David Leavitt, Jo Govaerts, Rafik Shami, Aart van der Leeuw, Pascal Mercier, Franca Treur, Jean Anouilh, Anna Achmatova

De Amerikaanse schrijver David Leavitt werd geboren in Pittsburgh op 23 juni 1961. Zie ook alle tags voor David Leavitt op dit blog.

Uit: The Page Turner

“Well, well, well,” said Mr. Mansourian, “if you’re not the best-dressed page turner I’ve ever seen. Come on, I’ll introduce you to Kennington.”
“Good luck, sweetheart!” Pamela called almost mournfully. She waved at Paul, a tissue balled in her fist. “Break a leg! I’ll see you after the concert.”
He didn’t answer. He was out of earshot, out of the wings, beyond which the hum of the settling audience was becoming audible.
Mr. Mansourian led him up steep stairways and along antiseptic corridors, to a dressing room at the door to which he knocked three times with sharp authority.
“Come in!”
They went. In front of mirrors Richard Kennington, the famous pianist, sat on a plastic chair, bow tie slack around his throat. He was drinking coffee. Isidore Gerstler, the famous cellist, was eating a cinnamon-frosted doughnut out of a box. Maria Luisa Strauss, the famous violinist, was stubbing out a cigarette in an ashtray already overflowing with red-tipped butts. Her perfume, capacious and spicy, suggested harems. Yet the room had no softness, no Persian carpets. Instead it was all lightbulbs that brightened the musicians’ faces to a yellowish intensity.
“Good evening, folks,” Mr. Mansourian said, shutting the door firmly. “Richard, I’d like you to meet Paul Porterfield, your page turner.”
Haltingly Kennington revolved in his seat. He had dark, flat hair, short sideburns, eyes the color of cherry wood. Fine ridges scored his face, which was slightly weather-beaten: not old-looking exactly, just older-looking than the pictures on his CDs suggested. As it happened, Paul owned all eight of Kennington’s CDs.
Kennington smiled. “Pleased to meet you, Paul Porterfield,” he said, holding out his hand.
“Thank you, sir,” Paul answered, and accepted the hand with caution; after all, he’d never had the opportunity to touch anything so precious before. Yet it did not feel different from an ordinary hand, he reflected. Nor did anything in Kennington’s handshake transmit to Paul the magic that happened when he sat down in front of a piano.
“This is an honor for me,” Paul went on. “I’ve always been a great admirer of yours.”
“Very kind of you to say so. And may I introduce my cohorts?”
Isidore Gerstler, still involved with his doughnut, only waved. But Maria Luisa Strauss winked at Paul, shook out her long black hair, played with the gold ankh that hung between her freckled breasts. “I’ve never seen such a well-dressed page turner,” she said.“


David Leavitt (Pittsburgh, 23 juni 1961)
Scene uit de film “Food of Love” uit 1998 (gebaseerd op de roman “The Page Turner”) met Alan Corduner (Joseph) en Kevin Bishop (Paul)

 

De Vlaamse dichteres, schrijfster vertaalster en columniste Jo Govaerts werd geboren op 23 juni 1972 in Leuven. Zie ook alle tags voor Jo Govaerts op dit blog.

 

Zij stuurde hem een blad

Zij stuurde hem een blad
waar hij vroeg om een
brief. Zo was de taal
die zij samen spraken
brieven = bladeren.

Zij hadden kunnen kiezen
voor andere zij had hem
een letter kunnen sturen in plaats van
vele wat hij wou zinnen verhalen zij

kozen
de moeilijkste die waarin zij beiden
nog kinderen waren
niets meer wisten dan wat zintuigen
hun gaven wat is het
dat ik voel (stilte)
hoe heet het daar waar je me
kust – onnoembare details nu
naamloos uitvergroot:
Krakau (moedervlek).

 

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
elk land, elk huis, laat staan dit lijf is mij te eng.
Aan niets, aan niemand kan ik ooit volledig toebehoren
dan aan die onbetrouwbare innerlijke stem.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
mijn eigen bouwwerken van het meest flexibel materiaal,
vol gaten, voor wie geen grenzen kan stellen aan zijn dromen,
vol nestelplaatsen in het eigenwijs gekronkel van een taal.

Soms vrees ik dat voor mij de tijd al is gekomen
waarin mij elke kracht ontbreekt
om van de barre steden waar ik ben nog weg te dromen,
maar dan is daar toch weer die stem die in mij spreekt
en mij terug tot mijzelf doet komen,
d.w.z. die mij openbreekt.

 
Jo Govaerts (Leuven, 23 juni 1972)
Leuven

 

De Syrisch-Duitse schrijver Rafik Shami werd geboren op 23 juni 1946 in Damascus. Zie ook alle tags voor Rafik Schami op dit blog.

Uit: Eine deutsche Leidenschaft namens Nudelsalat

„Mein Bruder Antonios und ich bekamen die ersten Ohrfeigen. Marie blieb verschont, weil sie in ihrem weißen Kleid engelsgleich dastand und viel zu klein war für eine große Ohrfeige vom väterlichen Kaliber. Nach der zweiten Ohrfeige heulten wir. Der Fotograf verfluchte uns und mahnte meinen Vater barsch, seine Hand bei sich zu lassen. Diese Formulierung kam in meinem Leben nur einmal vor – die Hand bei sich lassen. Ich habe sie in bitterer Erinnerung und deshalb in meinen dreißig Büchern nicht ein einziges Mal gebraucht.
Als Antonios nicht aufhören wollte, Witze zu reißen, gab ihm mein ältester Bruder, stellvertretend für den Vater, einen kräftigen Tritt. Schlagartig verwandelte sich Antonios in einen Schauspieler, tat so, als wäre die Kamera des Fotografen, damals ein beachtlicher Kasten aus Holz, eine Filmkamera, und warf sich wie Robert Mitchum nach einem Faustschlag in einer Bar zu Boden. Der Fotograf bat ihn mit süßlicher, aber zugleich giftiger Stimme aufzustehen. Antonios richtete sich auf und wischte sich mit dem rechten Handrücken über seinen Mundwinkel. Es gab nichts zu wischen, aber diese Geste gehörte zur Filmszene. Ich bog mich vor Lachen und mein Vater drehte mir gegen alle Gesetze der Physik, Biologie und Pädagogik mein rechtes Ohr um 180 Grad herum. Und staunte selbst, wie das Ohr in seine Ausgangsposition zurückschnellte. Dieses Staunen ließ sein Gesicht auf dem Foto nicht gerade intelligent erscheinen.
Ich mache es kurz. Das Foto wurde nach Amerika geschickt. Der Onkel in Florida hat nie geantwortet. Und so blieben wir Syrer.“

 
Rafik Shami (Damascus, 23 juni 1946)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Aart van der Leeuw werd geboren in Hof van Delft op 23 juni 1876. Zie ook alle tags voor Aart van der Leeuw op dit blog.

Uit: Ik en mijn speelman

“Eerst deed hij de snaren donker dreunen, en dan zwol een klank aan, dien wij niet meer herkenden, zoo vol en schoon was die stem. Wij zaten in roerlooze stilte te luisteren. Bij het einde hoorde ik snikken, en een van mijn vrienden vloekte, alsof hem een wond was toegebracht. Ik voelde een hand op mijn schouder.
Een oogenblik later stond ik op straat naast den speelman. Mijn draagstoel was er nog niet. Geen ster ontbrak er aan den stralenden hemel. Ik volgde mijn geleider door buurten, waar ik nooit tevoren was geweest. Flambouwgloed over wemelend water, nachtgespuis, dat zich om vuren had gelegerd, de dreunende stap van den wacht, met de haakbus geschouderd, een mompelend man voor ons uit langs de huizen; krotten, bouwvallige puien en een vrouw voor een drempel, die in een donker trapgat wees. Ook eenzame stegen, waar wij haastig achter twee schaduwen aansnelden, een slanke en zwierige, en een, die door een spotvogel op het plaveisel scheen te zijn geschetst. Alles, wat ik tegemoet trad, maakte mij licht en gelukkig; het scheen me, of mij lang geleden een belofte gedaan was, welke nu eindelijk werd ingelost.
Bij een omhoog rankende kerk, die aan het lied van daareven deed denken, nam hij de muts in de rechterhand, zijn gitaar droeg hij mee in de linker, en dan maakte hij een buiging, waarbij zijn bult boven zijn hoofd rees, als de koepel boven de domkerk daar naast ons. Zoo nam hij afscheid.
Spoedig verloor ik hem uit het gezicht in het warnet der straten. Mijn huis was niet ver.
Den volgenden morgen werd ik door mijn kamerdienaar gewekt, en zoo begon er dan weer een dag voor mij, gelijk er al duizenden door de opengeschoven gordijnen bij mij binnen waren gelaten. Basque, de knecht, schenkt het lauw gemaakte water in, hij reikt mij de satijnen kousen, het schoeisel, dat kostbaar gegespt is, het ondergoed van zijde en de fluweelen jas met kantwerk aan de mouwen en knoopen uit edelsteen. Nu schikt hij mij de krulpruik om het weerbarstige haar. Het morgenmaal wordt opgedragen in vaatwerk van zilver en email uit Limoges, dat ik van mijn moeder geërfd heb.
De koets is voorgereden ondertusschen, en ik laat mij naar een dame brengen, die ik een handkus aan ga bieden, en een compliment, dat ik gedurende den rit heb bedacht.
Van de bezoeken ben ik weer thuisgekomen, en nauwelijks zit ik, met over elkander geslagen beenen, een pamflet door te bladeren, dat een van mijn vrienden bespot, of een lakei reikt mij op een presenteerblad een brief over, waarvan ik dadelijk het vaderlijk handschrift herken.”

 
Aart van der Leeuw (23 juni 1876 – 17 april 1931)
Cover

 

De Zwitserse schrijver en filosoof Pascal Mercier (eig. Peter Bieri) werd geboren op 23 juni 1944 in Bern. Zie ook alle tags voor Pascal Mercier op dit blog.

Uit: Perlmann’s zwijgen (Vertaald door Gerda Meijerink)

“De schuld van dit alles was het prachtige licht dat het stille watervlak achter de badhokjes op witgoud deed lijken. Zulk licht had Agnes willen vastleggen, en om die reden was hij uiteindelijk voor Carlo Angelini’s aandringen gezwicht, ondanks dat hij hem onsympathiek vond, die atletische, alerte man met zijn innemende maar net iets te geroutineerde glimlach. Ze hadden elkaar begin vorig jaar in de wandelgangen van een conferentie in Lugano leren kennen, toen Perlmann tot lang na het begin van een zitting op de gang voor een raam was blijven staan. Angelini had hem aangesproken, en voor Perlmann was dat een goed excuus geweest om nog niet naar de zaal te gaan. Ze waren in de kantine gaan zitten, waar Angelini hem over zijn functie bij Olivetti had verteld. Hij was vijfendertig, een generatie jonger dan Perlmann. Het aanbod bij Olivetti te komen werken had hij pas twee jaar geleden geaccepteerd, nadat hij een paar jaar een assistentschap aan de universiteit had bekleed. Het was zijn taak de contacten van het concern met universiteiten te onderhouden. Hij kon dat naar eigen inzicht doen, waarbij hij de beschikking had over een royaal budget, want zijn activiteiten werden beschouwd als een onderdeel van de PR van het concern. Ze hadden een poosje over machinaal vertalen gesproken, het was een gesprek als vele andere. Maar opeens was Angelini heel enthousiast geworden en hij had hem gevraagd of hij geen zin had ten behoeve van een taalwetenschappelijk project een onderzoeksgroep samen te stellen: een kleine, maar intensieve klus, een handjevol gerenommeerde wetenschappers die een paar weken op een mooie plek bijeen zouden komen, natuurlijk alles op kosten van het concern. Perlmann vond destijds dat de man veel te snel met dat voorstel was gekomen. Ook al had Angelini laten doorschemeren dat Perlmann voor hem geen onbekende was, toch kende hij hem persoonlijk krap een uur. Maar wie weet moest een man met de verantwoordelijkheden van Angelini wel zo doortastend kunnen zijn. Achteraf bedacht Perlmann dat zijn intuïtie hem toen al had gewaarschuwd. Hij had niet bijster enthousiast op het voorstel gereageerd, eerder lauw; niettemin had hij gezegd dat zo’n groep naar zijn mening uit mensen van verschillende disciplines zou moeten bestaan.”

 
Pascal Mercier (Bern, 23 juni 1944)

 

De Nederlandse schrijfster en freelance journaliste Franca Treur werd geboren in Meliskerke op 23 juni 1979. Zie ook alle tags voor Franca Treur op dit blog.

Uit: De woongroep

“We volgen zijn wijsvinger naar de overkant.
‘Daar zit een parenclub,’ fluistert hij. ‘Ik heb ze in het snotje. Zeg maar niet tegen Caro. Ze doet al een beetje jaloers.’
Ik had wel een tientje willen geven voor die blik. Je hoopt van jezelf dat je nooit zo zal kijken. Je hoopt het, maar voor hetzelfde geld hoort het bij een fase.
Freddie en Erik slaan elkaar op de schouders. Ze staan nu allebei een drempel hoger dan ik. Zo kunnen ze vanuit de hoogte op mij neerkijken. Ik ga op mijn tenen staan en kus Freddie vluchtig, ik ken hem tenslotte niet zoals Erik hem kent. Maar híj drukt zijn lippen warm tegen mijn wangen. Ik voel een golf van sympathie door me stromen. Freddie is oké.
‘Caro is binnen,’ zegt Freddie.
Op de drempel neem ik nog even een diepe teug lucht. Ik hou niet zo van de geur van andermans huizen.
Binnen zijn de gordijnen halfdicht. We staren een tijdje in het rond om wat te wennen aan de bijna sacrale schemer die er hangt.
‘Wauw!’ zeggen we. Ze hebben er echt wat van gemaakt. Een houten vloer, een lange tafel met op de hoek een aankleedkussen, lichtgele crèmetubes, een stapeltje pampers. Er zijn twee grote gatenplanten, aan de muur hangt ingelijste kunst. Eén wand is tot de nok gevuld met boeken. In zijn vrije tijd pakt Freddie graag een keer een goed boek. Op de onderste rij staan vijfentwintig delen Winkler Prins.
En dan, achter ons, in de beige zithoek, bij het zachtgele schijnsel van een schemerlampje, zit vol glans en glimlach Caro met een baby.”

 


Franca Treur (Meliskerke,23 juni 1979)

 

De Franse (toneel)schrijver Jean Anouilh werd geboren in Bordeaux op 23 juni 1910. Zie ook alle tags voor Jean Anouilh op dit blog.

