28 december 1918)
Borstbeeld in Recife

Klaus Rifbjerg, Jan Greshoff, Ingo Schulze, Simone van der Vlugt, Edna O’Brien, Hans Carossa

De Deense dichter en schrijver Klaus Rifbjerg werd geboren op 15 december 1931 in Kopenhagen. Zie ook alle tags voor Klaus Rifbjerg op dit blog.

Makrele

Ich gehe langsam durch die Stadt,
um meinen Makrelen-
schatten abzulegen.
Ich schreite gesetzt,
um mein Netz zu verlieren.
Ich stehe vor Fenstern und betrachte
meine Fluchtform.
Ich zünde mir eine Zigarette an
und mache Wolken aus Plankton.
Verspeise die Wolken aus Plankton,
werde aber nicht fetter.
Ich möchte gern eine Makrele
ohne Schatten sein.
Ich bewege mich
zwischen den steilen Ufern der Häuser –
Tore, Erker, Kleiderständer.
Ich sehe den Lichtschacht hinab
und erblicke die Muräne.
Ich tue mich gütlich an
ertrunkenen Matrosen.
Ich verspeise sie sommernachmittags
auf dem kleinen Marktplatz.
Ich bilde einen Schwarm zwischen Sonnenschirmen.
Ich spucke unverdauliche Reste
von Seeleuten hinter der Hand aus.
Ich werde nicht fetter.
Ich mache mir vergebens Gedanken über meine Kost.
Ich streiche ungesehen um die Ecke.
Ich bin Angehöriger einer Art.
Ich schreite gesetzt durch die Stadt.
Man sagt, mein Körper sei funktional.
Ich trinke Tee und esse Keks,
mein Schatten unvergänglich.
Ich gehe zwischen meinen Streifen,
meine Zähne leuchten,
mein Mund läßt sich nicht schließen.
Ich muß mich seitwärts drehen,
wenn ich ihn sehen will.
Funktional ist das nicht.
Ich bleibe vor Fenstern stehen.
Man schaut.
Sie schauen.
Ich spüre Hunger.
Mit meiner Gesetztheit ist es vorbei.
Ich springe.
Die Oberfläche bricht,
der Spiegel schließt sich.
Vorwärts!

 

Vertaald door Lutz Volke


Klaus Rifbjerg (Kopenhagen, 15 december 1931)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Greshoff werd geboren op 15 december 1888 in Nieuw Helvoet. Zie ook alle tags voor Jan Greshoff op dit blog.

Ikaros’ thuiskomst

Mijn vogel pover mekaniek
Baldadig en impertinent
Opstijgen hoger hoger
Verleid door ’t klatergouden omkoopgeld
Van de bedriegelijke zon.
Totdat de val begint
Verstopte leiding losse moeren
Fataal, duizlingwekkend
En eindelijk,
Apotheose van ’t verlies. –
Eerst door de lege lucht
Dan door de bittere weerstand
Van klei en steen
Tot in het harde heil der diepste duisternis.
O eind van de vergeefse vlucht
O eerste zekerheid: terug in ’t doel
O slaap zonder een morgen.

 

Voor een onbekende

Ik heb u nooit gezien, ik ken u niet,
Uwe ogen noch de ovaal van uw gelaat;
Maar nu gij raaklings langs mijn leven gaat
Wekt gij, waarom?, een onvermoed verdriet.

Zij die ‘k met de uitverkoren namen noem
Stond naast u, toen een doodvermoeide vrouw,
En uit de plooien van haar kleed van rouw
Hing haar hand neer als een verlepte bloem.

Hoe bang, hoe hopeloos is dit gebaar:
Zij vreest zichzelf verlaten en vervloekt.
Maar gij gaat verder, god weet wat ge zoekt.
Zó zwijgend scheiden vreemden van elkaar.

Dit was het bitter einde van een waan.
Ik heb u nooit gezien, ik ken u niet;
En toch voor u dit vaagbedroefde lied
Nu gij alléén uw weg moet gaan.

 
Jan Greshoff (15 december 1888 – 19 maart 1971)

 

De Duitse schrijver Ingo Schulze werd geboren in Dresden op 15 december 1962. Zie ook alle tags voor Ingo Schulze op dit blog.

Uit: Einübung ins Paradies

„Neuerdings atme ich sogar auf, wenn ich den Tierpark betrete, als wäre ich weit draußen im Grünen aus dem Auto gestiegen. Dabei habe ich zoologische Gärten und ähnliche Einrich-tungen nie gemocht. Die Idee, mir freiwillig Tiere hinter Gittern, Gräben und Volieren anzusehen, wäre mir ebenso abwegig erschienen wie der Be-such eines Boxkampfes, eines Parteitages oder Gottesdienstes. Ich fand es immer abstoßend, sich an gelangenen Kreaturen zu erfreuen, sie niedlich, komisch, menschlich, ulkig, gefährlich, exotisch oder langweilig zu finden. Ist das nicht obszön? Spürt man darin nicht eine Haltung, die nur ein paar Generationen vor uns noch Men-schen zu Ausstellungsohleklen gemacht hat, weil sie eine andere Hautfarbe hatten oder Missbil-dungen aufwiesen? Hätte mir jemand prophezeit, ich würde eines Tages eine Jahreskarte für den Berliner Tierpark besitzen- ich hätte nur gelacht. Als Emil und Hanna, die Kinder meines Bruders, mich letzten Sommer besuchten, wollten sie in den Zoo, wegen dieses Eisbärenbabys, das gar kein Baby mehr ist. Nun ist es mein Ehr-geiz, ihnen eine gute Tante zu sein. Also gingen wir in den Zoo. Am nächsten Tag wollten sie gleich wieder hin. Das lehnte ich ab. Als Kom-promiss einigten wir uns auf den Tierpark, mit der U-Bahn sind es von mir aus keine lünfzehn Minuten dorthin. Den Kindern gefiel es, und Ich dachte, einmal muss man ja doch hier gewesen sein. Was fiel einem denn früher zu Berlin ein? Der Fernsehturm, das Brandenburger Tor mit der Mauer, der Pergamonallar, der Palast der Repu-blik und der Tierpark. Sobald ich als Kind den Fernseher einschaltete, kam dieser Tierpark-Teletreff mit Prof. Dr. Dr. Dathe und Annemarie Brodhagon. Hinter den beiden wimmelte os nur so von Besuchern. Schwenkte die Kamera auf die Tiere, schien es, als liefen diese frei herum und würden sich im nächsten Moment unter die Menschen mischen. Prof. Dr. Dr. Dathes über-bordendes Wissen, seine Fähigkeit, unaufhör-lich über Tiere zu sprechen und dabei Hundert-tausende durch seine Erzählung zu fesseln und zum Staunen zu bringen, so dass Annemarie-der Professor durfte unsere schönste und belkb-teste Fernsehansagerin einfach nur Annemarie nennen – schließlich nur noch selig, erschöpft und demütig hat lächeln können, während sich Prof. Dr. Dr. Dathe doch gerade erst warm-geredet hatte und allmählich mit den eigent-lich wichtigen Informationen herausrückte. Das prägte mein Bild eines Gelehrten. So musste ein Professor sein! Mir gefiel sofort die Weite des Parks. Obwohl ich mit Hanna und Emil bereits kurz nach zehn gekommen war, hatten wir abends um sechs noch nicht alles gesehen. Ich will nicht wissen, was hinter der nächsten Biegung kommt, ich verlaufe mich lieber – deshalb ver-schob ich von Mal zu Mal den Besuch der An-höhe hinter dem Affenhaus. Als ich Pawel davon erzählte, hat er gelä-chelt. Das passte zu seinem Bild, das er von mir hat. Für ihn bin ich die Dame mit dem Hündchen.“

 
Ingo Schulze (Dresden, 15 december 1962
Cover

 

De Nederlandse schrijfster Simone van der Vlugt werd geboren in Hoorn op 15 december 1966. Zie ook alle tags voor Simone van der Vlugt op dit blog.

