J. Bernlef, Sascha Kokot

De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Zie ook alle tags voor J. Bernlef op dit blog..

Uit: Het wonder

‘Let op je woorden, jongen.’
‘Ja vader.’ Ik boog mijn hoofd en stak een hap eten in mijn mond. Snel slikte ik en keek onderhand op de klok. Over twintig minuten wachtte Rudi op me. Hij was er ook bij geweest vanmiddag. Ik was jaloers op hem want hij droeg als bewijs van de slag een smalle rode striem over zijn rechterhand. We zouden over onze overwinning praten, succesvolle aanvallen en slagen nog eens nabootsen, en scheldwoorden tegen de christelijken schreeuwen in de zomerse straat. De mensen die uit hun ramen hingen, zouden naar ons kijken en we zouden lachen omdat wij de overwinnaars waren. Daarom kon ik mijn mond niet houden. Ik moest praten over de slag omdat hij mij verhief boven alles wat ik tot nu toe was geweest. Terwijl ik praatte keek ik mijn broertje recht in zijn bolle gezicht, dat mij met een uitdrukking van verwondering aanstaarde. Hij begreep er natuurlijk niets van, maar hij zou mij tenminste niet in de rede vallen. Want terwijl ik praatte wist ik dat mijn vader iets zou gaan zeggen, een aanmerking zou maken over mijn taalgebruik, een plat uitgesproken woord uitdrukkelijk zou herhalen zodat ik genoodzaakt zou zijn het in keurig nederlands na te zeggen, voor ik verder kon gaan. Maar hij zei niets. Daarom hield ik even op met praten en keek in zijn richting. Hij moest al die tijd naar mij hebben gekeken want zijn ogen die op mij rustten hadden een gefixeerde uitdrukking.
Hij legde zijn mes en vork neer en wees op mij. Ik keek hem angstig maar ook vol verwachting aan. Misschien zou hij mij vragen wat ik gedaan had, hoe snel ik gerend had over de heuveltjes van het terrein, mij verstopt had in kuilen om opeens luid schreeuwend op te springen en een christenhond bij zijn overhemdje vast te grijpen en af te tuigen. Hij zei:
‘Jij moet eens luisteren. Heb je wel eens gehoord van het woordenpotje?’
Ik schudde mijn hoofd. Nee, daar had ik nog nooit van gehoord. Het woord deed mij denken aan een sprookje, maar mijn vader was geen man die sprookjes vertelde. Dat deed mijn moeder, vroeger, met woorden die zich als watten op mijn hoofd stapelden tot ik in slaap viel.
Hij liet zich achterover in zijn stoel zakken en zei:
‘Kijk, ieder mens heeft een woordenpotje van binnen. In dat potje zitten woorden, een heleboel woorden en iedereen heeft er evenveel in zitten. Maar elk woord dat je zegt verdwijnt eruit en er komen geen nieuwe bij.’
Terwijl hij dat zei keek hij naar het plafond alsof de woorden die hij zojuist gesproken had daar nu ergens zweefden. Hij keek ernstig, bedroefd haast. Zijn zware wenkbrauwen trokken samen en op zijn voorhoofd kwamen drie glanzende rimpels. Opeens keek hij mij weer recht en doordringend aan.
‘Maar mensen die te veel praten die raken zoveel woorden kwijt als ze klein zijn dat het potje leegraakt. Leeg! Die kunnen opeens niks meer zeggen! Nooit meer!’
Hij sloeg zijn handen in elkaar, als om te demonstreren hoe leeg dat wel was, hoe onverbiddelijk leeg. Mijn broertje begon hard te lachen en in zijn handen te klappen. Ik staarde een ogenblik naar mijn vader en draaide mij toen om naar mijn moeder. Ze knikte en glimlachte. Dat verwarde mij. De ernst van mijn vader en de glimlachende bevestiging van mijn moeder. Dan was het waar.”

 

J. Bernlef (14 januari 1937 – 29 oktober 2012)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

op mijn benen slaapt in witte vacht

op mijn benen slaapt in witte vacht
de onrust in de ochtend
de honger in de avonduren
het verwarmende comfort ertussenin
en buiten mijn bereik
in de hoeken van de kamer
net onder de dekens
daagt je schaduw in de grijze vacht
altijd schuw en verkouden
hij kan nauwelijks naar buiten worden gelokt
Ik hoor hem slechts zacht hijgen
of diep in de nacht
speels door het huis jagen
ben je weg
dan wordt hij amicaal
volgt mij op het bed
wil lang geborsteld worden
ravot met de onrust
en de honger tot wij
kleine schrammen overhouden
en erkennen wie hier woont
hoe fout we het hadden

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e januari ook mijn blog van 14 januari 2019 en eveneens mijn blog van 14 januari 2018 deel 2.