Uit: Médée

« LE GARÇON C’est Jason qui m’envoie.
MÉDÉE Il ne rentrera pas? Il est blessé, mort?
LE GARÇON Il vous fait dire que vous êtes sauvée.
MÉDÉE Il ne rentrera pas ?
LE GARÇON Il vous fait dire qu’il viendra, qu’il faut l’attendre.
MÉDÉE Il ne rentrera pas? Où est-il?
LE GARÇON Chez le roi. Chez Créon.
MÉDÉE Emprisonné ?
LE GARÇON Non.
MÉDÉE, crie encore. Si ! C’est pour lui cette fête ? Parle ! Tu vois bien que je sais. C’est pour lui ?
LE GARÇON Oui. C’est pour lui.
MÉDÉE Qu’a-t-il donc fait ? Allons, dis vite. Tu as couru, tu es tout rouge, il te tarde d’y retourner. On danse, n’est-ce pas ?
LE GARÇON Oui.
MÉDÉE Et on boit?
LE GARÇON Six barriques ouvertes devant le palais!
MÉDÉE Et les jeux, et les pétards, et les fusils qui partent tous ensemble vers le ciel. Vite, vite, petit, et tu auras joué ton rôle, tu pourras retourner là-bas et t’amuser. Tu ne me connais pas. Qu’est-ce que cela peut te faire ce que tu vas me dire? Pourquoi mon visage te fait-il peur? Tu veux que je sourie? Voilà, je souris. D’ailleurs, c’est plutôt une bonne nouvelle puisqu’on danse. Vite, petit, puisque je sais!
LE GARÇON Il épouse Créuse, la fille de Créon. C’est demain matin la noce.
MÉDÉE Merci, petit ! Va danser maintenant avec les filles de Corinthe. Danse de toutes tes forces, danse toute la nuit. Et quand tu seras vieux, rappelle-toi que c’est toi qui es venu dire à Médée. »

 
Jean Anouilh (23 juni 1910 – 3 oktober 1987)
Medea op het punt haar kinderen te vermoorden door Eugène Delacroix, 1862

 

De Russische dichteres Anna Achmatova werd geboren in Bolshoi Fontan bij Odessa, 23 juni 1889. Zie ook alle tags voor Anna Achmatova op dit blog.

 

Aan de geliefde

Je moet geen duiven naar mij sturen,
je moet geen bange brieven schrijven,
de maartse wind niet laten waaien in mijn gezicht.
Gisteren ben ik aangekomen in een groene gaarde
waar ziel en lichaam mogen rusten
in de schaduw van een populierenbos.

Van hier kan ik ons stadje zien:
Paleis, wachthuisjes, legerplaatsen,
boven het ijs de gele boog van de chinese brug.
Je bent verkleumd van drie uur op mij wachten,
je durft niet weg te gaan van de veranda
en kijkt verbaasd naar al die nieuwe sterren.

Als een grauwe eekhoorn zal ik in de elzen springen,
als een wezel schichtig draven langs het pad,
als een zwaan zal ik je uit de verte roepen
opdat mijn bruidegom geen angst zal hebben
terwijl hij in de blauwe, dwarrelende sneeuw
op het verschijnen van zijn dode bruidje wacht.

 

Vertaald door Kees Verheul

 

Der eine geht den graden Weg

Der eine geht den graden Weg,
Im Kreise geht ein andrer
Und will ins Elternhaus zurück,
Zur Freundin, die er kannte.
Doch ich, ich geh – nach mir die Not,
Nicht grade, nicht im Kreise,
Ins Nirgendwann, ins Nirgendwo,
Wie’n Schnellzug von der Weiche.

 

Der Mut

Wir wissen, was heut in der Waagschale liegt
Und sehn das Geschehne gelassen,
Die Stunde des Muts in den Uhrwerken tickt,
Uns wird unser Mut nicht verlassen.
Uns schreckt nicht das Sterben im Kugelhagel,
Es schreckt uns nicht, jagt man uns fort,
Denn wir bewahren dich, russische Sprache,
Das große, das russische Wort.
Wir sprechen dich aus, unabhängig und rein,
Den Enkeln als Erbe, in Freiheit zu sein
Auf ewig!

 

Vertaald door Eric Boerner

 

 
Anna Achmatova ( 23 juni 1889 – 5 maart 1966)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e juni ook mijn vorige blog van vandaag.

Richard Bach, Cornelia Schmerle, Wolfgang Koeppen, Urs Jaeggi, Robert C. Hunter, Hanneke van Eijken, Will Shutt

De Amerikaanse schrijver Richard Bach werd geboren in Oak Park, Illinois op 23 juni 1936. Zie ook alle tags voor Richard Bach op dit blog.

Uit: The Bridge Across Forever

“Dearest Richard,
It’s so difficult to know how and where to begin. I’ve been thinking long and hard through many ideas trying to find a way. . .
I finally struck one little thought, a musical metaphor, through which I have been able to think clearly and find understanding, if not satisfaction, and I want to share it with you. So please bear with me while we have yet an­other music lesson.
The most commonly used form for large classical works is sonata form. It is the basis of almost all symphonies and concertos. It consists of three main sections: the ex­position or opening, in which little ideas, themes, bits and pieces are set forth and introduced to each other; the development, in which these tiny ideas and motifs are explored to their fullest, expanded, often go from major (happy) to minor (unhappy) and back again, and are developed and woven together in greater complexity until at last there is: the recapitulation, in which there is a restatement, a glorious expression of the full, rich ma­turity to which the tiny ideas have grown through the development process.
How does this apply to us, you may ask, if you haven’t already guessed.
I see us stuck in a never-ending opening. At first, it was the real thing, and sheer delight. It is the part of a rela­tionship in which you are at your best: fun, charming, excited, exciting, interesting, interested. It is a time when you’re most comfortable and most lovable because you do not feel the need to mobilize your defences, so your partner gets to cuddle a warm human being instead of a giant cactus. It is a time of delight for both, and it’s no wonder you like openings so much you strive to make your life a series of them.
But beginnings cannot be prolonged endlessly; they can­not simply state and restate and restate themselves. They must move on and develop—or die of boredom. Not so, you say. You must get away, have changes, other people, other places so you can come back to a rela­tionship as if it were new, and have constant new begin­nings.”


Richard Bach (Oak Park, 23 juni 1936)
Cover

 

De Duitse dichteres Cornelia Schmerle werd geboren op 23 juni 1973 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Cornelia Schmerle op dit blog.

 

Mono, perspektiv

Der Diskurs ist nicht.
Du hast den Diskurs nicht eingeplant; das Fahrtenbuch
auf den Knien, die Zigarre ansteckbereit
zwischen lesenden Fingern – doch

der Diskurs rechnet sich selbst ein, sagst du.
(Wie könnte er?)

Von Zwangsläufigkeit ist die Rede, von der ich
nichts verstehe, nur

die Wolken seh, die aufziehn, sich
übern Kranich schlieren.

 

Welpe

diese puppe trägt einen namen –
bis gänzlich über die unbeschriebene stirn. schon
kriecht er ins weichplastik oder läuft aus

den sinnen. läuft nach: voraus. sicher aus
der stativen plastik; raunend in die gebärde.

 


Cornelia Schmerle (Berlijn, 23 juni 1973)

 

De Duitse schrijver en essayist Wolfgang Arthur Reinhold Koeppen (eig. Köppen) werd geboren op 23 juni 1906 in Greifswald. Zie ook alle tags voor Wolfgang Koeppen op dit blog.

Uit: Amerikafahrt und andere Reisen in die Neue Welt

„In Paris auf dem Bahnhof St. Lazare, dicht bei Balzacs alter Rue d’Amsterdam, blühte Frankreich, spannte sich von Pfeiler zu Pfeiler das Netz der Hirngespinste, faulte Geschichte. Die lange, wie von milchig zerfließendem Absinth überglaste Passage war neunzehntes Jahrhundert, sie verkörperte eine große französische Epoche, sie war lächerlich und bewundernswert, sie war anrüchig und verführerisch.
Das kleine helle Irrlicht der Aufklärung und die rührende bunte Wunderlampe der Literatur leuchteten. Sie leuchteten immer noch. Ich fragte mich, wie lange noch? Das Blut der Gloire und der Freiheit hatte den Boden gedüngt, das Blut war von Schicht zu Schicht gesickert. Der Duft des Huhn-im-Topf lag in der Luft, wie der Wolfshauch des Hungers, der Atem der Erhebung, der Mief der Malaise, das schalgewordene Parfüm der Skandale und der saure Geruch der Macht, die seit Jahrhunderten um die Bastille wehen. Ich fühlte mich hier zu Hause. Ich hatte gelesen, daß nur wer im achtzehnten Jahrhundert in Frankreich gelebt habe, die Lust des Daseins kenne; dennoch liebte man in Paris die Revolution, den nie endenden Sturm auf alle Zwingburgen, die Geister des Aufstandes waren von altersher zum Bankett geladen, man wünschte die Unruhe, hier war ich Europäer, und ich wollte es bleiben. Einer Maus wurde eine Schale Milch hingestellt, eine Katze sah der Maus begehrlich und träge zu. Algerien und die Folter waren fern und nah. An den Zeitungsständen war das Wort des Gewissens affichiert, Sartre und Mauriac riefen Zolas »J’accuse«, und der General sang vor hundert Kamera-augen die Marseillaise. Vor einem Bistro luden wacklige Stühle zu gemütlichem Verweilen ein. Man schenkte den herben Weißwein aus, den nach Georges Simenon die Kommissare der französischen Kriminalpolizei lieben, was ihnen einen menschlichen Zug verleiht, der am Quai des Orfevres enttäuscht. Frauen, für Umarmungen geboren, eilten mit ernstem Berufsgesicht zur Arbeit. Auf einem Leuchtbild warb eine üppige Blondine aus dem Samen Renoirs und als Matrose gekleidet für ein schäumendes Bier.“


Wolfgang Koeppen (23 juni 1906 – 15 maart 1996)
Cover

 

De Zwitserse schrijver, kunstenaar en socioloog Urs Jaeggi werd geboren op 23 juni 1931 in Solothurn. Zie ook alle tags voor Urs Jeaggi op dit blog.

Uit: Kunst

“Die Provinz kennen wir. Teils kommen wir von dort, haben sie ertragen, gehasst, geliebt und verflucht, teils trieb uns der Brotberuf in die Inseln der Langeweile und der Enge, die als Gefängnisse wirken. Es sind aber auch die Orte, wo wir unsere Körper entdeckt haben, und die Fremden, den Anderen, die Andere. Und wo ein Septembernachmittag mit seiner melancholisch milden Sonne etwas von dem vermittelt hat, was wir anspruchsvoll, aber uns angemessen scheinend das »Erhabene« oder das »Transzendente« nannten, das Intensivere als alles übrige. Sehen, riechen, spüren, fühlen. Hier lernten wir mit der Nase umzugehen und mit dem Kopf, hier lernten wir mit den Händen und Füssen uns zu wehren. Hier hörten wir zum ersten Mal Töne und Tonfolgen, die uns weghoben, zerfetzten und wieder zusammenfügten, die uns tanzen liessen. Be high. Be hot. Be in the groove, ohne speed, nur mit schwarzer Musik.
Tougher than the rest. In der Provinz ist das für die, die es wissen möchten, intellektuelle und künstlerische ‘Pflicht’.
In der Pheripherie heisst das: Überleben, Kampf (Kampf bis aufs Messer, wenn es so ist und anders nicht geht). Peripherien sind gemessen an der deftigeren, sinnlicheren Provinz abstrakter, flüchtiger, maroder und moderner, zukunftseuphorischer und apokaliptischer. Es sind glitschige, abschüssige, hochbrisante und langweilige Terrains, Orte des extrem Gewaltätigen, Exzessiven, Kriminellen, aber auch der flüchtigen Zärtlichkeit und Poesie; Explosives, Resignatives und, ja, es sind auch Orte der Liebe und des bizarr Schönen.“

 
Urs Jaeggi (Solothurn, 23 juni 1931)

 

De Amerikaanse dichter, vertaler en tekstschrijver Robert C. Hunter werd geboren op 23 juni 1941 in San Luis Obispo, California. Zie ook alle tags voor Robert C. Hunterop dit blog.

 

Love in the afternoon

Love – Love in the afternoon
Outside the window
an organ grinder’s tune

Rhythm, wine
A touch of Jamaica
Twilight time with a Kingston lady
All the time in the world
for me and that girl

Sweet – She sang sweetly
Come back soon
Come back for more of that love
in the afternoon

Breezes blow by me
in the afternoon
She sings sweetly
an organ grinder’s tune

Finally recovered from last years round
of bye bye baby blues
All I crave today
Some love in the afternoon

Love – Love in the afternoon
It’s easy as she goes
like an organ grinder’s tune

Gone with the moon
any old trouble
can’t leave too soon
Trouble’s no part of what I want
especially in the afternoon
Singing
Sleeping till two
Waking to make more
love in the afternoon

 
Robert C. Hunter (San Luis Obispo, 23 juni 1941)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichteres Hanneke van Eijken werd geboren in 1981 in Amersfoort. Zie ook alle tags voor Hanneke van Eijken op dit blog.

 

Op de rug van een stier

Iemand zei dat Europa niets meer is
dan een grillige vlek op een wereldkaart
zonder te beseffen
dat goden van alle tijden zijn

dat Europa vele vormen kent
ze is een eiland in de Indische Oceaan
een maan bij Jupiter
zevenentwintig landen die als koorddansers
in evenwicht proberen te blijven

er leven godenkinderen die vergeten zijn
wie hun vader is

Europa is een vrouw
met een kast vol jurken
ze houdt er niet van een vlek genoemd te worden

over de wraak van goden en vrouwen met jurken
kun je beter niet lichtzinnig doen

 


Hanneke van Eijken (Amersfoort, 1981)

 

De Amerikaanse dichter Will Shutt werd geboren in 1981 in New York. Zie ook alle tags voor Will Shutt op dit blog.

 

American Window Dressing

Half a dozen pestamals hanging on hooks,
a cuckoo clock twigged from scrap metal,
a single copy of Everyman’s Haiku-
the letters pit the cover’s look-at-me
moon sheen-and the poems I love
inside: spartan, semitransparent, nature’s fools,
like faraway countries in full disclosure.

“Put everything into it.” My father’s
words on Sunday visits. Man of few words.
Those were the days work took him
as far as Chungking and he sported
a straight green army coat he called
his Mao Suit. His hair was still parted
straight to one side and he could

still lift me up so that I stood eyelevel
with row after row of ducks, like smokers’
lungs, in the restaurant windows
off Confucius Plaza-thick tar up top
swizzed into brown and rose gold.
A metal sling dug under their wings ended
in a hole the heads were put through.