Uit: Het schaduwspel

“Amsterdam, oktober 1623
De eerste keer dat Eva hem ontmoette was op een feestje van Tessel. Eigenlijk was het een literaire en muzikale bijeenkomst, maar hoe later het werd op dat soort avonden, hoe meer concurrentie de kunst kreeg van wijn en uitbundig gedans.
Het verraste haar Jan daar te zien, want hoewel ze hem niet kende, had ze wel veel over hem gehoord en hij leek haar niet het soort man dat zich voor artistieke zaken interesseerde.
De culturele bijeenkomsten bij Tessel waren beroemd en werden goed bezocht. Toen Tessels moeder Aefje en haar vader Roemer Visscher nog leefden, werd er in huize De Korendrager al regelmatig gemusiceerd, gezongen en voorgedragen. Hun drie dochters hadden die traditie
voortgezet.
Eva kwam graag bij hen, net als Lysbet, haar oudere zus, Lysbet scheelde in leeftijd niet veel met de zusjes Visscher en ze was goed bevriend met Tessel. Ook al was Eva een stuk jonger, ze was bij hen thuis altijd welkom geweest.
Misschien kwam het doordat ze van muziek hield, en van zingen. Tessel had een prachtige zangstem en ze vond het leuk om Eva technieken aan te leren.
Drie opmerkelijke jongedames waren het, de zusjes Visscher. Alle drie even talentvol. Ze schreven gedichten, graveerden glaswerk en alsof dat nog niet genoeg was, spraken ze vloeiend Frans en Italiaans.
Dat was ook wat haar aandacht trok, die avond toen ze Jan ontmoette: hij stond met Tessel Italiaans te praten, wat ze een beetje vreemd vond.
Hij was al wat ouder, zevenendertig, gereserveerd maar knap. Hij had een gaaf gebit en donker, kort haar, wat zijn scherpe gelaatstrekken accentueerde. Het zorgvuldig geknipte baardje gaf hem iets intellectueels, waardoor hij goed bij het gezelschap van die avond paste.
Toen Lysbet en Eva zich bij hen voegden, schakelden Tessel en Jan over op het Nederlands.
‘Mag ik u voorstellen aan twee vriendinnen van mij? Dit zijn Lysbet en Eva Ment.’ Tessels hand fladderde van de een naar de ander. ‘Lysbet, Eva, dit is Jan Pieterszoon Coen. De man over wie heel Amsterdam praat. Wat zeg ik? Heel de Republiek!’

 
Simone van der Vlugt (Hoorn, 15 december 1966)
Cover

 

De Ierse schrijfster Edna O’Brien werd geboren op 15 december 1930 in Tuamgraney (County Clare). Zie ook alle tags voor Edna O’Brien op dit blog.

Uit: Saints And Sinners

“To prove that I’m an Irishman,” he replied.
“And the angel?”
“Oh that’s the guardian angel…. We all have one,” he said, with a deferential half smile.
About six months after our first meeting I came upon Rafferty unexpectedly, and we greeted each other like old friends. I was on the Kilburn High Road outside a secondhand furniture shop, where he was seated on a leather armchair, smiling at passersby, like a potentate. He was totally at ease out in the open, big white lazy clouds sailing by in the sky above us, surrounded by chairs, tables, chests of drawers, fire irons, fenders, crockery, and sundry bric-a-brac.
Offering me a seat, he said that the owner believed his presence perked up an interest in business, because once, when he had been singing “I’ll Take You Home Again, Kathleen,” passersby had stopped to listen and, as he put it, had browsed. Nearby, a woman haggled over the price of a buckled sieve, and a young mother was in vain trying to get her son off the rocking horse to which he was affixed. The white paint was scraped in several places, and the golden mane a smudged brown, but to the boy his steed was noble.
Rafferty rolled a cigarette, folded his tobacco pouch, and, impelled by some inner recollection, began to tell me the story of coming to London forty years earlier, a young lad of fifteen arriving in Camden Town with his father and thinking that it was the strangest, sootiest place he had ever seen, that even the birds, the fat pigeons that waddled about, were man-made. Theirs was a small room, which his father had rented the year previous. It had a single iron bed, a thin mattress, a washbasin, and a little gas ring to boil a kettle.
The next morning at the Camden tube station, where lorries and wagons were parked and young men waited to be recruited, literally hundreds of them, hundreds of Irishmen, hoped for a job.”

 
Edna O’Brien (Tuamgraney, 15 december 1930)

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Carossa werd geboren op 15 december 1878 in Bad Tölz. Zie ook alle tags voor Hans Carossa op dit blog.

Selige Gewissheit

Ja, du bist Welle vom frühesten Licht,
Hast ein Erdenkleid genommen,
Bist in eine Welt gekommen.
Glaub an die Heimat! Betrübe dich nicht!

Glaub an die Heimat! Sie ist überall.
Schwarze Kohle wird heller Kristall,
Vom Strahle des Geistes getroffen.
Der Weg zum Ursprung, noch steht er uns offen.
Liebende flochten die magische Leiter,
Immer liebender wage dich weiter
Bis zu der letzten Sprosse hinan,
Wo dich ergreift der unendliche Bann!
Wenn die Seele dann herrlich erschrickt
Vor Abgründen, in die kein Ahne geblickt, —
Stürze hinab! Geheiligt dein Fall, —
Heimat umleuchtet dich bald überall …

 
Hans Carossa (15 december 1878 – 13 september 1956)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e december ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Nicolas Gilbert, Maxwell Anderson, Indrek Hirv, François de La Rochefoucauld, Muriel Rukeyser, Garth Risk Hallberg

De Franse dichter Nicolas Gilbert werd geboren in Fontenoy-le-Château (Vosges) op 15 december 1750. Zie ook alle tags voor Nicolas Gilbert op dit blog.

Le poète dans les révolutions

«Que n’es-tu né sur les rivages
Des Abbas et des Cosroës,
Aux rayons d’un ciel sans nuages,
Parmi le myrte et l’aloès!
Là, sourd aux maux que tu déplores,
Le poète voit ses aurores
Se lever sans trouble et sans pleurs;
Et la colombe, chère aux sages.

Porte aux vierges ses doux messages
Où l’amour parle avec des fleurs!»

 
Nicolas Gilbert (15 december 1750 – 16 november 1780)
Fontenoy-Le-Château, Vosges

 

De Amerikaanse schrijver en songwriter Maxwell Anderson werd geboren op 15 december 1888 in Atlantic Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Maxwell Anderson op dit blog.

Uit: Winterset

“GARTH. Anything you say.
GAUNT. Why, now I go with much more peace of mind—if I can call you friends.
ESDRAS. We shall be grateful for silence on your part, Your Honor.
GAUNT. Sir—if there were any just end to be served by speaking out, I’d speak! There is none. No—bear that in mind!
ESDRAS. We will, Your Honor.
GAUNT. Then—I’m in some haste. If you can be my guide, we’ll set out now.
ESDRAS. Yes, Surely.
(There is a knock at the door. The four look at each other with some apprehension. MIRIAMNE rises.) I’ll answer it.
MIRIAMNE. Yes.
(She goes into the inner room and closes door. ESDRAS goes to outer door. The knock is repeated. He opens door. MIO is there.)
ESDRAS. Yes, Sir.
MIO. May I come in?
ESDRAS. Will you state your business, sir? It’s late—and I’m not at liberty —
MIO. Why, I might say that I was trying to earn my tuition fees by peddling magazines. I could say that, or collecting old newspapers—paying cash—highest rates—no questions asked —
(he looks round sharply.)
GARTH. We’ve nothing to sell.
(….)

ESDRAS. My son knows nothing.
GARTH. No. The picture-papers lash themselves to a fury over any rumor—make them up when they’re short of bedroom slops.—This is what happened. I had known a few members of a gang one time up there—and after the murder they picked me up because I looked like someone that was seen in what they called the murder car. They held me a little while, but they couldn’t identify me for the most excellent reason I wasn’t there when the thing occurred. A dozen years later now a professor comes across this, and sees red and asks why I wasn’t called on as a witness and yips so loud they syndicate his picture in all the rotor. That’s all I know about it. I wish I could tell you more.”