Edmund White, Adrian Kasnitz

De Amerikaanse schrijver en essayist Edmund White werd geboren op 13 januari 1940 in Cincinnati. Zie ook alle tags voor Edmund White op dit blog.

Uit: The Unpunished Vice

“Sometimes I read now to fill up my mind-banks with new coins – new words, new ideas, new turns of phrase. From Joyce Carol Oates I learned to alternate italicized passages of mad thought with sentences in Roman type narrating and describing in a straightforward manner. To me the first half of D. H. Lawrence’s The Rainbow shows how far prose can go toward the poetic without falling into a sea of rose syrup.
Each classic is eccentric. Samuel Beckett is both bleak and comic. Karl Ove Knausgaard is both boring and engrossing. Proust is so long-winded he often loses the thread of an anecdote; too many interpellations can make a story nonsensical – and sublimely interesting, if the narrator possesses a sovereign intellect. V. S. Naipaul’s The Enigma of Arrival is both confiding and absurdly discreet (he doesn’t mention he’s living in the country with his wife and children, for instance; nor does he tell us that his madman-proprietor is one of England’s most interesting oddballs, Stephen Tennant). I suppose all these examples demonstrated to me that any excess can be rewarding if it explores the writer’s unique sensibility and goes too far. The farthest reaches of fiction are marked by Mircea Cărtărescu’s monumental Blinding and Samuel Delany’s The Mad Man and Compass by Mathias Énard – and there are no books more memorable.
Almost every literary gay book gets sent to me for a blurb, and I’ve become a true ‘blurb slut.’ It’s a bit like being a loose woman; everyone mocks you for your liberality – and everyone wants at least one date with you. I like to help first-time authors (if I admire their work), but serious writers aren’t supposed to be so generous with their favours. Now that I’m old I turn down most manuscripts, and I always remind publishers that I might not like their new books if I do read them. A good blurb is pithy, phrased unforgettably, at once precise and a statement that makes broad claims for the book.
Reading books by friends is a special problem. They usually want a review, not a mere blurb. If I have mixed feelings about a friend’s book, I phone him or her rather than write something. In a conversation one can judge how honest the writer wants you to be. He or she will clam up right away or press for a fuller statement. Sometimes I give writers reports as I read along; most writers can’t wait for a week to get a full report.
Reading books for pleasure, of course, is the greatest joy. No need to underline, press on, try out mentally summarizing or evaluating phrases. One is free to read as a child reads – no duties, no goals, no responsibilities, no clock ticking: pure rapture. Proust’s essay ‘On Reading’ is a magical account of a child’s absorption in a book, his regret about leaving the page for the dinner table, even the erotic aspect (he reads in the water closet and associates with it the smell of orris root). Perhaps my pleasure in reading has kept me from being a systematic reader. I never get to the bottom of anything but just step from one lily pad to another.”

 

Edmund White (Cincinnati, 13 januari 1940)

 

De Duitse dichter en schrijver Adrian Kasnitz werd geboren op 10 januari 1974 in Orneta, Polen. Zie ook alle tags voor Adrian Kasnitz op dit blog.

 

Bremerhaven 2

de wind voert het geluid weg
een geroezemoes van de havenfaciliteit
in lichtkegels

de hele stad op korter
wordende dagen – lichtsnoeren
naar buiten gewend
om de duisternis te verdrijven
(alsof ze daar woonde!)

de containers wagen zich
dichter en dichter bij de dorpen
kranen loodsen ze daarheen

de dijk houdt
het bier zo koud als lucht

alleen de bediening aan de bar
belooft troost in haar decolleté.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Adrian Kasnitz (Ometa, 10 januari 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e januari ook mijn blog van 13 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Cees van der Pluijm, Katharina Hacker

De Nederlandse dichter, schrijver en columnist Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Zie ook alle tags voor Cees van der Pluijm op dit blog.

In het dal van Hinnom

Hij heeft het met behoedzaamheid gedaan –
Het was ook wel een kwestie van gewicht –
Hij trok de laatste deur voorzichtig dicht
En nam de lift die hem naar boven bracht
Tot waar hij niet meer verder hoefde gaan

Wat restte was het gruwelijk gezicht
Van zijn verminkt gelaat dat nooit meer lacht
Van zijn gebroken lichaam dat de kracht
Niet opbracht om hem vleugelen te geven
En van het bloed dat op de stoep bleef staan

Wat heeft hij in dat laatste uur gedacht
En zag hij in de vlucht zijn hele leven?
Hij stapte van het duister in het licht
De avond viel, de lampen gingen aan;
Ik heb sindsdien alleen clichés geschreven

 

De verlossing van het vers

Uw dichter houdt zich momenteel niet thuis
Hij bouwt een barricade in de gang
En geeft belet, wel vijftien regels lang
De deur is dicht, de winkel is gesloten