Knowledge of them was terrible.
Everything looked terrible: the heads
of bok choy noosed in rubber bands
and pale-eyed fish laid out on ice. Terrible
things put delicately, like polite fictions
families invent. The words stand behind
great portals and are seen to yet untouchable.

 

 
Will Shutt (New York, 1981)

Nescio, Juliën Holtrigter, Jaap Robben, Willie Verhegghe, Erich Maria Remarque, Dan Brown, Aaro Hellaakoski, Henry Rider Haggard, Xavier Grall

De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Zie ook alle tags voor Nescio op dit blog.

Uit: Mene Tekel

“Bavink was begonnen met te zeggen datti niet ernstig kon praten, dat is een raar begin voor zoo’n mannetje, dat in de eerste plaats ernstig is en in opdracht komt. ’t Mannetje had zoo goed mogelijk gelachen en gezegd: `11 schertst, meneer Bavink.’ Toen schudde zelfs Bekker van ’t lachen en zei datti een idioot was en z’n zaken aan kant zou doen en z’n gekleede jas verkoopen en voor ’t geld sigaren rooken. Watti natuurlijk niet gedaan heeft. En Bavink had geantwoord datti niet schertste en ’t mannetje was heelemaal van de wijs geraakt. Hij durfde Bavink niet minachten, omdatti van bekende menschen had gehoord, dat Bavink ‘bijzonder knap werk maakte.’ `Dan veronderstel ik,’ hatti gezegd en toen hatti even gewacht en z’n lorgnet recht gezet en Bavink aangekeken en toen hatti weer gezegd: Dan veronderstel ik, dat u al uw ernst in uw werk legt?’ `Zou jij geweten hebben, Koekebakker, wat je toen had moeten doen?’ t Mannetje had zoo eerbiedig gesproken, dat Bavink dacht: Wat is-i toch een erg mal ventje,’ maar nix dorst te zeggen. Weet je wat ik gedaan zou hebben, Bavink? Ik had gevraagd of-i es wilde opsteken.’ Dat heb ik nou juist ook gedaan en toen zeidi: “Neen dank u ik rook nooit.”‘ ’t Mannetje sprak alsof-i uit de krant voorlas. Hij begreep volkomen dat ’t Bavink niet aangenaam was over zichzelf te spreken, hijzelf vond ’t ook altijd onaangenaam, maar u begrijpt, je kunt er niet altijd buiten, ’t leven brengt verplichtingen mee en een kunstenaar (dat woord sprak ’t mannetje met veel nadruk uit) behoort nu eenmaal min of meer… Toen bedacht Bavink datti ook wel eens iets kon zeggen dat klonk alsof ’t uit een redevoering was en zei: ‘Volkomen waar.”t Mannetje schrok er van. ’t Dee ‘m genoegen, dat meneer Bavink op dit punt net zoo dacht als hij, zoo iets noemen zulke mannetjes een ‘punt’, en hij vond daarin de vrijmoedigheid, meneer Bavink te vragen of ’t waar was wat in sommige kranten (`clagbladen’, zeidi) had gestaan, dat hij in hooge mate, in hooge mate ongevoelig was voor roem? `Jezus, daar zat ik,’ zei Bavink, ‘ik dacht, was nou Hoyer maar hier, die zou wel even ’t woord doen.’ En wat zei je?’ Ik vroeg, heeft dat in de krant gestaan?’ Leest u dan geen krant?’ vroeg-i, net als een gewoon mensch. `Verdomme,’ zei Bekker, ‘dan was dat mannetje toch niet voor nix gekomen. Nou kanni in zijn blaadje zetten, dat Johannes Bavink nooit een krant leest.’”

 
Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)
Bronzen reliëf in de Sarphatistraat in Amsterdam door Da van Daalen

 

De Nederlandse dichter Juliën Holtrigter (pseudoniem van Henk van Loenen) werd geboren op 22 juni 1946 in Hilversum. Zie ook alle tags voor Juliën Holtrigter op dit blog.

 

Aarde

Zoals ze leefden zo liggen ze hier
ook begraven, dicht op elkaar, bijna
hand in hand.

Spandiensten verleent men elkaar
tot op de rand van de dood.

Blinde paarden draven erheen,
met koetsen maar zonder koetsiers.
Het is het geheim van de hemel.

Zo hoog komen de mussen niet,
waar de zwaluwen buitelen, tuimelen
door de geweldige ruimte.

 

Zondagmiddag

Zondagmiddag, de krekels naaien de stilte.
Ik volg de spoorbaan, de brandnetels bloeien,
de bramen smaken naar niets en naar bloed.

Het dorp ligt verscholen in dichte grijzen.
Ik herken het, dit lopen: zo kwam ik thuis.
Van het nog warme huis staan de ramen wijd open.

Het bijna doorzichtige hoofd in de kamer
is van mijn vader, hij kijkt niet naar buiten.
In de hemdsmouwen wacht hij op onweer en regen.

Zo jongen, zal hij wel zeggen, dat is lang geleden.
Wat brengt je hier? Waar heb je gezeten?
Hij vraagt niet maar gebaart: hoor, het begint.

Hij loopt naar de deur, naar de stromende regen.
Hij zal zwijgen en knikken en alles vergeten.

 
Juliën Holtrigter (Hilversum, 22 juni 1946)

 

De Nederlandse dichter, schrijver en theatermaker Jaap Robben werd geboren in Oosterhout op 22 juni 1984. Zie ook alle tags voor Jaap Robben op dit blog.

 

Vier vingers en een duim

Mijn duim
kij kt mij n vingers niet aan.

Omdat zij met z’n vieren
op een muurtje aan
en hij mag er niet tussen.

Kleine dikke broer
en zij n vier pianozussen.

Ze lij ken wel een voetbalteam
en hij aat kleumend
langs de kant.

Zij zij n de giraff en
en hij is altij d olifant.

Maar het eenzaam e zij n de winters.
Alle dagen in z’n eentje
in een want

 

Haar nek

Mijn handen passen precies
om de nek van onze poes.

Dat vind ik eng.

Niet de poes
en niet mij n handen.

Maar dat ze precies om haar nek
dat ik dat weet
terwij l er verder niemand thuis is.

En de poes mij n knie vertrouwt,
haar pootjes om een hand heen vouwt
en voorzitig op mijn vinger kauwt

 
Jaap Robben (Oosterhout, 22 juni 1984)

 

De Belgische dichter en schrijver Willie Verhegghe werd op 22 juni 1947 te Denderleeuw geboren. Zie ook alle tags voor Willie Verhegghe op dit blog.

 

Opvolging verzekerd
– voor Vic, Ferre en Arthur –

Kleinzonen blijven niet klein,
je ziet ze groeien als kool, ze zitten je speels
op de steeds tragere hielen en rijden je
met panache en jeugdige grinta uit de wielen.

Zoals dat bij de meeste jongens het geval is
gaat de voorkeur eerst uit naar voetballen en
komt de liefde voor de fiets pas later.

Maar eens de derailleur in de prille kopjes
zijn verslavend tikkend werk doet kan het rijden
met een heuse koersfiets niet meer stuk en
vormen afstanden of het tegen hellingen opspurten
geen probleem meer, wordt zelfs de outfit
van blitse brillen en kleurrijke truitjes
met smaak en een eigentijdse look verzorgd.

 
Willie Verhegghe (Denderleeuw, 22 juni 1947)

 

De Duitse schrijver Erich Maria Remarque (pseudoniem van Erich Paul Remark) werd geboren op 22 juni 1898 in Osnabrück. Zie ook alle tags voor Erich Maria Remarque op dit blog.

Uit: Im Westen nichts Neues

»Haie, was würdest du denn machen, wenn jetzt Frieden wäre?«
»Er müßte dir den Arsch vollhauen, weil du hier von so etwas überhaupt anfängst«, sage ich,»wie kommt das eigentlich?«
»Wie kommt Kuhscheiße aufs Dach?« antwortet Müller lakonisch und wendet sich wieder an Haie Westhus.
Es ist zu schwer auf einmal für Haie. Er wiegt seinen sommersprossigen Schädel:»Du meinst, wenn kein Krieg mehr ist?«
»Richtig. Du merkst auch alles.«
»Dann kämen doch wieder Weiber, nicht?«- Haie leckt sich das Maul. »Das auch.«
»Meine Fresse noch mal«, sagt Haie, und sein Gesicht taut auf,»dann würde ich mir so einen strammen Feger schnappen, so einen richtigen Küchendragoner, weißt du, mit ordentlich was dran zum Festhalten, und sofort nichts wie ‘rin in die Betten! Stell dir mal vor, richtige Federbetten mit Sprungmatratzen, Kinners, acht Tage lang würde ich keine Hose wieder anziehen.«
Alles schweigt. Das Bild ist zu wunderbar. Schauer laufen uns über die Haut. Endlich ermannt sich Müller und fragt:»Und danach?«
Pause. Dann erklärt Haie etwas verzwickt:»Wenn ich Unteroffizier wäre, würde ich erst noch bei den Preußen bleiben und kapitulieren.«»Haie, du hast glatt einen Vogel«, sage ich. Er fragt gemütlich zurück:»Hast du schon mal Torf gestochen? Probier’s mal.«
Damit zieht er seinen Löffel aus dem Stiefelschaft und langt damit in Alberts Eßnapf.
»Schlimmer als Schanzen in der Champagne kann’s auch nicht sein«, erwiderte ich.
Haie kaut und grinst:»Dauert aber länger. Kannst dich auch nicht drücken.«
»Aber, Mensch, zu Hause ist es doch besser, Haie.«»Teils, teils«, sagt er und versinkt mit offenem Munde in Grübelei.
Man kann auf seinen Zügen lesen, was er denkt. Da ist eine arme Moorkate, da ist schwere Arbeit in der Hitze der Heide vom frühen Morgen bis zum Abend, da ist spärlicher Lohn, da ist ein schmutziger Knechtsanzug -»Hast beim Kommiß in Frieden keine Sorgen«, teilt er mit,»jeden Tag ist dein Futter da, sonst machst du Krach, hast dein Bett, alle acht Tage reine Wäsche wie ein Kavalier, machst deinen Unteroffiziersdienst, hast dein schönes Zeug; – abends bist du ein freier Mann und gehst in die Kneipe.”

 
Erich Maria Remarque (22 juni 1898 – 25 september 1970)
Cover

 

De Amerikaanse schrijver Dan Brown werd geboren in Exeter, New Hampshire, op 22 juni 1964. Zie ook alle tags voor Dan Brown op dit blog.

Uit: Origin

“As the ancient cogwheel train clawed its way up the dizzying incline, Edmond Kirsch surveyed the jagged mountaintop above him. In the distance, built into the face of a sheer cliff, the massive stone monastery seemed to hang in space, as if magically fused to the vertical precipice.
This timeless sanctuary in Catalonia, Spain, had endured the relentless pull of gravity for more than four centuries, never slipping from its original purpose: to insulate its occupants from the modern world.
Ironically, they will now be the first to learn the truth, Kirsch thought, wondering how they would react. Historically, the most dangerous men on earth were men of God . . . especially when their gods became threatened. And I am about to hurl a flaming spear into a hornets’ nest.
When the train reached the mountaintop, Kirsch saw a solitary figure waiting for him on the platform. The wizened skeleton of a man was draped in the traditional Catholic purple cassock and white rochet, with a zucchetto on his head. Kirsch recognized his host’s rawboned features from photos and felt an unexpected surge of adrenaline.
Valdespino is greeting me personally.
Bishop Antonio Valdespino was a formidable figure in Spain—not only a trusted friend and counselor to the king himself, but one of the country’s most vocal and influential advocates for the preservation of conservative Catholic values and traditional political standards.
“Edmond Kirsch, I assume?” the bishop intoned as Kirsch exited the train.
“Guilty as charged,” Kirsch said, smiling as he reached out to shake his host’s bony hand. “Bishop Valdespino, I want to thank you for arranging this meeting.”
“I appreciate your requesting it.” The bishop’s voice was stronger than Kirsch expected—clear and penetrating, like a bell. “It is not often we are consulted by men of science, especially one of your prominence. This way, please.”
As Valdespino guided Kirsch across the platform, the cold mountain air whipped at the bishop’s cassock.
“I must confess,” Valdespino said, “you look different than I imagined. I was expecting a scientist, but you’re quite . . .” He eyed his guest’s sleek Kiton K50 suit and Barker ostrich shoes with a hint of disdain. “ ‘Hip,’ I believe, is the word?”
Kirsch smiled politely. The word “hip” went out of style decades ago.
“In reading your list of accomplishments,” the bishop said, “I am still not entirely sure what it is you do.”
“I specialize in game theory and computer modeling.”
“So you make the computer games that the children play?”

 
Dan Brown (Exeter, 22 juni 1964)
Affiche voor de film uit 2016

 

De Finse  dichter, criticus en geograaf Aaro Hellaakoski werd geboren op 22 juni 1893 in Oulu. Zie ook alle tags voor Aaro Hellaakoski op dit blog.

 

Humming

A sunbeam glistened,
flickered for a flash
on the side of a comber,
stroked the rockside,
vanished between leaves.
In passing we
swapped a word or so.
We’d, just a little,
understood
the other.
We were working together.
Rejoicing at it, I hummed,
hummed, just so.
Don’t know,
did that light,
the slightest of lights,
also know
that I was.
That we were.

 

Death’s sitting on my shoulder

Death’s sitting on my shoulder. Ravenlike?
No. A little beak pecked my cheek, the faintest knock

promising some song, to make me look
for the unlocking, when all the bolts slide back.

 

Vertaald door Herbert Lomas

 
Aaro Hellaakoski (22 juni 1893 – 23 november 1952)
In 1913

 

De Engelse schrijver Henry Rider Haggard werd geboren in Norfolk op 22 juni 1856. Zie ook alle tags voor Henry Rider Haggard op dit blog.

Uit: The Days of My Life

“A while ago, it may have been a year or more, the telephone in this house rang and down the mysterious wire — for notwithstanding a thousand explanations, what is more mysterious than a telephone wire, except a telephone without one? — came an excited inquiry from a London press agency, as to whether I were dead.
Miss Hector, my secretary, answered that to the best of her knowledge and belief I was out walking on my farm in an average state of health. Explanations followed; diversified by telegrams from the Authors’ Society and others interested in the continuance or the cessation of my terrestrial life. From these it appeared that, like a sudden wind upon the sea, a rumour had sprung up to the effect that I had vanished from the world.
It was a false rumour, but the day must come, when or how I know not, since Providence in its mercy hides this ultimate issue from our eyes, on which it will be true, and like the storm that I hear raving outside the windows as I write, the elemental forces which are about every one of us will sweep me away as they brought me here and my place will know me no more.
Before this event happens to me, this common, everyday event which excites so little surprise even among those who knew us and yet, whatever his degree or lack of faith, is so important to the individual concerned, shall overtake me, before I too, like the countless millions who have gone before, put on the Purple and have my part in the majesty of Death, it has entered into my mind that I desire to set down, while I still have my full faculties, certain of my own experiences of life.
I have met many men, I have seen many lands, I have known many emotions — all of them, I think, except that of hate; I have played many parts. From all this sum of things, tangible or intangible, hidden now in the heart and the memory, some essence may perhaps be pressed which is worthy of preservation, some picture painted at which eyes unborn may be glad to look. At least, such is my hope.”