Maxwell Anderson (15 december 1888 – 28 februari 1959)
Poster voor de gelijknamige film uit 1936

 

De Estse dichter, beeldend kunstenaar en vertaler Indrek Hirv werd geboren op 15 december 1956 in Kohila. Zie ook alle tags voor Indrek Hirv op dit blog.

ooit drukte jouw slaap zwaar op mijn borst

ooit drukte jouw slaap zwaar op mijn borst
en viskeuze droefheid kronkelde door mijn aderen
mijn afdruk in jou – vogelafdruk in de lucht –

zou er iets terug moeten keren, dan is het louter verdriet van binnen

alleen de polsbeweging van een golf blijft –
ook ik ben op deze herinneringsfoto mistig
maar ik weet zeker, terwijl ik de herfstregens drink
dat de sterrenwolken onze erfenis zijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 
Indrek Hirv (Kohila, 15 december 1956) 

 

De Franse schrijver François de La Rochefoucauld werd geboren op 15 december 1613 in Parijs. Zie ook alle tags voor François de La Rochefoucauld op dit blog

Uit: Maximen. Bespiegelingen over menselijke gedrag (Vertaald door Maarten van Buuren)

We zijn nooit zo gelukkig of ongelukkig als we denken.

*

Kleingeestigheid leidt tot halsstarrigheid. We accepteren niet gemakkelijk wat buiten ons blikveld ligt.

*

Het gemak waarmee we iemands schuld aannemen, zonder de toedracht voldoende te hebben onderzocht, is een gevolg van hoogmoed en luiheid. We willen een dader aanwijzen, maar willen niet de moeite nemen het misdrijf te onderzoeken.


François de La Rochefoucauld (15 december 1613 – 17 maart 1680)
Cover

 

De Amerikaanse dichteres, schrijfster en politiek activiste Muriel Rukeyser werd geboren op 15 december 1913 in New York. Zie ook alle tags voor Muriel Rukeyser op dit blog.

Waiting For Icarus

He said he would be back and we’d drink wine together
He said that everything would be better than before
He said we were on the edge of a new relation
He said he would never again cringe before his father
He said that he was going to invent full-time
He said he loved me that going into me
He said was going into the world and the sky
He said all the buckles were very firm
He said the wax was the best wax
He said Wait for me here on the beach
He said Just don’t cry

I remember the gulls and the waves
I remember the islands going dark on the sea
I remember the girls laughing
I remember they said he only wanted to get away from me
I remember mother saying: Inventors are like poets, a trashy lot
I remember she told me those who try out inventions are worse
I remember she added: Women who love such are the worst of all
I have been waiting all day, or perhaps longer.
I would have liked to try those wings myself.
It would have been better than this.

 
Muriel Rukeyser (15 december 1913 – 12 februari 1980)
Cover

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse schrijver Garth Risk Hallberg werd geboren in Louisiana in december 1978. Zie ook alle tags voor Garth Risk Hallberg op dit blog.

Uit: City on Fire

“It was connected with the doctor’s studious skirting of the word “father” and its equivalents, which of course kept the person they referred to at the very front of Charlie’s mind. But suppose they were right: the school guidance counselor, his mom. Suppose the dead father lodged in his skull was making him sick, and suppose Dr. Altschul could pry Dad out, like a bad tooth. What, then, would be left of Charlie? So he talked instead about school and pee-wee league, about the Sullivans and Ziggy Stardust. When given a “homework” assignment—think about a moment he’d been scared—he talked about the terrifying dentist his mom used to make him go see on the thirty-eighth floor of the Hamilton-Sweeney Building; how old Dr. DeMoto once scraped his plaque onto a saltine and made him eat it; and how the window, inches away from his chair, gave onto a sheer drop of six hundred feet. Mom had this idea that for the finest care, you had to go to Manhattan. In fact, maybe ponying up for a fancy headshrinker now was contrition for Dad; maybe she thought if he’d been rushed after the second heart attack to a hospital in the City, he’d still be alive. “Heights—that’s what scares me,” Charlie said. “And fires. And snakes.” One of these wasn’t even true. He’d put it in to test Dr. Altschul, or throw him off the trail.
Then one Friday, a month before school ended, he found himself holding forth with unexpected vehemence about Rabbi Lidner. This had been another of his “homework” assignments, to “recover” his feelings about his adoption. “Abe and Izz will do fine with the Torah study, it’s in their blood, but honestly, sometimes I feel sorry for them. They don’t know what they’re in for.”
There was a twitch, a resettling of fingers on the cardigan, like a cellist’s on his instrument, a movement at the corner of the therapeutic mouth too quick for the beard to camouflage. “What is it you feel they’re in for, Charlie?”
“All this stuff about being shepherded, watched over…You and I both know it’s bullshit, Doc. If I was any kind of brother, I’d take them aside and tell them.”


Garth Risk Hallberg (Louisiana, december 1978)

Gerard Reve, Boudewijn Büch, Hervé Guibert, Paul Eluard, Helle Helle, Regina Ullmann, Shirley Jackson, Andreas Mand, Christian Huber

De Nederlandse dichter en schrijver Gerard Reve werd op 14 december 1923 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Gerard Reve op dit blog.

Uit: Nader tot U (Brief door tranen uitgewist)

Greonterp, 14 oktober 1964. Van de bomen rond het kerkhof zijn de meeste bladeren al af, en in de tuin is bijna alles uitgebloeid; slechts de heilige bloem, een eenzame krisant, is kortelings begonnen te bloeien ten teken dat we weer, met forse tred, het grote feest van Allerzielen naderen. Een verre hond blaft, over een dak heen daalt, voor enkele ogenblikken, de geur neer van een vroeg aangemaakt fornuis, en even onontkoombaar als altijd zijn de gedachten en herinneringen aan vroeger. Ik moet denken aan allen die ik gekend heb, en die nu dood zijn.
Dit is geschreven in ongekende zwaarmoedigheid en immer toenemende wanhoop; toen de schrijver 3½ dag niet had gedronken; nadat hij zich als een krankzinnige gedragen had. Voor de orkestmeester. Een herfstlied, of avondzang. Ik zou wel willen, dat deze brief vol zachtheid en tederheid kon zijn, met somtijds huiveringen van stilte en Aandacht, en geheel zonder gramschap jegens enig schepsel; ik zou willen dat hij een ieder die hem leest stil moge maken, en sommigen zelfs aan het schreien moge brengen – want dat is het hoogste. Dat verlang ik en hoop ik, terwijl ik aan het raam zit en naar buiten staar. Het is helder weer, en windstil, maar toch is het soms, of ik van verre een ijle, klagende stem hoor, als van de wind door de toppen van een duister naaldwoud. (Kom je gauw? Ja hoor, ik kom zo. Warte nur, warte nur.)
Het licht, en de kleur van de hemel doen me denken aan het weer van misschien een maand of vier geleden, toen ik, op een zaterdagmiddag denk ik, bij Wimie langs ging om wat dingen uit te zoeken die Prijsdier en hij apart hadden gezet omdat ze er geen waarde meer aan hechtten, terwijl ik ze misschien nog wilde hebben. Na de gewone, altijd een beetje overdreven begroeting, klom ik die middag meteen de ladder op naar het boven de zogenaamde studio gelegen ‘martelkamertje voor jonge Duitse toeristen’, waar ze de niet meer gewenste voorwerpen hadden neergezet. Toen ik boven was gekomen en de voorwerpen op de vloer zag staan in het schrale, oude zonlicht dat door het stoffige raam aan de voorzijde naar binnen viel, ging ik, na het luik bovenaan de ladder achter me te hebben gesloten, op de lege, indertijd nog door mij getimmerde brits zitten en begon ik, huiverend en doodstil, voor me uit te staren.Alles was die middag anders dan vandaag – het vertrek en het uitzicht, over enkele verweerde pannen daken, evenzeer, maar toch was alles hetzelfde. Ik bleef lange tijd boven. Toen ik weer beneden kwam, vroeg Wimie, wat ik in godsnaam al die tijd gedaan had. Ik zei, dat ik me als een razende aan het voortplanten was geweest, en dat was ook zo, twee maal, maar, als altijd, was ik er alleen maar geiler door geworden. ‘Laten we naar bed gaan.’ Dat kon niet, om een of andere reden. Hindert ook niet, zei ik, ik red me wel en jij hoeft niks te doen, als je je broek maar wat openmaakt en naar beneden doet, of je mag hem aanhouden en dicht laten ook, als je maar zo gaat staan dat hij spant, verder maakt het niks uit, Geil Beest, Wrede Prins, Eénsporige Jongensruiter, ik zal je opgeilen en strelen en bewonderen terwijl je die en die Jongen berijdt, etc. Ik had wel iets gedronken, thuis, maar haast niks, echt niet de moeite waard. Toen werd er gebeld en petroleum gebracht, en het was ook nogal laat in de middag geworden, beseften we, dus gingen we maar gewoon zitten en begonnen we wat te praten.”