De ramen zijn verduisterd. Het gespuis
Mag bellen, kloppen, roepen, enzovoort
Hij is er niet, hij heeft het niet gehoord
Maar als u schiet, wordt er teruggeschoten

Hij duldt geen levend wezen meer in huis
De tederheid is op, de liefde stuk
Hij tolereert alleen nog het geluk
Van eenzaamheid; er is genoeg genoten

Ik hoor de mensen, maar ik ben niet bang
Ik voel de ruwe vezel van het koord
Nog even en dan stap ik van de kruk

 

Psalm 88

Schrap de naam, die zich honderd
keer opnoemt als ik slapend mijn zoektochten
staak; als zijn beeld in de nacht voor mij opdoemt
en ik badend in angsten ontwaak, ligt het woord als een vloek
op mijn lippen, word ik eeuwen per nachtgezicht ouder

Haal de last van wat was van mijn schouder, laat
zijn adem mijn lichaam ontglippen, laat de doden
de doden begraven; tussen levenden sta ik alleen
en geen mens die mijn eenzaamheid peilt

Die mij vroeger met vriendschap omgaven, deinsden
weg waar ik later verscheen; hij is dood
die bij doden verwijlt

Schrap de naam die mijn leven belaagt, mijn bestaan
tot de dood heeft verdaagd

 

Cees van der Pluijm (12 januari 1954 – 14 december 2014)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Katharina Hacker werd geboren op 11 januari 1967 in Frankfurt am Main. Zie ook alle tags voor Katharina Hacker op dit blog.

 

in januari

elke dag neemt de eenzaamheid toe
onder de mensen waarvan de voetstappen niets
afdrukken als hun eigen grootte en de
boodschap blijft weg die aan de aarde kleeft
niet voor en niet tegen ons getuigt
ons niet nodig heeft noch onze angst
de hoogspanningskabel kruist velden en paden
opengesprongen koestert het land
– ijs en plassen en rottend hout –
en slechts een paar stemmen met elkaar
zoals hand in hand over de heuvel slechts twee
een eindje en weer terug
omdat het niet verder gaat omdat het niet meer houdt
onder de hoogspanningskabels
zo groot als een voet en niet groter

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Katharina Hacker (Frankfurt am Main, 11 januari 1967)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e januari ook mijn blog van 12 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Katharina Hacker

De Duitse dichteres en schrijfster Katharina Hacker werd geboren op 11 januari 1967 in Frankfurt am Main. Zie ook alle tags voor Katharina Hacker op dit blog.

Uit: Darf ich dir das Sie anbieten? Minutenessays

Wetter

Man redet über das Wetter, es geht den Bach runter, sagt man, der Winter kein Winter mehr, die Sommer zu heiß und zu trocken, die Nächte zu kalt, der Globus dreht sich, das ist auch alles, und der Philosoph Bertrand Russell bemerkte schon zum Huhn, das jeden Morgen sein Futter erwartet, jedoch eines Tages geköpft wird, es hätte sich besser einen genaueren Begriff von Induktion gemacht. Das Wetter ist zum Fürchten, oder anders herum, wenn man sich eh fürchtet, warum nicht auch vor dem Wetter. Harmlos ist das ­Thema nicht, seit wir denken, das Wetter sei weder launisch noch gott­gegeben. Wir haben es gemacht, und was wir angerichtet haben, ist schlimmer als ein Gottesgericht.
Wir sind uns selbst ausgeliefert, in uns sind wir das schon immer, jetzt sind wir es auch in der Welt. Das Werk unserer Phantasie quält unsere Phantasie.

 

Später

Wie oft versteht man’s nicht zu dem Zeitpunkt, da man es verstehen wollte und sollte: Was es heißt, zu lieben, was es heißt, ein Elternhaus zu verkaufen, was es bedeutet, eine Freundschaft zu beenden, was es bedeutet, jemanden vor seinem­ Tod nicht mehr gesehen zu haben oder gerade um­ gekehrt sich doch zu verabschieden.
Was man nicht verstanden hat in dem Moment, in dem es vielleicht­ darauf ankam, ist darum nicht verloren. Es wartet. Es ruht, wie es in einer der von Martin Buber gesammelten Geschichten heißt, auf dem Herzen. Denn meist, wer könnte das leugnen, ist das Herz verschlossen. Dann aber öffnet es sich, öffnet sich doch einmal, für einen Augenblick, und was darauf lag, fällt hinein in seine Tiefen. Und wir verstehen es, glücklich oder mit Wehmut, da es zu spät ist, oder mit dem unwägbaren Gefühl, daß sich etwas ereignet hat.

 

Wolke

Manchmal fehlen die Vögel: ihre Stimmen.
­Manchmal fehlt der einzig sanfte Moment am Tag, eine bekömmliche Wolke, ein kurzes Innehalten des Windes.