 
Henry Rider Haggard (22 juni 1856 – 14 mei 1925)
Cover

 

De Franse dichter en schrijver Xavier Grall werd geboren op 22 juni 1930 in Landivisiau (Finistère). Zie ook alle tags voor Xavier Grall op dit blog.

 

Solo (Fragment)

Seigneur me voici devant votre face
chanteur des manoirs et des haies
que vous apporterai-je
dans mes mains lasses
sinon les traces et les allées
l’âtre féal et le bruit des marées
les temps ont passé
comme l’onde sous le saule
et je ne sais plus l’âge
ni l’usage du corps
je ne sais plus que le dit
et la complainte
telle la poésie
mon âme serait-elle patiente
au bout des galantes années ?

Seigneur me voici c’est moi
de votre terre j’ai tout aimé
les mers et les saisons
et les hommes étranges
meilleurs que leurs idées
et comme la haine est difficile
les amants marchent dans la ville
souvenez-vous de la beauté humaine
dans les siècles et les cités
mais comme la peine est prochaine !

Seigneur me voici c’est moi
j’arrive de lointaine Bretagne
O ma barque belle
parmi les bleuets et les dauphins
les brumes y sont plus roses
que les toits de l’Espagne
je viens d’un pays de marins
les rêves sur les vagues
sont de jeunes rameurs
qui vont aux îles bienheureuses
de la grande mer du Nord.

 
Xavier Grall (22 juni 1930 – 11 december 1981)
Cover, 1989

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e juni ook mijn blog van 22 juni 2014 deel 1 en eveneens deel 2.

Ed Leeflang, Thomas Blondeau, Adam Zagajewski, Anne Carson, Ian McEwan, Alon Hilu, Jean-Paul Sartre, Stanley Moss, Machado de Assis

De Nederlandse dichter Ed Leeflang werd geboren op 21 juni 1929 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Ed Leeflang op dit blog.

Voor de sopraan

Een vrolijke familie de pioenen,
van de bollebozen die geen leed verkroppen,
volle harten en onnozel, gulzig in de lippen,
sierlijk in verliefd gespreide vingers,
doende doende in het rond te zoenen.

Zomer wordt het nooit zonder pioenen
te bezingen, jou, mij, jullie en ook u,
regen die ze schudt, ieder dol en dommer
van de lente, terwijl schoenen, paraplu
van die overoude droeve dingen bleven
uit die tijden, nu wij zomaar en hoognodig
mee met de pioenen moeten bloeien,
doof en blozend en terzijde.

 

In de ton

Maakt het uit wie het dicht
de wind of een ander, zijn slepende regels
stemmen niet hondser en wie ze nog opschrijft
is mij om het even, de stad raakt vergeten.
Wie het je aanzegt, lood om oud ijzer.

Maakt het je enig verschil waar ze bleven
de zomer de schemer november de dagen.
Kan het je schelen wie in je huizen
voetvegen narrige wezens windvanen,
als het hier binnen zingt van de regen
buien en avonden lang op je duigen.

 

Najaar

Ze hadden het recht van overpad,
honden, geweren. Ze keken binnen,
lachten zowaar en schikten
hun lege tassen. Hun rode koppen
telden we voor ze verdwenen
in de nog dampende velden.
We aten ons brood, lazen bladen.
Tegen het donker kwamen ze terug
beladen met hangende poten.
We gingen naar bed, lagen wakker,
hatend omdat ze bestonden.

 
Ed Leeflang (21 juni 1929 – 17 maart 2008)
Portret door Rein Dool, 1982

 

De Vlaamse dichter, schrijver en journalist Thomas Blondeau werd geboren in Poperinge op 21 juni 1978. Zie ook Zie ook alle tags voor Thomas Blondeau op dit blog

Uit: Donderhart

“Eva twijfelde even maar toen ze Max zag glimlachen, krulden ook haar mondhoeken omhoog. Max stond op, en kuste haar wang. Hij deed een stap naar achter en keek naar haar. Ze was afgevallen. Ze was altijd slank geweest, maar de plooien bij haar ogen en mondhoeken waren nu nog zichtbaarder geworden.
Eva uit zijn gedachten schrappen was niet makkelijk geweest. Ze was al tien jaar zangeres van een band die bij ieder album nog meer platen verkocht en nog meer zalen deed volstromen. Vlak na hun breuk spotte haar roem met zijn liefdesverdriet. Soms nam die hoon paranoïde vormen aan. Was ze even uit zijn aandacht verdwenen, dan hoorde hij opeens haar stem op de radio terwijl de kappersschaar over zijn hoofd gleed. ’s Nachts in de snackbar danste ze op het tv-scherm dat de wachtenden moest vermaken. De etalages van kiosken, de rijen affiches op blinde muren reproduceerden haar bestraffende blik in oneindig veelvoud.
Om het vergeten makkelijker te maken, had Max de muziekzenders van zijn tv gewist. Hij luisterde bijna alleen nog maar naar klassieke muziek en zijn autoradio was zo geprogrammeerd dat het gevaar van opdringerige herinneringen tot een minimum was gereduceerd.
De tijdschriftenkast op de redactie van Criterium kon hij natuurlijk niet censureren. Wanneer er een nieuw album uit was, zag hij een maand lang Eva’s nieuwe look opduiken op de voorpagina van de concurrerende bladen. Hij had geluk dat popmuziek nog steeds zelden toegang vond tot de kolommen van zijn tijdschrift. In de jaren dat Max voor Criterium werkte, was de band slechts één keer door het blad geïnterviewd. Hij had zijn ogen over de tekst laten glijden, zoekend naar woorden als ‘vriendje’, ‘ex’ of ‘lief’ maar kon niks vinden.
Behalve wat oude vrienden wist niemand uit Max’ omgeving van zijn tijd met Eva af. Véronique vertelde hij het pas toen ze elkaar al twee jaar kenden. Eerst geloofde ze het niet. Eens ze overtuigd was, vroeg ze of hij Eva nog wel eens zag. Dat ze een keer langs moest komen. Max snauwde haar af. Véronique was er niet meer over begonnen.
‘Londen, meneer Gosset, dat brengt mij hier. Evenals u, neem ik aan.’ Door Max’ overdreven formele toon over te nemen, gaf ze blijk van een mondigheid die nieuw was voor hem. Bij het uitspreken van zijn achternaam had ze zelfs een kleine buiging gemaakt. Ze had iets smalends, arrogants over zich gekregen. Was het een uitwas van de ijdelheid die vroeger slechts sluimerend bij haar aanwezig was geweest? “


Thomas Blondeau (21 juni 1978 – 20 oktober 2013)

 

De Poolse dichter en essayist Adam Zagajewski werd geboren op 21 juni 1945 in Lwów, het huidige Lviv. Zie ook alle tags voor Adam Zagajewski op dit blog.

 

Poetry searches for radiance

Poetry searches for radiance,
poetry is the kingly road
that leads us farthest.
We seek radiance in a gray hour,
at noon or in the chimneys of the dawn,
even on a bus, in November,
while an old priest nods beside us.

The waiter in a Chinese restaurant bursts into tears
and no one can think why.
Who knows, this may also be a quest,
like that moment at the seashore,
when a predatory ship appeared on the horizon
and stopped short, held still for a long while.
And also moments of deep joy

and countless moments of anxiety.
Let me see, I ask.
Let me persist, I say.
A cold rain falls at night.
In the streets and avenues of my city
quiet darkness is hard at work.
Poetry searches for radiance.

 

Ravenna

This sleepy little town was once the empire’s center.
This baker was Caesar’s baker.
This fire flamed high.
This tailor hunched over cloth of gold.
This oriole sang in the language of the gods.

Ravenna is quiet, botanical.
Thrushes hop over its flat earth.
Bikes chat together casually like deaf-mutes.
A sluggish train from Ferrara enters the station.
Two German girls squabble: how to say solitude?

These bricks touched fingers.
These fingers touched iron and trees.
These acacias climbed romanesque vaults.
Ravenna’s bookmark lies in a herbarium of guidebooks,
and waits, just keeps on waiting.

A golden flame still smoulders in mosaics,
one day it will doubtless go out.
A single match may serve
to kindle it again.
A single moment’s concentration.
Is that so?

 

Vertaald door Clare Cavanagh

 
Adam Zagajewski (Lwów, 21 juni 1945)

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

 

Apostle Town

After your death.
It was windy every day.
Every day.
Opposed us like a wall.
We went.
Shouting sideways at one another.
Along the road.
It was useless.
The spaces between us.
Got hard.
They are empty spaces.
And yet they are solid.
And black and grievous.
As gaps between the teeth.
Of an old woman.
You knew years ago.
When she was.
Beautiful the nerves pouring around in her like palace fire.

 

Short Talk on Major and Minor

Major things are wind, evil, a good fighting horse,
prepositions, inexhaustible love, the way people
choose their king. Minor things include dirt,
the names of schools of philosophy, mood and
not having a mood, the correct time. There
are more major things than minor things
overall, yet there are more minor things
than I have written here, but it is
disheartening to list them. When I
think of you reading this I do not
want you to be taken captive,
separated by a wire mesh lined with glass
from your life itself, like some Elektra.

 
Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950)

 

De Britse schrijver Ian McEwan werd op 21 juni 1948 geboren in de Engelse garnizoensplaats Aldershot. Zie ook alle tags voor Ian McEwan op dit blog.

Uit: Nutshell

“So here I am, upside down in a woman. Arms patiently crossed, waiting, waiting and wondering who I’m in, what I’m in for. My eyes close nostalgically when I remember how I once drifted in my translucent body bag, floated dreamily in the bubble of my thoughts through my private ocean in slow-motion somersaults, colliding gently against the transparent bounds of my confinement, the confiding membrane that vibrated with, even as it muffled, the voices of conspirators in a vile enterprise. That was in my careless youth. Now, fully inverted, not an inch of space to myself, knees crammed against belly, my thoughts as well as my head are fully engaged. I’ve no choice, my ear is pressed all day and night against the bloody walls. I listen, make mental notes, and I’m troubled. I’m hearing pillow talk of deadly intent and I’m terrified by what awaits me, by what might draw me in.
I’m immersed in abstractions, and only the proliferating relations between them create the illusion of a known world. When I hear “blue,” which I’ve never seen, I imagine some kind of mental event that’s fairly close to “green”—which I’ve never seen.
I count myself an innocent, unburdened by allegiances and obligations, a free spirit, despite my meagre living room. No one to contradict or reprimand me, no name or previous address, no religion, no debts, no enemies. My appointment diary, if it existed, notes only my forthcoming birthday. I am, or I was, despite what the geneticists are now saying, a blank slate. But a slippery, porous slate no school­room or cottage roof could find use for, a slate that writes upon itself as it grows by the day and becomes less blank. I count myself an innocent, but it seems I’m party to a plot. My mother, bless her unceasing, loudly squelching heart, seems to be involved.
Seems, Mother? No, it is. You are. You are involved. I’ve known from my beginning. Let me summon it, that moment of creation that arrived with my first concept. Long ago, many weeks ago, my neural groove closed upon itself to become my spine and my many million young neurons, busy as silkworms, spun and wove from their trailing axons the gorgeous golden fabric of my first idea, a notion so simple it partly eludes me now. Was it me? Too self-loving. Was it now? Overly dramatic. Then something antecedent to both, containing both, a single word mediated by a mental sigh or swoon of acceptance, of pure being, something like—this? Too precious. So, getting closer, my idea was To be. Or if not that, its grammatical variant, is.
This was my aboriginal notion and here’s the crux—is. Just that. In the spirit of Es muss sein. The beginning of conscious life was the end of illusion, the illusion of non-being, and the eruption of the real. The triumph of realism over magic, of is over seems. My mother is involved in a plot, and therefore I am too, even if my role might be to foil it. Or if I, reluctant fool, come to term too late, then to avenge it.”

 
Ian McEwan (Aldershot, 21 juni 1948)

 

De Israëlische schrijver Alon Hilu werd geboren op 21 juni 1972 in Jaffa. Zie ook alle tags voor Alon Hilu op dit blog.

Uit: Death of a Monk

“I would bathe alone, never at the hammam in Kharet Elyahud, the Jewish Quarter, with the other men, but with a bucket of hot water in the room at the edge of the fruit orchards, so that no unfamiliar eye could catch sight of me, and I could gaze in wonder at my feeble body: the pale and bloated belly, which had not seen a ray of sunlight for some time and was always hidden under thick clothing; the toes, as separate and distant from one another as a band of brothers in hot dispute; the brittle fingers, unfit for labour, mottled pink and red; the shoulders, made like two marbles that roll and sway in every direction. And in summertime, when a tardy sunbeam flickered suddenly through the window and lit up the small room, tiny pores that covered my skin in flocks would reveal themselves and I would regard them without comprehending their meaning. The long days and weeks when Father was absent from the city, travelling to Aleppo or Sidon and from there by ship across the sea, were my moments of happiness and pleasure; upon returning from the Talmud Torah school, when my evil and angry sister had turned her blue eyes to her games and my little brother was preoccupied with matters in his room, I would circle the large apricot tree that stood in the centre of the alkhosh, tossing crumbs of bread to the goldfish sailing the fish pond at the foot of the tree, and then with hesitation tinged with anticipation I would ask one of the servants to request an audience for me with Maman, and when the response came — that she awaited me in her room — I would walk slowly to her, close the door behind me, and give myself over to her cursory kisses and sugary hugs. Then we would spread about the costly bolts of fabric she had had sent by special delivery from shops in Europe, and alongside them garments and dresses she had obtained from sharp-eyed local traders or from the travelling merchants who sometimes visited our estate. “

 
Alon Hilu (Jaffa, 21 juni 1972)
Cover Israëlische uitgave

 

De Franse schrijver Jean Paul Sartre werd geboren op 21 juni 1905 in Parijs. Zie ook alle tags voor Jean-Paul Sartre op dit blog.