Gerard Reve (14 december 1923 – 8 april 2006)
Cover

 

De Nederlandse dichter, schrijver en televisiemaker Boudewijn Maria Ignatius Büch werd geboren op 14 december 1948 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Boudewijn Büch op dit blog.

Weerzien

De zomers speelden in Arcadië.
Vlinders – in soorten die al lang
niet meer bestaan – vlogen zenuwachtig
en geluidloos in grillige lijnen
langs de droge struiken. Soms stak mijn vaders
donkere hoofd boven de duinpan uit
maar altijd was zijn vlindernet te zien
dat driftig gaten sloeg in schijnbaar niets,
op zoek naar razendsnel onzichtbaarheid.

Nu zijn zomers winterlang

Nergens in het zand – dat zachte
dreunen van de zee – hoor ik hem jagen.

Er zijn geen vlinders meer in Wassenaar;
overal staat Toegang die Verboden is.

 

Out of Time
[The Rolling Stones]

dit is voorbij
het uur
van kruisdroom
& kwetsuur

o vader, meisje
aan het lied
onttrokken
verenig dood &
jongen onverschrokken
want hier zingt
het tweevoud
van de pijn

ik ben verdriet

zo moet het zijn

 
Boudewijn Büch (14 december 1948 – 23 november 2002)

 

De Franse schrijver Hervé Guibert werd geboren op 14 december 1955 in Saint-Cloud. Zie ook alle tags voor Hervé Guibert op dit blog.

Uit: The Mausoleum of Lovers (Vertaald door Nathanaël)

“In the bus, I sit down beside a young man, with straight black hair, that he doesn’t stop combing, interminably, with a small comb of imitation tortoise shell, the yellow plastic case for which he is holding, as well as the file that completes the set, with his left hand. First I try to determine whether the moments when the man leaves his hair and lets his hand fall into the air, while still clutching the comb, bear any relation to the bus stopping, at red lights for example. Then I tell myself: it would take next to nothing for this man’s gesture to start exasperating me, and for me to change places, but I am quite calm this morning, and that won’t happen. Still, I cannot detach myself from this gesture, and be attentive in my field of vision to the repetitive movements of the comb in his hair. I watch him furtively, and he ends up catching my eye, he smiles at me, he asks me: “You okay?” and I answer: “Yes, I’m okay,” and I smile in turn, blushing. I then develop a sentence that would say: “You have beautiful hair, but don’t you think you’ll end up tiring it, by always combing it thus?”, this sentence which is developed and perfected (I remove for example, the “very” from “beautiful hair” so as not to give it a flattering turn) remains in my head and plagues me, during the whole trip it becomes a necessity, yet I prevent myself from speaking it, by simple prudence, I tell myself: it might cause the comb’s teeth, instantly, to pierce my face with so many little red points. It would take very little for this ceaselessly manipulated comb, passed through his hair over and over, to become an object of aggression. Finally he gets up, and I watch him get off the bus with relief, but instead of losing itself, of dismounting with him, my sentence remains embedded, and that is why I am writing this.”

 
Hervé Guibert (14 december 1955 – 27 december 1991)
Cover Franse uitgave

 

De Franse dichter en schrijver Paul Eluard werd geboren op 14 december 1895 in Saint Denis. Zie ook alle tags voor Paul Eluard op dit blog.

De geliefde

Zij staat over mijn oogleden
en haar haren zijn in de mijne,
zij heeft de vorm van mijn handen,
zij heeft de kleur van mijn ogen,
zij verzinkt in mijn duister
als een steen op de hemel.

Zij heeft haar ogen altijd open
en laat mij niet slapen.
Haar dromen in het volle licht
slaan wolken uit de zonnen,
laten mij lachen, huilen en lachen,
en praten zonder iets te hoeven zeggen.

 

Vertaald door Hans van Straten

 

Tegen middernacht

Deuren openen zich ramen maken zich bekend
Een stil vuur ontvlamt en verblindt me
Alles wordt beslist ik ontmoet
Wezens die ik niet gewild heb

Hier de gek die brieven kreeg uit het buitenland
Hier de kostbare ring die hij van zilver waande
Hier de praatgrage vrouw met het grijze haar
Hier het onstoffelijke meisje
Onaf en lelijk badend in nacht en misère
Met malven geblanket en met absurde maagdenpalmen
Haar naaktheid haar kuisheid gevoelig van alle kanten
Hier de zee en schepen op speeltafels
Een vrij man nog een vrij man en het is dezelfde
Razende dieren voor de met modder gemaskerde angst
Doden gevangenen gekken alle afwezigen

Maar jij waarom ben jij er niet om mij te wekken.

           
Paul Eluard (14 december 1895 – 18 november 1952)
Portret door Man Ray, 1929

 

De Deense schrijfster Helle Helle werd geboren als Helle Krogh Hansen in Nakskov op 14 december 1965. Zie ook alle tags voor Helle Helle op dit blog.

Uit: Down To The Dogs (Vertaald door Mark Kline)

“A hoop of ivy and an oil lamp in every window. She opens the front door. The hallway is narrow, with a pine stairway at the rear. They take their shoes off and we walk into the living room. A fire is burning in the woodstove. I stand in the middle of the floor. She walks out and comes back a little while later with a glass of water, which she hands me.
“Why are you both wearing coveralls?” I say.
“We just got back from the dogs,” she says.
She has turned on the tv, now she’s sitting on the sofa. The weather is on, she leans all the way forward.
“You think the fence will hold?” she says.
“Else we’ll figure something out,” he says, and then to me: “Sit down, sit.”
I drink my water while they chitchat. I don’t really hear what they say. Putte gets up to fetch the local paper. She flips through the pages with her feet up, her thighs are a bit stocky. John mumbles while he follows along from over her shoulder.
“They should have already got that done last year,” Putte says, and shakes her head.
“Yeah, but, you know,” John says.
“Anyway.”
They go through the entire paper this way. Then she folds it up and gives him a little slap on the knee with it: “What’s on the menu?”
“Con carne.”
John chops onions and sniffles out in the open kitchen, Putte unbuttons her coveralls and throws them over a chair. She has on leggings and a loose checkered shirt underneath. Ski socks outside the leggings. She takes a cigarette out of a pack lying on the shelving, lights it and walks over to John, sticks the cigarette in his mouth.
“There’ll be no crying now,” she says to me.
She sits down and watches tv. Yawns a bit. Stretches out halfway on the sofa, reaches for a throw and pulls it over herself. We watch the local news. She falls asleep.”

 
Helle Helle (Nakskov, 14 december 1965)

 

De Oostenrijks – Zwitserse dichteres en schrijfster Regina Ullmann werd op 14 december 1884 in St. Gallen geboren. Zie ook alle tags voor Regina Ullmann op dit blog.