 

—————–

in oktober

de kleur barst uit de ogen
terwijl de dag over het dak de wind
aandrijft en geur van wierook
uit een struik het roepen van een buizerd
onophoudelijk geluid en allerlei soorten vliegtuigen
overal hier flaneren voorbijgangers
zoals in de stad de honden voorop en
lichte schoenen aan de voeten
terwijl het landschap wordt opgebruikt
onder de dagelijkse blikken
worden de kleuren van dag tot dag
stoutmoediger barsten uit de ogen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Katharina Hacker (Frankfurt am Main, 11 januari 1967)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e januari ook mijn blog van 11 januari 2019 en ook mijn blog van 11 januari 2015 en ook mijn blog van 11 januari 2016 deel 2.

Saskia Stehouwer, Adrian Kasnitz

De Nederlandse dichteres Saskia Stehouwer werd geboren op 10 januari 1975 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Saskia Stehouwer op dit blog.

Jonge ogen

zeilboten in mijn hoofd de woorden
genoeg lege dagen in de la

stem omhoog
kop omlaag

ik wil je vertellen hoe lelijk je bent
je handen te groot om mijn planten water te geven
je voeten rolluiken voor mijn huis

ik vertel je hoe lelijk ik ben

iemand die nog niet bestaat
loopt over mijn typelint verzint zichzelf
ik loop hem achterna
kom jou opnieuw tegen

je handen bewegen als een hartslagmeter
om de letters aan elkaar te naaien
je voeten balanceren op de punt van mijn tong

heb ik dit zelf meegemaakt
of heb ik erover gelezen?

ik bouw een huis
waar je tekeer kunt gaan
het raam waardoor de wind
naar binnen gluurt ben ik

waar zullen we zijn als ze ons vinden
wat laten we achter in hun handen
nergens in mijn lichaam
zit iets wat op mij lijkt

toen ik gisteren bloemen kocht
wist ik niet dat ze voor jou waren

 

Kloof

twee handen in een wit veld
gravend naar wortels
geen woord voor hoe je moet lopen
als het glad is

voor je de put opent
is het handig om te weten
hoe je een ladder afdaalt

besmette randen aan de pot
hier heeft een dier gelekt

twee jurken en een dagboek pakken
en aan de waslijn hangen
schoon wordt het niet meer

je opent het luik
ziet geen ladder
de geur zet je op een lopen

in de dans zit een moment
waarop de dansers niet bewegen
maar de dans verdergaat in hun ogen
er wordt iemand opgetild
en verderop neergezet
uit hun hoofd steekt een voet

 

Saskia Stehouwer (Alkmaar, 10 januari 1975)

 

De Duitse dichter en schrijver Adrian Kasnitz werd geboren op 10 januari 1974 in Orneta, Polen. Zie ook alle tags voor Adrian Kasnitz op dit blog.

 

pizza vongole (alsof)

Ik at een pizza vongole met een dichter
collega. deed alsof ik de gedichten, de verzen
goed kon verteren. ik beet er met smaak in.
Ik vond het hartige lekker toen het hartig werd.
Ik prees de kruiden, het zout dat weerstand bood,
niet wilde opgaan in de gematigde smaak.
zelfs als er een stuk, de rand bijvoorbeeld
of de bodem, gegarneerd was met een verbrande korst.
Ik prees het hele ding, de breuk beseffend, lettergrepen
verslindend. Vaak schuurde het tegen mijn gehemelte,
natuurlijk deed het pijn, maar het was een soort
van pijn die iets groters vertegenwoordigde.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Adrian Kasnitz (Ometa, 10 januari 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e januari ook mijn blog van 10 januari 2019 en ook mijn blog van 10 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Bas Heijne, Nora Bossong

De Nederlandse schrijver, essayist, columnist en vertaler Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Bas Heijne op dit blog.