Uit: Huis clos

“GARCIN Vipère ! Tu as réponse à tout.
INÈS Allons ! allons ! Ne perds pas courage. Il doit t’être facile de me persuader. Cherche des arguments, fais un effort. (Garcin hausse les épaules.) Eh bien, eh bien ? Je t’avais dit que tu étais vulnérable. Ah ! comme tu vas payer à présent. Tu es un lâche, Garcin, un lâche parce que je le veux. Je le veux, tu entends, je le veux ! Et pourtant, vois comme je suis faible, un souffle ; je ne suis rien que le regard qui te voit, que cette pensée incolore qui te pense. (Il marche sur elle, les mains ouvertes.) Ha ! elles s’ouvrent, ces grosses mains d’homme. Mais qu’espères-tu ? On n’attrape pas les pensées avec les mains. Allons, tu n’as pas le choix : il faut me convaincre. Je te tiens.
Garcin ! Quoi ? Venge-toi. Comment ?
ESTELLE Garcin !
GARCIN Quoi?
ESTELLE Venge-toi.
GARCIN Comment?
ESTELLE Embrasse-moi, tu l’entendras chanter.
GARCIN
C’est pourtant vrai, Inès. Tu me tiens, mais je te tiens aussi. Il se penche sur Estelle. Inès pousse un cri. INÈS Ha ! lâche ! lâche ! Va ! Va te faire consoler par les femmes.
ESTELLE Chante, Inès, chante !
INÈS Le beau couple ! Si tu voyais sa grosse patte posée à plat sur ton dos, froissant la chair et l’étoffe. Il a les mains moites ; il transpire. Il laissera une marque bleue sur ta robe.
ESTELLE Chante ! Chante ! Serre-moi plus fort contre toi, Garcin ; elle en crèvera. INÈS Mais oui, serre-la bien fort, serre-la ! Mêlez vos chaleurs. C’est bon
l’amour, hein Garcin ? C’est tiède et profond comme le sommeil, mais je t’empêcherai de dormir.
Geste de Garcin.
ESTELLE Ne l’écoute pas. Prends ma bouche ; je suis à toi tout entière.”


Jean-Paul Sartre (21 juni 1905 – 15 april 1980)
Scene uit een opvoering in Londen, 2012

 

De Amerikaanse dichter, uitgever en kunsthandelaar Stanley Moss werd geboren in Woodhaven, New York op 21 juni 1925. Zie ook alle tags voor Stanley Moss op dit blog.

 

Paper Swallow

Francisco Goya y Lucientes,
I dedicate this paper swallow to you and fly it
from the balcony of San Antonio de la Florida
past the empty chapels of the Four Doctors of the Church.
My praying hands are fish fins again,
one eye a lump of tar, the other hard blood,
my flapping lids sewed down to my cheekbones.
Time, the invisible snake, keeps its head
and fangs deep in the vagina of space.
Reason blinded me, banished me.
I fight the liar in me, selective desire,
my calling nightmares ‘dreamless sleep.’
Blind, coño, I made a musical watch,
the image of Don Quixote points the hours,
Sancho the minute hand. I hear the right time
when I listen to my watch play church bells.
Mystery this, mystery that.
I have another watch—wolves howling and dogs barking.
Now the invisible snake swims in the Ebro.
I look out of my window to see time
as if it were not in my mouth
and all my other two-timing orifices.
Don Francisco, I swear at the feet of the dead who maim me
and the living who heal me that the least sound,
a page turning, whips me. I owe my blindness,
this paper swallow, to you, because I lived
most of my life, a marrano, in your deaf house.
I pull open one of my eyes like the jaws of a beast.

 
Stanley Moss (Woodhaven, 21 juni 1925)

 

De Braziliaanse schrijver Joaquim Maria Machado de Assis werd geboren in Rio de Janeiro op 21 juni 1839. Zie ook alle tags voor Machado de Assis op dit blog.

Uit: The Posthumous Memoirs of Brás Cubas (Vertaald door Gregory Rabassa)

“As it so happened, one day in the morning while I was strolling about my place an idea started to hang from the trapeze I have in my brain. Once hanging there it began to wave is arms and legs and execute the most daring antics of a tightrope-walker that anyone could imagine. I let myself stand there contemplating it. Suddenly it took a great leap, extended its arms and legs until it took on the shape of an X: decipher me or I’ll devour you.
That idea was nothing less than the invention of a sublime remedy, an antihypochondriacal poultice, destined to alleviate our melancholy humanity. In the patent application that I drew up afterward I brought that truly Christian product to the government’s attention. I didn’t hide from friends, however, the pecuniary rewards that would of needs result from the distribution of a product with such far-reaching and profound effects. But now that I’m on the other side of life I can confess everything: what mainly influenced me was the pleasure I would have seeing in print in newspapers, on store counters, in pamphlets, on street corners, and, finally, on boxes of the medicine these three words: Brás Cubas Poultice. Why deny it? I had a passion for ballyhoo, the limelight, fireworks. More modest people will censure me perhaps for this defect. I’m confident, however, that clever people will recognize this talent of mine. So my idea had two faces, like a medal, one turned toward the public and the other toward me. On one side philanthropy and profit, on the other a thirst for fame. Let us say:–love of glory.
An uncle of mine, a canon with full prebend, liked to say that love of temporal glory was the perdition of souls, who should covet only eternal glory. To which another uncle, an officer in one of those old infantry regiments called tercos, would retort that love of glory was the most truly human thing there was in a man and, consequently, his most genuine attribute.
Let the reader decide between the military man and the canon. I’m going back to the poultice.”


Machado de Assis (21 juni 1839 – 29 september 1908)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e juni ook mijn blog van 21 juni 2016 en eveneens mijn blog van 21 juni 2014 deel 1, en deel 2 en eveneens deel 3.

Vikram Seth, Paul Muldoon, Kurt Schwitters, Jean-Claude Izzo, Silke Andrea Schuemmer, Carel van Nievelt, Robert Rozhdestvensky, Laure Wyss, Lillian Hellman

De Indische schrijver Vikram Seth werd geboren op 20 juni 1952 in Kolkata. Zie ook alle tags voor Vikram Seth op dit blog.

Uit: A Suitable Boy

„The Fever Bird

The fever bird sand out last night.
I could not sleep, try as I might.

My brain was split, my spirit raw.
I looked into the garden, saw

The shadow of the amaltas
Shake slightly on the moonlit grass

Unseen, the bird cried out its grief,
Its lunacy, without relief:

Three notes repeated closer, higher,
Soaring, then sinking down like fire

Only to breathe the night and soar,
As crazed, as desperate, as before.

I shivered in the midnight heat
And smelt the sweat that soaked my sheet.

And now tonight I hear again
The call that skewers though my brain,

The call, the brain-sick triple note–
A cone of pain stuck inits throat.

I am so tired I could weep.
Mad bird, for God’s sake let me sleep

Why do you cry like one possessed?
When will you rest? When will you rest?

Why wait each night till all but I
Lie sleeping in the house, then cry?

Why do you scream into my ear
What no one else but I can hear?”

 
Vikram Seth (Kolkata, 20 juni 1952)
Cover

 

De Ierse dichter en schrijver Paul Muldoon werd geboren in Portadown, County Armagh, in Noord-Ierland op 20 juni 1951, Zie ook alle tags voor Paul Muldoon op dit blog

The Old Country (Fragment)

IV
Every runnel was a Rubicon
where every ditch was a last ditch.
Every man was “a grand wee mon”
whose every pitch was another sales pitch

now every boat was a burned boat.
Every cap was a cap in hand.
Every coat a trailed coat.
Every band was a gallant band

across the broken bridge
and broken ridge after broken ridge
where you couldn’t beat a stick with a big stick.

Every straight road was a straight up speed trap.
Every decision was a snap.
Every cut was a cut to the quick.

V
Every cut was a cut to the quick
when the weasel’s twist met the weasel’s tooth
and Christ was somewhat impolitic
in branding as “weasels fighting in a hole,” forsooth,

the petrol smugglers back on the old sod
when a vendor of red diesel
for whom every rod was a green rod
reminded one and all that the weasel

was nowhere to be found in that same quarter.
No mere mortar could withstand a ten-inch mortar.
Every hope was a forlorn hope.

So it was that the defenders
were taken in by their own blood splendour.
Every slope was a slippery slope.

VI
Every slope was a slippery slope
where every shave was a very close shave
and money was money for old rope
where every grave was a watery grave

now every boat was, again, a burned boat.
Every dime-a-dozen rat a dime-a-dozen drowned rat
except for the whitrack, or stoat,
which the very Norsemen had down pat

as a weasel-word
though we know their speech was rather slurred.
Every time was time in the nick

just as every nick was a nick in time.
Every unsheathed sword was somehow sheathed in rime.
Every cut was a cut to the quick.

 
Paul Muldoon (Portadown, 20 juni 1951)

 

De Duitse schrijver, dichter en kunstenaar Kurt Schwitters werd geboren op 20 juni 1887 in Hannover. Zie ook alle tags voor Kurt Schwitters op dit blog

Du

Du,
Unbekannte Frau,
Dich liebe ich.
Ich hab’ Dich nie gesehn
Und kenne Dich.
Ich liebe Dich,
Denn Du bist die,
Die mich versteht,
Die alles mir verzeiht.
Die alles, was ich tu und was ich denke
Mit Liebe füllt
Und Glück.
Du, unbekannte Frau, Die gelten meine Träume, meine Sehnsucht.
Und wenn ich einst Dich finde,
Dann,
Ja dann??
Die Welt ist groß und tief.
Dir gelten meine Träume,
Dir,
Nur Dir!

 

Die rote Lilie

Die glühendrote, welke Nelke
Sprach zu sich selber: “Wenn ich welke,
Dann welke ich mich selber tot,
Dann bin ich nicht mehr glühendrot.”

Oh Mensch, der du dies je gelesen,
Wenn du einmal nicht mehr gewesen,
Dann wirst du nie und nimmermehr,
Und wünschtest du es noch so sehr.


Kurt Schwitters (20 juni 1887 – 8 januari 1948)
Construction for Noble Ladies door Kurt Schwitters, 1919

 

De Franse dichter en schrijver Jean-Claude Izzo werd geboren op 20 juni 1945 in Marseille. Zie ook alle tags voor Jean-Claude Izzo op dit blog.

Plage du Prophète

«Plage du Prophète à Marseille
Ils se sont arrêtés.

D’abord la fille aux yeux gris verts
Des mers du Nord
Et au sourire mûri sur les berges du Nil
L’ami ensuite
Le poète des Hauts Pays
Attentif aux murmures des passeurs
Sur les sentiers arides des exils
Le plus âgé enfin
Homme aux semelles de vent
Tantôt Afghan, tantôt Mongol
Porté par des mondes d’hier entrevus

Plage du Prophète
Ils ont porté leurs pas
Vers le soleil couchant

Une vague est venue lécher leurs pieds
Bénédiction du Prophète
Prophète anonyme
De ceux qui croient
Aux vérités de la beauté

Plage du Prophète
Du Prophète»

 

Arête faîtière

III
Érosion des lèvres à désapprendre.

J’ai dévidé les mots de ma mémoire

rêvant le roc
où écorcher
accrocher quelques lambeaux
d’hier.

L’air s’écoule
au creux d’une combe.

Douleur claire.

Dérive.

Dans l’ombre des chênes survivants,
je ne réponds plus.

 
Jean-Claude Izzo (20 juni 1945 – 26 januari 2000)

 

De Duitse dichteres, schrijfster en kunsthistorica Silke Andrea Schuemmer werd geboren op 20 juni 1973 in Aken. Zie ook alle tags voor Silke Andrea Schuemmer op dit blog.

Uit: Nixen fischen

“Ines zuckte zusammen, als die Tür vom Nebenzimmer aufging, sich ein massiger Bauch durch den Spalt schob und ein beißender und säuerlicher Geruch in den Laden strömte. Der mittelgroße Mann, der mit auffälligem Hohlkreuz in der Türfüllung stand und seinen Reißverschluss über den trommelartigen Leib hochzog, trat auf Socken über die Schwelle in den Verkaufsraum und rieb sich dabei den Bauch.
»Makrele, pikant«, er schmatzte einige Male, »da kaut man die Angst des geangelten Tierchens mit.«
Sein Kopf war fast rechteckig, und um die fleckige Halbglatze führte ein dünner rötlicher Haarkranz. Augenbrauen und Wangenknochen waren wulstig, die Lippen dick und geschwungen.
Dann bemerkte er Ines, der er knapp bis zum Kinn reichte, und blieb abrupt stehen. Mit offenem Mund und aufgerissenen, weit auseinanderstehenden Augen besah er sie von oben bis unten.
»Eine weiße Riesin«, sagte er schließlich. »Hinabgestiegen aus Hemplers feuchten Träumen. Dich kann man ja exponieren. Wie groß bist du, Mädchen?«
Seine Stimme klang überraschend hoch.
»Ich wollte fragen wegen …«, setzte Ines an, aber der Mann brachte sie mit einer Handbewegung zum Schweigen. Er kratzte mit dem Nagel seines kleinen Fingers zwischen den Schneidezähnen, die groß und gelblich waren, während er sie nicht aus den Augen ließ und auf seinen dünnen Beinen um sie herumging, seinen massigen Bauch vor sich herschiebend.
»Geduttet wie des Fischers Fru. Die Haare gehen wohl bis zum Arsch, wenn sie offen sind?«
Er pfiff leise und nickte. Ines presste ihre Tasche an sich.
»Egal, was du willst, hier bist du richtig. Wenn ich dich dem Hempler zeige, der wässert sich direkt den Latz mit seinem Saft, der speichelt sich eine Pfütze, der …«
Er stockte und hielt ihr seine Hand entgegen.
Ines reichte ihm ihre zögerlich. »Es geht um das Fotoalbum im Schaufenster.«
Der Mann nickte, als wäre es ohnehin völlig klar, wieso sie sein Geschäft betreten hatte. »Ich bin Knut Seckig. Komm rein, heim-heim zum guten Knut, immer hinein.”

 
Silke Andrea Schuemmer (Aken, 20 juni 1973)

 

De Nederlandse schrijver Carel van Nievelt werd op 20 juni 1843 geboren in Delfshaven, als zoon van een boekhandelaar. Zie ook alle tags voor Carel van Nievelt op dit blog.