Uit: De landweg (Vertaald door Josephine Rijnaarts)

“Een paar jaar geleden stond er in een verborgen uithoek van Stiermarken nog een oude herberg. Op een plek waar je het nooit zou verwachten, stond hij daar met zijn ene verdieping, alsof hij onbewoond was en geëtst door een geest die een andere geest wilde uitleggen wat een huis eigenlijk is. Boven de deur hing een bord waarop een prachtig hert was geschilderd. Het sprong met zijn voorpoten het bos in, terwijl zijn achterpoten stilstonden, zodat het tussen zijn voor- en achterpoten een kerktoren en een paar huizen kon laten zien. Een hele wereld, met aan het andere einde een knielende jager, een nietig figuurtje met een jachtgeweer in zijn hand. Hij mikte en mikte, alsof hij pas achteraf op het idee was gekomen, toen het hert er allang vandoor was. (Zo gaat het soms bij mensen, en niet alleen met wild in het bos.) Het bord moest ongetwijfeld de kracht en schoonheid van het dier tonen en voorbijgangers het als herberg bedoelde huis in het geheugen prenten, dat midden in de bossen gereedstond om gasten te ontvangen. Maar hooguit een jager of boswachter, een kolenbrander of een alpenherder die weer op huis aanging, vond de weg in die woestenij, en zij kwamen niet voor wijn of bier, maar om hun keel te smeren met een glaasje schnaps uit een grote doorzichtige fles. Er werd dan niets gezegd omdat er toch niemand was, behalve een hardhorende oude vrouw, die de gast samen met het glas ook de fles toeschoof. Want zij kon zo’n drankje niet meer druppel voor druppel inschenken zonder te beven en te trillen. Ja, ze moest ook bijna blind zijn, want als er dan toch eens een vreemdeling kwam die haar liet inschenken, omdat hij de gewoonten van het huis niet kende, goot ze de schnaps op de tafel, heel behoedzaam, dat wel, maar toch gewoon op de tafel. En ze zei niets terwijl ze dat deed, omdat het toch geen zin had, omdat ze doof was. Leeg was ze als een onbewoond huis, waar je staat te roepen en te roepen zonder dat er iemand verschijnt. Doof was ze. En ze was zo oud dat een achterkleinzoon, een volwassen kerel, zich het beverige slaapliedje nog kon herinneren dat ze voor hem had gezongen toen hij klein was. Ze was zo oud dat het leek alsof de dood in haar geval pas bij een hoog getal was beginnen te rekenen en nu doortelde, tot boven de honderd en verder. 0, die vrouw was legendarisch. Of ze iets deed? Zeker, ze deed iets. Ze deed wat er in zo’n huis, waar zo weinig leven was, zoal gedaan moest worden. Ze hield het vuur in de kachel brandend en maakte gierstepap klaar. Veel meer was er bij haar namelijk niet te krijgen, behalve de melk die een kleine herdersjongen ’s ochtends en ’s avonds bracht. Natuurlijk dronken ook haar mensen af en toe schnaps, maar dat was dan niet haar zaak. Ze leek het leven te bedienen zoals het leven haar bediende. Met het vee bemoeide ze zich ook al een hele tijd niet meer. Daar zorgden de mannen voor, haar kleinzoons en de knechten, die ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds rond het huis in de weer waren. Die jodelden ook weleens, maar meer voor zichzelf en voor de akkers en de alpenweiden waar ze telkens weer naartoe klommen; de oude vrouw dekte de tafel toch niet sneller en schoof ook de stoelen niet op hun plaats als de mannen al zo dicht in de buurt waren, want ze hoorde het niet.”


Regina Ullmann (14 december 1884 – 6 jannuari 1961)
St. Gallen in de Adventstijd

 

De Amerikaans schrijfster Shirley Jackson werd geboren in San Francisco op 14 december 1916. Zie ook alle tags voor Shirley Jackson op dit blog.

Uit: We Have Always Lived in the Castle

“Good morning, Mary Katherine,” Stella always said, reaching over to wipe the counter with a damp rag, “how are you today?”
“Very well, thank you.”
“And Constance Blackwood, is she well?”
“Very well, thank you.”
“And how is he?”
“As well as can be expected. Black coffee, please.”
If anyone else came in and sat down at the counter I would leave my coffee without seeming hurried, and leave, nodding goodbye to Stella. “Keep well,” she always said automatically as I went out.
I chose the library books with care. There were books in our house, of course; our father’s study had books covering two walls, but I liked fairy tales and books of history, and Constance liked books about food. Although Uncle Julian never took up a book, he liked to see Constance reading in the evenings while he worked at his papers, and sometimes he turned his head to look at her and nod.
“What are you reading, my dear? A pretty sight, a lady with a book.”
“I’m reading something called _The Art of Cooking_, Uncle Julian.”
“Admirable.”
We never sat quietly for long, of course, with Uncle Julian in the room, but I do not recall that Constance and I have ever opened the library books which are still on our kitchen shelf. It was a fine April morning when I came out of the library; the sun was shining and the false glorious promises of spring were everywhere, showing oddly through the village grime. I remember that I stood on the library steps holding my books and looking for a minute at the soft hinted green in the branches against the sky and wishing, as I always did, that I could walk home across the sky instead of through the village.”

 
Shirley Jackson (14 december 1916 – 8 augustus 1965)
In 1938

 

De Duitse schrijver Andreas Mand werd geboren op 14 december 1959 in Duisburg. Zie ook alle tags voor Andreas Mand op dit blog.

Uit: Der zweite Garten

„Wie schwer es ist, ein Buch zu schreiben, das neben seinem Anspruch auf Wahrhaftigkeit und Vollständigkeit nicht nur mir und den Lesern, sondern auch allen Mitspielern gefallen soll. Es werden Leute lesen, die kannten Uwe als alten Mann? Anzunehmen, dass Miriam kein Interesse hat, ihre Magen-Darmprobleme verhandelt zu sehen. Aus ihrer Sicht wird das ein trostloses Wochenende. „Nichts Schönes”, sagt sie, weil sie die Navid Kermani Veranstaltung als öde Pflicht begreift. Nichts Schönes habe auch ich zu erwarten, nämlich von Kermani abgesehen die üblichen dissonanten Schulechos. Gestern zu sehen, wie sie Uwe behandelt, der heute die Englischarbeit schreibt, war echt zum Kotzen. Bezweifelt niemand, dass sie Stress hat, aber wenn sie hier herumläuft wie ein losgerissener Benotungsautomat? Vielleicht wird das Ergebnis meines Nachdenkens sein: dass die Kerbe längst vorhanden war, in die sie täglich hackt? Dabei wäre es so leicht, das Leben zu genießen in der höchst angenehmen Gesellschaft unserer Söhne zum Beispiel. Dass einer von ihnen heute Morgen mal wieder nicht die Klobürste benutzt hat? Da mosere ich pflichtgemäß, weil ich ihnen das noch abgewöhnen will, aber im Grunde ist es mir egal. Dass Moritz erkennt, „Chemie ist nicht mein Fall”? Gratuliere zur Selbsterkenntnis! Statt den Sackgassenblues anzustimmen, kann man an diesen schönen Vorfrühlingstag auch mal aus dem Haus gehen und sagen, so. Ich würde Miriam gern von ihren Belastungen befreien, aber ich habe es nicht in der Hand. Ich kann ihr nur weiter entgegen kommen, wie ich ihr jahrelang entgegen gekommen bin, aber der Erfolg scheint zweifelhaft. Wenn ich zum Beispiel an ihrer Stelle mit Uwe Englisch übe, kann das sehr gut dazu führen, dass es ihm völlig unerträglich wird. Spät abends sieht sie Frau TV, wo es passend um die soziale Absturzgefahr von Hausfrauen geht. Super, lasst uns alle WDR-Moderatorinnen werden. Vielleicht ist das der Grund, warum mir ein Katalog für Wetterjacken und Zelte heute so interessant vorkommt. Oder liegt es an der jugendlichen Mitarbeiterin, die da mit ins Zelt durfte? Isolationsmessung Wie aus früheren weltpolitischen Krisen geläufig, macht einen der Dauerbeschuss aus Sondersendungen und Themenseiten irgendwann verrückt. Dritter Tag des Testabos: Titelseite Kommentar, Rückseite blöde Witze. Drucken aus, was sie sowieso im Kopf haben. Kernschmelze gehört zur Kernkompetenz. Gestern gab es hier einigen Unfrieden. Begann mit elterlichem Genöle darüber, dass die Jungen morgens nur schwer aus dem Bett fanden.“


Andreas Mand (Duisburg, 14 december 1959)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijver, componist en muziekproducent Christian Huber werd geboren in 1984 in Regensburg. Zie ook alle tags voor Christian Huber op dit blog.