Uit: Onbehagen

“Na 2001 schreef ik over weinig anders, vaak tot verbazing of onbegrip van een maatschappelijke, intellectuele en artistieke klasse die zich ferm gecommitteerd had aan het progressieve optimisme en die alle krachten die dat optimisme dreigden te ondermijnen, afdeden als oprispingen die uit het niets tevoorschijn waren gekomen – of een vreselijke terugval betekenden naar vooroorlogse, reactionaire fantasieën. Talloos waren de bijeenkomsten en discussieavonden waarop ontsteld of gepikeerd werd vastgesteld dat er iets heel lelijks uit de samenleving was opgeborreld – racisme, moslimhaat, anti-Europese sentimenten, de hernieuwde hang naar alles wat `Nederlands’ was – zonder dat daar verder diep op werd ingegaan. In de zaal zat immers niemand die dat soort sentimenten deelde. Het was betreurenswaardig, het moest zo snel mogelijk verdwijnen, maar men leek weinig zin te hebben zich erin te verdiepen. Belangstelling of begrip voor de emoties die ten grondslag lagen aan die steeds feller wordende reactie leken beschouwd te worden als een vorm van intellectueel verraad, een jammerlijke overstap naar the dark side. Daarbij, je kon in het geval van deze steeds bredere kloof toch niet aan beide kanten tegelijk staan? Dat zou morele onhelderheid betekenen. En dat in een tijd die, zoals de Amerikaanse filosofe Susan Neiman niet ophoudt te beweren, om morele helderheid schreeuwt. Ben je vóór of tegen de Verlichting? Onderschrijf je de principes van vrijheid en gelijkheid? Je kunt erover twisten wat de Verlichting nu precies inhoudt, welke denkers erbij horen en welke niet, wat de misvattingen rond de Verlichting zijn of de gebreken en beperkingen ervan. Die debatten worden overal gevoerd. Maar kun je er ook tegelijkertijd in geloven en niet in geloven? Kan dat? Of, anders gezegd: is oprecht optimisme over de mens mogelijk in een door pessimisme gekleurd wereldbeeld? In mijzelf bleef die ambivalentie lang onopgehelderd. Onwillekeurig beschouwde ik mijn groeiende verlichtingskritiek -en vooral mijn kritiek op de hedendaagse aannames over mens en maatschappij die zich op een mengeling van verlichtingsdenken en een op het christendom geïnspireerd humanisme baseerden -toch nog altijd als een correctie op het optimistische mensbeeld van mijn jeugd, in plaats van dat het dat mensbeeld verving. Wat je met de paplepel ingegoten hebt gekregen, laat zich niet zomaar ongeldig verklaren. Dat was waarschijnlijk de reden dat er iets stierf in mij, die winterse januaridag in Parijs.”

 

Bas Heijne (Nijmegen, 9 januari 1960)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Nora Bossong werd geboren op 9 januari 1982 in Bremen. Zie ook alle tags voor Nora Bossong op dit blog.

 

Bezoek

De oude vrouw zit dagenlang bij het raam
en houdt een zakdoek vast, te traag
om mee naar een wereld te zwaaien,
die ze niet meer betreedt Buiten
is een televisiebeeld. Hoe ik slaag
om van daaruit haar kamer binnen te gaan,
blijft een mysterie voor haar,
ze vraagt het mij niet
zegt alleen: er is zo veel,
dat ik niet begrijp,
ach meisje, weet je
de slimste ben ik immers niet.
En achter haar schaduw gaapt
haar woning,
de te grote schaal van een schelp, begraven
in het tijdslib, dat niet meer aan de stad toebehoort.
Het begon ermee dat ze dwergachtiger werd
jaar na jaar, niet meer te vinden
haar modieuze gang, haar knipperende ogen,
alsof er rokerige lucht
van een casino in haar ogen brandde.
Misschien, zegt ze, en op een dag
en wil niet weg van haar raam,
ze is zo mager geworden,
dat ze geen dag meer voelt.
Ach meisje, zegt ze.
weet je, we hebben immers de tijd.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nora Bossong (Bremen, 9 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e januari ook mijn blog van 9 januari 2019 en ook mijn blog van 9 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Juan Marsé, Alfred Tomlinson

De Catalaanse schrijver Juan Marsé werd geboren op 8 januari 1933 in Barcelona. Zie ook alle tags voor Juan Marsé op mijn blog.

Uit: De laatste middagen met Teresa (Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu)