Uit: Mijn Angelo. Herinneringen van het Garda-meer

“Nu ik mij echter eenmaal van die taak gekweten heb, zult ge mij over niets meer hooren klagen: niet over hitte en dorst, niet over inktigen wijn, niet over spoelwatersoep of riekende kalfscoteletten, niet over beurzensnijdende voerlui en kasteleins – neen, zelfs niet over nachtelijke worstelingen met eenen menschenetenden vijand. Integendeel: gij zult mij louter geestdrift vinden voor wat er éénig schoons is in dit land: voor de wonderbare betoovering eener natuur, die binnen een afstand van weinige mijlen de strenge verhevenheid van het Noorden en den glans, de weelde, de kleurenpracht van het Zuiden aan elkander grenzen, met elkander ineenvloeien doet: den eeuwigen winter met de eeuwige lente. De vijgeboom en de olijf dicht aan den voet van gevaarten op welke de sneeuw nooit smelt, fonkelende gletscherspitsen nederblikkend op het lommer der citroentuinen – wie zou voor dezen aanblik niet gaarne wat lijfelijk ongemak zich getroosten!
Zoo zij het En om u te bewijzen hoe zeer het mij ernst is met die geestdrift, ruk ik mij oogenblikkelijk los van het azijnzure wijntje, het droge brood, de vliegenzwermen en de mesthoopgeuren in de herberg te Nago, om u, een kwartier gaans buiten het dorp, op eene hoogte te voeren, die reeds van verre uwe aandacht trok door het wapperen – neen, tot gewapper is wind noodig -, door het met geknakte wieken langs zijnen stok hangen van den Oostenrijkschen adelaar. Gij treedt door de poort van een fort – – en plotseling staat gij als Mozes op Nebo, met het land der belofte aan uwe voeten.
Zet u neder in de schaduw van den vestingmuur. In de diepte ligt het Garda-meer – blauw, blauw – – o maar, bij dit blauw is het blauw der Zwitsersche meren kleurloos, het blauw der korenbloem flets, het blauw van de oogen uwer aangebedene blondine een paar verlepte viooltjes gelijk. Daar ligt zij, de liefelijke, tusschen hare bergen, gelijk een hemelveld tusschen donkere wolken. Een smetteloos ultramarijn, glanzend en onafzienbaar. Aan haren noordelijken oever omvangt haar het donzige loofwoud van Riva’s Campagna – groen in alle tonen en tinten: grauwe olijven en zwarte cypressen, sappig vijgenloof en bleeke wingerdranken.”

 
Carel van Nievelt (20 juni 1843 – 2 augustus 1913)
Het Gardameer

 

De Russische dichter en schrijver Robert Ivanovich Rozhdestvensky werd geboren op 20 juni 1932 in Kosikha in het district Altai Krai. Zie ook alle tags voor Robert Rozhdestvensky op dit blog.

 

As Severe as a War…

As severe as a war was that cold
winter
drilled and pierced by the winds it was
tempered
snow lay on it in a bulk,
bitter,
and the homes under its weight.
trembled.

Frost would blow across the floor,
sneaking,
our teacher sneezed and coughed,
patient.
Ink would melt in our class-room,
dripping.
and the principle would cancel
dictation.

And I knew that the winds blew with
reason,
no surprise, in the morning I have
a sore throat.
All I have in this world from that
season
are the war and winter
in my thought.

Snow would storm and slash the ground,
roaring,
and the ice in the river bed was
fierce..
Flowers bloomed on the windows,
growing,
as if each was by a bullet
pierced!

Neighbor granny put on widow’s
shawl and
sat up weeping till late
hours…
Like a war that winter was
Long, and
up to now it feels like cold
showers.

 

Vertaald door Alec Vagapov

 
Robert Rozhdestvensky (20 juni 1932 – 19 augustus 1994)

 

De Zwitserse schrijfster Laure Wyss werd geboren op 20 juni 1913 in Biel/Bienne. Zie ook alle tags voor Laure Wyss op dit blog.

Uit:Laure Wyss. Leidenschaften einer Unangepassten (Biografie door Barbara Kopp)

“Häufig fuhr der Beistand zum Hausbesuch in die Arbeiterviertel. Viele Mütter arbeiteten in den Fabriken als Stanzerinnen, Sortiererinnen, Packerinnen, Zuschneiderinnen, bedienten als Saaltöchter und Buffetdamen oder hatten sich in einem Heim eine Stelle als Köchin erkämpft. Die besser Ausgebildeten hatten Anstellungen in Kaufhäusern und Büros. Wie viele unverhei-ratete Mütter in der Stadt Zürich lebten, konnte der Beistand nur vermuten. Bei der Volkszählung erfragten die Verantwortlichen bloß die Kinderzahl der Verheirateten und Verwitweten. Das Statistische Amt der Stadt rechnete im Jahr 1950 grob mit 1700 ledigen Müttern.
Nach der Unterredung mit dem Fürsprecher machte der Beistand an der Kirchgasse in der Zürcher Altstadt unangemeldet seinen Hausbesuch.
«Frau Wyss ist nicht zu Hause. Dafür treffe ich meinen Schützling mit seiner sehr bejahrten Pflegerin. Diese zeigt mir die kleine 2-Zimmerwohnung und Nickolaus, wie er genannt wird, schläft in einem sauberen antiquen Bettchen. Die Pflegerin sagt aus, dass der Kleine gut daran sei, was ich auch selber feststelle. Die kleine Wohnung macht sehr sauberen, gepflegten Eindruck, was auf einen guten Lebensstandard schließen lässt.»
Er bemerkte das altgediente Kinderbett, die Enge der Altstadtwohnung und das Alter der Betreuerin, vieles wies auf materiell bescheidene Verhältnisse hin, aber der «Lebensstandard», den er nachweisen musste, war nicht wirtschaftlicher Art. Wer die Wohnungsmiete bestritt, den Lohn der Betreuerin, wer Essen, Strom und Heizung bezahlte, ob die Mutter aus eigener Kraft für sich und das Kind aufkam oder ob sie die Hilfe der Familie brauchte, für den Beistand war solches nicht von Belang.Für ihn zählte der Zustand des Kindes und seines Bettes, sie ließen auf mütterliche Pflege schließen, die Aufgeräumtheit der Wohnung auf hausfraulichen Sinn“.


Laure Wyss (20 juni 1913 – 21 augustus 2002)
Cover

 

De Amerikaanse schrijfster en vertaalster Lillian Hellman werd geboren op 20 juni 1905 in New Orleans. Zie ook alle tags voor Lillian Hellman op dit blog.

Uit: The Children’s Hour

“MARTHA (goes to lamp, lights it): It gets dark so early now. (Sits down, stretches, laughs) Cooking always makes me feel better. Well, I guess well have to give the Duchess some dinner. When the hawks descend, you’ve got to feed ‘ern. Where’s Joe? (No answer) Where’s Joe?
KAREN: Gone.
MARTHA : A patient? Will he be hack in time for dinner ?
KAREN: No.
MARTHA (watching her); Well save dinner for him, then. Karen Whirs the matter?
KAREN (in a dull lone) : He won’t be back any more.
MARTHA (speaking slowly and cordially): You mean he won’t be back any more tonight?
KAREN : Ile won’t be back at all.
MARTHA (quickly walks to Karen) : What happened? (Karen shakes her head) What happened, Karen ?
KAREN He thought that we had been lovers,
MARTHA (tensely): I don’t believe you. (Wearily Kann turns her bead away ).
KAREN : All right_
MARTHA (automatically) : I don’t believe it. He’s never said a word all these months, all during the trial (Suddenly grabs Karen by the shoulders) shakes hen Didn’t you tell him it wasn’t true?
KAREN Yes.
MARTHA He didn’t believe you?
KAREN I guess he believed me.
MARTHA (angrily) Than waht have you done?“

 
Lillian Hellman (20 juni 1905 – 30 juni 1984)
Scene uit in opvoering in Alexandria, Virginia, 2013

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e juni ook mijn blog van 20 juni 2015 deel 2.

Salman Rushdie, Sybren Polet, Josef Nesvadba, Osamu Dazai, José Rizal, Friedrich Huch, Gustav Schwab, Elke Geurts, Claudia Gabler

De Indisch-Britse schrijver en essayist Salman Rushdie werd geboren in Bombay op 19 juni 1947. Zie ook alle tags voor Salman Rushdie op dit blog.

Uit: The Golden House

“On the day of the new president’s inauguration, when we worried that he might be murdered as he walked hand in hand with his exceptional wife among the cheering crowds, and when so many of us were close to economic ruin in the aftermath of the bursting of the mortgage bubble, and when Isis was still an Egyptian mother-goddess, an uncrowned seventy-something king from a faraway country arrived in New York City with his three motherless sons to take possession of the palace of his exile, behaving as if nothing was wrong with the country or the world or his own story. He began to rule over his neighborhood like a benevolent emperor, although in spite of his charming smile and his skill at playing his 1745 Guadagnini violin he exuded a heavy, cheap odor, the unmistakable smell of crass, despotic danger, the kind of scent that warned us, look out for this guy, because he could order your execution at any moment, if you’re wearing a displeasing shirt, for example, or if he wants to sleep with your wife. The next eight years, the years of the forty-fourth president, were also the years of the increasingly erratic and alarming reign over us of the man who called himself Nero Golden, who wasn’t really a king, and at the end of whose time there was a large—and, metaphorically speaking, apocalyptic—fire.
The old man was short, one might even say squat, and wore his hair, which was still mostly dark in spite of his advanced years, slicked back to accentuate his devil’s peak. His eyes were black and piercing, but what people noticed first—he often rolled his shirtsleeves up to make sure they did notice—were his forearms, as thick and strong as a wrestler’s, ending in large, dangerous hands bearing chunky gold rings studded with emeralds. Few people ever heard him raise his voice, yet we were in no doubt that there lurked in him a great vocal force which one would do well not to provoke. He dressed expensively but there was a loud, animal quality to him which made one think of the Beast of folktale, uneasy in human finery. All of us who were his neighbors were more than a little scared of him, though he made huge, clumsy efforts to be sociable and neighborly, waving his cane at us wildly, and insisting at inconvenient times that people come over for cocktails. He leaned forward when standing or walking, as if struggling constantly against a strong wind only he could feel, bent a little from the waist, but not too much. This was a powerful man; no, more than that—a man deeply in love with the idea of himself as powerful.
The purpose of the cane seemed more decorative and expressive than functional. When he walked in the Gardens he gave every impression of trying to be our friend. Frequently he stretched out a hand to pat our dogs or ruffle our children’s hair. But children and dogs recoiled from his touch.”


Salman Rushdie (Bombay, 19 juni 1947)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Sybren Polet (pseudoniem van Sybe Minnema) werd geboren in Kampen op 19 juni 1924. Zie ook alle tags voor Sybren Polet op dit blog.

 

Stopwoord

Ik vond een oorschelp in de grond
om aan te luisteren.
ik luisterde en vond
drie takken taal
een drietakttaal voor één gedicht.
daar is geen zin mee te verrichten.
ik stop dat oor maar met een stopwoord dicht.

 

De dichter als dokter

Klop klop.
Hier komt de dokter met zijn woorden,
als een vriendelijk geklede avond,
een avond in sportkostuum.

Zeg maar niets.
Ik zal de pijn wegzuigen uit je wang
en als je wilt
leg ik mij op je als een warm compres.
Zo wen je misschien misschien gemakkelijker aan je lichaam.

Ben je alleen? Stel je maar voor:
iedere minuut treed ik opnieuw de kamer binnen,
ik steek de lamp aan en schik je bed;
één woord leg ik op je voorhoofd
            als een hand koel ijs,
twee woorden duw ik als kussens in je rug,
één woord laat ik achter om je te strelen.
Zo heeft mijn gedicht toch een funktie.

En als je wakker wordt en wilt drinken,
twee jonge in het wit gestoken woorden geven je te drinken
en als je slapen wilt
dit is een woord zó zacht
dat je wel moet slapen.

Als zulke woorden zou ik om je willen zijn.

Klop, klop
hier komt de dokter met zijn woorden.

 

 
Sybren Polet (19 juni 1924 – 19 juli 2015)

 

De Tsjechische schrijver Josef Nesvadba werd geboren op 19 juni 1926 in Praag. Zie ook alle tags voor Josef Nesvadba op dit blog.

Uit: The Half-wit of Xeenemuende (Vertaald door Iris Unwin)

“The unfortunate teacher always counted the minutes to suppertime; never in all his life had lessons seemed so long, and never before had he felt so reluctant to go and teach his pupils.
About a month later he caught sight of Bruno fighting a gang of younger children in the street. He was attacking a couple of eight-year-olds, tripping them up and then kicking them when they were down.
“Bruno!” he shouted from a way off, but he couldn’t run because he had trouble with his breathing, and so it was the butcher’s wife who dealt with Bruno because she had seen the whole thing from her shop. She grabbed the boy by the collar — she was a muscular woman — and just lifted him over the fence into the Habichts’ garden. Then she took the other children indoors and washed their grazes for them.
“He’s always doing things like that,” she explained to the horrified teacher. “An idiot, that’s what he is. Ought to be in a Home. If his father wasn’t such a big bug they’d have taken him away long ago. Everybody’s surprised at you going there at all.”
It was a particularly good supper at the Habichts’ that evening, though, and he could even taste a hint of real coffee in the ersatz. Even Bruno was behaving quietly, only staring sulkily at one spot in the corner of the room. And so the old man could not bring himself to give notice.
That night the whole town was roused by another catastrophe. The butcher’s shop opposite the Habichts’ was destroyed the very same way as the governess’s house had been: by a small-calibre bomb or an artillery shell. The missile must have passed in through the window, and exploded inside the room, demolishing it. The shop was burned down.
Next day Bruno was smiling all through his lesson. The teacher began to feel uneasy.
“Who looks after your boy all day?” he carefully approached Mrs. Habicht at supper-time.
“Nobody. He’s awfully good. He spends all his time on the veranda at the back of the house. His father put together a little workshop for him to potter about in.”
“I’d like to see that.”
“No!” the boy blurted out in a low, furious voice, and his face darkened.”

 
Josef Nesvadba (19 juni 1926 – 26 april 2005)

 

De Japanse schrijver Osamu Dazai (eig.Shūji Tsushima) werd geboren op 19 juni 1909 in Tsugaru. Zie ook alle tags voor Osamu Dazai op dit blog.