Uit: Fruchtfliegendompteur

„Ich habe ein Problem. Das glaube ich zumindest. Vielleicht ist »Problem« aber auch der falsche Ausdruck. Ich bin kein ­Mediziner. Aber »Leiden« klingt schon wieder so weinerlich, und es »eine Qual« zu nennen, ist vielleicht ein bisschen übertrieben. Und ich übertreibe nicht, wenn es um meine Gesundheit beziehungsweise um eine vermeintliche, eventuell schwere Krankheit geht. Ich bin ein Mann und kann einiges ab.
Doch seit etwa einem Monat habe ich ein mal etwas stärkeres, mal etwas schwächeres Schwindelgefühl. Ein bisschen so, als würde sich das Sichtfeld zu einem schwammigen Tunnel verengen und langsam nach hinten kippen, während man in ­einem abstürzenden Fahrstuhl in atemberaubender Geschwindigkeit einen stickigen Schacht hinunterrast.
Nur nicht ganz so schlimm.
»Das Wetter! Sicher bist du wetterfühlig«, habe ich am Anfang ­gedacht. Das liest und hört man ja ständig. Alte Menschen ­spüren in den morschen Knochen, wenn das Wetter umschlägt und der Körper auf jede noch so marginale Klimaveränderung reagiert. Kopfschmerzen, Kreislaufprobleme. Wenn die wulstige Kriegsnarbe im Bein zieht, wird es morgen wieder drückend schwül von der Westfront her. Nun war ich nie im Krieg, und im eigentlichen Sinne alt bin ich mit dreißig auch noch nicht. Schwül war es die letzten Wochen ebenso wenig gewesen. Eher heiß. Sehr heiß. Keine Wolke am Himmel. Jahrhundertsommer!
Mein Unwohlsein musste also eine andere Ursache haben.
Das für den Menschen lebenswichtige Vitamin D erhält der ­Körper zum größten Teil durch Sonneneinstrahlung direkt über die Augen. Etwa 45 Minuten soll man sich draußen auf­halten, um den täglichen Bedarf an Vitamin D zu decken. ­Möglichst ohne Sonnenbrille. Generell kein Problem in einem Jahrhundertsommer, aber um hier auch wirklich nichts dem Zufall zu überlassen, lag ich jeden Tag etwa drei Stunden in der prallen Sonne und starrte in den Himmel. Das Wetter konnte also ebenso wenig der Grund für meinen Schwindel sein.
»Vielleicht ernähre ich mich nicht ausgewogen genug!«, war mein nächster Gedanke. Stichwort Mangelernährung. Werden dem Körper nicht alle nötigen Nahrungsbestandteile zugeführt, kommt es zu mitunter massiven Beschwerden. Das lernt man schon in der Grundschule. Leider ernähre ich mich recht ­gesund. Schon zum Frühstück esse ich eine große Portion Obst und Gemüse. Also, genauer gesagt: Vitaminpillen. Obst und ­Gemüse schmecken mir nicht sonderlich, und warum soll ich meinen Körper mit etwas quälen, was mir nicht schmeckt, wenn ich über 250 Prozent meines täglichen Bedarfs an Vita­minen auch mit fünf geschmacksneutralen Tabletten und ­bunten Geleekapseln decken kann?“

 
Christian Huber (Regensburg, 1984)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e december ook mijn blog van 14 december 2017 en ook mijn blog van 14 december 2014 deel 1 en eveneens deel 2.

José Eduardo Agualusa, Anton H.J. Dautzenberg, Jack Hirschman, Adrian Chivu, Heinrich Heine, Kenneth Patchen, Jean Rouaud, Ida Vos, William Drummond

De Angolese schrijver José Eduardo Agualusa werd op 13 december 1960 in Huambo geboren. Zie ook alle tags voor José Eduardo Agualusa op dit blog.

Uit: A General Theory of Oblivion (Vertaald door Daniel Hahn)

“I’ve died,” thought Jeremias. “I’ve died, and that gecko is God.”
Even supposing that the gecko was indeed God, he would appear to be hesitating about what fate to assign to him. To Jeremias this indecision was even stranger than finding himself face-to-face with the Creator and the fact that He had taken on the form of a reptile. Jeremias knew, and had known for quite some time, that he was destined to burn for all eternity in the flames of Hell. He had killed, he had tortured. And if he’d started off doing those things out of duty, obeying orders, he had later acquired a taste for it. He only felt awake, whole, when he was racing through the night, in pursuit of other men.
“Make your mind up,” said Jeremias to the gecko. Or rather, he tried to say, but all that came out of his mouth was a dull, tangled thread of sounds. He made a second attempt, and, as in a nightmare, the dark rush of noise came again.
“Don’t try to talk. Actually, you’re not going to talk ever again.” Jeremias believed, for some moments, that it was God who was condemning him to eternal silence. Then he turned his eyes toward the right and saw a hugely fat woman leaning against the door. Her hands, with tiny, fragile fingers, danced before her as she spoke:
“Yesterday they announced your death in the newspapers. They published a photograph, it was quite an old one, I almost didn’t recognize you. They said you were a devil. You died, you were reborn, and you have another chance. Make the most of it.”
Madalena had been working at the Maria Pia Hospital for five years. Before that she had been a nun. A neighbor had witnessed the shooting of the mercenaries at a distance and had notified her. The nurse drove to the site on her own. One of the men was still alive. A bullet had passed through his chest, on a miraculous, perfect course that hadn’t hit a single vital organ. A second projectile had gone into his mouth, shattering his two upper incisors, then perforating his throat.
“I don’t understand what happened. Were you trying to catch the bullet in your teeth?” She laughed, her body shaking. The light seemed to laugh with her. “Yes, sir, those are some good reflexes. And it wasn’t even such a bad idea, either. If the bullet hadn’t found your teeth, it would have taken a different direction. It would have killed you or left you paralyzed. I thought it best not to take you to the hospital. They would take care of you and then when you were recovered they’d only shoot you again. So be patient, and I’ll look after you myself with what little resources there are. I just have to get you out of Luanda. I don’t know how long I’ll be able to hide you. If the comrades find you, they’ll shoot me, too. As soon as possible we’ll travel south.”


José Eduardo Agualusa (Huambo, 13 december 1960)

 

De Nederlandse schrijver Anton H.J. Dautzenberg werd geboren in Heerlen op 13 december 1967. Zie ook alle tags voor Anton H. J. Dautzenberg op dit blog.