“In een sterrennacht in september lopen ze langzaam over een bed van confetti en serpentines de hele verlaten straat door, met boven hun hoofd een dak van slingers, gekleurde papiertjes en kapotte lampionnen: het is de laatste avond van het Fiesta Mayor (met de confetti en de laatste wals ten afscheid) in een volkswijk aan de rand van de stad, het is vier uur ’s nachts, alles is afgelopen. Het houten podium waar het orkest daarnet nog verzoeknummertjes speelde is leeg, de piano is ingepakt in zijn gele foedraal, de lichten zijn uit en de klapstoelen staan opgestapeld op de stoep. In de straat heerst de verlatenheid die volgt op feesten in garages of op platte daken: het is weer tijd voor andere bezigheden, andere dagelijkse, punctuele taken, de handen moeten weer aan de slag met ijzer, hout en baksteen, armzalige plicht die op de loer ligt in portieken en ramen, ineengedoken wacht op het aanbreken van de dag. De melancholieke bedrieger, de duistere achterbuurtjongen voor wie ’s zomers het avontuur lokt, de smoorverliefde begeleider van de onbekende schone weet het nog niet, de zomer is voor hem nog een groene archipel. Van de balkons hangen in schitterende spiralen serpentines en lampions, waarvan het gelige licht, dat nog onverschilliger is dan de sterren, als uitgeput stof op het dikke confettitapijt valt dat de straat heeft veranderd in een sneeuwlandschap. Een licht briesje laat het dak van papiertjes sidderen en ontlokt het een fris geruis, als een rietveld.
Het eenzame paar past niet in dit landschap, zoals hun kleding ook niet bij elkaar past: de jongeman (spijkerbroek, sportschoenen, zwarte polo met op zijn borst de opdruk van een arrogante windroos) houdt zijn arm om het middel van het elegante meisje (roze jurk met klokrok, fraaie hoge hakken, blote schouders en lang, steil, blond haar) en zij leunt met haar hoofd tegen zijn schouder, terwijl ze langzaam weglopen, loom op het witte schuim trappend waarmee de straat is overdekt. Ze verdwijnen in de richting van een bleke schittering die op de volgende straathoek opdoemt: een sportwagen. De manier van lopen van het paar doet denken aan het plechtige schrijden bij een huwelijksceremonie, met de ideale traagheid waarvan we in onze dromen mogen genieten. Ze kijken elkaar in de ogen. Ze naderen de auto, een witte Floride. Plotseling komt er een vochtige windvlaag de hoek om en blaast hun wolken confetti in het gezicht; het is de eerste herfstwind, de regenachtige klap in het gezicht die het einde van de zomer aankondigt. Verrast laten de jonge mensen elkaar los, lachen en houden hun handen voor hun ogen. Met hernieuwde kracht zoemt de werveling van confetti onder hun voeten, slaat haar sneeuwwitte vleugels uit, omsluit hen volledig en houdt hen een paar seconden verborgen; dan zoeken ze tastend naar elkaar in de ruimte, alsof ze blindemannetje spelen, en ze lachen, roepen elkaar, omhelzen elkaar, laten elkaar los en wachten totdat er een eind komt aan deze hele warwinkel, met een plechtstatige houding, de ruggen naar elkaar toe gekeerd, heel even verloren, verdwaald in de wolk van witte vlokken die als een wervelwind om hen heen draait.”

 

Juan Marsé (Barcelona, 8 januari 1933)

 

De Engelse dichter, vertaler en graficus Alfred Charles Tomlinson werd geboren op 8 januari 1927 in Stoke-on-Trent, Staffordshire. Zie ook alle tags voor Alfred Tomlinson op dit blog.

 

Tegen reizen

Deze dagen zijn het beste als je nergens heen gaat,
Het huis een reservoir van stille verandering,
Het kraken van meubels, de ruiten
Geborsteld door het halfrijm van activiteiten
Die niet helemaal verklaren wat het was
Wat er buiten door omhoogkwam. De kleuren, zelfs,
In overeenstemming met de teneur van de dag – ja, ‘grijs’
Hoor je in het weerbericht,
Maar wat voor grijs, waarin de tinten zweven,
Op het punt om te vangen, maar zich nog steeds inhoudend,
De gloed die erin is als de zon verschijnt,
En toch doet hij dat niet. Dan geeft de ruit
Door een trilling van glas
De verre dreun toe van een vertrekkend vliegtuig.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Alfred Tomlinson (8 januari 1927 – 22 August 2015)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e januari ook mijn blog van 8 januari 2019 en ook mijn blog van 8 januari 2017 deel 2.

Frans Kellendonk, Dionne Brand

De Nederlandse schrijver en vertaler Frans Kellendonk werd geboren in Nijmegen op 7 januari 1951. Zie ook alle tags voor Frans Kellendonk op dit blog.