Uit: The setting sun (Vertaald door Donald Keene)

„I have never liked breakfast and am not hungry before ten o’clock. This morning I managed to get through the soup, but it was an effort to eat anything. I put some rice-balls on a plate and poked at them with my chopsticks, mashing them down. I picked up a piece with my chopsticks, which I held at right angles to my mouth, the way Mother holds a spoon while eating soup, and pushed it into my mouth, as if I were feeding a little bird. While I dawdled over my food, Mother, who had already finished her meal, quietly rose and stood with her back against a wall warmed by the morning sun. She watched me eating for a while in silence.
“Kazuko, you mustn’t eat that way. You should try to make breakfast the meal you enjoy most.”
“Do you enjoy it, Mother?”
“It doesn’t matter about me — I’m not sick anymore.”
“But I’m the one who’s not sick.”
“No, no.” Mother, with a sad smile, shook her head.
Five years ago I was laid up with what was called lung trouble, although I was perfectly well aware that I had willed the sickness on myself. Mother’s recent illness, on the other hand, had really been nerve-racking and depressing. And yet, Mother’s only concern was for me.
“Ah,” I murmured.
“What’s the matter?” This time it was Mother’s turn to ask.
We exchanged glances and experienced something like a moment of absolute understanding. I giggled and Mother’s face lighted into a smile.
Whenever I am assailed by some painfully embarrassing thought, that strange faint cry comes from my lips. This time I had suddenly recalled, all too vividly, the events surrounding my divorce six years ago, and before I knew it, my little cry had come out. Why, I wondered, had Mother uttered it too? It couldn’t possibly be that she had recalled something embarrassing from her past as I had. No, and yet there was something.
“What was it you remembered just now, Mother?”

 
Osamu Dazai (19 juni 1909 – 13 juni 1948)
Cover

 

De Filippijnse dichter en schrijver José Rizal (eig. José Protacio Rizal Mercado y Alonso Realonda) werd geboren op 19 juni 1861 in Calamba. Zie ook alle tags voor José Rizal op dit blog.

 

Flower Among Flowers

Flower among flowers,
soft bud swooning,
that the wind moves
to a gentle crooning.
Wind of heaven,
wind of love,
you who gladden
all you espy;
you who smile
and will not sigh,
candour and fragrance
from above;
you who perhaps
came down to earth
to bring the lonely
solace and mirth,
and to be a joy
for the heart to capture.
They say that into
your dawn you bear
the immaculate soul
a prisoner
— bound with the ties of
passion and rapture?

They say you spread
good everywhere
like the Spring
which fills the air
with joy and flowers
in Apriltime.
They say you brighten
the soul that mourns
when dark clouds gather,
and that without thorns
blossom the roses
in your clime.
If then, like a fairy,
you enhance
the joy of those
on whom you glance
with the magic charm
God gave to you;
oh, spare me an hour
of your cheer,
a single day
of your career,
that the breast may savor
the bliss it knew.

 
José Rizal (19 juni 1861 – 30 december 1896)
Standbeeld in Fort Santiago

 

De Duitse dichter en schrijver Friedrich Huch werd geboren op 19 juni 1873 in Braunschweig. Zie ook alle tags voor Friedrich Huch op dit blog.

Uit: Pitt und Fox

„Wurde Fox am Ende seiner Erzählungen König, so verscholl Pitt am Schlusse ganz und gar und wußte selbst nicht, wo er blieb. – In solchen Augenblicken schwelgte Fox im Gefühle seiner eingebildeten Stärke. Herr Sintrup aber sagte: Aus dir wird mal was Großes! Aber du, Pitt, kannst dich nur gleich begraben lassen. – Dann zog Pitt unbemerkt ein Taschenbüchlein hervor, suchte eine bestimmte Seite und machte einen Bleistiftstrich. Sein Vater und seine Mutter sagten stets dasselbe, und er führte darüber eine Art Statistik.
Herr Sintrup war ein rühriger, geachteter Fabrikant in dem kleinen Städtchen. Pünktlich mit dem Glockenschlag war er zumeist im Bureau und schnauzte seinen Angestellten ein gutmütiges «Guten Morgen» zu. Nur manchmal kam es vor, daß er im Bett länger liegenblieb, denn ab und zu liebte er einen «guten Tropfen», wie er das nannte. Bekam er einen neuen Lehrling, so stellte er ihn vor sich hin, durchbohrte ihn mit seinen Augen und sagte in schrecklich drohendem Ton: Bengel, Bengel, ich sage dir…! Im Grunde aber war er gutmütig und leicht gerührt.
Fox fühlte sich in seiner Haut sehr wohl; den Dienstboten gegenüber tat er, als sei er eigentlich eine Art von Kronprinz; seine Mutter hatte er ganz in der Gewalt, sie verwöhnte ihn und gab ihm in allem seinen Willen, um so mehr, als Pitt ihr nicht im Wege war, der nie um etwas bat und mit einem stereotypen Danke alles in Empfang nahm, mochte es nun Gutes oder Geringwertiges sein.
Pitt erschien wie ein verschlossenes, etwas impertinentes Waisenkind, das trotz aller jahrelangen Gewöhnung niemals recht häuslich wird in dem Kreise seiner Pflegeltern. Die Namen seiner nächsten Verwandten konnte er nicht auseinanderhalten. Manchmal mußte er sich erst besinnen, wo das Eßzimmer, wo die Wohnstube lag. Genau so fremd lebte er in der Schule. Seinen Kameraden gegenüber hatte er einen leise überlegenen, ironischen Ton, feiner oder plumper, je nachdem er es für angemessen hielt. Wirkliche Freundschaften kannte er nicht. Er litt darunter, konnte es aber nicht ändern. Einmal schloß er sich an eine gleichaltrige Kusine an; aber das Mädchen wurde so gefühlvoll, ihm war, als spielten sie Theater; und als sie ihn eines Tages wie gewöhnlich besuchen wollte, fand sie seine Tür verschlossen, und er rief ihr durchs Schlüsselloch zu, es sei aus zwischen ihnen, er wolle sie nie wiedersehen. Als er dann später einmal ein tragisch auf ihn gerichtetes Gesicht erblickte, mußte er sich erst besinnen, wer das war.“

 
Friedrich Huch (19 juni 1873 – 12 mei 1913)
Cover

 

De Duitse dichter, schrijver en pastor Gustav Schwab werd geboren op 19 juni 1792 in Stuttgart. Zie ook alle tags voor Gustav Schwab op dit blog.

 

Die stille Stadt

Nenne mir die stille Stadt,
Die den ew’gen Frieden hat,
Deren düstere Gemächer
Sanft sich bauen grüne Dächer:
Ueber ihrer Häuser Zinne
Wandelt ernst der Fremdling hin,
Ziehet fort und hält nicht inne,
Grauen fasset ihm den Sinn.
Aber endlich tritt er wieder
Zitternd auf das morsche Dach,
Und die Wölbung sinket nieder,
Daß er stürzt in das Gemach.
Drunten in den Hallen traurig
Sieht er da die Bürger ruhn,
Alle liegen stumm und schaurig,
Mögen keinen Gruß ihm thun.
Die geschlossne Pforte kündet
Ihm sein ewig Bürgerrecht,
Und der arme Wandrer findet
Bald ein Bettlein recht und schlecht,
Ist des Prunkens müde worden,
Schickt sich in den stillen Orden,
Legt sich nieder in der Stadt,
Die den ew’gen Frieden hat.

 

Sonette aus dem Bade 1835

 

1
Was liegt der Schlaf auf meinen Augenlidern
Am hellen Tag? was ist mein Haupt so schwer?
Bald ras’t mein Puls, bald find’ ich ihn nicht mehr!
Pickt schon der Totenwurm in meinen Gliedern?

»Du bist nicht krank!« hör’ ich den Arzt erwiedern
Auf dieser Klagen ungestümes Heer.
»Setz’ gegen deine Bücher dich zur Wehr!
Laß dir den trägen Mut Natur befiedern!

Geh’ in ein Bad, doch hüte dich zu baden;
Zum Brunnen, doch das Glas nicht an den Mund,
Viel lieber laß zum Firnewein dich laden.

Hinab zur Kühle, dort im Felsengrund!
Empor im Schweiß auf steilen Tannenpfaden,
Lern’ wieder leben, und du wirst gesund!


Gustav Schwab (19 juni 1792 – 4 november 1850)
Stuttgart, Ansicht von Südosten. Gravure door C. Gerstner naar H. Schönfeld, ca. 1870

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Nederlandse schrijfster Elke Geurts werd geboren in Heijen in 1973. Zij studeerde aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Ze schreef toneelstukken en hoorspelen alvorens ze doorbrak met korte verhalen. Zij was de eerste winnaar van de verhalenwedstrijd Duizend Woorden en won de Nieuw Proza Prijs Venlo 2008Geurts publiceerde de verhalenbundels “Het besluit van Dola Korstjens” (2008), “Lastmens” (2010) en “Lastmens & andere verhalen” (2015), en de veelgeprezen roman “De weg naar zee” (2013). Haar werk werd genomineerd voor onder andere De Gouden Boekenuil, de BNG Literatuurprijs en de Anna Bijns Prijs. Geurts is schrijfdocent aan o.a. Schrijversvakschool Amsterdam, en columniste en recensent buitenlandse fictie voor Trouw.

Uit: Ik nog wel van jou

“Ik vroeg of hij de titel die mijn nieuwe uitgever had bedacht goed vond. ‘Veel te plat,’ zei ik. ‘Dat kan écht niet, toch?’
We hingen tegen het aanrecht in onze keuken met onze armen over elkaar en praatten over het werk en de kinderen, maar niet over de zakelijke mail die we om kwart over negen in de ochtend beiden hadden ontvangen. Met het stappenplan.
We hadden uitzicht op onze kleine entreehal en keken naar de jassen aan, op en onder de kapstok; een plank met haakjes die man zelf had gemaakt toen we hier kwamen wonen. Mijn vader ergert zich er al jaren aan dat er in ons nieuwbouwhuis niets waterpas is.
‘Alles wat dat jong hier zelf timmert is waardevermindering.’
We zagen een onordelijke berg schoenen, heely’s, skeelers en één groezelig grijze slof, daarnaast de uitpuilende rieten mand vol ongelezen kranten en wijnfl essen, erg veel lege wijnflessen.
Die grijze afgedragen sloff en staan nu nóg overal waar ik kijk, alsof er hier in huis een onzichtbaar mannetje achter me aan sloft dat ze – waar ik ook zit of sta – steeds precies in mijn zicht legt.
Op dit punt van het verhaal bevonden we ons in de donkere dagen voor kerst, een ijskoude wind kwam naar binnen, maar man had de deur naar het halletje wijd open laten staan, zo ook onze voordeur. Wagenwijd. Het lelijkste standaardmodel, met vier horizontale ramen waar ik de afgelopen anderhalf jaar nogal vaak – kromgebogen – doorheen had staan kijken. Zoals de buurvrouwen in het dorp waar ik vandaan kom vroeger altijd door de jaloezieën gluurden om te kijken wie er thuiskwam en wie er wegging, zo stond ik daar op die ingelegde droogloopmat de straat af te speuren. Te wachten. Op man.”


Elke Geurts (Heijen, 1973)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd in 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

Eigentlich hatte ich gehofft, der Bus sei schon abgefahren.
Ich hatte ja keine Ahnung von den Rokokokirchen und
ihren egozentrischen Lichtspielen. Dich dagegen befriedigt es
offensichtlich völlig, wenn eine Taube sich aus den Glocken
schlägt, so wie wir damals dachten, wir wüßten alles über
das Leben und diese albernen Raclettegeräte. Heute weiß
ich zumindest, daß wir jahrelang neben einem berühmten
Hirnchirurgen gewohnt haben, ohne auch nur seinen Namen
zu kennen. Im Nachhinein bin ich mir sicher, daß er
ein guter Gesprächspartner gewesen wäre.

Ja, es ist wahr, von der Natur können wir so manches über
Ordnung lernen. Und ich meine nicht die Ordnung, die sich
ständig wiederholt und deshalb langweilig ist. Sondern ich
meine die komplexe Ordnung der Welt der Dinge, in der wir
leben. Also das Chaos als subtilere, nicht wiederkehrende
Art von Ordnung.

Schreibst du das alles auf? Rufst du mich an, wenn du
wiederkommst von dem Kontinent, der dich aufbläht wie
einen Mathematiker, der über seiner Arbeit verzweifelt?
Ich wünschte, wir hätten noch etwas von dem Käse da,
den wir im Morgengrauen in der alten Markthalle
neben der Themse gekauft haben. Als du am anderen
Ende der Welt am Fenster standst und ein Insekt
aus deinem Auge riebst.

 
Claudia Gabler (Lörrach, 1970)

Richard Powers, Marije Langelaar, Raymond Radiguet, Geoffrey Hill, Bert Schierbeek, Aster Berkhof, Karin Fellner, Mirjam Pressler, Ivan Gontsjarov

De Amerikaanse schrijver Richard Powers werd geboren op 18 juni 1957 in Evanston, Illinois. Zie ook alle tags voor Richard Powers op dit blog.

Uit: Generosity: An Enhancement

“Say that the six thousand years of writing are a six-hundred-page novel, suitable for getting you through the longest captive flight. Romance, mystery, thriller: a little something for everyone. At a decade a page, it’s a slow starter. Only belatedly does the opening hook—secret marks that hurl meaning magically through time and space—reveal itself to be a Trojan horse. By page 200, memory is embalmed beyond recognition, lamented only when anyone still notices it’s gone. If a thing isn’t written down, you can forget about it. The rest is history.
The plot starts to pick up on page 350. After a ridiculously long exposition, the development section starts at last. Characters emerge, cities clashing in the freshness of youth, driven by the varied needs of their patron gods. Wars spread and trade expands. The characters harden and age. They join together into sprawling clans. Freed from the present, papyrus starts to spawn new subplots. By page 400, the basic conflict becomes clear: preservers against revisers, sufficers against maximizers, those who think the book is coming apart versus those who think it’s coming together.
There are a few longueurs for some readers in the middle two-thirds. But this is when the story is at its most desperate: when techne and sophia are still kin, when the distant climax is still ambiguous, the outcome a dead heat between salvation and ruin.
Page 575 starts a series of quick reveals (although each one foreshadowed, early on). Every discovery triggers two more. The cast of characters explodes, as do the sudden reverses. The book makes one of those massive finish-line sprints—twenty-five pages to wrap up all the lingering plot points and force a denouement. The last chapter is filled with deus ex machinas, and on the very final page, the very last paragraph, the characters throw off the limits of the Story So Far and complete their revolt. The ultimate sentence is a direct quote—“Author, we’re outta here”—the happy ending of the race’s own making.”


Richard Powers (Evanston, 18 juni 1957)

 

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Marije Langelaar werd geboren op 18 juni 1978 in Goes. Zie ook alle tags voor Marije Langelaar op dit blog.

 

Hert

En ik kijk naar mijzelf.
Voel mijn benen zich verdunnen en draaien
onmiddellijk volgen mijn armen het groeien van hoefjes
ik stap uit mijn jurk en mijn hemd inmiddels te groot en
voel mijn vacht in de wind
mijn oren richten zich zetten uit en ik
luister naar het kletteren van borden ver in de keuken
het waaien van gras
ik hoef inmiddels niets meer.
Zo als hert heb ik dorst niets dan dorst en
beweeg naar het water.