Uit: Ik bestaat uit twee letters

“13 december 2016 [Tilburg, Carré] Vandaag over een jaar word ik vijftig. Het Jaar van Abraham is begonnen. Ik kan me er nog maar weinig bij voorstellen – vijftig. Een mijlpaal, volgens velen. Ik zie vooral een constructie, een gecultiveerd symbool dat nauwelijks te negeren valt. We hebben blijkbaar behoefte aan piketpaaltjes om het leven te structureren, van betekenis te voorzien.
Dertien vond ik een spannende leeftijd, dat weet ik nog goed, mijn tienertijd was begonnen. En die zou nog lang gaan duren: dertien, veertien, vijftien, zestien, zeventien, achttien, negentien. Er lag een tijdspanne voor me die ik niet kon overzien. De broer van een vriend van me was negentien, hij leefde in een wereld waarvan ik me geen voorstelling kon maken. Eenentwintig, dat getal luidde wéér een nieuwe fase in, of móést een nieuwe fase inluiden. Daarna kwam dertig, drieëndertig, veertig en nu dus vijftig.
Eerlijk gezegd heb ik die laatste ‘mijlpalen’ helemaal niet gevoeld. Misschien komt dat ook doordat ik mijn verjaardag al meer dan dertig jaar niet vier. Gefeliciteerd worden met iets waar ik niets voor heb moeten doen, dat beviel en bevalt me niet. Ik vind het sowieso niet fijn om felicitaties in ontvangst te nemen, ik heb de neiging om ‘prestaties’ tussen aanhalingstekens te zetten. Wellicht een residu van de ziekelijke verlegenheid waarmee ik lang heb geworsteld: let maar niet op mij, ik ben er niet. Vreemd genoeg bleven de prestaties toch komen, een gevolg van een geldingsdrang die ik niet heb kunnen beteugelen en die zich niets van de schaamte lijkt aan te trekken.
Negenenveertig jaar geleden werd ik dus geboren. 13 december 1967. Op een woensdag. Het was een donkere en koude dag lees ik op Datum.nl. ‘Een donkere en koude (max 7,0 °C) dag zonder zon. De lucht was geheel bewolkt, er woei een zwakke wind (2 Bft) met matige windstoten (3 Bft).’ Ik floepte om ongeveer 7.15 uur naar buiten, achteloos achter mijn broer aan. Althans, dat zegt mijn moeder altijd, dat ik moeiteloos naar buiten gleed.
‘Je hebt je broer het werk laten doen en je glipte er daarna gewoon uit.’ Telkens wanneer ze dit zegt – en dat is minimaal één keer per jaar – krijg ik de indruk dat ik daar indertijd bewust voor heb gekozen en dat ik als foetus al wist hoe ik mijn krachten moest verdelen. Ik ben inderdaad assertiever dan mijn broer, dus dat zal ze wel op de geboorte projecteren. Ik liep bijvoorbeeld al na negen maanden, mijn broer pas na vijftien maanden. Misschien was dat een gevolg van mijn baarmoederstrategie: doe jij het zware werk, maak jij de weg maar voor mij vrij. Drie minuten na Hub floepte ik er dus uit, in de Vroedvrouwenschool in Heerlen.”

 
Anton H.J. Dautzenberg (Heerlen, 13 december 1967)

 

De Amerikaanse dichter en sociaal activist Jack Hirschman werd geboren op 13 december 1933 in New York. Zie ook alle tags voor Jack Hirschman op dit blog.

The Sacificial Lamb

As I slept I heard
you call me in the voice
of our former life,
womanly, resonant, dark
eyelid of voice, voice with child,
voice of older passion, of
our lust and obscenities,
mimosa voice of vining power,
voice of blood and storm

And I went on sleeping,
I could no longer rise to that woman,
she had been wept away,
many tissues at the bedside
of a broken promise of wood,
many tissues in the broken
toilets of the hotel heart

She had arrived at you
called me in the voice of this life,
a girl’s voice, a voice at once
thin as a crik, as a hope like thread,
a fresh whisper of this new karma
of love

I see your confusion clearly
and when I am wide awake
and kiss you,
I pass through the light
water of the mask
and touch that dark ecstasy
again,
who is silent who is otherwise
wiser for the seachange,
who holds us both
loving orphans of her thrall
loving kisses of her continual
rebirth
gathered by our lips from
the scattered rags of air
where she flung herself
one garment-demented day.

1976

 

Calligraph
for Ruth

Her hair hysterical, thrown back at the sight
Of the rose my throbbing boyhood brought,
Incensed, how the man in me leaped from my blush
And struck a trembling smile upon her mouth,

And how, drawing a tattered kimono close,
With fingers soft as pounded paraffin,
She bent and lifted up a thin-necked vase
To put the flower in.

1956

 
Jack Hirschman (New York, 13 december 1933)

 

De Roemeense dichter en schrijver Adrian Chivu werd geboren op 13 december 1975 in Boekarest. Zie ook alle tags voor Adrian Chivu op dit blog.

Uit: The Street (Vertaald door Alistair Ian Blyth)

“…and he said no but it was obvious there was something wrong and I asked him have you caught syphilis? because that’s what Cip told us that you can catch it by kissing somebody and you can only get rid of it if you have injections and Romeo said let’s go round the back of the house for a bit and I told him hang on I’ll just drop off my satchel and then I’ll come back and he said bring it with you and I said no wait a bit I’ll be right back and I ran home but neither my mother nor sister were there and I left my satchel in the hall I took a piece of cheese from the fridge I stuffed it in my mouth I went outside and I went with Romeo behind the house and Romeo lit a cigarette leaned against a tree and looked at me frowning and I didn’t know what to do and I put my hands in my pockets and I waited for him to say something and he asked me what are you playing at? and we both heard my auntie calling him Romeo Romeo and he said we’ll talk later and he threw away the cigarette and he was going inside but I followed him and asked what do you mean? and he didn’t answer and my auntie’s top lip was swollen and when she saw me she covered her mouth with her hand and I looked away and she asked me how is it going at school? and she lowered her hand and smiled at me and I said all right and she asked me would you like some syrup? and I said yes thanks and I followed her into the kitchen and I jumped up on to a stool and she opened the fridge and took out the bottle of syrup and Romeo asked her from the doorway what do you want? and my auntie told him not to use that tone and Romeo asked her again in the same tone and she said I don’t want anything and if you’ve got something to say and she poured the syrup into my glass and Romeo said I haven’t got anything to say and my auntie told him I would have explained it to you myself and Romeo said I don’t need you to explain anything to me…”

 
Adrian Chivu (Boekarest, 13 december 1975)

 

De Duitse dichter Heinrich Heine werd geboren in Düsseldorf op 13 december 1797. Zie ook alle tags voor Heinrich Heine op dit blog.

Dass du mich liebst

Dass du mich liebst, das wusst ich,
ich hatte es längst entdeckt;
doch als du mir gestanden,
hat es mich tief erschreckt.

Ich stieg wohl auf die Berge
und jubelte und sang;
ich ging ans Meer und weinte
beim Sonnenuntergang.

Mein Herz ist wie die Sonne
so flammend anzusehn,
und in ein Meer von Liebe
versinkt es groß und schön.

 

Der Hirtenknabe

König ist der Hirtenknabe,
Grüner Hügel ist sein Thron;
Über seinem Haupt die Sonne
Ist die große, goldne Kron.

Ihm zu Füßen liegen Schafe,
Weiche Schmeichler, rotbekreuzt;
Kavaliere sind die Kälber,
Und sie wandeln stolzgespreizt.

Hofschauspieler sind die Böcklein;
Und die Vögel und die Küh,
Mit den Flöten, mit den Glöcklein,
Sind die Kammermusici.

Und das klingt und singt so lieblich,
Und so lieblich rauschen drein
Wasserfall und Tannenbäume,
Und der König schlummert ein.

Unterdessen muß regieren
Der Minister, jener Hund,
Dessen knurriges Gebelle
Widerhallet in der Rund.

Schläfrig lallt der junge König:
“Das Regieren ist so schwer,
Ach, ich wollt, daß ich zu Hause
Schon bei meiner Kön′gin wär!

In den Armen meiner Kön′gin
Ruht mein Königshaupt so weich,
Und in ihren schönen Augen
Liegt mein unermeßlich Reich!”

 

Die Jahre kommen und gehen

Die Jahre kommen und gehen,
Geschlechter steigen ins Grab,
Doch nimmer vergeht die Liebe,
Die ich im Herzen hab.

Nur einmal noch möcht ich dich sehen,
Und sinken vor dir aufs Knie,
Und sterbend zu dir sprechen:
“Madame, ich liebe Sie!”