Uit: Beeld en gelijkenis

“Ze konden me thuis in die tijd met geen stok onder de tafel vandaan krijgen. Er was werkelijk niets waar ik me niet voor schaamde. Ik schaamde me voor mijn moeder, die altijd die verkeerde kleren droeg. Voor mijn vader, die zo gruwelijk ‘d’r neven’ kon zwetsen, en voor zijn duitendieverij. Voor de neuzen van mijn schoenen. Voor mijn oren en mijn stem en het meest van al en eigenlijk voor het blote feit dat ik was wie ik was. `Zo, je weet dus niet hoe dat komt. Je voelt je, als het ware, een verstotene?’ `Ja, pater.’ `Een misbaksel, een nietsnut, een oud vod?’ `Ja, pater.’ `Te smerig om aan te raken, nog onwaardiger dan het straatvuil onder je schoenen’ (snerpend, almaar snerpender) ‘een beerput vol ongerechtigheid, een drol, een plas kots?’ `Nou, zo erg niet, pater.’ Ik begon een beetje te begrijpen waarom de parochianen zo’n hekel aan hem hadden. `Maar ik schaam me wel verschrikkelijk.’ `Dat komt door de erfzonde, mijn zoon.’ Zijn stem werd nu zo warm datje erin zou willen slapen en hij vertelde dat de erfzonde van oorsprong misschien een vloek, maar uiteindelijk een zegen is. Ik had de jaren des onderscheids bereikt, zei hij, en kennis gekregen van goed en kwaad. Hij zei dat de mens zich door die kennis godgelijk kan wanen, maar in zijn eigen ogen ook altijd te kort moet schieten. Dat ze van de duivel komt en ons dichter brengt bij God. Dat Jezus Christus om de erfzonde aan het kruis is gestorven en de poorten van de hemel voor ons heeft geopend. In de mond van de overijverige franciscaan kregen deze woorden, voordien tiranniek geraaskal van een hoofdpijn verwekkende onzinnigheid, de kracht en de pracht van een openbaring. ‘Stel je bij alles wat je doet Hem ten voorbeeld, mijn zoon, want Hij is de weg, de waarheid en het leven, en bid nu samen met mij een oefening van berouw en voor je de kerk verlaat nog drie onzevaders en drie weesgegroeten.’ Ik had niet veel op met Jezus Christus, een man in een soepjurk, die zich een doornenkroon op het hoofd had laten drukken, edik had gedronken van een spons en die, als hij in moeilijkheden zat, dreigde zijn vader erbij te halen. Zijn vader was een toornige ijdeltuit, die nooit genoeg geloofd en geprezen kon worden. Van dat stel had ik altijd een gezonde afkeer gehad, maar nu dat van die erfzonde pijnlijk waar bleek te zijn besloot ik toch maar om een vrome katholiek te worden. Godsdienst was in de praktijk van alledag een kwestie van centen en stuivers. Door te sjacheren om een handjevol geld kwam je erachter wat een onbegonnen werk het is om zonder Gods genade de eeuwige zaligheid te verdienen.”

 

Frans Kellendonk (7 januari 1951 – 15 februari 1990)
Portret door Kees Knopper, 1984.

 

De Canadese dichteres en schrijfster Dionne Brand werd geboren op 7 januari 1953 op Trinidad. Zie ook alle tags voor Dionne Brand op dit blog.

 

Ik zag deze vrouw ooit in een ander gedicht

Ik zag deze vrouw ooit in een ander gedicht, zittend,
water over haar hoofd gieten op de korst van een landelijk
strand toen ze zich naar haar eeuw keerde. Toen ik haar zag
was geen enkel deel van mij op zijn gemak met zichzelf. Ik was jaloers op haar,
zo oud en apart geplaatst, een bepaalde gewoonte spoelde weg uit haar
ogen. Ik moet haar hebben herkend. Ik weet dat ik naar haar
keek langs de rand van de branding, mezelf belovend, dat een oude vrouw vrij is.
In mijn zenuwen was daar iets aan het ontrafelen, en ze was een plek om naartoe te gaan, geloof me, tegen stormen van mannelijkheid in, maar daarin was ze toen
mannelijk, oude vrouw, oude vogel die loenst naar de
watervleugel boven haar hoofd, vloekend onder haar
adem. Ik dacht dat ze gracieus in mij zou zijn
en dat was ze misschien ook geweest als ik je niet had horen
lachen in een andere tijd en hief mijn hoofd op, weg van haar
droge charme.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Dionne Brand (Trinidad, 7 januari 1953)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e januari ook mijn blog van 7 januari 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Drie Koningen (Willem de Mérode), Carl Sandburg

 

Bij het feest van Driekoningen

 

Aanbidding der wijzen door Bartolomé Esteban Murillo, ca. 1655

 

Drie Koningen

Hij, met zijn fonkelende oogen
In ’t bruine perkament gelaat,
Buigt ’t hoofd en houdt de knie gebogen
En kust de voet van ’t Kind dat staat

En stort de schatting zijner landen:
Het toornig roode goud, ter aard,
En voelt den greep der kleine handen
Bewegen in zijn breeden baard.

Hij, in den witten wollen kleede,
Die zijn vrijwillig lachen won,
Kostert zich in den hoogen vrede,
Een stapelwolk verguld van zon.

Hij brengt den triesten wierook, zoete
Herinnering aan vreugde en waan,
En aan berouw, gebed en boete,
En bidt den kleinen Koning aan.

En hij, die gladgeboende zwarte
In ’t flodderige groen habijt,
Die met zijn zwoel zwaarmoedig harte
Nadert tot Gods blijmoedigheid,

Hij brengt de bittre mirr’, die booze
Nijd, en halsstarigge overmoed,
En al de vunzige en vooze
Begeerten bijt uit ’t troebel bloed.

Toen hij nog weifelde om ’t te vragen,
Droeg hij het trapllend Jongsken al.
Maria loech vol welbehagen.
Jozef kuischte den leemen stal.

 

Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
Andreaskerk in Spijk, de geboortgeplaats van Willem de Mérode

 

De Amerikaanse dichter Carl Sandburg werd geboren op 6 januari 1878 in Galesburg, Illinois. Zie ook alle tags voor Carl Sandburg op dit blog.