 

Park

Want er valt weinig te verwachten
van een vijver
dacht hij
terwijl hij op een zondagmiddag
op een bankje in de schaduw zat

En bleef de rest van de middag een peinzende
introverte gestalte die niemand groet
hij zag een man passeren
hij zag een man met hond passeren
hij zag een man met vrouw passeren

Toen is hij naar de vijver gelopen
en heeft het glanzende oppervlak doorboord
met zijn laarzen
hij heeft het rondgejaagd met de schoolslag

 
Marije Langelaar (Goes, 18 juni 1978)

 

De Franse schrijver Raymond Radiguet werd geboren op 18 juni 1903 in Saint-Maur-des-Fossés. Zie ook alle tags voor Raymond Radiguet op dit blog.

Uit: Le diable au corps

« Certes, j’éprouvais cet étrange besoin plus vivement que mes frères. J’aimais que mon cœur batte plus vite et irrégulièrement. Ce spectacle, d’une poésie profonde, me satisfaisait davantage. « Comme tu es pâle », avait dit ma mère. Je trouvai le prétexte des feux de Bengale. Ils me donnaient, dis-je, une couleur verte.
– Je crains tout de même que cela l’impressionne trop, dit-elle à mon père.
– Oh, répondit-il, personne n’est plus insensible. Il peut regarder n’importe quoi, sauf un lapin qu’on écorche.
Mon père disait cela pour que je restasse. Mais il savait que ce spectacle me bouleversait. Je sentais qu’il le bouleversait aussi. Je lui demandai de me prendre sur ses épaules pour mieux voir. En réalité, j’allais m’évanouir, mes jambes ne me portaient plus.
Maintenant, on ne comptait qu’une vingtaine de personnes. Nous entendîmes les clairons. C’était la retraite aux flambeaux.
Cent torches éclairaient soudain la folle, comme, après la lumière douce des rampes, le magnésium éclate pour photographier une nouvelle étoile. Alors, agitant ses mains en signe d’adieu, et croyant à la fin du monde, ou simplement qu’on allait la prendre, elle se jeta du toit, brisa la marquise dans sa chute, avec un fracas épouvantable, pour venir s’aplatir sur les marches de pierre. Jusqu’ici j’avais essayé de supporter tout, bien que mes oreilles tintassent et que le cœur me manquât. Mais quand j’entendis des gens crier : « Elle vit encore », je tombai, sans connaissance, des épaules de mon père.
Revenu à moi, il m’entraîna au bord de la Marne. Nous y restâmes très tard, en silence, allongés dans l’herbe.
Au retour, je crus voir derrière la grille une silhouette blanche, le fantôme de la bonne ! C’était le père Maréchaud en bonnet de coton, contemplant les dégâts, sa marquise, ses tuiles, ses pelouses, ses massifs, ses marches couvertes de sang, son prestige détruit.
Si j’insiste sur un tel épisode, c’est qu’il fait comprendre mieux que tout autre l’étrange période de la guerre, et combien, plus que le pittoresque, me frappait la poésie des choses.
Nous entendîmes le canon. On se battait près de Meaux. On racontait que des uhlans avaient été capturés près de Lagny, à quinze kilomètres de chez nous.”

 
Raymond Radiguet (18 juni 1903 – 12 december 1923)
Cover DVD

 

De Engelse dichter Geoffrey Hill werd geboren op 18 juni 1932 in Bromsgrove, Worcestershire. Zie ook alle tags voor Geoffrey Hill op dit blog.

 

Funeral Music

3
They bespoke doomsday and they meant it by
God, their curved metal rimming the low ridge.
But few appearances are like this. Once
Every five hundred years a comet’s
Over-riding stillness might reveal men
In such array, livid and featureless,
With England crouched beastwise beneath it all.
‘Oh, that old northern business …’ A field
After battle utters its own sound
Which is like nothing on earth, but is earth.
Blindly the questing snail, vulnerable
Mole emerge, blindly we lie down, blindly
Among carnage the most delicate souls
Tup in their marriage-blood, gasping ‘Jesus’.

4
Let mind be more precious than soul; it will not
Endure. Soul grasps its price, begs its own peace,
Settles with tears and sweat, is possibly
Indestructible. That I can believe.
Though I would scorn the mere instinct of faith,
Expediency of assent, if I dared,
What I dare not is a waste history
Or void rule. Averroes, old heathen,
If only you had been right, if Intellect
Itself were absolute law, sufficient grace,
Our lives could be a myth of captivity
Which we might enter: an unpeopled region
Of ever new-fallen snow, a palace blazing
With perpetual silence as with torches.

 


Geoffrey Hill (18 juni 1932 – 30 juni 2016)

 

De Nederlandse schrijver en dichter Bert Schierbeek werd geboren op 18 juni 1918 in Glanerbrug in Twente. Zie ook alle tags voor Bert Schierbeek op dit blog.

Uit: Weerwerk (Fragment)

alleen nog dorst
beesten honger en dorst
ze slachten alles af
veel vlees
geen geld

(stapt op)
tot straks
(2 juli 1976)

’s middags hangen we samen in de boom en plukken kersen zit ik weer in de molen van Schiphoes in Beerta en zie de hele wereld wel van Wanschoten, Wedde tot Nieuweschans boven in de kap boven de houten tandwielen op de as van de wieken en zie Drieborg en Finsterwolde en wel heel het land in korengeel en grasgroen en de beesten en ook de mensen heel klein midden in het gele zinderende koren kleine zwarte vogels maaiend met hun armen in de gele massa tussen de groene weilanden en de bruine velden onder een kokende zon…

ze zichtten alles: tarwe rogge haver gerst
maar ook : paardebonen, erwten, blauwmaanzaad en ka-
nariezaad…

’t land was nog vol mensen
geen machine te zien

zegt Marcel
(vanuit de boom)
zie je die balk daar
in de schuur, die balk daaraan hing ie
mijn vader ook
als de mensen het hier niet meer weten
hangen ze zich op
altijd wel een paar
per jaar
soms ben je op tijd om ze los te snijden
dan komen ze bij en zeggen dagen lang niks
werken en zeggen niks
tot ze ’t weer doen
wie ’t eenmaal gedaan heeft
doet het weer


Bert Schierbeek (18 juni 1918- 9 juni 1996)
Hier met Stientje Buddingh’

 

De Duitse dichteres Karin Fellner werd geboren op 18 juni 1970 in München. Zie ook alle tags voor Karin Fellner op dit blog.

 

wo werner und co kampieren / sollen im frühjahr glas
bauten wachsen ein glanz / voller park industrie
zelte gezimmerte unter / stände die berber verdrängen

nachts heulen alle platten / hunde den mond an jagen
sich auf dem brachland treffen / zu ritualen zusammen
während der frost im nicht / geschnittenen gras liegt und blinkt

nach westen hin flechten sie tote / ranken in undichte büsche
sichtschutz daneben im schuppen / koten sie ist es trocken
unter der dachpappe auf / verfallenen balken und schutt

immer benötigen sie / holz geklaubt geklaut in
scheite zerbeilt zum heizen / für kartoffeln und kohl
manchmal hören sie gröhlen / winseln manchmal zielen

sie mit der zwille auf dosen / besuchen tommy vorne
bei den containern trinken / instantkaffee er erzählt
vom letzten messerstechen.

 
Karin Fellner (München, 18 juni 1970)

 

De Vlaamse schrijver Aster Berkhof (eig. Louis van den Bergh werd geboren in Rijkevorsel op 18 juni 1920. Zie ook alle tags voor Aster Berkhof op dit blog.

Uit: Veel geluk professor

“Hij was teruggehold naar zijn kamer, had er zich niets van aangetrokken dat zijn hospita, die hem vertrokken waande, druk in zijn lessenaar aan het snuffelen was, had de notities bijeengegrabbeld en in zijn binnenzak gestopt, en was juist op tijd gekomen om nog in de laatste wagen van de al rijdende trein te springen.
En nu was hij hier. En hij wenste professor Steinbach al het goede ter wereld, maar diep in zijn hart was hij hem in stilte hemels dankbaar, omdat hij op zo’n geschikt moment ziek geworden was en rector Schlesinger niet de minste kans meer gegeven had om een oudere, meer ervaren plaatsvervanger te zoeken.
Want het Instituut van lady Thompson, dat ondergebracht was in een oud kasteel, was wereldberoemd. Het werd bezocht door jonge aristocraten uit alle hoeken van de wereld, die in St.-Moritz aan wintersport kwamen doen en de voormiddag gebruikten om een beetje te studeren, en het werd zo rijkelijk gesubsidieerd, dat de professoren er in drie maanden tijd zoveel verdienden als in een heel jaar aan de universiteit. Daarom waren deze cursussen, die voor ieder professor slechts drie uur les per week omvatten en in feite voor hen niets anders betekenden dan een dikbetaalde vakantie in het mooiste vakantieoord van de wereld, bijzonder in trek, en werd er druk naar gesolliciteerd door de oudste en de beroemdste professoren van heel Europa.
Pierre had dus geen reden om rector Schlesinger dankbaar te zijn, want als de oude rekel, die sinds tien jaar het Instituut patroneerde, erbuiten gekund had, zou hij hem, Pierre, nooit dit buitenkansje gegund hebben. Hij zou naar Zürich of naar Parijs of naar Londen geschreven hebben, om er een oude, vergrijsde geleerde op te delven, die met zijn naam het Instituut meer luister zou bijzetten.
Maar Pierre trok zich daar niets van aan. Hij was alleen maar blij, en fier, en gelukkig, en het vooruitzicht op deze drie maanden vakantie hier in de besneeuwde bergen, met zijn zakken vol geld en niets aan de kop dan een paar lesuurtjes die hij niet eens moest voorbereiden, was zo mooi en zo bedwelmend heerlijk, dat hij op niemand meer boos kon zijn.”

 
Aster Berkhof (Rijkevorsel, 18 juni 1920)

 

De Duitse schrijfster en vertaalster Mirjam Pressler werd geboren op 18 juni 1940 in Darmstadt. Zie ook alle tags voor Mirjam Pressler op dit blog.

Uit: Nathan und seine Kinder

„Ich muss unter dein Maulbeerbaum eingeschlafen sein, wo ich mich am späten Nachmittag, ah die Hitze uneruliglich wurde, zum Ausruhen hingelegt hatte, denn ich wurde von Schreien geweckt. Es waren hohe, schrille Schreie. und ich hob unwillkürlich die Hände. um meine Ohren zu schützen. Erst verstand ich nicht, dass es ein Mensch war. der da schrie. Doch dann sah ich sie. Daja. die Herrin. wie sie sich drehre und wand und versuchte, sich aus dem Griff der Köchin zu befreien, ich sah ihr verzerrtes Gesicht und den aufgerissenen Mund. dt.calais, schrie sie. »Rec.hal Rechak Doch 7.ipora und eine Magd hielten sie fest und lockerten den Griff auch nicht, als Daja wie wild um sich schlug und schrie: *Lasst mich los, ich muss zu Recha! Nathan ist nicht da! Gott steh uns bei, wenn Recha etwas passiert.« Ihre Schreie übertönten das Prasseln der Flammen. Ich wollte aufspringen. ich wollte mich in die Flammen stürzen, ich wollte der tapfere Held sein, der die Tochter des Herrn rettet, ich, ich, ich! Das war die Gelegenheit, die Gott mir bot. Gott oder Allah, uni meinen Mut zu beweisen. Alle sollten es erfahren, vor allein er, Nathan, der Herr, dass ich mehr war als nur ein armseliger Krüppel. Aber die Hitze des Feuers drang bis zu meinem Platz unter dein Maulbeerbaum, und in meinem Körper brach der altbekannte Schmerz auf, ein stechender Schmerz, der mir von der linken Seite durch den ganzen Körper fuhr. Ein Schmerz, den ich eigentlich nicht fühlen durfte, denn längst vernarbte Wunden schmer-zen nicht mehr, warum taten es meine dennoch? Ich kauerte unter dem Maulbeerbaum und harte nur einen Gedanken: Ich muss die Herrin herausholen, ihr Vater ist nicht da, es ist meine Pflicht, sie zu retten. Aber als ich aufspringen wollte, gehorchte mir mein Körper nicht, die Narben brannten, mein linker Arm und mein linkes Bein krümmten sich, wie sich verkohlende Äste im Feuer krüm-men, sie wurden steif und unbeweglich. Das Hundezahngras zerkratzte meine Haut, als ich anfing zu kriechen. Rauch drang nur in Nase und Mund, meine Augen brannten und ein schrecklicher Husten schüttelte meinen Körper.“

 
Mirjam Pressler (Darmstadt, 18 juni 1940)

 

De Russische schrijver Ivan Aleksandrovitsj Gontsjarov werd geboren op 18 juni 1812 in Simbirsk als zoon van een graanhandelaar. Zie alle tags voor Ivan Gontsjarov op dit blog.

Uit: Oblomov (Vertaald door David Magarshack)

“The pictures, vases, and knick-knacks were equally shoddy. The owner himself, however, was so utterly indifferent to the furniture of his study that he seemed to be wondering who on earth could have dumped all that junk there. It was Oblomov’s indifference to his own property, and perhaps even still more the utter indifference shown by his servant Zakhar, that made the study look, on closer inspection, so neglected and untidy. Dust-covered cobwebs were festooned round the pictures on the walls; instead of reflecting the objects in the room, the mirrors were more like tablets which might be used for writing memoranda on in the dust. The rugs were covered in stains. A towel had been left on the sofa; almost every morning a dirty plate, with a salt-cellar and a bare bone from the previous night’s supper, could be seen on the table, which was strewn with crumbs. If it had not been for this plate and a freshly smoked pipe by the bed, or the owner of the flat himself lying in it, one might have thought that no one lived there — everything was so dusty and faded and void of all living traces of human habitation. It is true there were two or three open books and a newspaper on the book-stands, an inkwell with pens on the bureau; but the open pages had turned yellow and were covered with dust — it was clear that they had been left like that for a long, long time; the newspaper bore last year’s date, and if one were to dip a pen in the inkwell, a startled fly was as likely as not to come buzzing out of it. Oblomov, contrary to his custom, had woken up very early —about eight o’clock. He looked very worried about something. The expression of his face kept changing continually from that of alarm to one of anguish and vexation. It was clear that he was in the throes of some inner struggle, and his reason had not yet come to his aid. What had happened was that on the previous evening Oblomov had received a disagreeable letter from the bailiff of his estate. The sort of disagreeable news a bailiff usually sends can be easily imagined: bad harvest, arrears of taxes due from the peasants, falling income, and so on.”


Ivan Gontsjarov (18 juni 1812 – 27 september 1891)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juni ook mijn blog van 18 juni 2016 deel 2.