 
Heinrich Heine (13 december 1797- 17 februari 1856)
Cover biografie

 

De Amerikaanse dichter Kenneth Patchen werd geboren op 13 december 1911 in Niles, Ohio. Zie ook alle tags voor Kenneth Patchen op dit blog.

The Artist’s Duty

So it is the duty of the artist to discourage all traces of shame
To extend all boundaries
To fog them in right over the plate
To kill only what is ridiculous
To establish problem
To ignore solutions
To listen to no one
To omit nothing
To contradict everything
To generate the free brain
To bear no cross
To take part in no crucifixion
To tinkle a warning when mankind strays
To explode upon all parties
To wound deeper than the soldier
To heal this poor obstinate monkey once and for all

To verify the irrational
To exaggerate all things
To inhibit everyone
To lubricate each proportion
To experience only experience

To set a flame in the high air
To exclaim at the commonplace alone
To cause the unseen eyes to open

To admire only the abrsurd
To be concerned with every profession save his own
To raise a fortuitous stink on the boulevards of truth and beauty
To desire an electrifiable intercourse with a female alligator
To lift the flesh above the suffering
To forgive the beautiful its disconsolate deceit

To flash his vengeful badge at every abyss

To HAPPEN

It is the artist’s duty to be alive
To drag people into glittering occupations

To blush perpetually in gaping innocence
To drift happily through the ruined race-intelligence
To burrow beneath the subconscious
To defend the unreal at the cost of his reason
To obey each outrageous inpulse
To commit his company to all enchantments.


Kenneth Patchen (13 december 1911 – 8 januari 1972)

 

De Franse schrijver Jean Rouaud werd geboren op 13 december 1952 in Campbon (Loire-Atlantique). Zie ook alle tags voor Jean Rouaud op dit blog.

Uit:The World More or Less (Vertaald door Barbara Wright)

“I who dread the company of men, whose conversations weary me, it was just my luck, after eight years of strict boarding-school discipline (the only femi-nine presence being provided by three old nuns with adolescent moustaches), to find myself now among the members of the Logreean Club’s reserve team, in the bleak rustic changing room erected alongside what you would have thought was a ploughed field, were it not for its chalk lines and goalposts. And this without any particular incli-nation on my part, unless, for want of anything better, as a time-honoured cure for Sunday boredom. But the weather was fit to freeze the tail off a brass monkey. Hence the haste of most of the players, when the final whistle blew, to take refuge within the four jerry-built walls of the shack, everyone making a point of knocking the mud off his boots against the concrete doorstep, thus leaving the ground strewn with cakes of earth punched full of stud holes, before making his way to his place, indicated by the hunchbacked peg his clothes are hanging on, and sitting down more or less wearily, according to his real or suggested state of fatigue, on the communal bench run-ning round the little room that reeks of the combined effluvia of camphorated oil and perspiration. A makeshift shelter: it has rectangular patches of cement between grooved uprights, a green metal door with wired glass which, with the little skylight in the comer over by the showers, allows in the feeble grey light of the winter afternoon, a single-sloping corrugated roof made of some composite material, but this provides sufficient protection against the Atlantic’s blend of wind, intense cold and rain, which paralyses the rare spectators now huddling under the awning of the refreshment bar, who make one wonder what pleasure they can possibly derive from such less than fascinating events.


Jean Rouaud (Campbon, 13 december 1952)

 

De Nederlandse schrijfster Ida Vos (meisjesnaam Gudema) werd geboren in Groningen op 13 december 1931. Zie ook alle tags voor Ida Vos op dit blog.

Uit: Terugkeer

“Jij mag straks, Sallo. Eerst ik.
‘…Leise flehen meine Lieder durch die Nacht…’
Ik moet eten.
Ik heb geen honger.
Mamma propt stukjes brood in mijn mond.
Ik wil niet! Ik bijt in mamma’s hand.
‘Au verdomme, nog allemaal echt,’ zegt mamma.
Ik ben echt.
Ik hou mijn mond stijf dicht.
‘Als je niet eet ga je dood, Claartje.’
Mamma, in haar slagersjas, is sterk.
Ik moet mijn mond open doen.
‘Vieze meid. Alles over mijn schone jas. Hou op. Als je niet eet…’
Ik eet wel weer. Ben ik lief, mamma? Ik zal het niet meer doen. Ik zal nooit meer overgeven.
Daar zit Sophie. Waarom zeg je niks?
Rechtop, Sophie. Hang niet zo scheef in je kinderwagentje.
Wacht, ik zal je helpen. Ga je mee naar school? Gil niet zo, Sophie. Ik ben het. Ik doe je geen kwaad.
Is het vrijdag? Dan moet ik gauw naar huis. De kip opzetten. Pappa komt thuis.
‘Waar gaan we naar toe, Claartje?’
‘Naar huis, mamma. Het is bijna sjabbes.Ik moet de kip opzetten.’
‘Ik doe het wel. Jij hebt de hele week gewerkt. Rust maar lekker uit.’ Mamma legt mijn hoofd tegen haar jas. De jas ruikt wit.
‘Kusje mamma. Ben ik lief?’
‘Je bent een schatje, Claartje. Kusje.’
Mamma heeft warme lippen en warme borsten… melk voor Sallo.
‘Niet knijpen, Claartje. Je moet niet zo hard in mijn borst knijpen. Dat doet pijn. Stoute Claar.’
‘Stoute mamma.’


Ida Vos (13 december 1931 – 3 april 2006)
Groningen in de Adventstijd

 

De Schotse dichter William Drummond werd geboren op 13 december 1585 in Hawthornden, in de buurt van Edinburgh. Zie ook alle tags voor William Drummond op dit blog.

De Bell Of St. Michel

Go ‘way, go ‘way, don’t ring no more, ole bell of Saint Michel,
For if you do, I can’t stay here, you know dat very well,
No matter how I close ma ear, I can’t shut out de soun’,
It rise so high ‘bove all de noise of dis beeg Yankee town.

An’ w’en it ring, I t’ink I feel de cool, cool summer breeze
Dat’s blow across Lac Peezagonk, an’ play among de trees,
Dey’re makin’ hay, I know mese’f, can smell de pleasant smell
O! how I wish I could be dere to-day on Saint Michel!

It’s fonny t’ing, for me I’m sure, dat’s travel ev’ryw’ere,
How moche I t’ink of long ago w’en I be leevin’ dere;
I can’t ‘splain dat at all, at all, mebbe it’s naturel,
But I can’t help it w’en I hear de bell of Saint Michel.

Dere’s plaintee t’ing I don’t forget, but I remember bes’
De spot I fin’ wan day on June de small san’piper’s nes’
An’ dat hole on de reever w’ere I ketch de beeg, beeg trout
Was very nearly pull me in before I pull heem out.

An’ leetle Elodie Leclaire, I wonner if she still
Leev jus’ sam’ place she use to leev on ‘noder side de hill,
But s’pose she marry Joe Barbeau, dat’s alway hangin’ roun’
Since I am lef’ ole Saint Michel for work on Yankee town.

Ah! dere she go, ding dong, ding dong, its back, encore again
An’ ole chanson come on ma head of ‘a la claire fontaine,’
I’m not surprise it soun’ so sweet, more sweeter I can tell
For wit’ de song also I hear de bell of Saint Michel.

It’s very strange about dat bell, go ding dong all de w’ile
For when I’m small garçon at school, can’t hear it half a mile;
But seems more farder I get off from Church of Saint Michel,
De more I see de ole village an’ louder soun’ de bell.

O! all de monee dat I mak’ w’en I be travel roun’
Can’t kip me long away from home on dis beeg Yankee town,
I t’ink I’ll settle down again on Parish Saint Michel,
An’ leev an’ die more satisfy so long I hear dat bell.


William Drummond (13 december 1585 – 4 december 1649)
Anniem portret uit 1609

 

Zie voor nog meer de schrijvers van de 13 december ook mijn blog van 13 december 2017 en ook mijn blog van 13 december 2015 deel 1 en eveneens deel 2.