 

Drie ballen

Jabowsky’s huis ligt in een zijstraat en alleen de regen wast de stoffige drie ballen.
Toen ik een maand geleden langs het raam liep lagen daar in trotse afzondering:
Een familiebijbel met het koperen slot eraf, een houten klok met verdwenen slinger,
En een porseleinen crucifix met het glazuur gekerfd waar de linker elleboog van Jezus wordt afgebeeld.
Ik liep er vandaag langs en ze waren er allemaal, liggend in trotse afzondering,
de klok en het crucifix zeiden niet meer en niet minder dan voorheen,
en een gele kat lag in een streepje zon te slapen naast de familiebijbel met het slot eraf.
Alleen de regen wast de stoffige drie ballen voor Jabowsky’s huis in een zijstraat.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Carl Sandburg (6 januari 1878 – 22 juli 1967)
Carl Sandburg. Borstbeeld door Avard T. Fairbanks, 1958

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e januari ook mijn blog van 6 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.  

Umberto Eco, David Berman

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.

Uit: Confessions of a Young Novelist

“In 1860, on the verge of sailing through the Mediterranean to follow Garibaldi’s expedition to Sicily, Alexandre Dumas père stopped in Marseille and visited the Château d’If, where his hero, Edmond Dantès, before becoming the Count of Monte Cristo, was imprisoned for fourteen years and was tutored in his cell by a fellow inmate, the abbé Faria. While Dumas was there, he discovered that visitors were regularly shown what was called the “real” cell of Monte Cristo, and that the guides constantly spoke of Dantès, Faria, and the other characters of the novel as if they had really existed. In contrast, the same guides never mentioned that the Château d’If had held as prisoners some important historical figures, such as Honoré Mirabeau.
Thus, Dumas comments in his memoirs: “It is the privilege of novelists to create characters who kill those of the historians. The reason is that historians evoke mere ghosts, while novelists create flesh-and-blood people.”
Once a friend of mine urged me to organize a symposium on the following subject: If we know that Anna Karenina is a fictional character who does not exist in the real world, why do we weep over her plight, or at any rate why are we deeply moved by her misfortunes?
There are probably many highly educated readers who do not shed tears over the fate of Scarlett O’Hara but are nevertheless shocked by the fate of Anna Karenina. Moreover, I have seen sophisticated intellectuals openly weep at the end of Cyrano de Bergerac—a fact that should not astonish anybody, because when a dramatic strategy aims at inducing the audience to shed tears, it makes them weep regardless of their cultural level. This is not an aesthetic problem: great works of art may not evoke an emotional response, whereas many bad films and dime novels succeed in doing so. And let’s remember that Madame Bovary, a character for whom many readers have wept, used to cry over the love stories she was reading.
I told my friend firmly that this phenomenon had neither ontological nor logical relevance, and could be of interest only to psychologists. We can identify with fictional characters and with their deeds because, according to a narrative agreement, we start living in the possible world of their story as if it were our own real world. But this does not occur only when we read fiction.
Many of us have sometimes thought of the possible death of a loved one and have been deeply affected, if not moved to tears, even though we knew that the event was imagined and not real. Such phenomena of identification and projection are absolutely normal and (I repeat) are a matter for psychologists. If there are optical illusions, in which we see a given form as bigger than another even though we know they are exactly the same size, why shouldn’t there be emotional illusions as well?”

 

Umberto Eco (5 januari 1932 – 19 februari 2016)

 

De Amerikaanse dichter, songwriter en frontman van Silver Jews David Berman werd geboren op 4 januari 1967 in Williamsburg, Virginia. Zie ook alle tags voor David Berman op dit blog.

 

Sneeuw

Met mijn broertje Seth liep ik door een weiland

en wees naar een plek waar kinderen engelen in de sneeuw hadden gemaakt.
Om de een of andere reden vertelde ik hem dat er een groep engelen was
neergeschoten en opgelost toen ze de grond raakten.

Hij vroeg wie ze had neergeschoten en ik zei een boer.
Toen waren we op het dak van het meer.
Het ijs zag eruit als een foto van water.

Waarom vroeg hij. Waarom heeft hij ze neergeschoten?

Ik wist niet waar ik hiermee naartoe wilde.

Ze waren op zijn terrein, zei ik.
Als het sneeuwt, lijkt het buitenleven een kamer.

Vandaag heb ik hallo’s gewisseld met mijn buurman.
Onze stemmen bleven dicht bij de nieuwe akoestiek.
Een kamer met aan flarden geslagen muren die omvielen.

We gingen verder met spitten en werkten in stilte zij aan zij.

Maar waarom waren ze op zijn terrein, vroeg hij.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

David Berman (Williamsburg, 4 januari 1967)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e januari ook mijn blog van 5 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.